NL.IMRO.1884.BPFLORAWEG68-VAS1 toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Floraweg 68, Roelofarendsveen Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPFLORAWEG68-VAS1
Datum:
18 maart 2024
Kenmerk Buro SRO:
SR200192
Opdrachtgever:
dhr. Klein
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 3 Beleidskader ............................................................................................................................................ 9 3.1 Nationaal beleid .................................................................................................................................................. 9 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 10 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 14
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 18 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 18 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 19 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 19 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 20 4.5 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 21 4.6 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 24 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................
26 4.8 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 28 4.9 Ecologie ............................................................................................................................................................. 29 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 29
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 31 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 31 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 31 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 31 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 31 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 32
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 33 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 34 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 34 7.2 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 34
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie aan de Floraweg 68 te Roelofarendsveen staat het geldende bestemmingsplan een agrarische bedrijfswoning toe. De bedrijfswoning wordt echter al lange tijd niet als zodanig gebruikt. De achterliggende kassen (welke niet meer bedrijfsmatig worden gebruikt) behoorden toe aan het aangrenzende (glas)tuinbouwbedrijf aan de Floraweg 66. Het voornemen is om de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Eerder is er een principeverzoek ingediend met de vraag of de bedrijfswoning omgezet kon worden naar een plattelandswoning. De gemeente spreekt zich positief uit over het initiatief. Voorwaarde is dat middels een agrarisch advies aangetoond wordt dat de ontwikkeling voldoet aan de vereisten van de wijzigingsbevoegdheid, zoals die is opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg'. Tevens dienen de direct omwonenden te worden geïnformeerd over het initiatief. Er dient dan ook een bestemmingsplan opgesteld te worden waarin wordt toegelicht dat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Omdat volgens het agrarisch advies niet aan alle vereisten van de wijzigingsbevoegdheid voldaan kan worden en er ook geen sprake kan zijn van een plattelandswoning (want er is geen actief agrarisch bedrijf meer waar het bij kan horen) is het voorliggende postzegelbestemmingsplan opgesteld.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt aan de Floraweg 68 te Roelofarendsveen (gemeente Kaag en Braassem), ten zuidwesten van de kern Roelofarendsveen. De planlocatie betreft het kadastrale perceel gemeente Alkemade, sectie K, perceel 1021. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 455 m². Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven.
Globale ligging plangebied (rood omcirkeld, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg'. Dit bestemmingsplan is op 13 mei 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg'.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg' (plangebied is rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden in het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch Glastuinbouw'. Deze gronden zijn bestemd voor volwaardige en doelmatige glastuinbouwbedrijven, bollenbroeierijen en vollegrondsteelt, ondergeschikte detailhandel, hoveniersbedrijven, het bestaande aantal legale of reeds vergunde bedrijfswoningen, de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, behoud van de bestaande waterberging en realiseren van een buffer voor toekomstige waterberging en bijbehorende voorzieningen. Het voorgenomen plan, dat bestaat uit omzetten van de bestaande (legale) bedrijfswoning naar een burgerwoning, is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Met de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.3 kan de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning gewijzigd worden naar 'Agrarisch - Glastuinbouw' met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - plattelandswoning'.
6
De wijzigingsbevoegdheid en de bijbehorende voorwaarden (a t/m g) worden in toelichting paragraaf 3.3.2 toegelicht. Omdat niet aan alle voorwaarden voldaan kan worden, dient er een postzegelbestemmingsplan opgesteld te worden. Voor situaties als deze, bedrijfswoning wordt al tijden niet meer als zodanig gebruikt, heeft het college van Kaag en Braassem een beleidslijn geformuleerd aan de hand waarvan dergelijke aanvragen beoordeeld kunnen worden. Kort samengevat wordt er in deze lijn vanuit gegaan dat de huidige teeltactiviteiten op de gronden achter het woonlint beschermd moeten worden. Daarmee wordt het agrarisch gebruik gekoesterd. In het woonlint zijn de huidige bedrijfs-, plattelands- of burgerwoningen toegestaan. Omzetting van een bedrijfs- naar plattelands- of burgerwoning blijft hier mogelijk, mits deze omzetting niet beperkend is of zou kunnen zijn voor de achterliggende teelt. Aan deze beleidslijn wordt voldaan, dit wordt later nader gemotiveerd, waarmee de Floraweg 68 omgezet kan worden naar burgerwoning.
