CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij toelichting 3. Quickscan Natuur

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Lange Dwarsweg 6, Rijpwetering’.12.587 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Natuur Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2025-0716

Revisie:

13 oktober 2025

Samensteller:

ing. C.A.S. Kuijpers

Collegiale toets:

ing. M. van Rijnen

Opdrachtgever:

Buro SRO B.V.

Contactpersoon:

F. Polderman

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

1.1

Planlocatie

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

9

2.1

Uitvoering onderzoek

9

2.2

Houdbaarheid en toepassing

9

3 Beoordeling

10

3.1

Soortenbescherming

10

3.2

Specifieke zorgplicht Soorten

14

3.3

Gebiedsbescherming

15

3.4

Houtopstanden

18

3.5

Natuurinclusiviteit

18

4 Conclusie en vervolg

19

4.1

Conclusie

19

4.2

Effecten

19

4.3

Vervolgstappen

19

4.4

Maatregelen

20

Samenvatting Aan de Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering is een bedrijfspand met loods, weideperceel en materiaalopslag gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op de huidige bebouwing op de planlocatie te slopen en een nieuw bedrijfspand te realiseren, waarbij een kavelsloot wordt verlengd, natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd en groen wordt aangeplant. beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. De vervolgstappen moeten uitwijzen of wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep

Bescherming

Mogelijke functie

Vervolgstap (H4.3)

Nestlocatie

Dakinspectie

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (jaarrond beschermd) Huismus

VR

Vogels (cat. 5 en algemeen) Vleermuizen algemeen

Potentie

Onderbouwing

Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute

Nee

Geen hoge bebouwing met bufferend vermogen

Ja

Geen aantasting van lijnvormige structuren

Essentieel foerageergebied

Nee

Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Vervolgstap (H4.3)

Natura 2000 Natura2000 stikstofgevoelig Kaderrichtlijn water Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

8,4 km 13 km 14 km 1,9 km 0m 0m

Geen Geen Geen Geen Geen Geen

n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. Ja, mits-toets n.v.t.

Zorgplicht

Effecten

Maatregel (H4.4)

Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden

Ja Ja Geen Geen

Algemene maatregelen Specifieke maatregelen n.v.t. n.v.t.

4

1 Inleiding Aan de Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering is een bedrijfspand met loods, weideperceel en materiaalopslag gesitueerd (figuur 1.1). De initiatiefnemer is voornemens op de huidige bebouwing op de planlocatie te slopen en een nieuw bedrijfspand te realiseren, waarbij een kavelsloot wordt verlengd, natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd en groen wordt aangeplant. In de huidige planologische situatie is de beoogde ruimtelijke ingreep niet toegestaan, waardoor een ruimtelijke procedure doorlopen moet worden. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering.

5

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering (figuur 1.2). De bebouwing op de planlocatie betreft een bedrijfspand met zowel stenen als houten muren en een golfplaten dak. Aan het bedrijfspand is een open loods bevestigd met damwandplaten muren en een golfplaten dak. Het weideperceel bevat korte vegetatie met beperkte oevervegetatie langs de sloten. Op het oostelijke gedeelte van het weideperceel bevinden zich twee grote hopen grondopslag. Ten westen van het weideperceel staat bouwmateriaal opgeslagen. Dit deel van de planlocatie is niet begroeid maar bedekt met zand en grind. Er zijn geen bomen aanwezig op de planlocatie. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn enkele foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door open, landelijk poldergebied met agrarische percelen en sloten. Groene gebieden in de omgeving zijn Braassemermeer en Kagerplassen, De dichtstbijzijnde rivier is de Drecht en ligt op een afstand van circa 4,3 km vanaf de planlocatie. De A4 ligt op een afstand van circa 150 m vanaf de planlocatie.

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om het bedrijfspand en de loods te slopen.

6

Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van een nieuw bedrijfspand, waarbij een kavelsloot wordt verlengd, natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd en groen wordt aangeplant. In de huidige planologische situatie is de beoogde ruimtelijke ingreep niet toegestaan, waardoor een ruimtelijke procedure doorlopen moet worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • verlengen van de kavelsloot en realisatie van natuurvriendelijke oevers: graafwerkzaamheden en grondtransport; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

7

Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO B.V.).

