Bijlage 5. Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Oudendijkseweg 11 e.o., Woubrugge
Rapport
Quickscan Wet natuurbescherming
Locatie Kenmerk Datum
: : :
Oudendijkseweg 11 e.o., Woubrugge A2579-03/DME/qs2 6 juni 2023
Auteur Vrijgave Email Telefoon
: : : :
Dhr. D. van der Meer Mevr. Ir. J. van Kolck dvdmeer@idds.nl 06 8276 3301
Opdrachtgever
:
Jobo De Bouwers Dhr. J. de Bree
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Samenvatting In opdracht van Jobo De Bouwers is op 18 april 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Oudendijkseweg 11, Woubrugge. Op 30 mei is een extra veldbezoek uitgevoerd voor de beoogde toegangswegen tot het plangebied. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 8 Conclusie en advies. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn op voorhand niet uitgesloten. Met de uitspraak van de Raad van State van 02-11-2022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanlegen sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023).
Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is.
Inhoudsopgave
1.1 1.2 1.3
Inleiding ........................................................................................................................ 5 Aanleiding ...................................................................................................................... 5 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 5 Leeswijzer ...................................................................................................................... 5
2.1 2.2 2.3
Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 6 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 6 Veldonderzoek ............................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 6
3.1 3.2
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen .............................................. 8 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .................................................. 8 Planvoornemen ............................................................................................................ 12
4.1 4.2
Gebiedsbescherming ................................................................................................ 15 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 15 Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming ........................................... 16
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Soortbescherming ..................................................................................................... 17 Amfibieën ..................................................................................................................... 17 Broedvogels ................................................................................................................. 17 Libellen ......................................................................................................................... 19 Vleermuizen ................................................................................................................. 19 Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied ......... 20 Vrijgestelde soorten ..................................................................................................... 20
6.1 6.2
Effectbeoordeling ...................................................................................................... 21 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 21 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 21
7.1 7.2
Advies en vervolg soortbescherming ...................................................................... 24 Nader onderzoek ......................................................................................................... 24 Mitigerende maatregelen ............................................................................................. 24
8.1 8.2
Conclusie en advies .................................................................................................. 25 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 25 Soortbescherming ........................................................................................................ 25 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 27
Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 28 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 33
Inleiding Hoofdstuk 1 bestaat uit een korte uitleg waarom dit onderzoek noodzakelijk is. Tevens wordt het doel van het onderzoek toegelicht en als laatste volgt de leeswijzer van deze rapportage. 1.1
Aanleiding
De opdrachtgever is voornemens om op het achterste deel van het terrein van de Oudendijkseweg 11 te Woubrugge nieuwbouwwoningen te realiseren. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en/of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). De opdrachtgever heeft IDDS gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • In het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • Het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • De ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • De ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden en NNN); • Door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten op beschermde planten diersoorten kunnen worden voorkomen; • Op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is; en • Op basis van bovenstaande bevindingen mogelijk een ontheffing en/of vergunning nodig is. 1.3
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en het planvoornemen. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. De resultaten van het bureau- en veldonderzoek in het kader van de soortbescherming worden in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling van de soortberscherming uiteen gezet en in Hoofdstuk 7 volgt het advies en mogelijke vervolgstappen in het kader van de soortbescherming. Ten slotte worden in Hoofdstuk 8 conclusies getrokken. Een overzicht van de gebruikte literatuur is terug te vinden in Hoofdstuk 9. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wnb staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer voor natuurinclusief bouwen.
