CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

CA190028.055_1.R03v1.4-Toelichting Kaag en Braasem

Gemeenteraad 24 januari 2022, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘CO2 De Kwakel’10.961 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem Gemeente Kaag en Braasem

CA190028.055.R03.v1.4 14 december 2021

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem Gemeente Kaag en Braassem

Opdrachtgever

OCAP CO2 B.V. Havenstraat 1 Schiedam

Contactpersoon:

Dhr. J. van Schie

Projectnummer:

CA190028.055

Opgemaakt d.d.:

14 december 2021

Documentnummer:

CA190028.055.R03.v1.4

Status: Identificatienummer:

Vastgesteld NL.IMRO.1884.BPCO2leiding-VAS1

+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen

Geonius.nl Functie

Naam

Adviseur ruimtelijke ontwikkeling

Willemijn Smeets

Projectleider

Jeroen van Schie

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

Paraaf

2

Inhoud 1

2 3 4

5

INLEIDING

5

Aanleiding

5

Ligging en begrenzing van het plangebied

5

Doel en planvorm

6

Geldende bestemmings- en inpassingsplannen

7

Planproces

7

Leeswijzer

8

BESTAANDE SITUATIE

9

Bestaande ruimtelijke en functionele structuur

9

NIEUWE SITUATIE

11

CO₂-netwerk voor de Kwakel

11

Tracé en aanleg nieuwe CO₂-leiding

12

BELEIDSKADERS

15

Rijksbeleid

15

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

15

Klimaatakkoord

16

Provinciaal beleid

17

Gemeentelijk beleid

18

ONDERZOEKEN EN BEPERKINGEN

20

Water

20

Beleid

20

Waterparagraaf

22

Conclusie

22

Bodemkwaliteit

22

Ecologie

23

Archeologie & Cultuurhistorie

26

Archeologie

26

Cultuurhistorie

27

Geluid (Wet geluidhinder)

28

Luchtkwaliteit

28

Externe veiligheid

29

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

3

6 7

Geur

31

Milieuzonering

32

Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties

33

Explosieven

33

Besluit milieueffectrapportage

34

Kader

34

Situatie plangebied

35

Conclusie

35

UITVOERBAARHEID

36

Financiële uitvoerbaarheid

36

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

36

JURIDISCHE ASPECTEN

38

Inleiding

38

Opzet van de regels en verbeelding

38

Inleidende regels

39

Bestemmingsregels

39

Algemene regels

39

Overgangs- en slotregels

40

Bijlagen Bijlage 1

Historisch onderzoek

Bijlage 2

Stikstofonderzoek

Bijlage 3

Quickscan flora en fauna

Bijlage 4

Archeologisch bureauonderzoek

Bijlage 5

Archeologisch bureauonderzoek (Aanvullend)

Bijlage 6

QRA

Bijlage 7

QRA (Aanvullend)

Bijlage 8

Side letter QRA

Bijlage 9

CE onderzoek

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

4

1

INLEIDING Aanleiding

OCAP (Organic Carbondioxide for Assimilation of Plants) vangt CO₂ af bij industriële bronnen en levert deze aan tuinders in diverse glastuinbouwgebieden. Voor tuinders is CO₂ een belangrijke voedingsstof, die anders verkregen moet worden door aardgas te verstoken. Door het hergebruik van CO₂ wordt onnodige uitstoot en onnodig energiegebruik voorkomen. In verband met de verdere uitbouw van het netwerk is OCAP voornemens om het kernglastuinbouwgebied De Kwakel (gemeente Uithoorn) aan te sluiten op CO₂ (kooldioxide). Hiertoe zal een nieuwe CO₂-leiding (hogedruk) worden aangelegd tussen de bestaande CO₂- leiding gelegen ten zuidoosten van de A4 nabij knooppunt Burgerveen en het kernglastuinbouwgebied de Kwakel. Aan de Hoofdweg (op het kernglastuinbouwgebied de Kwakel) wordt een reduceerstation geplaatst. In het station wordt de CO₂ in lage druk verdeeld naar de afnemers. Het tracé van de nieuwe CO₂- leiding doorsnijdt een viertal gemeenten. Het leggen van hogedruk leidingen voor het transporteren van CO₂ is niet in overeenstemming met de huidige planologische kaders. De herziening van meerdere bestemmingsplannen is daarom noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders om het voornemen binnen het grondgebied van de gemeente Kaag en Braasem mogelijk te maken.

Hierbij zal worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’.

Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen in het agrarisch gebied tussen Vriezekoop en de Westeinderplassen en omvat de gronden ter plaatse van de nieuwe CO₂- leiding (inclusief belemmeringenstrook). In figuur 1 is met de rode en groene lijn de nieuw te leggen CO₂- leiding aangegeven. Het rode gedeelte is het deel van het leidingtracé dat binnen de gemeente Kaag en Braasem is gelegen. De bestaande CO₂leiding waarop aangesloten zal worden is met de gele lijn weergegeven. Voor de concrete begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

5

Figuur 1 Ligging van het tracé (Bron: Street Smart)

Doel en planvorm Het bestemmingsplan heeft een ontwikkelingsgericht karakter. Het bestemmingsplan biedt de juridische grondslag, op basis waarvan een nieuwe CO₂-leiding mag worden gelegd vanaf de bestaande CO₂-leiding (voormalige hogedruk gasleiding) gelegen ten zuidoosten van de A4 richting het glastuinbouwgebied de Kwakel )gemeente Uithoorn’. Dit plan is vormgegeven als paraplubestemmingsplan. Dit paraplubestemmingsplan komt als het ware over het geldende bestemmingsplan heen te liggen en heeft een aanvullende werking. Dit betekent dat behalve met dit bestemmingsplan, eveneens rekening moet worden gehouden met het onderliggende bestemmingsplan. Dat plan blijft rechtsgeldig. Onderhavig bestemmingsplan ´CO₂ transportleiding ‘de Kwakel´, Kaag en Braassem’ is opgesteld conform de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen. Ten opzichte van de onderliggende, vigerende bestemmingsplannen wordt een dubbelbestemming (Leiding – CO₂) toegevoegd. Omdat de onderliggende, vigerende bestemmingsplanobjecten (enkelbestemmingen, gebiedsaanduidingen, maar ook de geldende dubbelbestemmingen etc.) niet wijzigen, worden deze niet opgenomen in onderhavig bestemmingsplan (d.w.z. verbeelding en bestemmingsregels). In een Algemeen artikel in de regels worden onderliggende bestemmingsplanobjecten van toepassing verklaard.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

6

In deze toelichting zal de planologische haalbaarheid van de hiervoor genoemde ontwikkelingen worden onderbouwd.

Geldende bestemmings- en inpassingsplannen Binnen het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied Oost (vastgesteld 09-04-2020). Binnen dit bestemmingsplan hebben de betreffende gronden de volgende bestemmingen en aanduidingen: • enkelbestemming Agrarisch met waarde - Landschapswaarden • enkelbestemming Water • enkelbestemming Verkeer • dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering Het leggen van een nieuwe CO₂-leiding voor het transporteren van CO₂ is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Dit plan voorziet in het juridisch planologisch kader op basis waarvan de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het genoemde plan met de daarin opgenomen bestemmingen blijven overigens als gevolg van voorliggend plan overeenkomstig van toepassing. Ter plaatse van de leidingen voorziet dit paraplubestemmingsplan (hierna bestemmingsplan) uitsluitend in een aanvullende regeling op de bestaande planologische kaders.

Planproces Een bestemmingsplan doorloopt de procedure zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening. Het concept ontwerp bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor advies voorgelegd aan rijk en provincie voor zover beleid van deze overheden hierbij in het geding is, en aan het waterschap. Tijdens de ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan kan eenieder een zienswijze kenbaar maken. De ingediende zienswijzen worden afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt nogmaals ter inzage gelegd. Gedurende deze terinzagelegging kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State. Dit kan uitsluitend door belanghebbenden die ook een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan hebben ingediend, of door andere belanghebbenden voor zover het onderdelen betreft die door de gemeenteraad gewijzigd zijn vastgesteld. Tevens zijn alle ‘zakelijk recht’ overeenkomsten met eigenaren en gebruikers ter plaatse van de CO₂leiding afgesloten vooruitlopend op het opstarten van deze bestemmingsplanprocedure en het aanvragen van de benodigde vergunningen.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

7

Leeswijzer Het tweede hoofdstuk van deze toelichting geeft een beeld van de bestaande situatie in het plangebied. Er wordt een korte beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het gebied. In het derde hoofdstuk wordt ingegaan op de gewenste ruimtelijk-functionele structuur binnen het plangebied. Het vierde hoofdstuk gaat in op het relevante beleid en de regelgeving en de invloed hiervan op het bestemmingsplan. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de onderzoeksgegevens en beperkingen. In hoofdstuk zes komt de uitvoerbaarheid aan bod en in het laatste hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische aspecten van dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

8

2

BESTAANDE SITUATIE Bestaande ruimtelijke en functionele structuur

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie van het plangebied. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en zijn omgeving. Het plangebied betreft het gedeelte van het tracé dat gelegen is in het landelijk gebied ten noorden van het buurtschap Vriezekoop. Bij het bepalen van de ligging van de nieuwe leiding en afsluiterschema is nadrukkelijk gekeken naar de meest wenselijke situatie vanuit beheer, veiligheid en bereikbaarheid. Het tracé start buiten de gemeentegrens, ten zuidoosten van de kern Nieuw-Vennep nabij knooppunt Burgerveen. Ter plaatse bevindt zich een bestaande CO₂- leiding van OCAP. De CO₂ wordt door OCAP bij Shell in Pernis en bij Alco in Rotterdam ingekocht. De CO₂ wordt met een compressor op druk gebracht. Voor transport wordt gebruikgemaakt van een bestaande transportleiding van 85 kilometer. Deze leiding loopt van het industriegebied van Rotterdam naar het havengebied van Amsterdam en komt hierbij langs een aantal belangrijke glastuinbouwgebieden (waaronder PrimA4a en De Kwakel).

