NL.IMRO.1884.BPACHTERDIJK2-VAS1 toelichting
Tekst van het document
26
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijnstof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd.
Planspecifiek Het voorliggende initiatief is een kleinschalige ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 16,0 µg/m³ PM10, 8,4 µg/m³ PM2,5 en 14,6 µg/m³ NO2. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM 10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Er wordt overigens niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in 2030. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh).
De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
verpleeghuizen,
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. Alle omliggende wegen zijn evenwel 30 km-wegen en deze vallen niet onder de bepalingen van de Wet geluidhinder. Daardoor is in het kader van het bestemmingsplan geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nodig. Bovendien is er gelet op de
27
afstand tot de wegen en de intensiteiten op deze wegen ook geen aanleiding om te veronderstellen dat een goed woon- en leefklimaat in het geding is.
4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in de mogelijkheden beperkt worden. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is gekeken of er voldaan wordt aan de richtafstanden tot de omliggende bedrijven en milieubelastende activiteiten in de omgeving. De planlocatie ligt in een omgeving met verschillende functies, zoals wonen, bedrijven en recreatie. De omgeving van het plangebied wordt dan ook gezien als een gemengd gebied. Hierdoor kunnen de richtafstanden van de VNG-publicatie met één afstandsstap worden verminderd (met uitzondering van het aspect 'gevaar'). De navolgende tabel toont de bedrijven in de omgeving. Adres
Soort bedrijf, milieucategorie
Ripselaan
Scheepswerf en werkplaats, milieucategorie 3.1 Groothandel in granen, ruwe tabak, oliën, zaden en veevoer, milieucategorie 3.1 Auto reparatie, milieucategorie 2
Koppoellaan 5
Oud Adeselaan 8
28
Richtafstand gemengd gebied 30 m
Afstand tot aan de woningen
30 m
155 m
10 m
150 m
65 m
Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de richtafstanden en dat daarmee sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat voor de beoogde nieuwe woningen. Daarnaast worden de mogelijkheden voor omliggende bedrijven niet verder belemmerd. De bouwvlakken binnen het plangebied liggen binnen 50 meter van agrarische gronden waar eventueel, op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied West', ook tweejarige sierteeltgewassen zijn toegelaten waarvoor dan gewasbeschermingsmiddelen gebruikt zouden kunnen worden. Er is evenwel in de bestaande situatie geen sprake van sierteelt en er is reeds opgaande beplanting aanwezig tussen deze agrarische gronden en de beoogde woningen, waardoor dit aspect hier geen belemmering zal vormen. Het aspect bedrijven en milieuzonering veroorzaakt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. Planspecifiek Om te bepalen welke risico's er op het gebied van externe veiligheid optreden is de risicokaart geraadpleegd:
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl)
29
Transport gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 1,6 km ten westen van het plangebied is de rijksweg A4 gelegen. De A4 is een weg waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd, vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 km. Er geldt een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m en een groepsrisicocontour 10-7 van 65 m. Een risicoberekening is echter niet verplicht gezien de ruime afstand tot de A4. Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Hiertoe wordt in het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het aanbrengen van een uitschakelbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er op ca. 800 m van het plangebied een defensieleiding ligt. Gezien de ruime afstand zal dit voor geen belemmering zorgen.
Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn enkele risicovolle inrichtingen aanwezig. De planlocatie valt buiten de invloedsgebieden. Ook wordt met onderhavig initiatief geen risicovolle inrichting mogelijk gemaakt. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de
30
Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.
Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
•
Het aanbrengen van verhard oppervlak.
watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: • Het onttrekken en lozen van grondwater;
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het
31
ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek Watercompensatie Een toename aan verharding van meer dan 500 m² dient volgens de regels van het hoogheemraadschap van Rijnland in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat er regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. De voorgenomen ontwikkelingen in de bestaande bebouwing gaan niet gepaard met een toename aan verhardingen. Op het noordelijke perceelsdeel, waar één vrijstaande woning gerealiseerd zal worden, is wel sprake van een toename aan verhard oppervlak, voor de bebouwing met bijbehorende verhardingen, de ontsluiting en het parkeren, maar deze zal niet meer bedragen dan 500 m². Er is dan ook geen watercompensatie nodig voor dit initiatief. Bovendien wordt voor de nieuw aan te leggen parkeerplaatsen bekeken of deze met gravel kunnen worden uitgevoerd. Watergangen De volgende afbeelding toont een fragment van de Legger Regionale Keringen van het hoogheemraadschap van Rijnland.
