CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Quickscan flora & fauna

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Woudse Juffen, Rijnsaterwoude’.6.321 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude concept

September 2021 P21-144/W2019 Auteur: K. Smets Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude.

Opdrachtgever:

Gemeente Kaag en Braassem

Uitvoering:

Natuur-Wetenschappelijk Centrum

Veldwerk:

Danny van den Heuvel

Samenstelling:

Karen Smets

Foto’s:

NWC

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude. [Samenst.: Smets, K.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.

Trefw.: Wet natuurbescherming, Herenweg, Rijnsaterwoude

W2019/P21-144

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.

Dordrecht, september 2021

Inhoud

Samenvatting

1

Inleiding

7

2

Gebiedsbeschrijving

9

3

Wettelijk kader

11

4

Methode

17

5

Resultaten

19

6

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

21

Referenties

Bijlagen: Bijlage 1: Foto’s van het plangebied Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 3: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 4: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Samenvatting

Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Soortgroep

Effecten beschermde soorten

Verplichtingen

Vleermuizen

Mogelijke verstoring of vernie-

Aanvullend onderzoek door middel van

tiging van verblijfplaatsen.

5 (tot 7) inventarisaties in de periode 15 mei – 30 september

Vogels vaste

Mogelijke verstoring of vernie-

Aanvullend onderzoek door middel van

Verblijfplaats

tiging van functionele leefomgeving huismus.

2 inventarisaties in de periode van 1 april – 15 mei.

Overige vogels

Geen.

Zorgplicht; werken buiten broedseizoen en/of check door ecologisch deskundige.

Grondgebonden Zoogdieren

Mogelijke verstoring of vernietiging van functionele leefom-

Aanvullend onderzoek door middel van plaatsing van wildcamera’s in de

geving steenmarter.

periode van 1 maart – 31 augustus

Reptielen en amfibieën

Geen.

Zorgplicht.

Flora

Geen.

Zorgplicht.

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

1.

Inleiding In het plangebied aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude zal de bestaande bebouwing gesloopt worden om hier vervolgens nieuwbouw te realiseren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen en bij wijzigingen van bestemmingsplannen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige beschermde natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. De gemeente Kaag en Braassem heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een uitbreidende quickscan flora en fauna op deze locatie uit te voeren en te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.

7

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

8

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

2.

Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude (provincie Zuid-Holland) (figuur 1). Het plangebied bevat een school, kinderdagverblijf en sporthal. Het plangebied is begrenst door verschillende bomen waaronder populier en wilg, met vrij dichtbegroeide bosschages waaronder vlier en laurierkers (figuur 2).

Figuur 1: Ligging van het uitgebreide plangebied (rood omlijnd).

Figuur 2: Begrenzing van het plangebied

9

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

Figuur 3: Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘De Wilck’ (groen gearceerd).

Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op ongeveer 9 kilometer afstand van Natura 2000-gebied de ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en 11 kilometer afstand van ‘De Wilck’ (figuur 3). Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door geluid, verstoring door licht en andere storingsfactoren. Het plangebied bevindt zich niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig. Voorgenomen plannen De plannen omvatten het slopen van de bestaande bebouwing om hier nieuwbouw te realiseren. De geplande werkzaamheden kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in dit plangebied.

10

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

3.

Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.

Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van 11

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; - Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; - Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen.

Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1. Soorten Europese Vogelrichtlijn en -Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: - Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; - Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren.

Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven. 12

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden.

13

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden.

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: - Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; - Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is.

Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig;

14

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

- Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische belangen. Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. De bescherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.

15

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

16

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

4.

Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het literatuuronderzoek is gebruikgemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door de verschillende soortenorganisaties. Op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is specifiek rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats en grondgebonden zoogdieren. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders omdat de bodem te voedselrijk is om als biotoop voor de waardplanten van deze vlindersoorten te kunnen dienen. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Aquatische fauna worden op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en/of kenmerken van het plangebied niet verwacht. Om deze reden kon de aanwezigheid van beschermde soorten uit deze soortgroepen eveneens op voorhand worden uitgesloten. Het veldbezoek is op 28 juli 2021 uitgevoerd door medewerkers van het NWC.