Figuur 2 Geplande CO₂ bundel tussen Westland en MRA, met aantakking op het gebied Greenport Aalsmeer. (Bron: OCAP)

Vanaf de aftakking van de bestaande CO₂-leiding nabij knooppunt Burgerveen loopt het tracé van de nieuwe leiding in zuidoostelijke richting langs de kern Burgerveen, door het zuidelijke deel van de Westeinderplassen en passeert daar de gemeentegrens van Kaag en Braasem. Vervolgens gaat het tracé door het agrarisch gebied ten noorden van het buurtschap Vriezekoop. Ten noorden van Bilderdam passeert de leiding wederom de gemeentegrens en buigt het tracé af in zuidelijke richting. Na het kruisen van de Hoofdweg buigt het tracé in oostelijke richting af, evenwijdig aan de Hoofdweg.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

9

De gronden ter plaatse van dit deel van het tracé zijn momenteel ingericht als natuur, infrastructuur (wegen) en ten behoeve van de waterhuishouding. In figuur 3 is met de rode lijn de nieuw te leggen CO₂- leiding aangegeven binnen de gemeente Kaag en Braassem. De blauwe lijn geeft het verdere verloop van de leiding weer in de andere gemeenten. Voor de concrete begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

Figuur 3 Luchtfoto ter plaatse van het plangebied (Bron: Street Smart)

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

10

3

NIEUWE SITUATIE CO₂-netwerk voor de Kwakel

In 2014 is de ‘Green Deal CO₂ voorziening glastuinbouw in Noord-Holland’ door veertien partijen ondertekend. De externe toevoer van CO₂ is een belangrijke randvoorwaarde voor energieverduurzaming in de glastuinbouwsector. In de glastuinbouw is het gebruik van CO₂ voor het groeiproces in de kas noodzakelijk. Veel tuinbouwbedrijven brengen daarom extra CO₂ in de kassen. Meestal wordt hiervoor rookgas uit de Warmte Kracht Koppeling (WKK) of de ketel gebruikt. Deze installaties draaien voornamelijk op fossiele brandstoffen. Zo ook glastuinbouwgebied de Kwakel (Kernglastuinbouwgebied Uithoorn) waar WKK-installaties fossiele brandstoffen verbranden om zodoende CO₂ te produceren. De afspraken zijn gemaakt naar aanleiding van een inventarisatie in 2013 waarin de behoefte aan CO₂ binnen de Greenport Aalsmeer is onderzocht. De uitkomst van deze inventarisatie onder tuinders is dat de beschikbaarheid van duurzame en betaalbare CO₂ als een voorwaarde gezien wordt voor de toekomstbestendigheid van het glastuinbouwgebied. Er bestaat dan ook onder de kwekers grote belangstelling voor afname van duurzame en betaalbare CO₂ via een centraal leidingstelsel. De toevoer van CO₂ aan glastuinbouw levert een grote bijdrage aan de energiedoelstellingen van Greenport Aalsmeer.

Door de ‘zomerstook’ (Warmtekrachtkoppeling of ketel) te vermijden kunnen de kwekers met de levering van OCAP CO₂ een energiebesparing realiseren en de uitstoot van CO₂ gereduceerd. Daarnaast is externe CO₂-levering een belangrijke randvoorwaarde voor de inzet van duurzame warmte (restwarmte, geothermie, warmte/koude opslag, etc.). De besparing in aardgasverbruik en CO₂–emissie kan daarmee nog aanzienlijk verder oplopen. Aldus is het beoogde resultaat van het project een duurzame en betaalbare voorziening van CO₂ voor de Kwakel om de duurzame ontwikkeling van het gebied te versnellen en de weg voor duurzame warmte vrij te maken en de concurrentiepositie te versterken door levering van CO₂ uit de industrie aan de glastuinbouwbedrijven. In eerste instantie betreft dit rest- CO₂ van de raffinaderij van Shell en de bio-ethanol fabriek van Alco, beide in Rotterdam. Voor groei van de CO₂-afname wordt de aansluiting van nieuwe CO₂–bronnen onderzocht. In onderstaande afbeelding is de projectvisie voor het gehele gebied weergegeven. Opgemerkt wordt dat dit bestemmingsplan uitsluitend voorziet in een gedeelte van de aansluiting van glastuinbouwgebied de Kwakel.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

11

Figuur 4 Overzichtstekening aansluiting glastuinbouwgebieden op het bestaande CO₂-netwerk