1.4 Leeswijzer De huidige en de toekomstige situatie in het plangebied worden in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het project onderbouwd met betrekking tot de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevatten de hoofdstukken 6 en 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de participatie, het vooroverleg en een verslag van de tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediende zienswijzen worden opgenomen.
7
2 Planbeschrijving Aan de Floraweg 68 te Roelofarendsveen is volgens het geldende bestemmingsplan een bedrijfswoning bij de ter plaatse toegestane agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan (zie toelichting paragraaf 1.3). Door de aanhoudende schaalvergrotingen die ter plaatse maar ook landelijk plaatsvinden, hebben veel van de aanwezige bedrijfswoningen hun functie verloren. Dit geldt ook voor de bedrijfswoning aan de Floraweg 68, die al lange tijd door derden wordt bewoond. De woning is gebouwd in 1964 en bestaat uit twee bouwlagen met een zadelkap. Aan de achterzijde (westzijde) van de woning is over de breedte van het perceel een kas aanwezig. De gronden aan de voorzijde (oostzijde) van de woning zijn ingericht als siertuin en inrit. Ten noorden van de woning leidt een inrit naar de achtergelegen kassen. Die inrit maakt geen deel uit van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. De aangrenzende gronden waren tot 2010 in gebruik voor glastuinbouw door het destijds naastgelegen bedrijf aan de Floraweg 66. In 2009 zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd en sindsdien worden de kassen hobbymatig gebruikt. In 2010 is circa 3.025 m² kas afgebroken waardoor er nog circa 2.239 m² kas is overgebleven. Daarnaast zijn er nog een schuur 154 m² en een koelcel 22 m³ aanwezig op het terrein. Het achterliggende perceel is in gebruik als grasland.
Ten zuiden en oosten van het plangebied zijn zowel bedrijfswoningen en burgerwoningen gesitueerd. De navolgende afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie weer.
Impressie huidige situatie (bron: Google Maps)
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Veender- en Lijkerpolder buiten bedijking. De omgeving van het plangebied is een historisch gegroeid (glas)tuinbouwgebied van circa 134 hectare. De initiatiefnemer is voornemens de agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Ook de onbebouwde gronden rondom de woning, die reeds in gebruik zijn als tuin bij de woning, worden hiermee gewijzigd. Hierbij wordt de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.3 uit het geldende bestemmingsplan ‘Geestweg en Floraweg’ in zekere zin gevolgd. Omdat hier niet aan alle voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid kan worden voldaan is voorliggend postzegelbestemmingsplan opgesteld. Er wordt geen bebouwing toegevoegd of gesloopt. Ook overige fysieke ingrepen zijn geen onderdeel van het voorliggende initiatief.
8
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
9
2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Ten opzichte van de huidige planologische situatie wordt er geen woning toegevoegd. Dit betreft geen stedelijke ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 20 april 2019. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
10
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland. Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de groene ruimte, bestaande uit de overwegend onbebouwde ruimte buiten de steden, dorpen, linten en kassen en uit de stedelijke groen- en waterstructuur, is het sturen op ruimtelijke kwaliteit leidend voor de
11
keuzes die in dit gebied worden gemaakt. De provincie stuurt middels een kwaliteitskaart en gebiedsprofielen op de ruimtelijke kwaliteit. Met betrekking tot het voorgenomen plan zijn de kaartlagen van de kwaliteitskaart en het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied niet relevant, omdat de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning geen invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De Floraweg blijft herkenbaar als onderscheidende bebouwingsvorm. Daarnaast is het plangebied gelegen in de bebouwde ruimte en vinden er geen fysieke wijzigingen plaats. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast heeft het plan betrekking op de beleidskeuze 'Agrarische bebouwing en bedrijfsvoering'. De provincie staat glastuinbouw alleen toe in de daarvoor aangewezen gebieden. De omgeving van het plangebied is aangewezen als glastuinbouwgebied. De beoogde wijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning heeft een beperkte invloed op het bestemde glastuinbouwgebied. De gronden welke beschikbaar zijn voor glastuinbouw nemen iets af. Anderszijds is het 'ontstaan' van deze burgerwoning een logisch gevolg op de schaalvergroting die plaatsvindt in het gebied. De omzetting is niet van invloed op de omliggende bedrijfsvoering van derden. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. Verder wordt in de visie niet specifiek ingegaan op bedrijfswoningen, plattelandswoningen of burgerwoningen. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat er door het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning, de bestaande woning een woonfunctie kan vervullen zonder dat er een nieuwe belemmering wordt opgeworpen voor de omliggende glastuinbouwbedrijven.
