Inspraak gemeente KB Laura van Gasteren Donker[80]
Tekst van het document
Voorzitter, dank u wel. De Nota van Beantwoording zegt dat de Omgevingsvisie geen planMER nodig had, omdat de zoeklocaties uit de visie zijn gehaald. Tegelijkertijd verwijst de gemeente op meerdere punten – onder meer bij vliegveiligheid, milieu en ruimtelijke effecten – tóch naar de toekomstige provinciale planMER. Dat mag niet. Daarnaast handelt de gemeente alsof de zoeklocaties langs de N207 en A4 – ondanks het schrappen in de Omgevingsvisie – via de LES toch kunnen blijven “meelopen” en later opnieuw kunnen worden geactiveerd. Dat is juridisch onhoudbaar. Een gemeente mag haar eigen MER-plicht niet doorschuiven naar een niet-bestaande of toekomstige provinciale MER. De wet is helder: een planMER moet tijdens de terinzagelegging beschikbaar zijn én toegespitst zijn op de gemeentelijke keuzes. Daarom is het juridisch onmogelijk om nu terug te vallen op een provinciale MER die er nog niet is en die bovendien niet is geschreven voor specifieke locaties in Kaag en Braassem. Dat er in de Nota desondanks wordt verwezen naar een toekomstige provinciale planMER, maakt dit niet tot een misverstand, maar tot een bewuste keuze om een wettelijke verplichting te omzeilen. Willens en wetens. Het argument dat de zoeklocaties zijn verwijderd “omdat er onrust was”, verhult de werkelijke reden: de locaties mochten juridisch helemaal niet blijven staan. 1. PlanMER-plicht (art.
16.36 Omgevingswet) – geen “meeliften” op de provincie In september spraken de heer Van Gasteren en ik met de heer Kirstemaker. In dat gesprek werd gesteld dat de gemeente kon “meeliften” op de provinciale planMER. Wij hebben toen al uitgelegd dat dit juridisch onmogelijk is: artikel 16.36 Omgevingswet vereist dat een planMER bij de terinzagelegging aanwezig is én is afgestemd op de beoogde locatiekeuzes van de gemeente. Die planMER ontbrak volledig. Als er dan nu toch alsnog wordt verwezen naar de provinciale planMER, is dat geen vergissing meer, maar het bewust voorbijgaan aan een wettelijk voorschrift. Dat wekt de indruk dat de MER-plicht vooral wordt gezien als hinderlijke formaliteit, in plaats van als waarborg voor een zorgvuldige afweging van milieu, gezondheid, veiligheid en alternatieven. Dat past niet bij behoorlijk bestuur. Kort gezegd: • zonder gemeentelijke planMER konden de zoeklocaties juridisch niet in de visie
blijven staan; • die omissie kan achteraf niet worden gerepareerd door te verwijzen naar een nog op te stellen provinciale MER; • en besluiten die toch op zo’n “meelift-redenering” rusten, zijn kwetsbaar bij exceptieve toetsing.
1
2. De LES was planMER-plichtig onder Europees recht De LES bevat concrete locatiekeuzes voor 1–2 windturbines in onze polders. Daarmee vormt de LES een ontwikkelkader voor een windturbines. Onder de Europese SMB-richtlijn is zo’n document altijd planMER-plichtig, ongeacht het aantal turbines. Het nationale onderscheid tussen “twee of meer” turbines speelt in het Unierecht geen enkele rol. Volgens het Nevele-arrest en de voorrangsregel van artikel 93–94 Grondwet gaat Europees milieurecht vóór. Dat de Afdeling bestuursrechtspraak in eerdere zaken tóch de nationale drempels toepaste, komt omdat appellanten zich destijds níet op Europees recht beriepen. In dat geval toetst de rechter uitsluitend aan nationaal recht. Europese voorrang werkt niet altijd automatisch, soms moet zij expliciet worden ingeroepen. In dit dossier zullen wij ons wel op het Europees recht beroepen. En dan is de conclusie onvermijdelijk: de LES was planMER-plichtig, er is geen planMER gemaakt, en daarmee zijn de locatiekeuzes zowel procedureel als inhoudelijk onrechtmatig en juridisch onbruikbaar Hoewel de locaties nu uit de Omgevingsvisie zijn geschrapt, staan ze nog wél volledig in de LES (Lokale Energiestrategie): 1 tot 2 turbines langs de N207/A4. Dit zijn concrete locaties, géén abstracte ambities.