Tracé en aanleg nieuwe CO₂-leiding Bij het bepalen van de ligging van het tracé en reduceerstation is nadrukkelijk gekeken naar de meest wenselijke situatie vanuit beheer, veiligheid en bereikbaarheid. Het beginpunt van de CO₂-tracé bevindt zich ten zuidoosten van de kern Nieuw-Vennep nabij knooppunt Burgerveen. Ter plaatse bevindt zich een bestaande CO₂-leiding van OCAP. Vanaf deze leiding wordt een aftakking ten behoeve van de aansluiting van glastuinbouwgebied de Kwakel gerealiseerd. De nieuwe CO₂-leiding wordt gelegd vanaf de bestaande leiding aan de zuidzijde van de A4 nabij het knooppunt Burgerveen en loopt vervolgens in zuidoostelijke richting Venneperweg en kruist de Venneperweg, de Leimuiderdijk en de Ringvaart Haarlemmermeerpolder. Vervolgens loopt de CO₂leiding onder het zuidelijk deel van de Westeinderplassen door richting Uithoorn. Het passeert de Herenweg en loopt vervolgens door het weidegebied ten noorden van Vriezenveen. Nabij Uithoorn buigt het tracé eerst in zuidelijke richting af om hier de gemeentegrens te passeren en vervolgens aan de zuidzijde van de Hoofdweg in oostelijke richting om te buigen. Langs de Hoofdweg nabij huisnummer 181 bevindt zich het einde van het hogedruk tracé. Op deze locatie wordt het reduceerstation gerealiseerd. In het reduceerstation wordt de hogedruk omgezet in lage druk en vanuit hier verder gedistribueerd naar de afnemers.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

12

De leidingen, onderdeel uitmakend van het nieuwe hoofdtracé, hebben een diameter van 50 centimeter, een werkdruk van 8 Bar(g) en ontwerpdruk van 44 Bar(g) en worden gelegd op een diepte van circa 1,50 tot 2,5 meter onder het maaiveld. Het nieuwe tracé zal een lengte hebben van circa 5,8 kilometer. De lengte van het tracé op grondgebied van de gemeente Kaag en Braassem bedraagt ca. 2.300 meter. De nieuwe leiding wordt voor het grootste gedeelte aangelegd middels een horizontale gestuurde boringen (HDD). De horizontaal gestuurde boring betreft een techniek waarbij er een ondergrondse boring plaatsvindt en er geen sleuven hoeven te worden gegraven. In het laatste gedeelte van het tracé (binnen de gemeenten Aalsmeer en Uithoorn) wordt de leiding in open sleuf aangelegd. Nadat de leiding is gelegd, worden de gronden ter plaatse weer in oorspronkelijke staat hersteld (cultuurtechnische afwerking). De bovengrondse ruimtelijke structuur van het plangebied en zijn omgeving wijzigt feitelijk niet. Er zal, met uitzondering van het reduceerstation, geen bebouwing worden opgericht. In figuur 5 is aangegeven waar de leiding wordt aangelegd in een open sleuf (rode lijn) en waar de leiding wordt aangelegd middels een horizontale gestuurde boringen (blauwe lijn). De gele cirkel geeft de locatie weer van het reduceerstation.

Figuur 5 Aanlegwijze CO₂-leiding

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

13

Voorliggend bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op het gedeelte van het tracé dat binnen de gemeente Kaag en Braasem is gelegen. Binnen de gemeentegrenzen van Kaag en Braasem is sprake van de aanleg van een CO₂-leiding middels horizontaal gestuurde boringen.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

14

4 BELEIDSKADERS Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Algemeen Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Rijksdoelen en regionale opgaven In de SVIR heeft het Rijk drie Rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie Rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd.

Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. In de geformuleerde opgaven van nationaal belang zoals opgenomen in de SVIR wordt niets gezegd over deze vorm van verduurzamingsmaatregel.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

15

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid De in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkeling raakt, gelet op de kleinschaligheid van de aanpassing, geen rijksbelangen en er is geen sprake van enige vorm van belemmeringen met betrekking tot de doelen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Met het plan wordt bijgedragen aan de energieverduurzaming in de glastuinbouwsector en de toekomstbestendigheid van deze sector. Tot slot wordt opgemerkt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking, gelet op de aard van de ontwikkeling, niet van toepassing is. Klimaatakkoord Algemeen In het Klimaatakkoord van Parijs is in 2015 afgesproken dat de opwarming van de aarde wordt beperkt tot minder dan twee graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. Het streven is om de opwarming beperkt te houden tot anderhalve graad. Het kabinet heeft met het nationale Klimaatakkoord (juni 2019) een centraal doel: het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 49 % ten opzichte van 1990. Dit Klimaatakkoord betreft een pakket aan maatregelen met een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak, dat de actieve steun heeft van zoveel mogelijk bijdragende partijen en waarmee het politieke reductiedoel van 49% in 2030 wordt gerealiseerd.

Doelen klimaatakkoord Het Klimaatakkoord bevat de afspraken die aan vijf sectortafels zijn gemaakt, waaronder Landbouw en landgebruik. Voor de glastuinbouw is ten aanzien van de CO₂-voorziening in het klimaatakkoord o.a. opgenomen dat wordt ingezet op voldoende maatregelen om de benodigde CO₂-voorziening voor de glastuinbouwsector mogelijk te maken. Uiterlijk in 2030 is de ontwikkeling naar een CO₂- voorziening met een omvang van circa 2,0 Mton op jaarbasis zeker gesteld. De inzet en aanpak zijn gericht op kosteneffectieve afvang, transport en levering van CO₂, realisatie van onafhankelijk CO₂-transport, integratie en optimalisatie van CO₂-opslag (CCS), maximale ontsluiting van CO₂ uit biogene bronnen en innovatie en ontwikkeling van CO₂-winning uit de buitenlucht. Toetsing van het initiatief aan het klimaatakkoord De in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkeling levert een bijdrage aan de klimaatdoestelling voor de glastuinbouw ten aanzien van de CO₂-voorziening. De CO₂ leiding is namelijk belangrijk voor transport en levering van CO₂ naar het glastuinbouwgebied De Kwakel. De aanleg van de CO₂-leiding is in overeenstemming met de doelstelling uit het klimaatakkoord.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

16

Provinciaal beleid Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. In dit omgevingsbeleid zijn verschillende beleidsplannen samengebracht tot 1 integraal Omgevingsbeleid, waarmee de provincie voorsorteert op de Omgevingswet. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.