Opzet van het onderzoek In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet. Hierbij wordt het bureauonderzoek, het veldbezoek en de effectbeoordeling toegelicht. 2.1
Bureauonderzoek
Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast wordt (vrij beschikbare) informatie geraadpleegd, zoals relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 9 voor de literatuurlijst). Hierbij wordt in een straal van drie kilometer rond het plangebied gekeken welke beschermde soorten voorkomen. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Indien nodig worden gebiedsspecifieke documenten geraadpleegd om beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied in kaart te brengen. 2.2
Veldonderzoek
Tevens wordt een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied, wordt een indicatie gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt globaal geïnventariseerd welke biotopen en welke (beschermde) soorten (mogelijk) in en in de directe omgeving van het gebied aanwezig zijn. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom worden de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier wordt het belang van het plangebied beoordeeld voor (beschermde) flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3
Effectenbeoordeling
Gebiedsbescherming Op basis van de voorgenomen werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en NNN, wordt bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op beschermde gebieden. Indien negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals aanvullende toetsing en/of vergunningsaanvraag) noodzakelijk zijn. Een stikstofberekening is geen onderdeel van dit rapport. Indien stikstofeffecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, kan wel geadviseerd worden om een stikstofberekening op te (laten) stellen. Soortbescherming Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Vervolgens wordt getoetst of de voorgenomen werkzaamheden kunnen
leiden tot (negatieve) effecten op de potentieel aanwezige soorten. Bij deze toetsing wordt gekeken naar de beschermde soorten uit de Wnb. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming. Indien (negatieve) effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, wordt in kaart gebracht welke verbodsbepalingen worden overtreden. Indien mogelijk worden mitigerende maatregelen benoemd om de effecten te voorkomen of te verzachten om te voldoen aan de Wnb. Indien mitigerende maatregelen niet mogelijk zijn, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals nader onderzoek en/of ontheffingstraject) noodzakelijk zijn. Soorten die geen strikte bescherming genieten, worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten, bij een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikel 3.10 van de Wnb. Wel geldt ten alle tijden de Zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wnb.
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Tevens wordt een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1
Ligging en algemene beschrijving van het plangebied
In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied aan de rand van Woubrugge ligt. Ten oosten en zuiden zijn sportvelden gelegen. Ten noord van het plangebied en direct naast de sportvelden zijn woonwijken van Woubrugge te vinden. Ten westen en zuidwesten zijn kassen aanwezig. Verder zijn in de omgeving weilanden te vinden. Ten noordwesten ligt het meer de Wijde Aa (te zien op onderstaand figuur) wat richting het noordwesten via een kanaal verbonden is met het Braassemermeer (buiten beeld in onderstaande kaart).
Figuur 1: Onderzoeksgebied quickscan binnen het blauwe kader.
Het plangebied zelf bestaat uit het achterterrein van Nolina Kwekerij B.V. waar planten worden gekweekt. Het terrein is volledig verhard met stelconplaten tussen de ‘bedden’, de delen waar de kweekplanten staan. De ‘bedden’ zijn bedekt met worteldoek zodat er geen vegetatie groeit. De enige vorm van vegetatie is te vinden langs de randen van het terrein bij de sloten. Hier is slechts een smalle, kruidenrijk grasstrook aanwezig. Langs de noordzijde van het terrein staat een kleine heg van haagbeuk. Bomen en gebouwen ontbreken volledig op het terrein van Nolina Kwekerij. Midden door het terrein loopt een kanaal met zowel een onverharde, als verharde oever. Onderstaande figuren geven een beeld van het terrein van Nolina Kwekerij. Aan de noord- en zuidzijde zijn twee locaties aangewezen voor beoogde toegangswegen. De
noordzijde betreft verder een gazon met één jonge boom. De zuidzijde betreft een speeltuin met gazon en een vijftal bomen. Op beide locaties is een sloot aanwezig op de plek van de beoogde toegangsweg. Figuur 6 t/m 9 geven een beeld van de locaties van de beoogde toegangswegen.
Figuur 2: Het plangebied gezien vanuit de zuidwesthoek.
Figuur 3: De stelconplaten lopen tussen de ‘bedden’ door waar de kweekplanten staan. Op sommige delen zijn kweekplanten aanwezig, op andere delen ligt enkel worteldoek.
Figuur 4: Het plangebied bestaat voor het overgrote deel uit 'bedden' met worteldoek waar kweekplanten op staan.
Figuur 5: Midden door het terrein loopt een kanaal met aan de ene zijde een verharde oever met worteldoek en aan de andere zijde een onverharde oever met kort gemaaid gras en enkele bloemen.
Figuur 6: Het gazon met jonge boom aan de noordzijde van het terrein van Nolina Kwekerij waar een toegangsweg moet komen.
