Bijlage 5 - Quickscan ecologie
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEIT Noordeinde 78, Leimuiden
1
De Roever Omgevingsadvies Rembrandtlaan 4 5462CH Veghel T 073 594 10 11 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01
Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden 20250518.v01 24 november 2025 C.T. Vision
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 5
1.1. 1.2. 1.3.
Aanleiding .................................................................................................................................... 5 Onderzoeksvragen ...................................................................................................................... 5 Leeswijzer. ................................................................................................................................... 5
2.
PLANGEBIED ................................................................................................................................. 6
2.1. 2.2.
Planlocatie ................................................................................................................................... 6 Beoogde ingreep ......................................................................................................................... 7
3.
TOETSINGSKADER. ...................................................................................................................... 9
3.1. De Omgevingswet ....................................................................................................................... 9 3.2. Flora- en fauna-activiteiten .......................................................................................................... 9 Flora- en fauna-activiteiten – Vogelrichtlijn ......................................................................................... 9 Flora- en fauna-activiteiten – Habitatrichtlijn ..................................................................................... 10 Flora- en fauna-activiteiten – Andere soorten ................................................................................... 10 Flora- en fauna-activiteit – Specifieke zorgplicht ............................................................................... 10 Vrijstelling en omgevingsvergunning ................................................................................................. 11 3.3.
Relevante overige kaders .......................................................................................................... 12
4.
METHODE ..................................................................................................................................... 14
4.1. 4.2.
Bronnenonderzoek .................................................................................................................... 14 Veldbezoek ................................................................................................................................ 14
5.
RESULTATEN............................................................................................................................... 15
5.1. Bronnenonderzoek .................................................................................................................... 15 Beschermde gebieden ....................................................................................................................... 15 Waargenomen soorten ...................................................................................................................... 15 5.2. 5.3. 5.4.
Flora ........................................................................................................................................... 15 Ongewervelden.......................................................................................................................... 16 Zoogdieren................................................................................................................................. 16 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................................ 16 Vleermuizen ................................................................................................................................................. 18
5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9.
Vogels ........................................................................................................................................ 19 Vissen ........................................................................................................................................ 21 Reptielen en Amfibieën ............................................................................................................. 21 Natura 2000-gebieden ............................................................................................................... 23 Houtopstanden .......................................................................................................................... 23
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
3
6. CONCLUSIE.................................................................................................................................. 24 BIJLAGE I. FOTO’S VELDBEZOEK ............................................................................................ 27
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
4
1.
INLEIDING
1.1. Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens de huidige woonark in de westelijke helft van het plangebied te slopen ten behoeven van het verbreden van de watergang en het aanbouwen van een nieuwe woning, en op de oostelijke helft twee nieuwe woningen neer te zetten. Halverwege het plangebied worden tevens drie garageboxen gebouwd. De geplande ingreep kan mogelijk negatieve effecten hebben op aanwezige flora en fauna. In het kader van de Omgevingswet (Ow) is het daarom noodzakelijk een quickscan Flora- en Fauna-activiteit uit te voeren. Tijdens een quickscan wordt bepaald of de geplande ingreep in strijd is met de Ow en hoe/wanneer eventueel maatregelen kunnen worden getroffen om overtreding van de wet te voorkomen.
1.2. Onderzoeksvragen De doelstelling van het onderzoek is drieledig. Ten eerste wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden (waarschijnlijk) aanwezig zijn in het plangebied. Ten tweede worden de consequenties van deze (mogelijke) aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Hiervoor is van belang dat de volgende vragen worden beantwoord. 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen (mogelijk) voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied? 2. Welke te verwachten wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden negatieve effecten van het plan? 3. Hoe dient te worden omgegaan met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig. Omdat de Omgevingswet naast soorten ook natuurgebieden en houtopstanden beschermt wordt tot slot advies gegeven of vervolgonderzoek voor het onderdeel gebiedsbescherming noodzakelijk is en of in het kader van het vellen van houtopstanden een melding moet worden gedaan.