Volgens het kennisplatform Regionale Energiestrategie en de Omgevingswet geldt: Een document dat locaties uitwerkt voor energieopwekking – zoals de LES – valt onder de definitie van een ‘programma’ en is daarmee planMER-plichtig, nog vóórdat die keuzes in planologische instrumenten terechtkomen. Daarmee is het simpel: De milieueffecten hadden al bij het opstellen van dat beleidsdocument onderzocht moeten worden. De LES had dus een planMER moeten bevatten. Dat is nooit gebeurd. Daarmee zijn de locatiekeuzes in de LES: • procedureel onrechtmatig tot stand gekomen (zonder planMER waar dat wél vereist
was); • en inhoudelijk juridisch onbruikbaar als basis voor toekomstige besluitvorming. Deze locaties kunnen dus niet later via een “achterdeurconstructie” alsnog worden geactiveerd. Zij hebben nooit een rechtsgeldige basis gehad. 3. De LES heeft géén rechtskracht en kan geen locaties vasthouden Een tweede essentieel punt dat in de Nota verkeerd wordt neergezet. De LES is een beleidsdocument zonder rechtskracht. Het is: • geen Awb-besluit, • geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3 lid 4 Awb, • en geen instrument van de Omgevingswet.
Dat betekent: • Als locaties uit de Omgevingsvisie zijn verwijderd, bestaan ze juridisch niet meer. • De LES kan die locaties niet vasthouden, niet bewaren, en niet opnieuw activeren. • Alleen wat in de Omgevingsvisie staat, mag later in het omgevingsplan komen. De LES kan die verankering nooit vervangen.
2
De gedachte dat de gemeente via de LES “vastzit” aan oude locaties is dus onjuist. Een document zonder rechtskracht kán het bestuur niet binden. De ambities in de LES moeten worden vertaald naar concrete instrumenten, voornamelijk die van de Omgevingswet. Dit zorgt ervoor dat de plannen ook juridisch verankerd zijn en kunnen worden uitgevoerd. De LES is op zichzelf een beleidsdocument zonder rechtskracht. Het is geen Awb-besluit en geen instrument van de Omgevingswet; het heeft dus géén planologische werking. Er bestaat dus géén achterdeur. Wat uit de visie is verwijderd, is juridisch verdwenen en kan alleen via een volledig nieuwe, juridisch correcte procedure opnieuw worden overwogen. Een Omgevingsplan mag geen locaties bevatten die niet in de visie staan 4. De LES heeft géén rechtskracht en bindt het Gemeentebestuur daardoor niet. Een tweede essentieel punt dat in de Nota verkeerd wordt neergezet, is de status van de LES. De gedachte dat de gemeente via de LES “vastzit” aan oude locaties of dat deze via de LES “mee kunnen lopen” totdat de provincie haar beleid aanpast, is daarom onjuist. Een document zonder rechtskracht kán het bestuur niet binden – niet extern en zelfs niet intern. De ambities in de LES moeten, als de gemeente ze al wil volgen, eerst worden vertaald naar concrete Ow-instrumenten. Pas dan ontstaat juridische betekenis.
Zolang die vertaling ontbreekt, heeft de LES slechts de status van bestuurlijke intentie. Er bestaat dus géén achterdeur: wat uit de visie is verwijderd, is juridisch verdwenen en kan alleen via een volledig nieuwe, juridisch correcte procedure (met planMER en een nieuwe afdeling 3.4-procedure) opnieuw worden overwogen. Een Omgevingsplan mag geen locaties bevatten die niet in de visie staan. 5. RES-doelen: verschil tussen bod, bieding en ambitie In de Nota van Beantwoording wordt verwezen naar het demissionair kabinet en de Ontwerp Nota Ruimte, alsof daaruit zou volgen dat er ruimte móét blijven voor nieuwe windlocaties. Dat is misleidend. De landelijke RES-doelstelling van 35 TWh voor 2030, vastgelegd in het Klimaatakkoord en bevestigd in de Klimaatnota 2024, wordt volledig gehaald. Dat Holland-Rijnland zijn regionale bieding nog niet volledig heeft ingevuld, doet juridisch niet ter zake: de nationale doelstelling volgt uit de optelsom van álle regio’s, en die wordt gehaald. De Ontwerp Nota Ruimte is bovendien duidelijk: • tot 2030 zet het Rijk uitsluitend in op verzilveren van bestaande projecten; • dat betekent: afronden wat al loopt, níet openen van nieuwe zoekgebieden of extra
windlocaties op land; • na 2030 verschuift de nationale lijn naar wind op zee, kernenergie en waterstof.