Figuur 7: De watergang aan de noordzijde van het terrein waar een toegangsweg moet komen.
Figuur 8: De speeltuin met gazon en enkele bomen aan de zuidzijde van het terrein van Nolina Kwekerij waar een toegangsweg moet komen.
Figuur 9: De watergang bij de speeltuin, aan de zuidzijde van het terrein, waar een toegangsweg moet komen.
3.2
Planvoornemen
De opdrachtgever is voornemens om op het terrein 61 nieuwbouwwoningen te realiseren (Figuur 10). Het gaat hier om een combinatie van sociale huur, sociale koop, seniorenwoningen, rijwoningen, twee-onder-één-kap-woningen en vrijstaande woningen. Om dit mogelijk te maken zal het kanaal in het midden van het terrein worden gedempt. De nieuwe woonwijk wordt groen ingericht met rondom een watergang (Figuur 11). Tevens worden 112 parkeerplekken gerealiseerd. Daarnaast is het plan om twee ontsluitingswegen te realiseren, één bij de Turfeiker en één bij de Vingerhoedsstraat (Figuur 12). Hoe deze ontsluitingswegen over de bestaande sloten eruit komen te zien, is nog niet bekend. Om het plan mogelijk te maken wordt bestaande vegetatie gerooid. Mogelijk worden enkele bomen gekapt op de locatie van de toegangswegen.
Figuur 10: Bovenaanzicht van de 61 te realiseren woningen.
Figuur 11: Zijaanzicht van de te realiseren woningen met groen ingerichte wijk.
Figuur 12: De rode en blauwe lijnen geven de beoogde ontsluitingswegen weer.
Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de bureaustudie wordt bepaald of (negatieve) effecten op deze beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. 4.1
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebieden, NNN, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 13. In Figuur 14 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Tabel 1: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied
Afstand tot het plangebied in meters
Natura-2000 gebied
7.622 – De Wilck (nauwelijks gevoelig voor stikstof) 9.998 – Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (weinig tot zeer gevoelig voor stikstof)
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
500
Belangrijk weidevogelgebied
366
Strategische reservering natuur
8.426
Figuur 13: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden.
Figuur 14: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.
4.2
Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn op voorhand niet uitgesloten. Met de uitspraak van de Raad van State van 02-11-2022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023).
Soortbescherming In dit hoofdstuk wordt per soortgroep weergegeven of en zo, ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek. Het veldonderzoek is op 18 april 2023 uitgevoerd door deskundig ecoloog D. van der Meer. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 2: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum
Temperatuur (℃)
Overheersende windrichting (Bft)
Bewolking
Neerslag (mm)
18-04-2023
11
ONO 5
Bewolkt
Geen
5.1 Amfibieën Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 3: Waargenomen amfibieënsoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (wetenschappelijke soortnaam) Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is gebleken dat binnen het plangebied geen vergraafbaar zand aanwezig is. Daarnaast zijn de watergangen, in en rond het plangebied, te diep en niet visvrij, waardoor ze ongeschikt zijn als voortplantingswater voor de rugstreeppad. Hierdoor kan de aanwezigheid van de rugstreeppad binnen het plangebied worden uitgesloten. Tevens ligt het plangebied geïsoleerd tussen de kassen van Nolina Kwekerij B.V., intensieve landbouwgrond en Woubrugge, waardoor het onbereikbaar is voor de rugstreeppad. In het kanaal, in het midden van het plangebied, worden algemene amfibieën eveneens niet verwacht door het ontbreken van iedere vorm van vegetatie. In de sloten rondom het plangebied kunnen wel algemene amfibieën worden aangetroffen. 5.2 Broedvogels Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van verschillende vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4). In de tabel hieronder wordt weergegeven om welke soorten het gaat. Tabel 4: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam)
Beschermingscategorie
Boomvalk (Falco subbuteo)
4
Buizerd (Buteo buteo)
4
Gierzwaluw (Apus apus)
2
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
3
Havik (Accipiter gentilis)
4
Huismus (Passer domesticus)
2
Soort (Wetenschappelijke soortnaam)
Beschermingscategorie
Ooievaar (Ciconia ciconia)
3
Ransuil (Asio otus)
4
Slechtvalk (Falco peregrinus)
3
Sperwer (Accipiter nisus)
4
Steenuil (Athene noctua)
1
Veldbezoek Binnen het plangebied staat een kleine heg van haagbeuk waar algemene broedvogels in kunnen broeden (Figuur 15). Daarnaast kunnen algemene broedvogels broeden in de sloten rondom het plangebied en in de bomen buiten het plangebied, aan de overzijde van de sloten. Tevens kunnen algemene broedvogels in de bomen, struiken en hagen bij de beoogde toegangswegen broeden. In de bomen zijn geen (jaarrond beschermde) nesten of holtes aangetroffen).