1.3. Leeswijzer. Het rapport is onderverdeeld in 6 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de locatie en de voorgenomen ingreep beschreven. In hoofdstuk 3 volgt informatie over het toetsingskader wat gebruikt wordt. Hoofdstuk 4 geeft de methode van het onderzoek weer. De resultaten van het onderzoek worden in hoofdstuk 5 beschreven, deze worden daarna in hoofdstuk 6 concluderend samengevat.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
5
2.
PLANGEBIED
2.1. Planlocatie Het plangebied is gesitueerd aan Noordeinde 78 te Leimuiden, op kadastrale percelen 4449, 4587, 4588, 4589 en 4590 van sectie A in gemeente Leimuiden (LMD02). De bijbehorende rijksdriehoekscoördinaten zijn 106-471. Het plangebied bestaat uit een open braakliggend terrein dat langzaam overwoekerd begint te raken door pioniersvegetatie. Overwegend bestaat deze uit paardenstaarten en kleefkruid, maar hier en daar groeien daar verschillende soorten boterbloemen en braamranken tussendoor. Langs de noordrand zijn enkele delen van het terrein nog vrij van vegetatie. Deze delen zijn modderig en rijk aan bouwpuin. Het open deel halverwege het perceel is de locatie van wat vermoedelijk een oude opslagschuur of garage is geweest, met enkele nog uitstekende elektriciteitskabels en doodlopende uiteindes van waterleidingen die uit de grond omhoog steken. In het westelijk uiteinde van het plangebied is een woonark te vinden. Deze heeft geen voordeur meer, en de wateraansluitingen van de badkamer en keuken zijn afgesloten. De ramen zijn allemaal kapot en dichtgetimmerd met planken. Er gaat een trap in de woonark naar een ondergrondse kruipruimte van ca. 1,5m hoogte. Deze kruipruimte heeft een grondniveau onder het waterpeil van de vaargeul westelijk van het plangebied, en in het meest westelijke compartiment van de kruipruimte staat een klein laagje water.
In de droge delen van de kruipruimte liggen enkele vloertapijten op de grond, en centraal in de ruimte staat wat vermoedelijk de oude wateraansluiting was van de woonark. Eén van de kamers in de woonark lijkt nog in gebruik, mogelijk door een dakloze, want er is een gebruikt matras aangetroffen. De oevers van het plangebied bij de watergang die westelijk en noordelijk loopt zijn overwegend steil en beschoeid. In de watergang is een grote hoeveelheid groei van leliebladen waargenomen, en op de oever groeit een jonge els. De zuidkant van het plangebied wordt afgeschermd door de zijwand van een kringloopwinkel die daar staat. Ten noorden van het plangebied staan grote, vrijstaande, moderne woonhuizen. In westelijke richting is achter de vaargeul open grasland te vinden achter een rietkraag van ca. 2m breedte. In oostelijke richting wordt het plangebied begrensd door een straat, andermaal een vaargeul en daarachter een smalle groenstrook die doorloopt tot de N207. Binnen het plangebied is een stukje oever noordelijk van de woonark niet meer volledig beschoeid, en mogelijk toegankelijk geworden voor kleinere waterdieren zoals amfibieën door een ruime hoeveelheid kruidige vegetatie op de oever.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
6
Figuur 1. Plangebied
2.2. Beoogde ingreep De initiatiefnemer is voornemens binnen het plangebied twee woningen te verwezenlijken in het oosten van het plangebied, een bestaande woonark af te breken ten behoeve van de bouw van een derde woning, en de bestaande watergang noordelijk van het perceel te verbreden tot een stuk binnen de grenzen van het perceel. Centraal in het plangebied wordt een nieuw garageblok met twee garages neergezet welke bereikbaar is vanaf een oprit die langs de zuidrand van het perceel nieuw wordt aangelegd. De woningen komen daar noordelijk van en staan naast elkaar aan de oostzijde van het plangebied, met een dubbele oprit naar de straat Noordeinde toe. In figuur 2 is een overzichtstekening ingevoegd van de beoogde situatie.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
7
Figuur 2. Beoogde situatie. Drie nieuwe woningen worden aangebouwd, waarvan één op de locatie van de huidige woonark en twee aan de straat. Tussen de woningen in komen twee garageboxen die bereikbaar zijn via een oprit langs de zuidrand van het plangebied. De watergang noordelijk van het plangebied wordt verbreed om meer aanmeerruimte te creëren voor boten.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
8
3.
