Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 6 Quickscan flora & fauna
Tekst van het document
QuickScan Flora en fauna Rijpwetering Gemeente Kaag en Braassem Rapport nr. 20190121 Oktober 2019
Taharo Ecologisch advies Valleiweg 51 30911 DB Rhenen www.taharo.nl
Inhoudsopgave 1 Inleiding Werkwijze QuickScan flora en fauna
2 2
2 Planbeschrijving Ligging van het plangebied Huidige situatie Toekomstige situatie
3 3 3 4
3 Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid 4 Toetsing beschermde houtopstanden
6 6 6 8
5 Toetsing soortbescherming Vogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelde dieren Vaatplanten
9 10 10 11 11 12 12 12 12
6 Conclusie
13
7 Samenvatting
14
8 Geraadpleegde bronnen
15
1
1
Inleiding
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging, om woningbouw te kunnen realiseren, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de huidige natuurwaarden is op 26 oktober 2019 van circa 16.30 – 17.30 uur door een ecoloog van Taharo een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek betroffen: vrijwel geheel bewolkt, met een zuidzuidwestenwind van 4 Bft, 16,4 °C en geen neerslag. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd.
Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.
2
2
Planbeschrijving
Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen ten noorden van de bebouwing van het dorp Rijpwetering, aan de westkant grenzend aan de sportvelden van Sportvereniging SV ROAC. Volgens de topografische kaart van Nederland kaartblad 30F (schaal 1:25.000) zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 099.723, Y = 467.708. Het plangebied is rood omkaderd weergegeven op de luchtfoto (figuur 1) en weergegeven als een rode ster op de topografische kaart (figuur 2).
Figuur 1. Luchtfoto met het plangebied rood omlijnd.
Huidige situatie Het plangebied bestaat uit weidegebied waar momenteel schapen grazen. De locatie ligt ingeklemd tussen de bestaande bebouwing van Rijpwetering in het zuiden en de voetbalvelden van SV Roax in het westen. Aan de westkant wordt het weiland begrensd door ene vaartje, met daarachter een bomenrij, een pad en daarachter de voetbalvelden. Aan de noordkant vormt de grens een sloot, met daarachter eveneens weiden. Aan de oostkant loopt het weiland door zonder begrenzing. Het meer de Koppoel ligt op een geringe afstand van het plangebied aan de noordzijde. Figuren 4 t/m 8 geven een impressie van het plangebied.
3
Figuur 2. Topografische kaart plangebied (rode ster).
Toekomstige gewenste situatie Voor het plangebied wordt momenteel een inrichtingsplan gemaakt. De focus hierbij ligt op woningbouw, er zullen in de toekomst woningen worden ontwikkeld.
4
Figuur 5. Overzicht van het plangebied, weide met schapen. Foto genomen richting het noordoosten.
Figuur 6. De sloot aan de noordkant van het plangebied, met op de voorgrond het vaartje wat de begrenzing vormt aan de westkant van het plangebied. Foto genomen richting het oosten.
Figuur 7. Overzicht van het plangebied, weide met schapen. Foto genomen richting het noordwesten.
Figuur 8. Overzicht van het plangebied, weide met schapen. Foto genomen richting het zuidoosten.
5
3
Toetsing gebiedsbescherming
Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde wettelijke beschermde natuurgebied is Natura 2000-gebied Coepelduynen op 11.2 km afstand (zie figuur 9). Als er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. De ontwikkeling betreft woningbouw op een plek waar momenteel weidegebied is en wat beweid wordt door schapen. Gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied, is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs verwaarloosbaar.
Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 600 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN niet worden aangetast.
Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het plangebied valt binnen het door de Provincie Zuid-Holland aangewezen belangrijk weidevogelgebied en binnen de groene buffer (gebieden met bijzondere kwaliteit (beschermingszone 2). Ruimtelijke ingrepen zijn hier mogelijk maar hiervoor is compensatie noodzakelijk. Dat is bij voorkeur een binnenplanse compensatie. Als dit
6
aantoonbaar niet realiseerbaar is, kan ook elders binnen de Gemeente worden gecompenseerd (bovenplans). Net als bij de voormalige ‘ruimte voor ruimte’-regeling kunnen Gemeenten ervoor kiezen om in plaats daarvan een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen, mits kan worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit door middelen van maatregelen in natura onvoldoende (of niet tijdig) kan worden gecompenseerd. In dat geval kan compensatie plaatsvinden door middel van storting van een bedrag in een (inter)gemeentelijk kwaliteitsfonds, mits aannemelijk is dat met de storting de uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. De uitvoering en toepassing van deze regeling wordt aan de Gemeente overgelaten.
Figuur 9. Ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natura 2000-gebieden, de rode pijl geeft de ligging van het plangebied weer.
Figuur 10. Ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de rode pijl geeft de ligging van het plangebied weer.
7
4
Toetsing beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er geen bomen binnen het plangebied aanwezig zijn die mogelijk zouden gaan verdwijnen, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
8
5
Toetsing soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Vogels (artikel 3.1 Wnb) De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 Wet natuurbescherming) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb).
Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn.
Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat
9
deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Tijdens het veldbezoek is rond het plangebied een knobbelzwaan waargenomen. In de nabije omgeving (op 0-1 km afstand van het plangebied) zijn waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals boomvalk, sperwer, buizerd, slechtvalk en gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zoals gierzwaluw en huismus. Er staan geen gebouwen op het plangebied, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels zoals huismus en gierzwaluw is uitgesloten.
Er staan geen bomen met grote takkennesten, waardoor ook verblijfplaatsen van roofvogels zoals de sperwer, boomvalk of buizerd eveneens is uitgesloten. Het gebied kan wel dienen als foerageergebied voor deze roofvogels. Echter, er is in de omgeving ruim voldoende foerageergebied aanwezig in de directe omgeving in de vorm van omliggende graslanden, door de ingreep verdwijnt er geen essentieel foerageergebied. Subconclusie Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties of essentiële foerageergebieden van soorten vogels met een jaarrond beschermde status verloren. Binnen het plangebied kunnen niet-jaarrond beschermde nesten verstoord worden in de opgaande houtige beplanting. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen in de houtige beplanting buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een merel) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden.
De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Uit het plangebied en/of nabije omgeving (0-1 km) zijn vanuit de NDDF-waarnemingen bekend van diverse soorten vleermuizen, o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwerg-
10
vleermuis en rosse vleermuis. Alle soorten vleermuizen zijn Europees beschermde soorten, hiervoor geldt geen provinciale vrijstelling. Er staan geen gebouwen op het plangebied, wat de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitsluit. Er zijn eveneens geen bomen met holtes of loszittend schors aanwezig binnen het plangebied. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen om die reden eveneens worden uitgesloten. Er zijn geen bomenrijen of watergangen aanwezig die eventueel als essentiële vliegroute kunnen fungeren. De sloot is te smal om te kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Het gebied is zeer open en om die reden ongeschikt als essentieel foerageergebied. subconclusie Er zijn binnen het plangebied geen verblijfplaatsen, foerageergebieden of vliegroutes aanwezig van vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen worden op voorhand uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als veldmuis, konijn etc. kunnen gebruik maken van het plangebied. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten.
Voor kleine marterachtigen zoals bunzing, wezel en hermelijn, die eveneens vanuit de omgeving bekend zijn, is het gebied te open en ontbreken houtige structuren die als schuilplaats kunnen dienen. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren bekend vanuit de NDFF. Subconclusie Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-vrijgestelde reptielen bekend vanuit de NDFF en vanuit de verspreidingsgegevens van RAVON.
Beschermde soorten reptielen zijn, gezien de afwezigheid van geschikt habitat, niet te verwachten binnen, en in de buurt van het plangebied. Negatieve effecten voor reptielen zijn dan ook op voorhand uitgesloten.
11
Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. Binnen het plangebied kan incidenteel een dergelijke soort, zoals bijvoorbeeld de gewone pad, worden aangetroffen onder losse stenen of stammetjes. In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-vrijgestelde amfibieën bekend vanuit de NDFF. Subconclusie De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-vrijgestelde vissen bekend vanuit de NDFF en vanuit de verspreidingsgegevens van RAVON. De sloten blijven bovendien intact. Subconclusie Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Beschermde ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten libellen of vlinders. Daarbij biedt het plangebied geen geschikt (voortplantings)habitat voor deze soortgroepen.
Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. Vanuit verspreidingsgegevens van de NDFF is de platte schijforen in de omgeving bekend (0-1 km). De sloot aan de noordgrens van het plangebied is geschikt voor de platte schijfhoren. De sloot bevindt zich in het veenweidegebied en bestaat uit relatief stilstaand water. In deze situatie is de platte schijfhoren relatief weinig kritisch. Gezien het feit dat de sloot intact blijft, is blijft het habitat voor de platte schijfhoren in zijn geheel aanwezig. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft is eveneens uitgesloten. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten, waaronder de platte schijfhoren, zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van de beschermde vaatplanten. Er zijn binnen het plangebied geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Om die reden is de aanwezigheid van beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten.
12
6
Conclusie
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000, het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.
13
7
Samenvatting
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject/
Bijzonderheden/ opmer-
aanwezig
verstoring
maatregelen
kingen
Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp
Globale broedseizoen loopt
Broedvo-
maken of controle
van maart tot half augustus
gels
vooraf
Algemeen
Jaarrond
Ja
Nee
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Minimaal
Nee
-
-
Minimaal
Nee
-
-
Ja
Mogelijk
Zorgplicht
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Mogelijk
Zorgplicht
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand
Sprake van
tot gebied
aantasting
ca. 11,2 km
Nee
beschermd Verblijfplaats Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Grondgebonden zoogdieren
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Vervolgtraject
-
Heeft betrekking op een soort als konijn etc.. Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Bijzonderheden/ opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische
Natuurnetwerk Nederland ca. 0,6 km
Nee
-
waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
14
8
Geraadpleegde bronnen
Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden/ European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Algemene websites bij12.nl (kennisdocumenten van o.a.
huismus en diverse vleermuissoorten) eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) floron.nl (soortgegevens planten) ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) sovon.nl (soortgegevens vogels) synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.zuid-holland.nl (NNN en beschermde gebieden in Zuid-Holland)
15