Figuur 15: De kleine haagbeuk van bovenaf gezien die langs het plangebied staat. Algemene broedvogels kunnen hierin broeden.
Gebouwen ontbreken volledig binnen het plangebied. Enkel de kassen van Nolina Kwekerij B.V. staan binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. De kassen zijn ongeschikt als nestlocatie voor beschermde soorten zoals de huismus en gierzwaluw omdat er geen geschikte holtes zijn waarin ze kunnen broeden. De heg van haagbeuk is te klein en staat te ver af van potentiële broedlocaties voor de huismus om als functioneel leefgebied te fungeren. Boomvalk, buizerd, sperwer en havik worden niet binnen het plangebied verwacht door het ontbreken van bomen en kraaien- en eksternesten en te veel menselijke verstoring van de
sportvelden, woonwijken en de kwekerij. Grote gele kwikstaart wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt broedbiotoop, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Ooievaar en slechtvalk wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform. Voor de steenuil ontbreken tevens geschikte broedlocaties in de vorm van boomholtes, knotwilgen of nestkasten. Ten slotte wordt de ransuil uitgesloten door het ontbreken van geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen en het ontbreken van oude kraaien- en eksternesten die de ransuil gebruikt als nest. Tevens zijn geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. 5.3
Libellen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande libellensoort voorkomen. Tabel 5: Waargenomen beschermde libellensoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Groene glazenmaker (Aeshna viridis)
Veldbezoek In het midden van het plangebied loopt een kanaal voor irrigatie van de kwekerij. In dit kanaal groeit geen (onderwater)vegetatie en oeverplanten zijn afwezen. Eén van de oevers is bedekt met worteldoek, waardoor hier niks groeit. De andere oever is begroeid met Engels raaigras en enkele pinksterbloemen. Ook in de omliggende sloten is geen krabbenscheer aangetroffen, wat een vereiste in de leefomgeving van de groene glazenmaker. Daarnaast komt de soort voornamelijk voor in laagveen- en veenweide gebieden, waar het plangebied geen onderdeel van is. Hierdoor kan de aanwezigheid van de groene glazenmaker uitgesloten worden. 5.4
Vleermuizen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande vleermuissoorten voorkomen. Tabel 6: Waargenomen beschermde vleermuissoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Veldbezoek Binnen het plangebied zijn geen gebouwen en bomen aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied uitgesloten worden. De kassen staan binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden, maar bevatten geen
geschikte openingen om als verblijfplaats te gebruiken. De bomen zijn onderzocht op holtes die door vleermuizen gebruikt kunnen worden, die niet zijn aangetroffen. Binnen het plangebied zijn geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute van een verblijfplaats naar essentieel foerageergebied voor vleermuizen kunnen fungeren. De omliggende sloten en kruidenrijke slootkanten rondom het plangebied kunnen een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel gezien vanwege de zeer geringe omvang. 5.5
Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied
Bureaustudie en veldbezoek Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroepen flora, reptielen, vlinders, vissen, weekdieren, overige zoogdieren en overige insecten, binnen een straal van 3 kilometer, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroepen worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. 5.6
Vrijgestelde soorten
In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, veldmuis, wezel, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht in het kader van de Wnb.
Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een (negatief) effect kunnen hebben op de beschermde soorten die volgens het (bureau- en veld)onderzoek in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst komen de soorten aan bod waarop een negatief effect niet uitgesloten kan worden. Vervolgens komen de soorten aan bod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1
Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Tabel 7: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep)
Reden optreden mogelijke effecten
Artikel en lid Wnb
Vogels kunnen broeden in de heg van haagbeuk, in de bomen en sloten rondom het plangebied. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en broedende vogels aanwezig zijn, worden broedende vogels verstoord. Tevens kunnen individuen worden gedood en nesten worden vernietigd. Negatieve effecten op broedende vogels kunnen daarom niet uitgesloten worden.
§3.1, lid 1, 2 en 4
Broedvogels
Algemene broedvogels
6.2
Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer welke soorten niet verwacht worden en/of op welke soorten geen negatief effect verwacht worden. Tabel 8: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën
Rugstreeppad
Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomerhabitat, winterhabitat en voortplantingswater. Daarnaast ligt het plangebied volledig geïsoleerd tussen woonwijken, intensieve landbouwgronden, kwekerijen en sloten, waardoor het plangebied onbereikbaar is voor de rugstreeppad.
Broedvogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik
Horsten ontbreken binnen het plangebied. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied. De directe omgeving is ook te druk bezocht door verkeer en voetgangers waardoor bij het broeden te veel verstoring zou optreden.
Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen.
Grote gele kwikstaart
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Deze soort kan ook broeden in dorpen waar een rivier doorheen loopt.
Huismus
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, losliggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren. Ook is geen functioneel leefgebied aanwezig in de vorm van groenblijvende struiken, zanderige stukjes en drinkplaats.
Ooievaar
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten of door de mens gemaakte palen met houten platform.
Ransuil
Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen (zeer dichte coniferen) die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn geen sporen (braakballen) van uilen aangetroffen. Ook zijn geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.
Slechtvalk
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten (op zeer hoge plaatsen) aangetroffen.
Steenuil
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk kleinschalig cultuurlandschap met een variatie van heggen, weitjes en knoestige bomen. Daarnaast zijn holtebomen, knotwilgen, toegankelijke schuren, zolders of uilenkasten afwezig.
Libellen Groene glazenmaker
De libel komt voor in stilstaande wateren met dichte krabbenscheer vegetatie. Dit zijn plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden. Dit biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied.
Vleermuizen
Bosvleermuis
Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen (zowel in gebouwen als in boomholtes) en vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn de twee bekende kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in boomholtes (enkele malen is een solitair mannetje in een gebouw aangetroffen) en in het oosten van het land.
Baardvleermuis, Brandts vleermuis
Negatieve effecten op baardvleermuis kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen en vanwege het ontbreken van een bosrijkgebied in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.
Franjestaart
Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen en wegens het ontbreken van bosrijkgebied met waterpartijen in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Langs en boven kleinschalige weilanden en akkers en in open veestallen.
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger
Binnen het plangebied zijn geen gebouwen en dus geen verblijfplaatsen aanwezig. Daarnaast ontbreken eveneens holtebomen. Ook worden geen effecten op essentieel foerageergebied verwacht, omdat geen (groot) oppervlakte aan houtige begroeiing verwijderd wordt of waterpartij gedempt wordt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Zomerverblijfplaats: boomholtes (met uitzondering van laatvlieger), onder dakpannen, onder dakranden, spouwmuren, gaten in muren en vleermuiskasten. Winterverblijfplaats: spouwmuren, spleten in gebouwen, zolders, onder dakpannen en dakranden. Foerageergebied: bosranden, heggen, lanen en waterlichamen.
Gewone grootoorvleermuis
Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen en het ontbreken van bosrijkgebied in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: in de directe omgeving van de verblijfplaats op beschutte plekken in bos, langs bosranden, lanen en kleinschalig parkachtig landschap waarbij ze lijnvormige structuren als hagen, rietkragen en houtwallen volgen. Vanwege de beperkte reikwijdte van de echolocatie en gevoeligheid voor wind mogen de onderbrekingen in lijnvormige
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten structuren niet te groot zijn.
Grijze grootoorvleermuis
De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet aanwezig en daarnaast ontbreken potentiële verblijfplaatsen binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap.