TOETSINGSKADER.
3.1. De Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) vervangt sinds 1 januari 2024 de Wet natuurbescherming (Wnb). Binnen de omgevingswet zijn de meeste voorheen geldende wetgevingen die betrekking hadden tot de fysieke leefomgeving opgenomen. Kortgezegd gaat de Omgevingswet over de ruimte waarin mensen wonen, werken en recreëren. De Ow is onderverdeeld in vier besluiten en één omgevingsregeling. De regels voor soortenbescherming die voorheen werden beschreven in de Wet natuurbescherming zijn ondergebracht in afdeling 11.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als zijnde Flora- en Fauna-activiteit, een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In dit het Bal zijn daarnaast ook delen van eerder geldende regelgeving voor gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden buiten de wettelijke vastgestelde bebouwde kom beschreven.
De Ow ziet toe op: - het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en - het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
3.2. Flora- en fauna-activiteiten Afdeling 11.2 van het Bal is het nationale wettelijke kader waarin de bepalingen van EUrichtlijnen op het gebied van bescherming van soorten zijn vertaald naar nationaal recht. Het doel van dit onderdeel van het besluit is het in stand houden van de planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Hiertoe is een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Hieronder een beknopte algemene toelichting. Schadelijke handelingen zoals het doden, opzettelijk verontrusten, verstoren of vernietigen van beschermde dieren en hun vaste rust- en verblijfplaatsen, hun holen, nesten, eieren rapen, net als het uitgraven, plukken en vernietigen van groeiplaatsen van beschermde planten, zijn verboden. Er wordt onderscheidt gemaakt in de volgende beschermingsregimes:
Flora- en fauna-activiteiten – Vogelrichtlijn Vogels nemen een bijzondere plaats in de natuurwetgeving. Alle broedende vogels, hun eieren, hun vaste rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving daarvan, zijn beschermd. Vogelsoorten worden onderscheiden in vijf categorieën, waarbij soorten van categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn, en soorten van categorie 5 in principe alleen tijdens de broedperiode. Voor het verstoren van broedende vogels tijdens de broedperiode wordt geen omgevingsvergunning verleend. Voor het aantasten van broedende vogels en/of
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
9
de jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen, geldt een zware toets, vergelijkbaar met die van de Habitatrichtlijn soorten.
Flora- en fauna-activiteiten – Habitatrichtlijn Alle plant- en diersoorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn zijn beschermd. Voor deze streng beschermde soorten, geldt dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat en er sprake is van een in of bij de wet genoemd belang. Binnen deze categorie bestaat een verdere onderverdeling, waarvoor de criteria voor het verlenen van een omgevingsvergunning nog iets verschillen.
Flora- en fauna-activiteiten – Andere soorten Alle in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders en kevers van soorten genoemd in bijlage IX, onderdeel A en B van het Bal vallen onder deze categorie. De dieren opgenomen in deze bijlagen mogen niet opzettelijk gedood of gevangen worden. Voor deze soorten geldt dat een omgevingsvergunning vereist blijft bij ruimtelijke ingrepen die negatieve effecten voor deze soorten hebben. Een uitzondering hierop kan gemaakt worden als wordt gewerkt volgens een door de Minister van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode. In zo’n gedragscode geeft een sector of initiatiefnemer zelf aan welke gedragslijnen men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Als er volgens een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt, is alleen nog een omgevingsvergunning nodig voor werkzaamheden die niet conform die gedragscode (kunnen) worden uitgevoerd.
Flora- en fauna-activiteit – Specifieke zorgplicht Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22 van het Bal, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is ingevolge artikel 11.27 verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Wanneer gevolgen niet kunnen worden voorkomen geldt de plicht om die gevolgen zoveel mogelijk te beperken dan wel ongedaan te maken. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt moet de activiteit die deze veroorzaak achterwege worden gelaten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. In de zorgplicht is tevens een onderzoekplicht opgenomen. Degene die een Flora- en faunaactiviteit onderneemt heeft de plicht door een ecologisch deskundige te laten onderzoeken of beschermde soorten of rode lijst soorten aanwezig zijn binnen het effectgebied. Als blijkt dat deze of essentieel leefgebied hiervan aanwezig is dan moet op basis van objectieve gegevens worden bepaald of op voorhand nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.