Fragment legger hoogheemraadschap van Rijnland (plangebied zwart omkaderd)
32
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied binnen de kernzone, profiel van vrije ruimte en beschermingszone ligt van een regionale waterkering. In een dergelijke zone is het verboden om zonder vergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Hiertoe is in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Voor het uitvoeren van handelingen binnen de kernzone, profiel van vrije ruimte en beschermingszone van de regionale waterkering dient de initiatiefnemer instemming te verkrijgen van het hoogheemraadschap van Rijnland. Met het toekennen van het bouwvlak voor de nieuwe woning is rekening gehouden met een bebouwingsvrije zone van 6 meter ten opzichte van de waterkant van de Rijpwetering en de dwarssloot aan de noordwestzijde van het plangebied. Waterafvoer Voor afvalwater kan worden aangesloten op de bestaande riolering. Het afvoeren van het hemelwater van de toegevoegde woningen wordt gedaan via de poldersloot dat zich bevindt tussen de percelen en de Achterdijk. Conclusie De wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN en vormen een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN dragen bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
33
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden nieuwe woningen gerealiseerd en het terrein opnieuw ingericht. In het kader van de Wet natuurbescherming is er een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 21 september 2023 (revisie 1 december 2023), zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Navolgend zijn de conclusies hiervan weergegeven. Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie is in de rapportage per soortgroep besproken wat de potentie van het plangebied en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Uit de rapportgage blijkt dat het bouwen van één nieuwe woning en het herinrichten van de bestaande bebouwing niet resulteert in negatieve effecten op beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden 'Meijendel & Berkheide' en 'Coepelduynen', liggen op een aftand van ca 11 km van het plangebied.
Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Op het effect ten aanzien van stikstofdepositie wordt hieronder nader ingegaan. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de provinciaal aangewezen beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de bollenstreek, maar ligt wel binnen de Groene Buffer. Op een afstand van ca 660 m ligt het natuurnetwerk Nederland en op ca 3,8 km ligt het beschermd landschap bellenstreek. Het plangebied ligt op ca 15 m van het Belangrijk weidevogelgebied. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig. Stikstofdepositie In beginsel dient aangetoond te worden dat het initiatief geen negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in zowel de bouw- als de gebruiksfase. De afstand tot de dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Coepelduynen’ en ‘Meijendel & Berkheide’ bedraagt circa 11 km afstand, terwijl Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ zich op circa 14 km afstand bevindt.
Gelet op deze grote afstanden en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang en gelet op het gegeven dat de inzet van mobiele werktuigen relatief gering is, doordat het deels interne verbouwingen betreft, wordt in de quickscan aangegeven dat op voorhand kan worden uitgesloten dat sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het bouwen van één nieuwe woning en het herinrichten van de bestaande bebouwing, waaronder het inpandige verbouwen van een woning en vier schuren tot vijf woningen en het verwijderen van een schuur en een stacaravan is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om deze reden is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
34
Te treffen maatregelen
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht)
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
• •
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
Zeer verstorende werkzaamheden met zware machines zoals het aanbrengen van heipalen en eventuele werkzaamheden aan de buitenzijde nabij de dakpannen daken dienen te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de huismus (1 maart t/m 31 augustus). Daarnaast dienen dergelijke werkzaamheden te worden uitgevoerd buiten strenge vorstperiodes in de winter.