3
De hardnekkige gedachte dat “de ambitie moet worden gehaald” ontstaat doordat drie RESbegrippen worden verward: 1. RES-bod (landelijk, bindend) – de 35 TWh die Nederland moet halen; die is gehaald. 2. RES-bieding – een vrijwillige regionale inschatting; géén harde verplichting. 3. RES-ambitie – een beleidswens; geen juridische opgave en geen grondslag voor ingrijpende ruimtelijke besluiten. Ambities scheppen geen plicht tot windturbines. En als het landelijke doel al is bereikt, is er geen enkele energetische of beleidsmatige grondslag om in Kaag en Braassem nieuwe windlocaties te ontwikkelen, zeker niet langs de N207 of via de LES. De werkelijkheid is eenvoudig: • • • •
de landelijke opgave is gehaald; regionale biedingen zijn niet bindend; gemeentelijke ambities creëren geen juridische verplichtingen; en het Rijk voorziet tot 2030 géén nieuwe doelstelling voor wind op land.
6. Gezondheid, natuur en weidevogels: zorgplicht nu, niet later Gezondheid wordt in de Omgevingsvisie doorgeschoven naar een later beleidskader. Dat is in strijd met artikel 1.3 en 2.1 Omgevingswet: gezondheid is een direct geldende verantwoordelijkheid en geen toekomstige ambitie. De Hoge Raad is in de asbest-arresten glashelder: bij voorzienbare risico’s mag een overheid niet afwachten, ook niet wanneer onzekerheid bestaat over de precieze omvang ervan. Het voorzorgsbeginsel verplicht de gemeente om nu te handelen. Uitstel betekent feitelijk het niet-naleven van de wettelijke zorgplicht. Voor de inhoudelijke aspecten van de gezondheidsrisico’s verwijs ik naar de inspraak van internist en reumatoloog dr. Anne Schouffoer. Daarnaast is de ecologische context in ons gebied zwaarwegend en juridisch kaderstellend. De gemeente kan deze niet negeren of naar een toekomstig proces verschuiven. Ons poldergebied maakt aantoonbaar deel uit van een van de weidevogelgebieden van Zuid-Nederland, hetgeen ook door de provincie wordt erkend: • De provincie weigerde recent nog een vergunning in Nieuwkoop wegens aantasting van weidevogelhabitat – een precedent dat evenzeer relevant is voor ons gebied; • Nederland is door de Europese Commissie aangesproken op onvoldoende bescherming van weidevogels en ontoereikende uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Gemeenten hebben hierbij een zelfstandige plicht om verslechtering te voorkomen (art. 6 Habitatrichtlijn – verslechteringsverbod); • Als natuurbelangen doorslaggevend worden geacht om zonnevelden te blokkeren, dan moet dat gelijkwaardig en consequent ook gelden voor windturbines langs de N207. Natuurargumenten kunnen niet selectief worden toegepast. Daarbovenop bevat het Actieplan Boerenlandvogels 2019–2027 verplichtingen die rechtstreeks betrekking hebben op polders en die óók voor gemeenten richtinggevend zijn. 4
Het Actieplan verlangt dat de provincie én gemeenten: • • • •
leefgebieden uitbreiden en optimaliseren, “witte vlekken” in of nabij bestaande mozaïeken beschermen, robuuste weidevogelclusters creëren, provinciale, gemeentelijke en agrarische gronden actief inzetten voor weidevogelherstel.
Ons poldergebied is precies zo’n ecologisch kansrijk gebied waarvoor het Actieplan aanvullende bescherming vereist. Het openhouden van windlocaties hier staat haaks op deze verplichting. Ook het Natuurbeheerplan Zuid-Holland kwalificeert polders als kerngebied voor openlandschapsfauna. De provincie hanteert hier een "nee, tenzij"-benadering voor ruimtelijke ingrepen die openheid en rust aantasten. Windturbines behoren vanwege hoogte, bewegende delen en slagschaduw tot verstorende objecten in zulke gebieden. Het impliciet openhouden of “meelopen” van windlocaties in een kwetsbaar weidevogelgebied, zonder planMER, zonder transparante alternatievenafweging, en in strijd met provinciale natuurbeleidslijnen, is daarom niet te rijmen met: • • • • •
de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het provinciaal Actieplan Boerenlandvogels, het Natuurbeheerplan Zuid-Holland, en de wettelijke plicht tot natuur inclusieve afweging in de Omgevingswet.