Het omzetten belemmert de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet. Er dient geconcludeerd te worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en in lijn is met de provinciale ambities.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 20 april 2019 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
12
c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Het voorgenomen plan is geen ruimtelijke ontwikkeling, omdat dit geen nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van bebouwing of grond betreft. Bovendien blijkt uit toelichting paragraaf 3.2.1 dat aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'
In toelichting paragraaf 3.1.3 is de ladder voor duurzame verstelijking doorlopen. Daaruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is en daarmee voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking uit het Bro en artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Glastuinbouwgebied Het plangebied is aangewezen als glastuinbouwgebied. In artikel 6.15 lid 1 is geregeld dat binnen een glastuinbouwgebied alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking, toegestaan zijn. Als gevolg van het voorgenomen plan neemt de oppervlakte van het glastuinbouwgebied dat gebruikt kan worden voor glastuinbouw beperkt af. De omzetting van de woning beperkt omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. In artikel 6.15 lid 4 is bepaald dat in een bestemmingsplan de begrenzing van het glastuinbouwgebied in beperkte mate kan worden aangepast waar het de randen van het glastuinbouwgebied betreft of langs linten waar reeds afwijkende functies aanwezig zijn, mits aangetoond wordt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. De woning Floraweg 68 bevindt zich in een lint. Ten noorden van de Floraweg 68 is reeds een burgerwoning aanwezig.
Daarmee vormt dit bestemmingsplan een logische aansluiting op de noordelijk gelegen woning. Voor de achterliggende gelegen gronden geldt dat de woonbestemming van de Floraweg 74 mede bepalend is voor de bedrijfsvoering. De omzetting van Floraweg 68 is daarmee beperkt/niet van invloed op de agrarische gebruiksmogelijkheden.
13
Conclusie De Omgevingsverordening stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit de provinciale verordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek Het plangebied ligt in het gebiedstype glastuinbouwgebied. De focus binnen dit gebied ligt op de glastuinbouwactiviteiten. Zo is er bijvoorbeeld geen ruimte voor horeca, verblijfsrecreatie, evenementen, woningbouw en aan huis verbonden beroepen en bedrijven. - Voor kleine aan glastuinbouw gerelateerde bedrijvigheid en huisvesting van arbeidsmigranten is ruimte. - Bij nieuwbouw of herstructurering van het betreffende glastuinbouwgebied is er in het bijzonder aandacht voor duurzaamheid, de ontsluiting en water. - Er is ruimte voor glastuinbouwgebieden om zich te ontwikkelen, daarom is er op het gebied van geur, geluid en lichthinder ruimte.
Wel moet rekening gehouden worden met een goed woon- en leefklimaat voor de woningen in de naastgelegen kernen. Het voorgenomen plan is geen ruimtelijke ontwikkeling, omdat dit geen nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van bebouwing of grond betreft. De oppervlakte van het glastuinbouwgebied neemt als gevolg van dit plan beperkt af. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat
14
er door het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning, de bestaande woning een woonfunctie kan vervullen zonder dat er een nieuwe belemmering wordt opgeworpen voor de omliggende glastuinbouwbedrijven van derden. Het omzetten belemmert de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven van derden niet. Conclusie De Omgevingsvisie stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit de gemeentelijke Omgevingsvisie.
3.3.2 Wijzigingsbevoegdhei In deze paragraaf wordt de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.3 in het geldende bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg' toegelicht. Deze wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming Agrarisch - Glastuinbouw, ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning te wijzigen en de nadere aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding plattelandswoning’ op te nemen, mits: a. b. c. d. e. f. g.
er schaalvergroting of reconstructie heeft plaatsgevonden; de agrarische functie van de bedrijfswoning niet langer noodzakelijk is; de ligging van de af te splitsen bedrijfswoning niet zodanig is dat hierdoor toekomstige reconstructies kunnen worden belemmerd; per glastuinbouwbedrijf tenminste 1 bedrijfswoning aanwezig blijft; de af te splitsen kavel niet groter is dan 1.000 m²; er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat; het glastuinbouwbedrijf aantoonbaar functioneert als volwaardig agrarisch bedrijf.