Figuur 6: Ruimtelijke hoofdstructuur (bron: Visie ruimte en mobiliteit, Provincie Zuid-Holland, 30 mei 2018).

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

17

De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit.

In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’; ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid De voorgenomen ontwikkeling geeft invulling aan de provinciale ambities om te werken aan een klimaatbestendige delta en energievernieuwing. Daarnaast levert de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op voor andere ambities van de provincie Zuid-Holland.

Gemeentelijk beleid In de Maatschappelijk ruimtelijke structuurvisie 2025 van de gemeente Kaag en Braasem is de actuele koers uiteengezet. De hoofdkoers van de gemeente is ‘behoud door ontwikkeling’. Dit betekent dat we inzetten op het behouden en versterken van onze kernkwaliteit als landelijke gemeente. Een gemeente moet zich permanent ontwikkelen om te zorgen voor een plek waar het goed samenleven, wonen en werken is. Daarom werkt de gemeente aan het versterken van haar sociale kapitaal en de samenhang tussen Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

18

inwoners. Ook is er aandacht voor een passende woningvoorraad voor alle doelgroepen zodat iedereen hier prettig kan wonen. Tegelijkertijd zet de gemeente in op het verder ontwikkelen van recreatiemogelijkheden en de economie. Het doel is om bestaande bedrijvigheid in alle sectoren te behouden en gelegenheid te creëren voor innovatie. Diverse ruimtelijke opgaven gaan op termijn een aanzienlijke claim leggen op het landschap. De regionale en gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid betekenen dat energiebronnen zoals windmolens en zonnevelden in het polderlandschap kunnen verschijnen. Kaag en Braasem ziet duurzaamheid als een gedeelde verantwoordelijkheid: ‘’De gemeente ondersteunt duurzame initiatieven die uit de samenleving komen en helpt andere partijen om resultaten te boeken. Bijvoorbeeld met hulp bij procedures, het delen van informatie en contacten, door partijen samen te brengen, bij het zoeken naar financiering en door te lobbyen bij andere overheden. Duurzaamheid is een gedeelde verantwoordelijkheid die ook in ieders eigen belang is. Dat betekent dat we als inwoner, bedrijf of organisatie onze schouders eronder moeten zetten. De gemeente kan faciliteren in kennis, netwerk en organisatie.’’ Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de duurzame ontwikkelingen die de gemeente graag ondersteunt.

Daarnaast wordt met de beoogde CO₂-leiding geen afbreuk gedaan aan het landschap of het sociaal kapitaal.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

19

5

ONDERZOEKEN EN BEPERKINGEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema’s water, bodem, flora & fauna, cultuurhistorie en archeologie, geluid, lucht, externe veiligheid, geur, milieuzoneringen, kabels, leidingen en telecommunicatie installaties, explosieven en milieueffectrapportage.

Water Beleid Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Provinciaal beleid Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig.

Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in zeven deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-West wordt beheerd door de waterschappen Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, Waterschap Hollandse Delta, Hoogheemraadschap van Delfland, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Waterschap Rivierenlanden, Hoogheemraadschap van Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

20

Rijnland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en Hoogheemraadschap Amstel-, Gooi- en Vecht. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. In het waterbeheerplan worden de volgende vier speerpunten met bijbehorende doelen benoemd: • Waterveiligheid o Wij beschermen tegen overstromingen (preventie) o Wij adviseren over het beperken van overstromingen (gevolgbeperking) o Wij bereiden ons goed voor op een calamiteit • Voldoende Water o Wij zorgen ervoor dat de waterpeilen kloppen o Wij zorgen voor de instandhouding van het watersysteem o Wij beperken de gevolgen van wateroverlast o Wij zorgen voor voldoende zoetwater • Schoon en gezond water o We verminderen de watervervuiling o We beheren en onderhouden ons watersysteem ecologisch o Wij realiseren schone meren, plassen en natuurgebieden • Zwemwaterlocaties maken we schoon en veilig o Waterketen o We verwerken afvalwater op doelmatige wijze o We verduurzamen de verwerking van afvalwater en hergebruiken het afvalwater

optimaal Keur en beleidsregels Om deze doelen te kunnen realiseren beschikt het waterschap over een eigen verordening, die van oudsher de Keur heet, met de daarbij behorende beleidsregels. In deze regels is het beleid van het waterschap nader uitgewerkt. De keur en de beleidsregels maken het mogelijk dat het waterschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur bevat wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) van toepassing op allerlei activiteiten zoals: • • • •

Waterkeringen (onder andere uitvoeren van bodemonderzoek, ophogen, aanleg van wegen, of gebouwen en heien); Wateren (onder andere wijzigen van bestaande wateren, aanleggen van nieuwe wateren, duikers, dammen, bruggen en dempen); Zowel voor waterkeringen als voor wateren (het aanleggen van kabels en leidingen); Overig (onttrekken en/of infiltreren, aanleggen van verhard oppervlak).