•
De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
•
Kolonisatie door de rugstreeppad dient te worden voorkomen. Dit kan door grondwerkzaamheden zoveel mogelijk aaneengesloten uit te voeren. Tevens dient te worden voorkomen dat er ondiepe plassen water ontstaan. Het voorkomen van dergelijke plassen in rijsporen kan middels het aanbrengen van rijplaten. Verder dient een eventueel aanwezige opslag van open zand te worden afgedekt, zodat dit niet kan functioneren als verblijfplaats.
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Volgens de gemeentelijke Archeologische beleidskaart is het grootste deel van het onderhavige gebied onderdeel van 'Historische kern' en 'ontginningsassen'. Hier is voor bodemingrepen groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld archeologisch onderzoek nodig. Voor wat betreft de vrijstaande woning, worden deze vrijstellingsgrenzen overschreden.
Om deze reden is hiervoor 'Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase' uitgevoerd (Transect, d.d. 22 november 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 3).
35
Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich bevindt aan het historische bewoningslint van Rijpwetering dat als een ontginningsas in de 14e eeuw is gebuikt. Het plangebied heeft tot circa 3950 v. Chr. in een getijdegebied gelegen, waarin getijdegeulen aanwezig waren. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) worden in het plangebied geen kreekruggen verwacht, waardoor voor deze periode een lage verwachting is vastgesteld. Daarbij bevindt het archeologisch niveau waarin resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Mesolithicum aangetroffen kunnen worden zich dermate diep dat dit buiten beschouwing wordt gelaten. In de periode ná 3950 v. Chr. kwam het plangebied achter strandwallen in een lagune te liggen en werd het gebied met veen bedekt. In deze periode (Bronstijd-Vroege Middeleeuwen) kon alleen langs ontwaterende veenrivieren sporadisch bewoning plaatsvinden. Op basis van het beschikbare materiaal zijn dergelijke ontwaterende veenrivieren niet in het plangebied te verwachten. Zodoende geldt voor deze periode een lage archeologische verwachting. Voor wat betreft resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd is de verwachting hoog. De reden hiervoor is de ligging van het plangebied tussen twee (verhoogde) woonplaatsen in, die zijn ingetekend op verschillende historische kaarten.
In het plangebied zelf ontbreekt de bebouwing vanaf 1615, waardoor er geen aanleiding is om funderingsresten van bebouwing uit deze tijd in het plangebied te verwachten. Wel worden er erf-gerelateerde resten zoals water- en beerputten, afvalkuilen en sporen van terreininrichting zoals greppels en sloten verwacht. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in de ondergrond van het plangebied wadafzettingen van het Laagpakket van Wormer aanwezig zijn vanaf 250 – 270 cm -Mv Deze afzettingen zijn grijs en slap, bevatten humusvlekken en schelp- en plantenresten. Er zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen of indicatoren voor rijping van de klei, die duiden op oeverafzettingen van een eventuele kreekrug in het gebied. Ze zijn afgezet in een voornamelijk nat milieu, waardoor deze afzettingen niet voor bewoning geschikt zijn. Het Laagpakket van Wormer wordt afgedekt door een 110-180 cm dikke veenlaag. Op het veen zijn ophogingslagen aangebracht. Deze bestaan uit een mengsel van sterk humeuze klei en zand, waar ook baksteenresten zijn aangetroffen. Hier bovenop ligt een recente laag ophoogzand, te herkennen door de moderne baksteenresten en ander puin zoals grind en plastic. Op grond van deze bevindingen is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bij te stellen. Ook bij te stellen is de archeologische verwachting voor de periode Neolithicum - Vroege middeleeuwen.