Meervleermuis
Negatieve effecten op de meervleermuis worden niet verwacht, aangezien in het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. Zomerverblijfplaats: vleermuiskasten en woonhuizen. Winterverblijfplaats: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Foerageergebied: groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Boven vochtige weilanden binnen een straal van 500 meter van water.
Rosse vleermuis
Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien holtebomen ontbreken. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.
Tweekleurige vleermuis
Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen. Foerageergebied: half open agrarisch gebied, boven water en open plaatsen in het bos (zowel tussen als boven de boomkruinen).
Vale vleermuis
Negatieve effecten op de vale vleermuis worden niet verwacht, aangezien een warme zolder ontbreekt binnen het plangebied en holtebomen afwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten. Solitair ook in kasten en boomholten. Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.
Watervleermuis
Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.
Advies en vervolg soortbescherming In dit hoofdstuk wordt een advies gegeven betreffende de soortbescherming welke voortvloeit uit de bevindingen van het vorige hoofdstuk. Het gaat hierbij om soortgericht nader onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. 7.1
Nader onderzoek
Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. 7.2
Mitigerende maatregelen
Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de heg van haagbeuk en in de sloten en bomen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten starten. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de huisspitsmuis. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang, zodat vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord worden.
• Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. Hierdoor worden vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten. • Om te voldoen aan de zorgplicht voor de vissen en amfibieën die in de watergangen aanwezig kunnen zijn, dient rekening gehouden te worden met onderstaande: o De watertemperatuur mag niet onder de 0° of boven de 25° Celsius zijn. o De werkzaamheden zijn niet gebonden aan een speciale periode, aangezien geen strikt beschermde vis of amfibiesoorten verwacht worden in de watergang.
Conclusie en advies Dit hoofdstuk geeft de conclusie van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot gebiedsbescherming en soortbescherming weer. Voor zowel de gebiedsbescherming als de soortbescherming wordt beschreven of vervolgstappen en/of het treffen van maatregelen noodzakelijk zijn. 8.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn op voorhand niet uitgesloten. Met de uitspraak van de Raad van State van 02-11-2022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023). 8.2
Soortbescherming
Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen alle strikt beschermde soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor algemene broedvogels geldt dat kan worden volstaan door het treffen van mitigerende maatregelen. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar Hoofdstuk 7. Tabel 9: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Amfibieën
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Nee
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Diverse algemene soorten
Mitigerende maatregelen
Boomvalk (Falco subbuteo)
Nee
Buizerd (Buteo buteo)
Nee
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Nee
Havik (Accipiter gentilis)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nee
Ooievaar (Ciconia ciconia)
Nee
Ransuil (Asio otus)
Nee
Slechtvalk (Falco peregrinus)
Nee
Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)
Soortgroep
Libellen
Vleermuizen
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Sperwer (Accipiter nisus)
Nee
Steenuil (Athene noctua)
Nee
Groene glazenmaker (Aeshna viridis)
Nee
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
Nee
Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)
Nee
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
Nee
Franjestaart (Myotis nattereri)
Nee
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Nee
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Nee
Grijze grootoorvleermuis (Plexotus austriacus)
Nee
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Nee
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Nee
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Nee
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Nee
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Nee
Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)
Nee
Vale vleermuis (Myotis myotis)
Nee
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Nee
Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels Internetbronnen www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.floron.nl www.floravannederland.nl www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage I
Wet natuurbescherming
Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die zorg moeten dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.
Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking 1.
Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De 1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.
richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden). Wet natuurbescherming, Soorten Voor de soortbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11).
Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het
eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Gedragscodes, ontheffingen en vrijstellingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: • een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; • een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; • een bestendig gebruik; • ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat
betekent, ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht, dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 1.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen,
waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of in het algemeen belang Vrijstelling Provinciale staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) kunnen een algemene vrijstelling verlenen zoals beschreven in artikel 3.31. Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van LNV het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.
De provincie Zuid-Holland heeft een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten; Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden. Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht. Verder zijn beschermde soorten die niet via een natuurlijke verspreiding in Zuid-Holland terecht zijn gekomen niet beschermd in deze provincie.