8

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot natuurwet- en regelgeving. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten, gebieden en houtopstanden. Dit verkennende onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025 en is uitgevoerd door ing. C.A.S. Kuijpers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 8/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, boven op het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d.

3 juni 2025. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.

2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de voorgenomen ingreep zoals deze door de initiatiefnemer is geformuleerd en de actuele wetgeving en provinciale verordening. Dit rapport mag alleen gebruikt worden voor deze vooraf gedefinieerde werkzaamheden. Andere werkzaamheden kunnen resulteren in schadelijke handelingen op beschermde natuurwaarden die niet binnen de effectbeoordeling van dit verkennend onderzoek vallen. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van drie jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen (Omgevingsregeling artikel 7.197j lid 2b).

9

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2020-2025). De planlocatie bevat bedrijfsbebouwing en een weideperceel met materiaalopslag. Aanwezige planten duiden op verstoorde, voedselrijke, stikstofrijke en vochtige omstandigheden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: echte kamille, fluitenkruid, grote brandnetel, grote weegbree, hondsdraf, klaproos, kruipende boterbloem, madeliefje, paardenbloem, ridderzuring, scherpe boterbloem, smalle weegbree en speerdistel. Het westelijke deel van de planlocatie is bedekt met zand en grind. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Er zijn geen bomen of struiken aanwezig.

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, veldmuis en woelrat (NDFF 2020-2025). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Op het weideperceel van de planlocatie zijn geen dekkende of structuurrijke elementen aanwezig. Hierdoor is de planlocatie te open om als leefgebied te dienen voor beschermde zoogdieren. Op een enkele puinhoop na bevat de materiaalopslag geen wegkruipplekken. Aangezien de planlocatie intensief wordt gebruikt en het materiaal regelmatig wordt verplaatst, is er geen vaste rust- en/of verblijfplaats aanwezig. Daarnaast is er sprake van te veel verstoring.

In de te slopen bebouwing zijn ook geen wegkruipplekken aanwezig. Ook hiervoor geldt dat deze intensief wordt gebruikt en er hierdoor te veel verstoring aanwezig is. Derhalve kunnen de aanwezigheid van beschermde zoogdieren worden uitgesloten. Door voornoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

10

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2020-2025). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de specifieke zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Rondom de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De bebouwing is opgebouwd uit stenen, houten en damwandplaten muren zonder luchtspouw. De daken zijn bedekt met golfplaten en slechts een gedeelte van enkele meters lang bevat een dakruimte. Deze dakruimte is echter niet toegankelijk voor vleermuizen omdat de aanvliegroute wordt geblokkeerd door de regengoot. Door de lichtinval via de dakramen van de loods is er sprake van te veel lichtverstoring voor vleermuisverblijfplaatsen. Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Voor de planlocatie geldt dat deze niet in een gebied is gelegen met een gemeentelijk Soortenmanagementplan (SMP) gebiedsvergunning.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het weideperceel en de watergangen op de planlocatie kunnen worden gebruikt als foerageergebied en vliegroute. Bij de beoogde ruimtelijke ingreep wordt groen aangeplant, de kavelsloot verlengt en worden natuurlijke oevers gerealiseerd. Deze ontwikkelingen hebben een positief effect op het leefgebied van vleermuizen. Negatieve effecten op het leefgebied van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2020-2025). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is deels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden.

Het weideperceel bestaat uit korte vegetatie en bevat geen structuren die kunnen dienen als habitatelementen. Het is wel mogelijk dat er amfibieën leven in de sloten rondom de planlocatie. Negatieve effecten worden uitgesloten omdat het water niet wordt gedempt. Een van de sloten wordt juist verlengt, er worden natuurlijke oevers gerealiseerd en er wordt nieuw groen aangeplant. Dit verbetert het leefgebied van amfibieën. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

11

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2020-2025). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20202025). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de platte schijfhoren (NDFF 2020-2025). De platte schijfhoren leeft in kleinschalige, schone, voedselrijke, ondiepe, heldere en stilstaande wateren. Deze wateren moeten een rijke diversiteit aan vegetatie en draadalgen bevatten. Op de planlocatie zijn sloten aanwezig. Deze bevatten beperkt vegetatie en zijn hierdoor niet optimaal voor de platte schijfhoren.