Deze verwachting kan worden bijgesteld naar laag. Dit omdat er geen bewoonbare archeologische niveaus zijn aangetroffen in het laagpakket van Wormer en het veen. De top van het veen en de ophogingslagen zijn archeologisch wel interessant voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Door de liggend tussen twee historische boerderijen is het zeer goed mogelijk dat er hier archeologisch resten van aanwezig zijn in het plangebied. Om deze reden blijft de archeologische verwachting voor deze periode hoog. Om bovenstaande redenen wordt geadviseerd om ter plaatse van de nieuwe woning, bij ingrepen dieper dan 30 cm -Mv, een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen nodig, dat op voorhand beoordeeld en goedgekeurd is door de bevoegde overheid. In verband hiermee wordt geadviseerd om de huidige archeologische dubbelbestemming te behouden. Het archeologisch onderzoek is beoordeeld door het bevoegd gezag (Archis zaaknummer 5467803100, d.d. 20-11-2023), waarbij aangegeven is dat de aanbevelingen worden overgenomen. De tekstuele opmerkingen uit deze beoordeling zijn verwerkt in het rapport van 22 november 2023. De archeologische dubbelbestemmingen worden gehandhaafd in het voorliggende bestemmingsplan.
Daarmee vormt het aspect archeologie in het kader van het bestemmingsplan geen belemmering voor het initiatief.
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
36
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het geldende bestemmingsplan bevat geen dubbelbestemming met betrekking tot cultuurhistorische waarden. In het plangebied bevindt zich een in 1973 aangewezen rijksmonument: de Hertogshoeve van eind 18e eeuw (monumentnummer 7117), Dit pand is door initiatiefnemer gerestaureerd. Met het voorliggende initiatief blijft het betreffende pand behouden en krijgt het gehele ensemble een nieuwe, passende invulling, wat het behoud van het geheel veiligstelt. Op deze wijze zijn de cultuurhistorische waarden veiliggesteld voor de toekomst. Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect cultuurhistorie.
4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling brengt verkeerbewegingen met zich mee. Om de verkeergeneratie te bepalen is de CROWpublicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk' gebied. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie conform de CROWpublicatie 381 weergegeven. Soort woning
Aantal
CROW verkeersgeneratie
koop, huis, vrijstaand koop, huis, twee-ondereen-kap kleine zelfstandige woning Totaal
3 2
8,2 7,8
Totale verkeersgeneratie 24,6 15,6
1
2
2
6
42,2
In totaal komt de verkeersgeneratie daarmee uit op 42,2 voertuigbewegingen per etmaal. De ontsluiting van de woningen is via twee toegangen vanaf de Achterdijk: de bestaande toerit van de woonboerderij en een nieuw aan te leggen inrit voor de nieuwe woning. De Achterdijk is weliswaar een tamelijk smalle weg, maar het betreft een doodlopende weg met een beperkte verkeersintensiteit, waardoor de weg in staat wordt geacht om de beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen te verwerken, waarbij bedacht dient te worden dat er vanuit het huidige gebruik als woonhuis en bed and breakfast, ook reeds sprake is van een
37
zekere verkeersgeneratie. In aanvulling hierop is overeengekomen dat een extra uitwijkmogelijkheid op de Achterdijk wordt gecreëerd op het perceel AKM01D2603 dat eigendom is van initiatiefnemer. Hiervoor is in de regels de 'Voorwaardelijke verplichting uitwijkmogelijkheid' opgenomen. Bij de verdere uitwerkingen zal aangetoond worden dat in de nieuwe situatie voldaan wordt aan verkeersveiligheidsvoorschriften ten aanzien van o.a. draaicirkels, bereikbaarheid hulpdiensten e.d.
4.7.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de 'Nota parkeernormen 2018', gebaseerd op de CROW-kencijfers. In de nota ingegaan op de toepassing van de normen binnen de gemeente. Hierbij is de gemeente Kaag en Braassem ingeschaald in de categorie ‘weinig stedelijk’. Planspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgesteld in de 'Nota parkeernormen 2018'.
Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernorm van het CROW. Onderhavig plangebied valt binnen de zone 'rest bebouwde kom'. De navolgende tabel geeft de parkeerbehoefte weer in de huidige en in de toekomstige situatie. Bestaande situatie Type woning/functie Vrijstaand Bed and breakfast Totaal Nieuwe situatie Type woning/functie Vrijstaand Twee-onder-een-kap Kleine zelfstandige woning Totaal
Aantal 1 6
Parkeernorm 2,3 1,0
Totaal parkeren 2,3 6 8,3
Aantal 3 2 1
Parkeernorm 2,3 2,2 1,6
Totaal parkeren 6,9 4,4 1,6 12,9
* Binnen het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is geen parkeernorm toegekend aan het type 'kleine zelfstandige woning'. Hiervoor wordt in de voorliggende situatie 'huurwoning (sociale huur)' gehanteerd.