Als gevolgen niet kunnen worden uitgesloten wordt beschreven welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Op
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
10
basis hiervan worden alle passende maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. Tijdens of na het verrichten van de activiteiten wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als uit monitoring blijkt dat nadelige gevolgen toch niet kunnen worden voorkomen dan moet de Flora- en fauna-activiteit worden gestaakt. Als het staken van de activiteit niet meer mogelijk is moeten passende maatregelen worden getroffen. Ecologische deskundigheid Het Ministerie van Economische Zaken verstaat onder een deskundige een persoon die in een bepaalde situatie en voor specifieke soorten gevraagd wordt te adviseren en/of begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie1.
Hij voldoet aan een of meer van deze punten: • hij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; • hij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; • hij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; • hij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: o Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; • hij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming.
Vrijstelling en omgevingsvergunning Een ruimtelijke ingreep kan gepaard gaan met negatieve effecten op planten en dieren. Alles wat schadelijk is voor beschermde soorten, is verboden. Om een ruimtelijk plan dat mogelijk negatieve effecten heeft op beschermde soorten toch tot uitvoering te mogen brengen, is een vrijstelling of een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag noodzakelijk. Om na te gaan of een vrijstelling of omgevingsvergunning noodzakelijk is zijn verschillende onderzoeken nodig: • met een quickscan wordt aangetoond of er mogelijk matig of strikt beschermde soorten aanwezig zijn; • zo nodig wordt met nader onderzoek aangetoond of er schadelijke effecten op beschermde soorten zijn. Indien bij de quickscan is aangetoond dat er nationaal beschermde soorten of onder de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn beschermde soorten aanwezig zijn, dan geldt een algemene vrijstelling. Indien wel beschermde soorten aanwezig zijn en met nader onderzoek 1
http://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/ruimtelijkeingrepen/ontheffing-vrijstelling/ecologisch-deskundige
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
11
aangetoond is dat er schadelijke effecten op deze beschermde soorten zijn is het noodzakelijk om mitigerende of compenserende maatregelen te treffen. Indien dit kan door te werken volgens een gedragscode (goedgekeurd werkprotocol) is er vrijstelling verleend, er moet dan wel aantoonbaar worden voldaan aan de voorwaarden en voorschriften uit de gedragscode. Onder de Omgevingswet hebben Gedeputeerde Staten daarnaast de bevoegdheid om vrijstellingen op te nemen voor soorten die worden beschermd onder artikel 11.54 van het Bal. Wanneer een provinciale vrijstelling van kracht is dan gelden de verboden uit dit artikel niet voor de in de vrijstelling beschreven soorten. Als nog geen gedragscode voor de specifieke situatie beschikbaar is en er geen provinciale vrijstelling van kracht is dient een omgevingsvergunning verkregen te worden. Om een omgevingsvergunning te kunnen verkrijgen, moet aangetoond worden dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de aangetroffen beschermde soorten. Of, als er geen alternatief is en de ingreep een voldoende zwaarwegend belang dient (wettelijk gedefinieerd per bovengenoemde categorie), kan mogelijk toch omgevingsvergunning verleend worden onder voorwaarden. Een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van de provincie waar de ingreep plaatsvindt.
De bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis mogen wel opzettelijk gedood en gevangen worden, en hun vaste voortplantingsplaats of rustplaats mag opzettelijk vernield of beschadigd worden, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden (Bal, Artikel 11.54. tweede lid onder a). Ook de zwarte rat, bruine rat, huismuis, de mol en exoten vallen niet onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, en mogen opzettelijk gedood en gevangen worden, en hun vaste voortplantingsplaats of rustplaats mag opzettelijk vernield of beschadigd worden (Bal, Afdeling 11.2.8).