Deze sloten worden niet gedempt, maar juist verlengt en er worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd. Dit heeft een positief effect op het leefgebied van platte schijfhoren en er zal geen vast rust en/of verblijfplaats worden weggenomen. Door de graafwerkzaamheden aan de oevers ’s winters uit voeren kan het per ongeluk doden van individuen worden voorkomen aangezien de soort dan in de bodem in winterrust is (zie H4.3). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, boerenzwaluw, huismus, houtduif, knobbelzwaan, oeverzwaluw, scholekster, wilde eend en witte kwikstaart. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied.

Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2020-2025). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023). De bebouwing is opgetrokken uit houten, stenen en damwantplaten muren zonder spouw en wegkruipplekken. In de loods rusten de golfplaten op houten balken. Hier zijn geen nesten, nestmateriaal of sporen van huismussen aangetroffen. Het dak van de bedrijfsbebouwing is tevens bedekt met golfplaten, waarvan de dakvoet grotendeels is opgevuld met schuim. Een gedeelte van enkele meters lang niet opgevuld met schuim, waardoor de dakruimte toegankelijk is via de dakvoet. Hierdoor is het voor huismussen mogelijk om nesten te bouwen. Het

12

voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve niet uitgesloten worden. Echter, vanwege het feit dat het dak is bedekt met golfplaten, is het microklimaat onder het dak niet optimaal. Daarnaast heeft het toegankelijke deel van het dak een klein oppervlak. Derhalve de bebouwing kan met een dakinspectie, waarbij de golfplaten worden losgehaald en opgetild, worden onderzocht op de aanwezigheid van huismusnesten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is.

De bebouwing is opgetrokken uit houten, stenen en damwantplaten muren zonder spouw en wegkruipplekken. In de loods rusten de golfplaten op houten balken. Hier zijn geen nesten, nestmateriaal of sporen van de gierzwaluw aangetroffen. De ruimte onder het golfplaten dak van de bedrijfsbebouwing is niet toegankelijk voor de soort. De opening zit op een te lage hoogte van circa 2 m en de invliegroute wordt geblokkeerd door de regengoot. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties en vaste rustplaatsen van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten omdat er ruim voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden zijn in de landelijke omgeving. Vogels - Algemene broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Deze periode kan dus per jaar verschillen. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Tijdens het veldbezoek zijn nesten aangetroffen van de oeverzwaluw aangetroffen. De oeverzwaluw leeft in open terreinen met zoet water. De aanwezigheid van voldoende voedselaanbod en de steile, kale, zandige of lemige oevers om nestholen in te uit te graven zijn hierbij vereist. In de directe omgeving van de planlocatie zijn voldoende watergangen en grotere plassen aanwezig, waardoor de planlocatie geschikt foerageergebied vormt. Daarnaast is er een zanddepot met steile wanden aanwezig op de planlocatie. Hier zijn tijdens het veldbezoek 22 nestholen in aangetroffen.

De watergangen in de directe omgeving bestaan met name uit poldersloten. Deze sloten bevatten geen steile oevers en zijn bedekt met rietkragen, waardoor oeverzwaluwen er geen nesten kunnen bouwen. Wat verder van de planlocatie zijn grote plassen aanwezig, zoals het Braassemermeer en de Kagerplassen. Hier zijn ook waarnemingen bekend van de oeverzwaluw (NDFF 2020-2025). Dit duidt op voldoende uitwijkmogelijkheden voor de soort. Aangezien de staat van instandhouding gunstig is en er in de broedvogeltrend in Zuid-Holland geen significante aantalsverandering wordt aangetoond (Sovon, 2025) is er geen sprake van ecologisch zwaarwegende redenen om deze nesten jaarrond te beschermen. Indien de nesten verlaten zijn en buiten het broedseizoen van de soort worden verwijderd, is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen (zie H4.3).