De gezamenlijke parkeerbehoefte in de nieuwe situatie bedraagt afgerond 13 parkeerplaatsen. Het parkeren zal op eigen terrein worden opgelost, hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar, zoals ook aangegeven op de in toelichting paragraaf 2.2 opgenomen schets van de beoogde situatie. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect parkeren geen belemmering vormt.
38
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in Hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
39
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Tuin Deze gronden zijn bestemd voor tuinen bij de hoofdgebouwen en voor parkeer- en groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van erkers. Wonen Het plangebied is voorts voorzien van de bestemming 'Wonen'. De bestaande en beoogde bebouwing is vervat in een drietal bouwvlakken, waarbinnen alle bebouwing moet worden geplaatst, conform de aangegeven typologie ('vrijstaand' of 'twee-aaneen'), waarbij ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' twee-aaneengebouwde en vrijstaande woningen zijn toegelaten. Tevens is per bouwvlak de maximum gooten bouwhoogte aangegeven, alsmede het maximum aantal wooneenheden. Voor de nieuwe woning op het noordelijke perceel is het figuur 'gevellijn' opgenomen op de verbeelding, waarbij bepaald is dat het hoofdgebouw in deze lijn gebouwd dient te worden. Voorts zijn bepalingen opgenomen voor bijbehorende bouwwerken, met ruimte voor bestaande afwijkingen ten aanzien van de oppervlakte en de plaatsing. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, zijn maximale maatvoeringen opgenomen. In de gebruiksregels worden eisen gesteld aan aan huis verbonden beroepen en voor bedrijf aan huis. Verder zijn er mogelijkheden voor een bed & breakfast.
Er is een 'Voorwaardelijke verplichting mechanische ventilatie' opgenomen, uit een oogpunt van externe veiligheid. Tevens is een 'Voorwaardelijke verplichting uitwijkmogelijkheid' opgenomen waarbij bepaald is dat de omgevingsvergunning voor de woningen niet wordt verleend voordat er een extra uitwijkmogelijkheid is gecreëerd op het perceel AKM01D2603 langs de Achterdijk. Voorts is in de Algemene bouwregels een regeling opgenomen waarmee geregeld is dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid, ook bij toekomstige veranderingen. Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 3 De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3' beschermen de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig. Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' ziet toe op het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.
40
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten, als bedoeld in artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld zoals bedoeld in artikel 6.4a Wro. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
41
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een voorontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Op 30 augustus 2023 zijn circa 35 omwonenden door de initiatiefnemer per brief geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Hierop zijn uitsluitend mondelinge reacties ontvangen. De ontvangen reacties varieerden van positief tot op z'n minst begrip voor de beoogde ontwikkeling. Het voornemen is om, als de plannen meer concreet zijn, een nieuw informatiemoment te organiseren.
7.3 Overleg artikel 3.1.1 Bro Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro gestuurd naar de diverse overlegpartners, zoals de provincie Zuid-Holland, Veiligheidsregio Hollands Midden en het hoogheemraadschap van Rijnland. De ingekomen vooroverlegreacties zijn hieronder samengevat, met daarbij een gemeentelijke reactie in cursief. 1. Veiligheidsregio Hollands Midden (ingekomen 2 november 2023) De veiligheidsregio Hollands Midden geeft aan dat er geen bijzonderheden zijn ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Opgemerkt wordt dat nabij het plangebied geen offensieve bluswatervoorziening aanwezig is. Dit is voor een buitengebied acceptabel mits er een goede waterwinning vanuit open water mogelijk is. Voor wat betreft de defensieve bluswaterwinning kan het open water naast het plangebied gebruikt worden, mits er gezorgd wordt dat het brandweervoertuig zich op kan stellen bij het open water, waarbij voldaan moet worden aan de eisen van het beleidsdocument 'Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid VRHM'. Tevens wordt opgemerkt dat het plangebied, vanuit het Regionale dekkingsplan, is gelegen in een buurt met de classificatie ‘Categorie 3’ met het overheersende kenmerk ‘Verspreid liggende woningen’ / ‘Verspreid liggende gebouwen voor zelfredzame personen’. De nieuwe ontwikkeling past binnen het profiel van de vastgestelde categorie.