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

21

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of nabij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het waterschap daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in de Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. Waterparagraaf Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Watertoetsproces In het kader van voorliggend bestemmingsplan wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Van een toename van verharding is geen sprake. Na de werkzaamheden wordt alles weer conform de huidige situatie ingericht. Van blijvende invloeden van de ontwikkeling op de waterhuishouding is dan ook geen sprake. Het plan is voorbesproken met het Hoogheemraadschap van Rijnland. Voordat de werkzaamheden worden opgestart worden alle benodigde vergunningen (bijv. bij werkzaamheden in of nabij watergangen van het hoogheemraadschap, lozing en onttrekking) aangevraagd. Conclusie Het aspect waterhuishouding vormt, mits alle meldingen worden ingediend en vergunningen worden verkregen, geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

Bodemkwaliteit Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

22

Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; 3. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Beoordeling Gelet op het feit dat geen sprake is van menselijk verblijf, afgezien van gedurende de werkzaamheden, is het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Voor de aanleg van de leidingen is door Geonius een historisch verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Er zijn meerdere deelgebieden binnen de planlocatie met een hypothese ‘prospectief verdacht’. Dit houdt in dat, in het kader van de aanlegwerkzaamheden, er op meerdere locaties binnen het plangebied bodemonderzoek wordt aanbevolen van de nulsituatie en van de eindsituatie.

Conclusie Met in achtneming en uitvoering van de aanbevolen milieu hygiënische bodemonderzoeken rondom de realisatiefase vormt het aspect bodem geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

Ecologie Algemeen Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming inwerking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, te weten de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Beoordeling - Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ is op een afstand van circa 8,2 kilometer van het plangebied gelegen. Het gebied ‘Kennemerland- Zuid’ ligt op een afstand van ca 10,9 kilometer van het plangebied. Het gebied ‘Botshol’ is gelegen op 12,9 kilometer. De aanpassing heeft slechts een tijdelijk, beperkt en lokaal effect.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

23

10,9 km

12,9 km

8,2 km

Figuur 7 Ligging leidingtracé t.o.v. Natura 2000-gebieden

Om na te gaan of de aanleg van de CO₂-leiding een stikstofdepositie toename veroorzaakt in stikstofgevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jr., is door Geonius een stikstofdepositieonderzoek (inclusief AERIUS-berekeningen) uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 Uit de resultaten van de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van stikstofdepositie toename op de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. Deze bedraagt maximaal 0,01 mol/ha/jr. voor beide natuurgebieden. Op andere Natura 2000-gebieden in de omgeving is geen sprake van een stikstofdepositie toename. Ondanks de stikstofdepositie toename van het project worden negatieve effecten op de Natura 2000gebieden niet verwacht, aangezien het een eenmalige en erg lage toename betreft. De rijksoverheid heeft samen met de provincies recent een interne beleidslijn afgesproken, waarbij projecten met tijdelijke stikstofdepositietoenames van transport en mobiele werktuigen in de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jr. gedurende maximaal 2 jaar niet meer vergunningplichtig zijn voor de Wet natuurbescherming.

Hierbij mag niet worden afgeweken van de uitgangspunten van dit rapport, wat in de uitvoering betekent dat bij de boringen en boor-rig stageklasse IIIb of nieuwer wordt ingezet, een minigraver met stageklasse IIIa of jonger en ten aanzien van het overige materieel gewerkt dient te worden met machines van 2014 of jonger. Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

24

Het beleid omtrent stikstof veranderd per 1 juli 2021. Het Wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering treedt dan naar alle waarschijnlijkheid in werking. Voor de bouwsector houdt dit in dat er een vrijstelling van de natuurvergunningsplicht komt voor bouwactiviteiten in de bouwfase, sloopfase en aanlegwerkzaamheden met een tijdelijke en beperkte emissie. Voorliggend project zal dan, gezien de aarde en omvang, worden vrijgesteld van de vergunningsplicht. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Voor wat betreft het NNN is alleen bij directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. De Westeinderplassen maken onderdeel uit van het NNN. Overige gebieden zijn op enige afstand van het plangebied gelegen. De aanpassing (aanleg van horizontaal gestuurde boring onder Westeinderplassen) heeft slechts een tijdelijk, beperkt en lokaal effect. Er vindt geen verlies van areaal plaats. Een toetsing aan het NNN is niet benodigd. Beoordeling - Soortenbescherming Geonius heeft een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd om na te gaan welke natuurwaarden in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig zijn en welke vervolgstappen eventueel nodig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het verslag van deze Quickscan is opgenomen in bijlage 3.