13

Figuur 3.1 In de grondopslag zijn 22 oeverzwaluwnesten aangetroffen. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2020-2025) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: blauwe kiekendief, boerenzwaluw, huismus, huiszwaluw en visdief (NDFF 2020-2025). Voor de volgende soorten geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld zijn: blauwe kiekendief, boerenzwaluw, huiszwaluw en visdief. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. Het plangebied bestaat uit bedrijfspand met loods, weideperceel en materiaalopslag. Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. Tijdens het veldbezoek is de huismus aangetroffen, welke tevens onder de Specifieke zorgplicht valt. De blauwe kiekendief leeft in open, vochtige gebieden zoals duinen, moerassen en graslanden. Nesten worden meestal op de grond gebouwd en worden voornamelijk aangetroffen op de Waddeneilanden. De boerenzwaluw en huiszwaluw leven in open landelijk en metselen nesten van klei en zand.

Hierbij broedt de boerenzwaluw vaak in open schuren en onder bruggen en de huiszwaluw onder brede dakoverstekken. De visdief leeft nabij visrijke watergebieden. De soort broedt in kolonieverband buiten bereik van predatoren op eilanden en soms platte daken. Op de planlocatie zijn van voornoemde soorten geen nesten aangetroffen. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig in de directe omgeving. Daarnaast wordt de omgeving slechts beperkt aangetast. Negatieve effecten ten aanzien van de staat van instandhouding van de soorten worden derhalve uitgesloten. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

14

3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 8,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘De Wilck’ (figuur 3.2). De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebieden betreffen de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’, ‘Coepelduynen’, Meijendel & Berkheide’ en ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’, allen gelegen op een afstand van circa 13 km vanaf de planlocatie (figuur 3.2).

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 8,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘De Wilck’. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebieden betreffen de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’, ‘Coepelduynen’, Meijendel & Berkheide’ en ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’, allen gelegen op een afstand van circa 13 km vanaf de planlocatie (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de huidige bebouwing en realisatie van een nieuw bedrijfspand met windmolen, waarbij een kavelsloot wordt verlengd en groen wordt aangeplant. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden en haar instandhoudingsdoelstellingen per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen.

Gezien er sprake is van een grote afstand (13 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Kaderrichtlijn water De planlocatie ligt niet in een Kaderrichtlijn water-lichaam. KRW-toetsing is niet van toepassing. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) maar maakt wel deel uit van een 15

beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 1,9 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.3). De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 4,5 km tot beschermd grasland in de Bollenstreek (geen kaartweergave). De planlocatie ligt zowel in het Belangrijk weidevogelgebied als de Groene buffer (figuur 3.4 en 3.5). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Gezien er binnen dit project sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning waarbij de activiteiten niet volledig passen binnen de geldende bestemming, is toetsing aan het provinciaal beleid benodigd. De planlocatie ligt binnen het Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer. In de omgevingsverordening van Zuid-Holland staat: Artikel 7.43j (gebiedstype: beschermingscategorie 2 belangrijk weidevogelgebied) 1.

Een omgevingsplan voor een belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen, bedoeld in artikel 7.43e, geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. De hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor; b. De factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding, de landschapsstructuur en de openheid en rust van het gebied. Artikel 7.43k (gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers) 1.

Een omgevingsplan voor locaties binnen groene buffers als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijke gebied; e. de natuurwaarde van het gebied; f. het agrarische karakter van het gebied in de nabijheid van stedelijke omgeving. De sloop en nieuwbouw van de bebouwing, het aanplanten van groen, het verlengen van de kavelsloot en het realiseren van natuurvriendelijke oevers hebben geen negatief effecten ten aanzien van de Groene buffer. Het totale bebouwde oppervlak wordt niet groter en het perceel er worden met de aanplant van inheems groen en de realisatie van natuurlijke oevers meer structuurrijke microhabitats en meer voedselaanbod voor allerlei soorten gecreëerd. In de beoogde situatie staan er tevens meer bomen en struiken op de planlocatie dan in de huidige.