Zowel gezondheid als natuur vragen om een volledige, integrale beoordeling in dit stadium. Niet in een vervolgproces. Niet pas bij een projectbesluit. Niet bij een toekomstige MER. De zorgplicht werkt nu. Marcel Hoogendoorn, van de vogelwerkgroep van de stichting groen licht stelt terecht: “Voor de meeste soorten in de lijst van de vogelrichtlijn, zijn zowel de Vierambachtspolder als de Wassenaarsepolder van levensgroot belang. Zie het als een belangrijk jachtgebied en overwinteringgebied.” Deze ecologische functies vallen onder de beschermingsregimes van de VRL, HRL, Bern en Bonn. Marcel Hoogendoorn (vogelwerkgroep stichting Groen Licht) legt uit dat: Het voorkomen van genoemde soorten uit de vogelrichtlijn in de bedreigde gebieden is in feiten een ruim begrip omdat je te maken hebt met soorten die in de polder broeden denk aan kievit, scholekster en bijvoorbeeld knobbelzwaan en soorten bijvoorbeeld roofvogels die in naastgelegen natuurgebieden (De Hemmen) broeden, zoals bruine kiekendief, buizerd en havik, wat betreft de kolonievogels er zit in De Hemmen een grote kolonie blauwe reigers. Dan heb je de soorten die op boeren erven in bijvoorbeeld nestkasten broeden denk aan torenvalk, kerkuil en steenuil. Van een aantal soorten heb ik in de Vierambachtspolder foto bewijs van broedsucces omdat we de vogels daar ringen.
Voor de meeste opgenoemde soorten is het van belang dat de polders onaangetast blijven omdat ze in hun dagelijkse voedsel
5
kunnen voorzien. Zie het als een belangrijk jachtgebied en overwintering gebied. De overige genoemde soorten in de lijst zijn met namen soorten die het gebied aan doen bijvoorbeeld de genoemde ganzen soorten om te rusten of te foerageren. Een bergeend kan daar wel degelijk broeden, slechtvalk komt bijvoorbeeld vanuit zijn nestplaats in Alphen langs om te jagen en de niet specifiek benoemde boomvalk komt hier ook wel degelijk voor. Kortom voor de meeste soorten in de lijst zijn zowel de Vierambachtspolder als de Wassenaarsepolder van levensgroot belang. Een belangrijke bron van informatie over de soorten die daar gezien worden ook andere soorten dan vogels is te vinden op de website van waarneming.nl Zie bijlage 1 voor foto’s. 7. Provincie kan gemeenten niet zomaar overrulen, subsidiariteit en de eis van noodzaak Het is van wezenlijk belang te benadrukken dat de provincie een gemeente niet zomaar kan overrulen bij het aanwijzen van windlocaties. In het Nederlandse staatsrecht geldt het decentralisatiebeginsel (art. 124 Grondwet) en daarbinnen het subsidiariteitsbeginsel: wat op lokaal niveau kan worden geregeld, moet ook lokaal worden geregeld, tenzij aantoonbaar sprake is van een bovenlokaal belang dat de gemeente niet zelf kan realiseren. Dit nationale subsidiariteitsbeginsel sluit rechtstreeks aan op het Europese subsidiariteitsbeginsel (art.