Uit de Quickscan blijkt dat er sprake is van van een tijdelijke verstoring van beschermde zoogdiersoorten, maar het gaat alleen om algemeen voorkomende soorten, met name muizen, waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ingrepen. Er zijn geen negatieve gevolgen voor strenger beschermde soorten als de bunzing, die in deze omgeving weliswaar voorkomt, maar waarvoor binnen het projectgebied geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Er kan binnen het broedseizoen wel sprake zijn van verstoring van water- en weidevogels, soorten als meerkoet, wilde eend, grutto, kievit en scholekster. Voor wat betreft amfibieën en reptielen kunnen streng beschermde soorten als de rugstreeppad en de ringslang voorkomen, maar voor deze soorten zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Wel kunnen door een onzorgvuldige werkwijze geschikte voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad ontstaan, waardoor ook negatieve gevolgen voor deze soort aan de orde kunnen zijn. Mogelijke negatieve gevolgen voor streng beschermde soorten kunnen evenwel eenvoudig worden voorkomen dan wel gemitigeerd. Algemene, licht beschermde soorten (landzoogdieren, amfibieën en vissen) Voor algemene, maar wel beschermde soorten, te weten soorten die op de Vrijstellingslijst van de provincies (Noord- en Zuid-Holland) staan, geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Voor alle soorten, inclusief de bedoelde algemene soorten, geldt evenwel altijd de zorgplicht ex art. 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel is van toepassing op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten, ongeacht vrijstelling of ontheffing. De zorgplicht houdt in dat, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan plant- en diersoorten voorkomen wordt. In het onderhavige geval betekent dit dat bij graafwerkzaamheden in de bodem voorzichtig te werk moet worden gegaan en in een richting moet worden gewerkt, zodat in de bodem aanwezige dieren (muizen) tijdig kunnen ontsnappen. Verder dienen vegetaties met grassen of ruigte voorafgaande aan de

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

25

graafwerkzaamheden kort gemaaid te worden, zodat de kans op voorkomen van in de vegetatie schuilende dieren verkleind wordt. Er mag bij graafwerkzaamheden geen grond in oeverzones van sloten of moeraszones worden gedumpt om negatieve gevolgen voor amfibieën te voorkomen, dit geldt met name voor de kwetsbare periode voor amfibieën wat betreft voortplantingsplaatsen, namelijk tussen 15 maart en 1 september. In het geval er op het tracé amfibieën worden aangetroffen, dienen deze te worden verplaatst. Daar waar delen van sloten worden gedempt, dienen deze eerst te worden afgedamd, waarna nog eventueel aanwezige amfibieën en vissen worden weggevangen. Vogels Indien werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen (15 maart tot 15 juli), dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen en in de directe omgeving van het projectgebied, waaronder ook weidevogels. De bomen langs werkwegen dienen in deze periode te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten en broedgevallen. Dit geldt ook voor het tracé en de werkterreinen door de graslandpercelen, waar weidevogels en moerasvogels (in oeverzones van sloten) voor kunnen komen. Een ter zake deskundige ecoloog dient een storingsvrije zone te bepalen, waarbinnen geen verstorende werkzaamheden mogen plaatsvinden.

In het uiterste geval moeten werkzaamheden tot na het broeden worden opgeschort, dit is ter beoordeling van de ecoloog. Amfibieën Indien er zich rugstreeppadden in het werkgebied vestigen, kunnen deze alleen na het verkrijgen van een ontheffing worden verplaatst. Daarom dient het ontstaan van geschikte voortplantingsplaatsen voor de rugstreeppad te worden voorkomen door er op toe te zien dat er geen diepe wielsporen in de bodem ontstaan bij het rijden met zwaar materieel. Dergelijke sporen moeten zo snel mogelijk weer worden uitgewist, indien graafwerkzaamheden in de periode tussen 15 maart en 15 juni plaatsvinden. Noodzaak ontheffingsaanvraag Indien de voornoemde maatregelen in acht worden genomen, is er geen strijdigheid met de Wet natuurbescherming en kan de ingreep zonder ontheffing plaatsvinden. N.B. Voor verstoring van broedvogels kan in het onderhavige geval geen ontheffing verkregen worden, aangezien de werkzaamheden niet behoren tot een van de belangen die daarvoor in de wet zijn opgenomen. Conclusie Met in achtneming van de maatregelen zoals opgenomen in de Quickscan flora en fauna ten tijde van de aanleg vormt het aspect ecologie in het kader van dit bestemmingsplan geen belemmering.

Archeologie & Cultuurhistorie Archeologie Algemeen Op grond van de Monumentenwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Monumentenwet is bepaald dat gemeenten een archeologische Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

26

zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Beoordeling RAAP heeft in mei 2016 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in het plangebied. Hierna zijn de conclusies opgenomen, voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Aangezien deze studie niet het volledige plangebied beschrijft, is er in februari 2020 een archeologisch vervolg bureauonderzoek gedaan naar het volledige plangebied. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 5. Conclusie Op basis van de resultaten van de bureauonderzoeken is voor het gehele plangebied een lage archeologische verwachting vastgesteld. Op basis hiervan en omdat de toekomstige inrichting nergens de ondergrenzen van de vrijstellingswaarden overschrijdt, wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren.