Daarnaast wordt er gevelgroen gerealiseerd op de gevels van de nieuwbouw. Dit komt ten goede van de groene buffer. Doordat het gebouw meer wegvalt in het groen en er meer groen wordt gerealiseerd, fungeert de planlocatie als tegenhanger van de stedelijke verdichting en dynamiek en vormt het een groter contrast hiermee. Inheemse en gebiedseigen boomsoorten passen bij de identiteit van het gebied en doordat de natuurwaarde wordt verhoogt, gaat de planlocatie meer bescherming bieden tegen grote stedelijke ontwikkelingen. Negatieve effecten ten aanzien van de groene buffer kunnen derhalve worden uitgesloten. Ten aanzien van Weidevogelgebied is er mogelijk wel sprake van negatieve effecten. Er worden foerageermogelijkheden voor weidevogels en andere soortgroepen worden gecreëerd bij de realisatie van de open veenweide met graskruidenvegetatie en de natuurvriendelijke oevers bieden vochtigere plekken. Echter is het aanplanten van bomen in tegenstrijd met het Weidevogelgebied. Derhalve is een ‘ja, mits-toets’ noodzakelijk.

16

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl).

Figuur 3.4 De planlocatie in het Belangrijk weidevogelgebied (bron: omgevingsdocumenten.zuidholland.nl).

17

Figuur 3.5 De planlocatie in de Groene buffer (bron: omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl).

3.4 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.

3.5 Natuurinclusiviteit Natuurinclusief bouwen speelt een steeds grotere rol bij het versterken van robuuste natuur in de bebouwde omgeving. Dit draagt niet alleen bij aan biodiversiteit, maar ook aan een aangename en klimaatadaptieve leefomgeving voor de mens. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld direct of indirect bijdragen aan het verminderen van hittestress en wateroverlast. Initiatiefnemers kunnen hieraan bijdragen door natuurinclusieve maatregelen te treffen. Momenteel zijn er geen wettelijke verplichtingen opgenomen in het landelijke Besluit bouwwerken leefomgeving. De provincie Zuid-Holland stelt in Artikel 7.45ca van haar provinciale omgevingsverordening dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de mogelijkheden voor het bevorderen van de biodiversiteit betrokken moet worden. Binnen de beoogde ontwikkeling is er ruimte om natuur te bevorderen. Voor dit project worden de volgende maatregelen als meest effectief beschouwd: 1. Behoud en aanplant van inheems groen; 2. Plaatsen van insectenhotels; 3. Behouden of creëren van toegang tot gebouwen voor dieren, zoals vleermuizen en vogels; 4. Ophangen van nestkasten; 5. Aanleggen van onverharde of halfverharde paden; 6. Verbeteren of toevoegen van oppervlaktewater; en/of 7. Creëren van structuren en schuilplaatsen voor dieren. Een verdere uitwerking van deze maatregelen is te vinden in Bijlage 4.

18

4 Conclusie en vervolg 4.1

Conclusie In de beoogde ruimtelijke ingreep aan de Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering moeten de vervolgstappen uitwijzen of wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een ‘ja, mits-toets’ ten aanzien van het Weidevogelgebied uitgevoerd te worden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met een dakinspectie te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen is hiertoe uitvoerbaar).

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zou kunnen worden. Hiermee mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Vervolgstappen Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient het golfplaten dak van de bedrijfsbebouwing geïnspecteerd te worden op de aanwezigheid van (sporen van) huismusnesten. Een dakinspectie kan worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van de soort, lopend van maart t/m september. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient een ‘ja, mits-toets’ uitgevoerd te worden om negatieve effecten ten aanzien van Weidvogelgebied inzichtelijk te maken.

19

4.4 Maatregelen Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Specifieke zorgplicht • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De graafwerkzaamheden aan de oevers van de sloten dienen in de periode december-februari uitgevoerd te worden om het per ongeluk doden van de platte schijfhoren te voorkomen.

• De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van de oeverzwaluw en andere vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

20

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2024) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl bij12.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl ravon.nlverspreidingsatlas.nl stats.sovon.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wetten.overheid.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Fotografische impressie Juridisch kader Vervolgstappen soortenbescherming Natuurinclusiviteit

21

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

Aan de Lange Dwarsweg 6 te Rijpwetering is een bedrijfspand met loods, weideperceel en materiaalopslag gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op de huidige bebouwing op de planlocatie te slopen en een nieuw bedrijfspand te realiseren, waarbij een kavelsloot wordt verlengd, natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd en groen wordt aangeplant.