De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg ongeveer 20 °C, het was licht bewolkt en de wind had een kracht van 4 Bft. Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Alle vleermuissoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied is daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is beoordeeld in hoeverre de bomen en de bebouwing binnen het plangebied geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Er is onder andere gelet op de aanwezigheid en kenmerken van holtes in de bomen en de spouwgang in de bebouwing. Ook is gelet op sporen van vleermuizen, zoals keuteltjes, afgebeten insectenvleugels en aanwezigheid van meststrepen bij eventuele invliegopeningen. Daarnaast is er tijdens het veldbezoek beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen en (kleinschalige) weilanden en andere half open gebieden. Hierbij is tevens gelet op het aanbod van geschikt foerageergebied in en in de omgeving van het plangebied.

17

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze soorten zijn de Buizerd (Buteo buteo), de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). Er is ondermeer gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc), nesten (o.a. oude kraaiennesten) en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/ territoriumindicerend gedrag). Tevens is bekeken of het plangebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten.

Flora Het plangebied is daarnaast ook beoordeeld op de aanwezigheid en habitateisen van flora die door de Wet natuurbescherming beschermd zijn.

18

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

5.

Resultaten Vleermuizen Binnen het plangebied zijn geen bomen met vleermuisgeschikte holtes aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten uitgesloten worden. Gebouwbewonende vleermuizen zouden wel een verblijfplaats kunnen hebben binnen het plangebied. Alle drie de gebouwen kunnen als verblijfplaats gebruikt worden door vleermuizen, door de aanwezigheid van stootvoegen bij nummers 149 en 153. Daarbij is er op verschillende plaatsen ruimte aanwezig tussen de aluminium dakrand op nummer 145 en nummer 153. In het plangebied staan hoge populieren van ongeveer 15 meter, deze bomen kunnen door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied en vliegroutes. Vogels met een vaste verblijfplaats Nesten van vogels met een vaste verblijfplaats zijn jaarrond beschermd. Ook nesten van kraaiachtigen zijn jaarrond beschermd als ze in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfplaats zoals Buizerd (Buteo buteo) of Sperwer (Accipiter nisus). Binnen het plangebied zijn echter geen bomen aanwezig met nesten van kraaiachtigen of van vogelsoorten met een vaste verblijfplaats. Daarnaast zijn er ook geen sporen als uitwerpselen, braakballen en/of pluisjes waargenomen die duiden op de aanwezigheid van de Buizerd, de Sperwer.

Alle drie de gebouwen zijn ongeschikt voor vogels met een vaste verblijfplaats, dit door de platte daken geheel met dakleer bekleed. In de bomen en struiken zijn geen geschikte holten of nesten aangetroffen, tevens zijn er geen vogels met een vaste verblijfplaats gehoord of waargenomen. Wel zijn er mogelijkheden voor de Huismus (Passer domesticus) om het gebied te gebruiken als functionele leefomgeving. Dit wegens de verschillende bomen zoals wilgen en populieren, en de dichtbegroeide bosschages die zich als begrenzing in dit gebied voordoen. Tevens is de Huismus in de buurt van het plangebied waargenomen. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn geen holen, holten of sporen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van (strikt) beschermde grondgebonden zoogdieren. Alle drie de gebouwen zijn niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren, dit door het ontbreken van geschikte openingen in het gebouw. Echter bieden de dichte bosschages (figuur 4) aan de begrenzing van het plangebied mogelijkheden voor een functionele leefomgeving van de Steenmarter (Martes foina).

19

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

Flora Er zijn geen beschermde florasoorten aangetroffen binnen het plangebied. Overige soorten Verder is er tijdens het veldbezoek een ekster waargenomen.

Figuur 4: dichte bosschages als begrenzing van het plangebied.

20

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

6.

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan met zekerheid uitgesloten worden. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen niet met zekerheid uitgesloten worden. Het woonhuis is geschikt om door enkele vleermuizen gebruikt te worden als verblijfplaats. Om deze redenen dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol (2021) uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek moet bestaan uit vijf vleermuisinventarisaties die in de periode half mei tot en met eind september uitgevoerd worden. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar namelijk een netwerk van verschillende verblijfplaatsen (i.e. kraamplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf, (massa) winterverblijfplaats). Het vleermuisprotocol stelt daarom dat vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de functies, die de bebouwing mogelijk jaarrond voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Wanneer er tijdens de inventarisaties aanwijzingen zijn dat het gebouw mogelijk ook gebruikt wordt als (massa)winterverblijfplaats, zouden er nog twee extra inventarisaties in de periode 1 augustus tot en met 10 september plaatsvinden. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied.

Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van nest- en rustplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats. Het plangebied kan wel dienen als functionele leefomgeving voor de Huismus wegens de verschillende bomen en dichtbegroeide bosschages die zich in het gebied bevinden. Om deze reden dient aanvullend onderzoek gedaan te worden volgens de onderzoeksmethode aangegeven in het kennisdocument van de Huismus. Dit houdt in dat er twee veldbezoeken dienen te gebeuren in de periode van 1 april tot en met 15 mei, met een tussenperiode van 10 dagen tussen de twee bezoeken. Grondgebonden zoogdieren Alle drie de gebouwen zijn niet geschikt als verblijfplaats voor (kleine) marterachtigen of andere grondgebonden zoogdieren. Het plangebied kan wel dienen als functionele leefomgeving voor de Steenmarter vanwege de aanwezigheid van verschillende bomen en dichtbegroeide bosschages. Om deze reden dient aanvullend onderzoek gedaan te worden volgens de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Dit houdt in dat er aan de hand van wildcamera’s onderzocht wordt wat de functie van het gebied is. Deze wildcamera’s staan van 1 maart tot en met 31 augustus gedurende zes weken in het veld en worden in deze periode drie maal gecontroleerd.

Als het onderzoek buiten deze periode plaatsvindt moeten de camera’s twaalf weken staan en vaker gecontroleerd worden.

21

Quickscan aan de Herenweg 145(a), 149 en 153 in Rijnsaterwoude

Flora Er zijn geen beschermde soorten waargenomen waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen zijn ten aanzien van flora. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: − Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;

−

In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.

22

Referenties Database NWC Websites: www.pdok.nl www.natura2000.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.zoogdiervereniging.nl www.zuidholland.nl

Bijlage 1: Foto’s van het plangebied Foto’s 1 t/m 11: impressie van het plangebied

Foto’s 12 t/m 17: mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen

Foto’s 18 t/m 23: mogelijke vlieg- en foerageerroutes voor vleermuizen

Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels beschermd en onderstaande soorten uit overige soortgroepen:

Amfibieën Alpenwatersalamander Bastaard kikker1 Boomkikker Bruine kikker1 Geelbuikvuurpad Gewone pad1

Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander1 Knoflookpad Meerkikker1 Middelste groene kikker

Poelkikker Rugstreeppad Vinpootsalamander Vroedmeesterpad Vuursalamander

Grote vos Grote vuurvlinder Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder Moerasparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Sleedoornpage

Spiegeldikkopje Tijmblauwtje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren maan Zilverstreephooibeestje

Dagvlinders Aardbeivlinder Apollovlinder Bosparelmoervlinder Boszandoog Bruin dikkopje Bruine eikenpage Donker pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote parelmoervlinder

Haften Oeveraas

Kevers Brede geelrandwaterroofkever Gestreepte waterroofkever Juchtleerkever

Vermiljoenkever Vliegend hert

Kreeftachtigen Europese rivierkreeft

Landzoogdieren Aardmuis1 Bever Boommarter Bosmuis1 Bunzing3 Damhert Das Dwergmuis1 Dwergspitsmuis1 Edelhert Eekhoorn Egel1 Eikelmuis Gewone bosspitsmuis1

Gewone zeehond Grote bosmuis Haas1 Hamster Hazelmuis Hermelijn3 Huisspitsmuis1 Konijn1 Lynx Molmuis Noordse woelmuis Ondergrondse woelmuis4 Otter Ree1

Rosse woelmuis1 Steenmarter5 Tweekleurige bosspitsmuis4 Veldmuis1 Veldspitsmuis Vos1 Waterspitsmuis Wezel3 Wilde kat Wild zwijn6 Woelrat1 Wolf