5 lid 3 VEU), dat vereist dat een hoger bestuursniveau alleen optreedt wanneer het beoogde doel niet voldoende door lagere bestuurslagen kan worden bereikt, én dat optreden op hoger niveau beter is dan lokaal ingrijpen. De provincie moet dus bewijsbaar maken dat gemeentelijke besluitvorming tekortschiet én dat provinciaal handelen noodzakelijk is om het algemeen belang te dienen. Daarbij geldt naast subsidiariteit ook het Europese evenredigheidsbeginsel (art. 5 lid 4 VEU). Dit verlangt dat een maatregel: 1. geschikt is om het doel te bereiken; 2. noodzakelijk is (er mag geen minder ingrijpend alternatief bestaan); 3. proportioneel is in verhouding tot de nadelige gevolgen voor burgers, natuur, veiligheid en leefomgeving. Provinciaal ingrijpen is dus alleen toegestaan wanneer aan strikte voorwaarden is voldaan: 1. er moet sprake zijn van een duidelijk en concreet bovenlokaal belang; 2. de provincie moet aantonen dat gemeentelijk beleid het doel niet kan verwezenlijken; 3. de provincie moet motiveren waarom minder ingrijpende maatregelen onvoldoende zijn; 4. het ingrijpen moet proportioneel zijn op grond van het evenredigheidsbeginsel; 5. er moet juridische noodzaak bestaan om van de gemeentelijke autonomie af te wijken. Juist op deze kernpunten ontstaat een zeer hoge juridische drempel voor de provincie.
Nu het landelijke RES-bod van 35 TWh volledig is gehaald, bestaat er geen nationale opgave en is er geen tekort dat door extra windprojecten op land moet worden ingevuld. Het Rijk vraagt geen nieuwe locaties; het beleid tot 2030 voorziet daar niet in, en de Ontwerp Nota Ruimte bevestigt expliciet dat geen nieuwe winddoelen op land worden gesteld. Er bestaat dus geen bovenlokale noodzaak vanuit de rijksoverheid. Dit betekent dat het voor de provincie buitengewoon moeilijk, zo niet onmogelijk, wordt om bij de bestuursrechter aannemelijk te maken dat:
6
• er een noodzakelijk bovenlokaal belang bestaat om juist in Kaag en Braassem
windlocaties op te leggen, • gemeentelijk beleid onvoldoende zou zijn, • en dat het beperken van de gemeentelijke beleidsruimte geschikt, noodzakelijk en
proportioneel is in de zin van het evenredigheidsbeginsel. Zonder landelijke opgave kan de provincie de noodzaak, het hart van zowel subsidiariteit als evenredigheid, eenvoudigweg niet motiveren. De bestuursrechter toetst juist in dit soort situaties streng, zeker binnen de fysieke leefomgeving waar de Omgevingswet uitdrukkelijk werkt volgens het principe “decentraal, tenzij”. Alleen bij een overweldigend, aantoonbaar en deugdelijk gemotiveerd belang kan van decentrale autonomie worden afgeweken. Kort samengevat: Omdat de landelijke doelen al zijn gehaald, ontbreekt voor de provincie de juridische noodzaak die het (Europese én nationale) subsidiariteitsbeginsel kan doorbreken. Daarmee wordt provinciale overruling van gemeentelijk beleid juridisch uiterst kwetsbaar, en in de praktijk vrijwel niet verdedigbaar. De gemeente zal dan ook niet terughoudend moeten zijn dit door de bestuursrechter te laten toetsen indien de provincie deze lijn zal doorzetten. 8. Exceptieve toetsing: vergunningen bieden geen zekerheid en creëren langdurige juridische risico’s Zelfs wanneer de gemeente of de provincie besluit om vergunningen te verlenen, betekent dat niet dat deze projecten uitvoerbaar worden.
Burgers en belangenorganisaties kunnen bij elke vergunning een exceptieve toetsing inroepen: de bestuursrechter toetst dan niet alleen de vergunning zelf, maar ook het onderliggende onrechtmatige of ondeugdelijke beleid waarop die vergunning rust. Dat betekent dat iedere vergunning die voortbouwt op een Omgevingsvisie zonder planMER, op strijdig provinciaal beleid, of op een onrechtmatige LES-constructie, bij de rechter opnieuw volledig onderuit kan gaan. Dit leidt vrijwel zeker tot langdurige procedures, onzekerheid voor initiatiefnemers, vertraging in uitvoering en, indien de vergunning wordt vernietigd, aanzienlijke financiële en bestuurlijke gevolgen. De gemeente doet er dus verstandig aan om geen pad te kiezen dat juridisch zo kwetsbaar is dat het bij voorbaat uitnodigt tot exceptieve toetsing en onmiddellijke vernietiging bij de bestuursrechter. 9. Vergunning sluit aansprakelijkheid niet uit, gevaarzetting als onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) Daarnaast is het essentieel te onderstrepen dat het bestaan van een vergunning níét betekent dat schade door windturbines geen onrechtmatige daad kan opleveren. Volgens artikel 6:162 BW kan ook een vergunninghouder en landeigenaar aansprakelijk zijn wanneer hij een gevaarlijke situatie creëert die niet voldoet aan de zorgvuldigheidseisen van het maatschappelijk verkeer.