Cultuurhistorie Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen betrekking op of is deze niet van invloed op omliggende bebouwing of de omgeving. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen cultuurhistorisch onderzoek noodzakelijk is en de ontwikkeling geen negatieve effecten met zich mee brengt ten aanzien van cultuurhistorische waarden.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

27

Geluid (Wet geluidhinder) Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Beoordeling De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het toetsen van de voorgenomen ontwikkeling aan de aspecten industrielawaai, wegverkeers- en railverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Wat betreft de geluidsproductie van de leiding op de omgeving wordt opgemerkt dat bij ondergrondse transportleidingen geen sprake is van geluidsemissie. Voor wat betreft de invloed van het reduceerstation op de omgeving wordt verwezen naar het aspect milieuzonering. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is in voorliggend geval niet vereist.

Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling.

Luchtkwaliteit Algemeen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

28

Beoordeling Gelet op de aard en omvang van dit project kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht.

De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

29

Beoordeling In het kader van voorliggend bestemmingsplan moet het onderwerp externe veiligheid aan de orde komen wanneer dat relevant is. Wanneer gekeken wordt naar de eigenschappen van CO₂ blijkt dat het vrijkomen van CO₂ gevolgen kan hebben voor personen die deze CO₂ inademen: • door verdringing van zuurstof kan CO₂ leiden tot verstikking; • CO₂ veroorzaakt een toxisch effect bij personen die hoge concentraties CO₂ inademen, zelfs als de zuurstofconcentratie ongewijzigd blijft. Voor CO₂ geldt dat deze stof is aangewezen als stof dat in het kader van externe veiligheid buisleidingen moet worden onderzocht. Ondergrondse leidingen zijn niet aan te merken als (beperkt) kwetsbare objecten. In voorliggend geval brengt de ontwikkeling wel wijzigingen met zich mee voor wat betreft het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van artikel 8 van het Bevb is het OCAP, als exploitant zijnde, verplicht om bij wijzigingen aan leidingen een onderzoek uit te voeren naar de invloed van die wijziging op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Een dergelijk onderzoek is tevens noodzakelijk op basis van artikel 11 van het Bevb, aangezien de bestemmingsplanprocedure wordt doorlopen ten behoeve van de aanleg van buisleidingen. Voor de locatie is een onderzoek uitgevoerd waarin de wijziging van het plaatsgebonden- en groepsrisico inzichtelijk is gemaakt.

Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Opgemerkt wordt dat nadien enkele onderdelen uit de rapportage nader zijn verduidelijkt in een aanvullende notitie. Deze notitie is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. In verband met het feit dat tracé richting De Kwakel enigszins is verschoven, en op een ander punt eindigt dan destijds voorzien is tevens een side letter bij de QRA opgesteld. Deze side letter is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is in het Besluit externe veiligheid buisleidingen gedefinieerd als “het risico op een plaats nabij een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met die buisleiding”. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door contouren rondom de leiding met risicowaardes van, indien aanwezig, 10-4, 10-6, 10-6, 10-7 en 10-8 per jaar.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

30

Conclusie Het plaatsgebonden risico van de buisleiding blijft lager dan het niveau 10-6 per jaar. Hiermee wordt voldaan aan de plaatsgebonden risico normen van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers voorkomt. Het wordt in het Besluit externe veiligheid buisleidingen gedefinieerd als “de cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding". Berekening De groepsrisicografiek blijft geheel leeg. Dit betekent dat geen sprake is van een groepsrisico. De verantwoordingsplicht groepsrisico is conform Bevb bij een ruimtelijke procedure van toepassing. Gelet op het ontbreken van het groepsrisico kan de invulling van de verantwoordingsplicht beperkt blijven. Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

Geur Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is derhalve niet van toepassing op dit bestemmingsplan. Activiteitenbesluit Ten aanzien van leidingen zijn in het Activiteitenbesluit geen nadere eisen opgesteld ten aanzien van geurhinder. Het activiteitenbesluit is derhalve niet van toepassing op dit bestemmingsplan. Beoordeling Binnen het plangebied worden geen geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt opgemerkt dat bij ondergrondse leidingen en een reduceerstation geen sprake is van geuremissie. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

31

Milieuzonering Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.

Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Beoordeling Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). In voorliggend geval zijn de CO₂-leidingen niet aan te merken als milieugevoelige of milieubelastende functies. Voor leidingen gelden de bepalingen uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen. Transportleidingen zijn niet relevant in het kader van milieuzonering. Wat betreft het reduceerstation wordt opgemerkt dat op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een dergelijke installatie wordt aangemerkt als een categorie 1-inrichting. Voor een dergelijke inrichting moet een richtafstand van 10 meter worden aangehouden.

In voorliggend geval zal het station op ca. 150 meter van de meest nabijgelegen woning worden gerealiseerd, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan. Van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geen sprake. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Kaag en Braassem - Toelichting

32

Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties Algemeen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Beoordeling In het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen van derden, waaronder een ondergrondse hoogspanningsleiding. Daarnaast worden er binnen het plangebied geen hoge gebouwen gerealiseerd en is het aspect telecommunicatie derhalve niet relevant. Conclusie De aspecten kabels, leidingen en telecommunicatie installaties vormen geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=9b37e390-16f8-4cb4-bf98-5d3175948779