Toetsing De gronden in het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Deze bestemming wordt ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning en de omliggende gronden gewijzigd naar 'Agrarisch Glastuinbouw' met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - plattelandswoning’. Er is een advies beschikbaar van de Agrarische beoordelingscommissie (zie toelichting paragraaf 3.3.3). Ad a) Bij de bedrijven in de omgeving van het plangebied heeft schaalvergroting plaatsgevonden. Bij de kassen ten westen van de woning heeft reconstructie plaats gevonden. Deze zijn alleen hobbymatig in gebruik en er is een bedrijfswoning vervreemd. Ad b) Uit het agrarisch advies blijkt dat de agrarische functie van de bedrijfswoning niet langer noodzakelijk is. Ad c) Onder reconstructie wordt in het geldende bestemmingsplan de verandering in het gebruik van een bedrijf, zoals het vervreemden van een bedrijfswoning, verstaan. De gronden in de directe nabijheid van het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Het vervreemden van de betreffende bedrijfswoning is geen belemmering voor de binnen deze bestemming toegestane agrarische bedrijvigheid, mede omdat er geen veranderingen in het gebruik van het aangrenzende bedrijf zijn en er in directe omgeving reeds diverse burgerwoningen zijn toegestaan.
Uit toelichting paragraaf 4.6 blijkt dat huidige omliggende agrarische bedrijfsuitoefening niet wordt belemmerd als gevolg van het voorgenomen plan. De achterliggende kassen blijven goed bereikbaar. Ad d) De kassen ten westen van de woning zijn reeds jarenlang slechts hobbymatig en niet beroepsmatig in gebruik voor agrarische activiteiten. De woning nummer 66 is niet meer in gebruik als bedrijfswoning. Van
15
de woning nummer 68 wordt in onderhavig plan de bestemming gewijzigd naar een plattelandswoning. Daarmee blijft er niet ten minste één bedrijfswoning per (glas)tuinbouwbedrijf aanwezig. Ad e) Het oppervlak van het af te splitsen perceel bedraagt ongeveer 455 m² en is daarmee niet groter dan 1.000 m². Ad f) Uit toelichting paragraaf 4.6 blijkt dat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ad g) De woning aan de Floraweg 68 vervuld geen agrarische functie meer en zal deze ook niet meer krijgen. Er is reeds jarenlang geen sprake meer van beroepsmatige agrarische activiteiten op onderhavige locatie. De kassen worden hobbymatig gebruikt en het achterliggende perceel is in gebruik als grasveld. Het glastuinbouwbedrijf functioneert niet als volwaardig agrarisch bedrijf. De Agrarische beoordelingscommissie heeft een positief advies uitgebracht ten aanzien van de wijziging naar een plattelandswoning, maar komt tot de conclusie dat het geen volwaardig agrarisch bedrijf betreft (kenmerk 19 020 kb, 14 mei 2019, zie bijlagen bij toelichting). Daarmee wordt strikt genomen niet aan deze voorwaarde voldaan. Er wordt aan de voorwaarden d en g niet voldaan. Desondanks wordt er door de Agrarische beoordelingscommissie een positief advies uitgebracht ten aanzien van de wijziging naar een plattelandswoning.
Omdat niet kan worden voldaan aan de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan en een plattelandswoning feitelijk geen optie is, omdat er geen inrichting meer is waartoe de plattelandswoning kan horen, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Met onderhavig postzegelbestemmingsplan wordt afgeweken van de wijzigingsbevoegdheid en wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning.
3.3.3 Agrarische beoordelingscommissie In het advies van de Agrarische beoordelingscommissie d.d. 14 mei 2019 (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) heeft de beoordelingscommissie geconstateerd dat de kassen sterk verouderd zijn en niet meer voldoen aan de eisen van een modern (glas)tuinbouwbedrijf. Er is reeds jarenlang geen sprake meer van beroepsmatige agrarische activiteiten op onderhavige locatie. De kassen worden hobbymatig gebruikt en het achterliggende perceel is in gebruik als grasveld. Verder is, gelet op de beperkte oppervlakte van totaal circa 2.239 m² en de bedrijfstechnische verouderde staat van de kas, een bedrijfsmatig agrarisch gebruik van deze locatie niet meer te verwachten. Daarnaast zijn er geen nabijgelegen bedrijven die belangstelling hebben om het agrarische perceel aan te kopen. De Agrarisch beoordelingscommissie merkt op dat het bedrijf niet meer aantoonbaar functioneert als volwaardig agrarisch bedrijf en dat de bedrijfswoning Floraweg 68 geen functie meer uitoefent bij een volwaardig agrarisch bedrijf. Ook wordt opgemerkt dat de woning aan Floraweg 66 dus geen bedrijfswoning meer is en dat er daarom geen bedrijfswoning meer over blijft op deze kavel. De commissie adviseert desalniettemin positief ten aanzien van de omzetting van de agrarische bestemming van de woning Floraweg 68 naar een plattelandswoning.