3.3. Relevante overige kaders Onder de Omgevingswet zijn naast de Flora- en fauna-activiteiten ook de regels opgenomen voor Natura-2000-activiteiten, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproductie betreffen. In de Omgevingswet is het nationale wettelijke kader beschreven waarin de bepalingen van EU-richtlijnen op het gebied van bescherming van gebieden zijn vertaald naar nationaal recht. Als in de nabijheid van het plangebied percelen liggen die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen genaamd Ecologische Hoofdstructuur), of Natura 2000-gebied, zijn deze beschermd onder de Omgevingswet of door landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid, vastgelegd in het omgevingsplan. De mogelijke effecten van het plan op de specifieke kenmerken van deze gebieden moeten dan in beeld worden gebracht.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
12
Het onderdeel houtopstanden binnen de Omgevingswet geldt voor houtopstanden buiten de bebouwde kom. Voor het vellen van houtopstanden geldt een meldingsplicht en een herplantingsplicht. Het voornaamste doel van het onderdeel houtopstanden is het behouden van het areaal bossen en beplantingen in Nederland. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long voor ons dichtbevolkte land.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
13
4.
METHODE
De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.1. Bronnenonderzoek Ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen en provinciale structuurvisies, zijn geraadpleegd op de overheidswebsite www.atlasleefomgeving.nl. In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn waarnemingen van flora en fauna in Nederland gebundeld. De Gegevensautoriteit Natuur staat ervoor in dat alleen gevalideerde waarnemingen worden opgenomen. Gegevens uit meer dan 100 databanken zijn gebundeld, waaronder die van de particuliere gegevens beherende organisaties (Zoogdiervereniging, Vlinderstichting, etc.), provincies en terrein beherende organisaties. De NDFF wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. Uit deze nationale databank is een overzicht opgevraagd van alle in de nabijheid van het plangebied waargenomen beschermde planten- en dierensoorten. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij niet bekend. Het overzicht geeft een indicatie op welke soorten in het bijzonder gelet moet worden bij het veldbezoek.
4.2. Veldbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten en soortgroepen beoordeeld, met bijzondere aandacht voor de vanuit het bronnenonderzoek verwachte soorten. Het gaat hierbij om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Het veldbezoek is uitgevoerd door de heer W. Nijland, ecologisch adviseur bij De Roever Omgevingsadvies, op woensdag 7 mei, 2025, bij halfbewolkt weer, 16˚C en windkracht 3 uit noordoostelijke richting. Resultaten zijn als tweede lezing beoordeeld door de heer A. Oosterkerk, ecologisch adviseur bij De Roever Omgevingsadvies.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
14
5.
RESULTATEN
5.1. Bronnenonderzoek Beschermde gebieden De dichtstbijzijnde gronden met bestemming ‘natuur’ zijn gelegen op 20 meter noordoostelijk van het plangebied. De afstand tot het Natuurnetwerk Nederland is eveneens ongeveer 20 meter (groenstrook tussen N207 en het kanaal noordoostelijk van het plangebied). Ten westen van het plangebied ligt op ca. 95m nog een perceel met bestemming ‘natuur’ dat tevens onderdeel is van Natuurnetwerk Nederland. In provincie Zuid-Holland wordt niet beoordeeld op externe werking, waardoor factoren als verstoring door trillingen, geluid en optische effecten niet te hoeven worden getoetst voor deze gebieden. Deze beschermde gebieden zijn daardoor op dusdanige afstand gelegen dat negatieve effecten van het plan op voorhand kunnen worden uitgesloten voor de gunstige staat van instandhouding van deze in het kader van de Omgevingswet (in het kader van het overgangsrecht) beschermde gebieden.
Waargenomen soorten Het overzicht van alle in de nabijheid van het plangebied waargenomen beschermde planten- en dierensoorten van de NDFF is bij dit rapport per soortgroep genoemd onder ‘verspreidingsatlas’. De genoemde soorten zijn op een afstand van minder dan 5 kilometer van het plangebied waargenomen en vormden een aandachtspunt bij het terreinbezoek. De resultaten daarvan worden hieronder per soortgroep belicht. Zie ook bijlage I voor foto’s van het plangebied.