De referentiewaarde voor deze categorie is 15 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd (prognosetijd) bedraagt 6 minuten. Daarmee scoort het nieuwe initiatief ‘Goed’. Er zijn in het kader van het Dekkingsplan dan ook geen aanvullende voorzieningen benodigd.
42
Tot slot zijn er geen aanvullingen/opmerkingen op de uitwerking van paragraaf 'Externe veiligheid'. Het handelingsperspectief om de ramen en deuren te sluiten en mechanische ventilatie af te schakelen staat hierin reeds benoemd en is tevens als voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Deze reactie leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. 2. Provincie Zuid-Holland (ingekomen 15 november 2023, aanvulling 21 november 2023) De provincie Zuid-Holland geeft aan dat er vanuit het beleid van de provincie enkele bezwaren zijn tegen het toevoegen van twee nieuwe woningen op het noordelijke perceel. Deze zone ligt net aan de rand van het dorp en is onderdeel van een Groene Buffer. Alleen ontwikkelingen die vallen onder inpassen of aanpassen zijn hier mogelijk. In aanvulling hierop merkt de provincie op dat, als op het noordelijk deel van het erf woonbebouwing wordt toegevoegd, dit in beginsel als onderdeel moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het bestaande ensemble. Het voorstel met twee extra woningen op het noordelijke perceel draagt wat de provincie betreft niet bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het ensemble. De suggestie wordt gedaan om te kijken naar de mogelijkheden voor alternatieve uitwerkingen in de bestaande bebouwing, bij voorkeur zonder nieuwe woningen op het noordelijke perceel.
Mede naar aanleiding van deze reactie is de opzet aangepast. De mogelijkheden binnen het bestaande ensemble zijn geoptimaliseerd, waarbij een vrijstaande woning ter plaatse van de bestaande (nietmonumentale) hooiberg wordt voorgesteld en er op het noordelijke perceel nog slechts één vrijstaande woning wordt beoogd. Deze vrijstaande woning voegt zich in het bestaande patroon en krijgt een oriëntatie op de Rijpwetering. Dit perceelsgedeelte vormde een tamelijk besloten recreatieterreintje, terwijl in de beoogde nieuwe situatie voldoende mogelijkheden worden geboden voor doorzichten tussen Rijpwetering en Achterdijk. Ook direct ten zuiden van het rijksmonument blijven de kenmerkende openheid en de doorzichten intact, zodat gesteld kan worden dat het initiatief geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteiten van het ensemble. 3. Hoogheemraadschap van Rijnland (ingekomen 15 november 2023) Het hoogheemraadschap van Rijnland geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding als de nieuwe woningen inclusief fundering en isolatie boven het profiel van vrije ruimte van de waterkering wordt gebouwd. Aanbevolen wordt het terrein in ophoogslagen op te hogen. Het hoogheemraadschap geeft dan een positief wateradvies.
Zij wijzen er op dat voor de werkzaamheden wel een watervergunning nodig is en dat de zorgplicht in acht moet worden genomen. Ook wordt gewezen op het belang van klimaatadaptief bouwen. Deze reactie leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 december 2023 t/m 31 januari 2024 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn vijf zienswijzen ontvangen. De zienswijzen en de gemeentelijk reactie daarop zijn weergegeven in de als bijlagen bij toelichting, bijlage 4 bijgevoegde ‘Nota van beantwoording zienswijzen’. Naar aanleiding hiervan is het bestemmingsplan op enkele onderdelen aangepast.
43