Omdat de woning, ook op termijn, geen agrarische functie meer krijgt en de woning niet belemmerend is voor de eigen bedrijfsvoering, deze is immers al jaren beëindigd, is in overleg met het bevoegd gezag gekozen voor de bestemming Wonen in plaats van een aanduiding plattelandswoning binnen de agrarische bestemming.
3.3.4 Beleidslijn burgerwoningen Het college van Kaag en Braassem heeft recentelijk een beleidslijn geformuleerd waarmee beoordeeld kan worden of de omzetting van een voormalige bedrijfswoning gehonoreerd kan worden. In het kort komt deze beleidslijn erop neer dat omzetting naar burgerwoning of plattelandswoning mogelijk is indien de omliggende agrarische bedrijfsvoering niet gehinderd wordt in haar mogelijkheden.
16
Voor de Floraweg 68 is in 2019 een ABC advies uitgebracht. In dit advies concludeerd de ABC dat op de achterliggende gronden alleen nog hobbymatig agrarisch gebruik plaatsvindt en niet te verwachten is dat hier nog volwaardige agrarische activiteiten zullen gaan plaatsvinden. De Omgevingsdienst West-Holland komt in haar advies van september 2021 tot de conclusie dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering er geen belemmeringen zijn om de bestemming van de woning te wijzigen naar de bestemming Wonen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning Floraweg 68. Uit beide adviezen is te herleiden dat omliggende bedrijvigheid niet in de weg staat aan de beoogde omzetting en daarmee bedrijven niet gehinderd zullen worden in de bedrijfsvoering.
17
4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene
18
wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie niet toe. Er worden geen fysieke ingrepen uitgevoerd. De effecten op het milieu van het beoogde gebruik (burgerwoning) wijken nauwelijks af van het huidige gebruik (bedrijfswoning). Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en een vormvrij m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De gronden direct rondom de bestaande bedrijfswoning blijven in gebruik ten behoeve van het huidige gebruik (wonen). De omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning heeft geen gevolgen voor de eisen die gesteld worden aan de bodemkwaliteit.
Er zijn in het verleden geen bodemverontreinigende bedrijfsactiviteiten, zoals het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het verwerken van bloemen, ter plaatse van de bedrijfswoning en de aangrenzende gronden uitgevoerd. Deze gronden zijn sinds jaar en dag in gebruik voor wonen. De verharding rondom de woningen wordt niet verwijderd. Daarnaast wordt er geen grondverzet uitgevoerd. Derhalve kan het plangebied als 'onverdacht' op het aantreffen van bodemverontreiniging worden beschouwd. Om die reden is de bestaande informatie afdoende en is er geen bodemonderzoek nodig. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect bodem.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
19
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek In voorliggend bestemmingsplan gaat het om de wijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Beide zijn geluidgevoelige objecten. De betreffende woning is gelegen aan de Floraweg. Voor deze weg geldt vanuit de Wet geluidhinder een onderzoeksplicht voor geluidsgevoelige objecten. Vanuit de Wet geluidhinder wordt er echter geen onderscheid gemaakt tussen een bedrijfswoning en een burgerwoning. Er is dus geen sprake van een nieuwe situatie. Indien in de bestaande situatie sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, moet in het verleden een hogere waarden in het kader van de Wet geluidhinder zijn verleend. Er kan derhalve van uit worden gegaan dat er ten aanzien van het wegverkeerslawaai sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan vanuit het aspect geluid.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
20
Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Uit toelichting paragraaf 4.10 komt naar voren dat het initiatief niet leidt tot een toename van de verkeersgeneratie. Daarmee treedt er geen verslechtering op ten opzichte van de bestaande situatie, waardoor het initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool (2020) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstof over 2020 in rekenpunt 15844859 nabij de planlocatie bedragen respectievelijk maximaal 17,3 µg/m³, 10,1 µg/m³ en 16,7 µg/m³.
Daarmee wordt er voldaan aan de gestelde grenswaarden en is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
21
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
22
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het voorgenomen plan wordt vergeleken met de huidige (planologische) situatie geen kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Het aantal personen in het plangebied neemt als gevolg van het voorgenomen plan niet toe. Desondanks is voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.