5.2. Flora Verspreidingsatlas: akkerboterbloem Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Er zijn enkel algemene tot zeer algemene soorten aangetroffen die kenmerkend zijn voor pioniershabitats, zoals kleefkruid, paardenstaarten en bramen, of die kenmerkend zijn voor vochtige bodems, zoals blaartrekkende boterbloem en riet. In de watergang direct westelijk grenzend aan het plangebied groeit een jonge els en zijn veel leliebladeren (vermoedelijk gele plomp) zichtbaar. Akkerboterbloem is de enige beschermde plantensoort die binnen een straal van 5km van het plangebied bekend is uit de NDFF, en het biotoop binnen het plangebied is ongeschikt als potentiële groeiplaats voor deze soort omdat akkerboterbloem een meer voedsel- en kalkrijk biotoop nodig heeft dan binnen het plangebied aanwezig is. Nader onderzoek naar akkerboterbloem is daarom niet noodzakelijk. Conclusie flora: Van het plan worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
15
5.3. Ongewervelden Verspreidingsatlas: platte schijfhoren. <10km ook grote vos en groene glazenmaker. Grote vos Grote vos is voor zijn voortplantingsbiotoop afhankelijk van specifieke waardplanten, te weten populier, iep, zoete kers en wilg. Binnen het plangebied zijn geen potentiële waardplanten van grote vos geconstateerd. Als winterbiotoop gebruikt grote vos doorgaans boomholtes of sporadisch ook grotten. De ruimtes in de woonark zijn onvoldoende geïsoleerd voor grote vos om geschikt winterbiotoop te vinden. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk voor deze soort. Groene glazenmaker Groene glazenmaker komt voor in stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden. Voorbeelden hiervan zijn plassen, sloten, petgaten en laagveengebieden. In de watergangen rondom het plangebied is geen krabbenscheer waargenomen, en door de recreatieve scheepsvaart die plaatsvindt op deze watergangen is het ontstaan van dichte krabbenscheervelden onwaarschijnlijk. Biotoop van groene glazenmaker kan daarom worden uitgesloten in de directe omgeving van het plangebied. Nader onderzoek voor deze soort is niet noodzakelijk. Platte schijfhoren Platte schijfhoren komt doorgaans voor in vegetatierijke, schone wateren met een ontwikkelde oevervegetatie voor de ei-afzet.
Bij voorkeur bevinden volwassen individuen zich tussen draadalgen, maar ook wortelstokken van onderwatervegetatie of andersoortige drijvende vegetatie zoals kranswieren volstaan voor platte schijfhoren. Hoewel in de watergang westelijk van het plangebied voldoende vegetatie aanwezig is in de vorm van lelies in de watergang en rietkragen op de westelijke oever, is het door de grote hoeveelheid boten onwaarschijnlijk dat het water schoon genoeg is voor deze soort, en de oevers van het plangebied zelf zijn onvoldoende ontwikkeld met vegetatie om geschikt te zijn als biotoop voor ei-afzet van platte schijfhoren. Omdat daarnaast geen dempwerkzaamheden plaatsvinden aan de watergang, is nader onderzoek naar platte schijfhoren niet noodzakelijk. Conclusie ongewervelden: Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op ongewervelden uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk.
5.4. Zoogdieren. Grondgebonden zoogdieren Verspreidingsatlas: bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, noordse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel, woelrat In de nabijheid van het plangebied zijn bovengenoemde grondgebonden zoogdiersoorten waargenomen. Tijdens het terreinbezoek overdag is beoordeeld of de locatie geschikt is voor
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
16
deze soorten. Hierbij is onderscheid gemaakt in migratieroute, foerageergebied en verblijfplaats. Kleine grondgebonden zoogdieren Voor algemene muizensoorten (bosmuis, dwergmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis, veldmuis, woelrat) geldt dat binnen het plangebied potentieel geschikt foerageergebied aanwezig is tussen de pioniersvegetatie. Door de natte ondergrond en grote hoeveelheid puin aan het oppervlak is de bodem van het plangebied weinig geschikt om graafgangen te maken voor de genoemde soorten, en de oevers van het plangebied zijn beschoeid of bieden onvoldoende speling ten opzichte van het water voor bijvoorbeeld een verblijfplaats van woelrat. Voor konijn en haas geldt dat het plangebied niet grazig genoeg is met onvoldoende vergraafbare grond en te ingesloten ligt tussen woningen en watergangen om geschikt biotoop te bieden. Voor egel geldt dat het plangebied onvoldoende beschutting heeft voor verblijfplaatsen. De dunne pioniersvegetatie is onvoldoende voor deze soort. Al de hier genoemde soorten hebben een provinciale vrijstelling van artikel 11.54 van het Bal in de provincie Zuid-Holland, waardoor aanvullend onderzoek naar deze soorten niet noodzakelijk is. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing.