Gevlekte Witsnuitlibel Gewone Bronlibel

Noordse winterjuffer Oostelijke witsnuitlibel

Libellen Beekrombout Bosbeekjuffer

Bronslibel Donkere waterjuffer Gaffellibel Gevlekte glanslibel

Groene glazenmaker Kempense heidelibel Mercuurwaterjuffer Hoogveenglanslibel

Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel Speerwaterjuffer

Kemp´s zeeschildpad Lederschildpad Levendbarende hagedis Muurhagedis

Ringslang Soepschildpad Zandhagedis

Nachtvlinders Teunisbloempijlstaart

Reptielen Adder Dikkopschildpad Gladde slang Hazelworm

Sporenplanten Varens Kleine vlotvaren Blaasvaren Groensteel Schubvaren

Bladmossen Geel schorpioenmos Tonghaarmuts

Vissen Beekdonderpad Beekprik Elrits

Gestippelde alver Grote modderkruiper Houting

Kwabaal Steur

Weekdieren Bataafse stroommossel

Platte schijfhoren

Vaatplanten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Drijvende waterweegbree Echte gamander Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groen nachtorchis

Groenknolorchis Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruipend moerasscherm Kruiptijm Lange zonnedauw Liggende raket Naaldenkervel

Pijlscheefkelk Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubzegge Smalle raai Spits Havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit Zomerschroeforchis

Vleermuizen Baardvleermuis Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis

Grote hoefijzerneus Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis Kleine dwergvleermuis Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis

Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis

Gewone vinvis Griend Grijze dolfijn Kleine zwaardwalvis Narwal Noordse vinvis Orca Potvis

Spitsdolfijn van gray Tuimelaar Walrus Witflankdolfijn Witsnuitdolfijn Witte dolfijn

Zeezoogdieren Bruinvis Bultrug Butskop Dwergpotvis Dwergvinvis Gestreepte dolfijn Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn

1 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies. 2 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Flevoland. 3 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Gelderland, Noord-Holland en

Noord-Brabant. 4 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Zuid-Holland. 5 Voor deze soort geldt enkel in Friesland een vrijstelling. 6 Voor deze soort geldt enkel in Noord-Brabant een vrijstelling.

Bijlage 3: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen

Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.

Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: •

indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;

•

indien vleermuizen aangetroffen zijn.

Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •

er sprake is van een kraamkolonie;

•

er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;

•

er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;

•

de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.

De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.

Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: •

niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);

•

vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.

Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.

Bijlage 4: Vogels en ruimtelijke ingrepen

Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rusten verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: •

Is er een wettelijk belang?

•

Is er een andere bevredigende oplossing?

•

Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar?

“Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter niet als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven. Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor alle vogelsoorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb).

Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil).

2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil). Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Hieronder de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten:

Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk

Falco subbuteo

Buizerd Gierzwaluw

Buteo buteo Apus apus

Grote gele kwikstaart

Motacilla cinerea

Havik Huismus

Accipiter gentilis Passer domesticus

Kerkuil Oehoe

Tyto alba Bubo bubo

Ooievaar Ransuil

Ciconia ciconia Asio otus

Roek

Corvus frugilegus

Slechtvalk Sperwer

Falco peregrinus Accipiter nisus

Steenuil Wespendief

Athene noctua Pernis apivorus

Zwarte wouw

Milvus migrans

Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger

Ardea cinerea

Boerenzwaluw

Hirundo rustica

Bonte vliegenvanger Boomklever

Ficedula hypoleuca Sitta europaea

Boomkruiper Bosuil

Certhia brachydactyla Strix aluco

Brilduiker Draaihals

Bucephala clangula Jynx torquilla

Eider

Somateria mollissima

Ekster Gekraagde roodstaart

Pica pica Phoenicurus phoenicurus

Glanskop Grauwe vliegenvanger

Parus palustris Muscicapa striata

Groene specht Grote bonte specht

Picus viridis Dendrocopos major

Hop

Upupa epops

Huiszwaluw IJsvogel

Delichon urbica Alcedo atthis

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger

Dendrocopos minor Ficedula parva

Koolmees Kortsnavelboomkruiper

Parus major Certhia familiaris macrodactyla

Oeverzwaluw

Riparia riparia

Pimpelmees Raaf

Parus caeruleus Corvus corax

Ruigpootuil Spreeuw

Aegolius funereus Sturnus vulgaris

Tapuit Torenvalk

Oenanthe oenanthe Falco tinnunculus

Zeearend

Haliaeëtus albicilla

Zwarte kraai Zwarte mees

Corvus corone Parus ater

Zwarte roodstaart Zwarte specht

Phoenicurus ochruros Dryocopus martius

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=375ab93a-1bf5-4d10-a63f-3474d0ee3659