Figuur 2

De bebouwing bestaat uit stenen, houten en damwandplaten muren en golfplaten daken. 22

Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplichten zijn in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht. Hierbij kan de specifieke zorgplicht verder opgedeeld worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor iedereen geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht, waarin wordt voorgeschreven dat eenieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving (Ow art. 1.6). De Omgevingswet heeft als oogmerk bescherming en verbetering van het leefmilieu (Ow art. 1.3). Hiertoe worden de volgende onderdelen nagestreefd: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij activiteiten met nadelige gevolgen moeten maatregelen genomen worden om die gevolgen te voorkomen, de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of de activiteit heroverwegen (Ow art. 1.7).

Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -

-

“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”

De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en tijdens veldbezoeken bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te 23

voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.

het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.

het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 24

1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder

b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.

het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd.

Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.

Tabel 4.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

25

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 4.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Kaderrichtlijn water Voor Kaderrichtlijn water (KRW)-waterlichamen zijn doelen vastgesteld voor een goede ecologischeen chemische toestand. Deze doelen zijn vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Nationaal Water Programma 2022-2027.

Activiteiten in of nabij KRW-waterlichamen mogen niet leiden tot (tijdelijke of permanente) negatieve effecten op deze doelen of verslechtering van de ecologischeof chemische kwaliteit. Indien niet op voorhand uitgesloten kan worden of een activiteit leidt tot 26

verslechtering of negatieve effecten dient dit nader middels een KRW-toets beoordeeld te worden. In de Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit is uitgewerkt hoe deze toetsing in de rijkswateren precies plaatsvindt. Dit toetsingskader bevat een algemene toetsing van de effecten van een activiteit op de chemische en de ecologische toestand van relevante oppervlaktewaterlichamen. Uit deze KRWtoets zal blijken of de beoogde activiteit; i) niet leidt tot negatieve effecten, ii) niet leidt tot negatieve effecten en toegestaan is mits er maatregelen worden getroffen of iii) leidt tot negatieve effecten en niet is toegestaan. Voor een aantal activiteiten geldt een vrijstelling. Ecologische kwetsbare gebieden: • Meren: Wanneer de ingreep invloed heeft op het gebied van het waterlichaam liggend tussen 3.0 meter onder het zomerpeil en 0.5 meter boven het zomerpeil. Dijken en andere onnatuurlijke typen van beschoeiing/infrastructuur zijn daarbij uitgezonderd voor verdere toetsing. • Rivieren: Wanneer de ingreep invloed heeft in het permanent of niet-permanente watervoerende gebied tussen de dijken, dat tenminste 50 dagen per jaar is geïnundeerd, ongeacht of het in verbinding staat met het zomerbed van de rivier. Daarmee zijn bebouwing en infrastructuur in beginsel uitgezonderd van verdere toetsing.

Voor de Maaswaterlichamen en getijdenrivieren vindt (mogelijk) nadere specificatie plaats. • Kust- en overgangswateren: Wanneer de ingreep invloed heeft op het gebied buiten de vaargeulen. Uitgezonderd zijn nieuwe activiteiten in of op bestaande infrastructuurwerken, zoals dijken of dammen of wegen. Voor kunstmatige wateren die zijn getypeerd als overgangswater/meren (met name enkele kanalen en/of havengebieden) prevaleert onderstaande vuistregel. • Kanalen en/of havengebieden: Wanneer door een ingreep een verandering optreedt van het type oever, bijvoorbeeld wanneer een stortstenen oever wordt vervangen door een kade, of als de ingreep invloed heeft op aangelegde KRW-maatregelen of ondiepe gebieden. Nieuwe activiteiten met alleen effecten in diepe delen (>3m), zoals in vaargeulen en/of in of op kades zijn uitgezonderd van uitgebreide toetsing. Vrijstellingen (vergunningsvrije activiteiten): Van toepassing op alle wateren behalve de Noordzee (a - l): a. Het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk. b. Evenementen die niet langer duren dan drie maanden. c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=77f6c4b3-7afb-4bad-9616-977498b2c43a