Dat geldt ook voor de overheid zelf wanneer zij, ondanks signalen en bekend risico, toestaat dat een activiteit doorgaat. De lijn in het recht is helder: een vergunning geeft toestemming, maar ontslaat niet van de plicht om zorgvuldig te handelen. Als een vergunninghouder of het bestuur wist of behoorde te weten dat een
7
activiteit aanzienlijke risico’s voor gezondheid, leefomgeving of veiligheid oplevert, kan er sprake zijn van gevaarzetting en daarmee van een onrechtmatige daad. Toegepast op windturbines betekent dit het volgende: • Er is inmiddels ruime medische, epidemiologische en akoestische literatuur die wijst
op gezondheidseffecten van laagfrequent geluid, slagschaduw, slaapverstoring en cumulatieve belasting. • Bestuurders en exploitanten kunnen niet langer stellen dat deze risico’s onbekend of onvoorzienbaar waren. • Ook uit het asbest-arrest van de Hoge Raad volgt dat het bestuur rekening moet houden met voortschrijdend inzicht, en dat onzekerheid géén reden is om niet te handelen. Integendeel: bij twijfel moet men juist voorzichtigheid betrachten. Dit betekent concreet dat, naast bestuursrechtelijke procedures, óók civiele procedures wegens onrechtmatige daad kunnen en zullen volgen gericht tegen: • • • •
de vergunninghouder; de exploitant; de grondeigenaar die de activiteit mogelijk maakt; én het gemeentebestuur zelf, wanneer het wist of behoorde te weten dat de gezondheid van omwonenden in het geding is.
In de huidige tijd is het niet meer verdedigbaar dat deze risico’s onbekend zouden zijn. Gemeenten worden verondersteld actuele kennis te gebruiken en de gezondheid van inwoners centraal te stellen. Juist daarom is het van belang dat de gemeenteraad nu een zorgvuldig besluit neemt, de gezondheid van inwoners centraal stelt en voorkomt dat zij zichzelf, inwoners én initiatiefnemers blootstelt aan jarenlange juridische aansprakelijkheid. Dit is een moment waarop duidelijk leiderschap en bescherming van de bevolking nodig zijn – en dát is wat vertrouwen schept. 10. Onderzoek TU Delft en DTU Wid & enerby Sysmtems. Verplichting dat alternatieven objectief en op basis van realistische parameters moeten worden onderzocht. (uit artikel 16.40) “Recent peer-reviewed onderzoek van TU Delft en DTU Wind & Energy Systems (A theoretical upper limit for offshore wind energy extraction, Cell Reports Sustainability, 2026) toont aan dat de verwachte energieopbrengst van windparken in Nederlandse beleidsmodellen structureel met circa 50% wordt overschat. De studie definieert een fysische bovengrens voor energieopwekking door middel van de zogenoemde Wind Farm Wind Factor, gebaseerd op fundamentele aerodynamische principes.
Deze bovengrens geldt niet alleen voor offshore windparken, maar voor élke configuratie van windturbines, omdat de onderliggende fysica locatie-onafhankelijk is.” “De onderzoekers tonen aan dat windparken worden begrensd door de hoeveelheid ‘verticaal momentum’ die van hogere luchtlagen naar turbinehoogte kan worden aangevuld. Wanneer turbines dichter bij elkaar staan, nemen wake-effecten en turbulentie toe en raakt de atmosfeer lokaal uitgeput. De opbrengst van extra turbines neemt daardoor disproportioneel af. Dit mechanisme is universeel: het is niet afhankelijk van of de turbines op zee of op land staan.”
8
“Belangrijk is dat het onderzoek expliciet stelt dat het model, hoewel ontwikkeld op basis van offshore gegevens, ‘sufficiently general’ is om direct toepasbaar te zijn op grootschalige windparken op land. Daarmee staat wetenschappelijk vast dat ook voor wind op land dezelfde fysieke limieten gelden, met als verschil dat de remmende factoren op land, lagere windsnelheden, hogere ruwheid van het oppervlak, bebouwing, bomen en microturbulentie, de opbrengst verder verlagen. Dit betekent dat de huidige provinciale aannames voor windopbrengst op land per definitie te optimistisch zijn.” “Het Nederlandse Noordzeeprogramma rekent met een capaciteitsfactor van 51,5% bij een parkturbinedichtheid van 10 MW/km². Uit het onderzoek volgt echter dat de daadwerkelijke fysische bovengrens slechts 34,6% bedraagt. De beleidsaanname ligt daarmee 149% bóven wat fysiek haalbaar is. Deze overschatting is significant en systematisch. Indien beleidsmodellen voor wind op zee feitelijk onjuist zijn, dan geldt dit des te sterker voor wind op land, waar de atmosferische condities voor windopwekking minder gunstig zijn.” Juridische implicaties voor de onderbouwing van wind op land in het Groene Hart “Op grond van artikel 3:2 Awb moet provinciaal beleid worden gebaseerd op actuele, objectieve en wetenschappelijk juiste gegevens.
Wanneer blijkt dat de opbrengstmodellen waarmee de provincie de energetische noodzaak van wind op land onderbouwt, berusten op fysisch onmogelijke aannames, dan voldoet het beleid niet aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Een besluit dat op dergelijke onjuiste aannames stoelt, ontbeert bovendien de deugdelijke motivering die artikel 3:46 Awb vereist.” “Daarnaast volgt uit artikel 3:4 Awb dat een maatregel alleen evenredig kan zijn als hij daadwerkelijk bijdraagt aan het beoogde doel en als er geen minder ingrijpende alternatieven zijn. Nu wetenschappelijk is vastgesteld dat windturbines op land aanzienlijk minder energie opwekken dan de beleidsmodellen suggereren, kan de gemeente niet aantonen dat wind op land in het Groene Hart een noodzakelijke of doelmatige maatregel is. De zware ruimtelijke, landschappelijke en gezondheidseffecten van windturbines in een polder kunnen onder deze omstandigheden niet in redelijke verhouding staan tot de potentiële baten.” Tot slot volgt uit artikel 16.40 Ow (plan-MER) dat alternatieven objectief en op basis van realistische parameters moeten worden onderzocht. De nieuwe fysische inzichten dwingen tot herijking van de energie-opbrengstmodellen.
Zolang dat niet is gebeurd, kan de provincie geen rechtmatig besluit nemen tot het opnemen of handhaven van zoekgebieden voor wind op land in het Groene Hart.” Conclusie “Het door TU Delft en DTU ontwikkelde en empirisch gevalideerde model toont ondubbelzinnig aan dat zowel offshore als onshore windopbrengsten in Nederlandse beleidsdocumenten structureel worden overschat. Hierdoor valt de energetische noodzaak van wind op land weg. De provincie kan de ingrijpende keuze om het Groene Hart open te stellen voor windturbines niet baseren op aannames die wetenschappelijk onhoudbaar zijn. Wind op land voldoet daarom niet aan de vereisten van zorgvuldigheid, motivering en evenredigheid zoals wettelijk voorgeschreven.”
9
11. Samenvattend De kern is helder: • De gemeente heeft geen eigen planMER uitgevoerd en kan die wettelijke plicht niet achteraf repareren door te verwijzen naar een toekomstige provinciale MER. • De LES bevatte concrete locaties, was daarmee planMER-plichtig, maar is zonder MER vastgesteld en is als juridische basis onbruikbaar. • De LES heeft geen rechtskracht en kan geen zoeklocaties vasthouden of later opnieuw activeren. Wat uit de Omgevingsvisie is verwijderd, is juridisch verdwenen. • De landelijke RES-doelen zijn gehaald; er bestaat geen nationale noodzaak of verplichting voor nieuwe windlocaties in Kaag en Braassem. • Gezondheid, natuur, vliegveiligheid en weidevogels moeten nú, binnen deze visie, volwaardig worden gewogen – niet doorgeschoven naar later. In deze combinatie mist de huidige lijn in de Omgevingsvisie een planMER, steunt zij op een beleidsdocument zonder rechtskracht, is zij intern tegenstrijdig, schuift zij gezondheid onterecht vooruit, verwijst zij onjuist naar nationaal beleid en suggereert zij dat geschrapte locaties later via de LES kunnen terugkeren. Dat is juridisch onmogelijk. In deze vorm zal de Omgevingsvisie bij een exceptieve toetsing door de bestuursrechter geen standhouden. Voorzitter, dank u wel. Laura van Gasteren Donker Lauravangasteren@kpnmail.nl
10