Dat wil zeggen dat bij uitvoering van werkzaamheden stapvoets te werk moet worden gegaan, dat zo veel mogelijk in één richting moet worden gewerkt (bij voorkeur vanaf de woonark in oostelijke richting), en dat bij waarneming van een beschermde soort de werkzaamheden moeten worden stilgelegd tot het dier uit eigen beweging is gevlucht. Noordse woelmuis en waterspitsmuis Noordse woelmuis kan voorkomen op zowel natte als droge terreindelen, maar heeft moeite om te concurreren met andere woelmuissoorten zoals veldmuis. In nattere gebieden zoals het plangebied maken ze hun nesten in riet- of biezenhopen. Binnen het plangebied zijn dergelijke biezen- of riethopen niet aanwezig, en met de natte bodem en hoge waterstand rondom het plangebied is daardoor geen geschikt biotoop voor noordse woelmuis aanwezig binnen het plangebied. Nader onderzoek naar noordse woelmuis is niet noodzakelijk. Waterspitsmuis komt voor in habitats met een rijk ontwikkelde oeverzone van kruidige vegetatie, en jaagt doorgaans in het water op voedsel. De oeverzone van het plangebied is nog te onderontwikkeld om geschikt biotoop te bieden voor waterspitsmuis, maar potentieel geschikt biotoop kan wel ontstaan voor deze soort als de vegetatiezone op de oever van het plangebied zich door ontwikkelt.
Om dit te voorkomen is het noodzakelijk om de oeverzones geregeld te maaien tot de werkzaamheden van start kunnen gaan. Nader onderzoek naar waterspitsmuis is dan niet noodzakelijk. Marterachtigen Binnen het plangebied is de geschiktheid van biotoop voor kleine grondgebonden zoogdieren zoals muizen of konijn matig tot slecht. Kleine marterachtigen, zoals bunzing, wezel en hermelijn, jagen op deze diersoorten voor hun voedsel, en doorgaans maken ze ook hun verblijfplaatsen in de oude holen van hun prooidieren. De combinatie van de kleinschaligheid van het plangebied met het lage geschiktheid van het plangebied voor prooidieren van kleine marterachtigen maakt dat aanwezigheid van biotoop voor kleine marterachtigen kan worden uitgesloten binnen het plangebied. Nader onderzoek is dan ook
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
17
niet noodzakelijk. Waarnemingen van steenmarter zijn niet bekend uit de directe omgeving (<5km) van het plangebied, en in de woonark zijn geen sporen gevonden die kunnen wijzen op aanwezigheid van een dergelijke marterachtige. Nader onderzoek naar steenmarter is om die reden niet noodzakelijk bevonden. Vos en ree Deze soorten hebben meer beschutting en een grootschaliger biotoop nodig dan aanwezig is binnen het plangebied, en kunnen op basis daarvan redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek of aanvullende voorzorgsmaatregelen zijn niet noodzakelijk. Conclusie grondgebonden zoogdieren: Van het plan zijn geen negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren te verwachten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Om het ontstaan van geschikt biotoop voor waterspitsmuis te voorkomen is het wel belangrijk dat de oeverzone periodiek wordt gemaaid om het ontstaan van een ontwikkelde kruidige vegetatielaag tegen te gaan.
Vleermuizen Verspreidingsatlas: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis In de nabijheid van het plangebied zijn de bovengenoemde vleermuissoorten waargenomen. Tijdens het terreinbezoek overdag is beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in vliegroute, foerageergebied en verblijfplaats. Vliegroute: In de omgeving zijn gebouwen aanwezig waarop vleermuizen zich oriënteren. Ze volgen dergelijke lijnvormige elementen bij het verplaatsen tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen. Op de planlocatie zelf maakt de woonark onderdeel uit van een globale lijnstructuur van gebouwen. Deze woonark wordt afgebroken. Door de aanwezigheid van de watergang in hetzelfde deel van het plangebied blijft wel een parallelle lijnstructuur intact, waardoor de vleermuizen voor de oriëntatie geen hinder zullen hebben van het afbreken van de woonark. Het plangebied verliest een klein beetje windbeschutting, maar het gat tussen de gebouwen die aanwezig blijven is beperkt tot ca. 20m, waardoor het niet in de lijn der verwachting ligt dat dit de migratieroute onbruikbaar maakt. Op lange termijn wordt de lijnstructuur min of meer hersteld door de aanbouw van de garageboxen. Ook wordt aan de oostzijde van het plangebied de hier aanwezige lijnstructuur versterkt door de aanbouw van twee nieuwe woningen.
Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen zijn daarom niet te verwachten. Mogelijk is wel verstoring van vliegroutes aan de orde wanneer gebruik wordt gemaakt van breed uitstralende bouwverlichting. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen uit artikel 11.46 lid 1b van het Bal en dient voorkomen te worden. Verblijfplaatsen: Op het plangebied is een woonark aanwezig. Deze heeft geen duidelijk zichtbare invliegopeningen, zeer weinig beschutting en een gesloten dak bestaande uit platen,
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
18
waardoor de woonark ongeschikt is bevonden als verblijfplaats voor vleermuizen. Hierdoor is een verblijfplaats in bebouwing uitgesloten op de planlocatie. Daarnaast zijn er vleermuissoorten die verblijfplaatsen hebben in bomen. Binnen het plangebied is één enkele jonge els aanwezig met minder dan een meter stamhoogte. Deze boom is daarom ongeschikt als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuissoorten. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uit te sluiten binnen het plangebied. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. Foerageergebied: Mogelijk foerageren vleermuizen boven het plangebied. Het verwijderen van vegetatie binnen het plangebied heeft mogelijk een negatief effect op de foerageermogelijkheden voor vleermuizen, omdat voedselaanbod in de vorm van insecten deels afhankelijk is van de hoeveelheid vegetatie. Het plangebied wordt daardoor niet ongeschikt als foerageergebied, maar mogelijk gaat de kwaliteit van het foerageerbiotoop wel achteruit. Door de ruime hoeveelheid watergangen en groene percelen direct rondom het plangebied kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen sprake is van essentieel foerageerbiotoop. Ter voorkoming van het verstoren van foerageergebied binnen en direct rondom het plangebied is het wel noodzakelijk om lichtverstoring door breed uitstralende bouwverlichting te voorkomen.
Tussen zonsondergang en zonsopkomst mag daarom geen aanvullende verlichting aanwezig zijn in de aanlegfase. Conclusie vleermuizen: Van het plan zijn negatieve effecten op beschermde vleermuissoorten te verwachten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen in de te slopen bebouwing en de te verwijderen vegetatie. Wel is het noodzakelijk om voorzorgsmaatregelen te nemen omtrent bouwverlichting om te voldoen aan voorschriften uit de specifieke zorgplicht. Dat wil zeggen dat tussen zonsondergang en zonsopkomst geen breed uitstralende bouwverlichting in gebruik mag zijn tijdens de uitvoering van werkzaamheden.
5.5. Vogels Verspreidingsatlas: gierzwaluw, huismus, kerkuil, slechtvalk, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer Broedvogels waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn, zijn in de nabijheid van het plangebied waargenomen. Het gaat om de bovengenoemde broedvogelsoorten. Gedurende het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor deze strikt beschermde vogelsoorten. Gebouwbewonende soorten Gierzwaluw en huismus broeden doorgaans in de ruimtes onder dakpannen van een gebouw. Gierzwaluw broedt soms ook in nissen aan de buitenzijde van een gebouw. Huismus broedt soms in nestkasten als pannendaken niet voor handen zijn. In de omgeving van een nestplaats van huismus is voldoende vegetatie nodig voor beschutting, en binnen een straal van 200m moet voldoende voedselaanbod aanwezig zijn. Aanwezigheid van een
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
19
losse zandvlakte, bijvoorbeeld een speelzandbak of een paardrijzandbak, is een pre omdat huismus daar graag in zandbaddert. Gierzwaluw foerageert tot ruim 10km afstand rondom de nestplaats, waardoor de directe omgeving van de nestplaats minder relevant is. Kerkuil broedt doorgaans in verlaten en geïsoleerde hoekjes van oude schuren, kerken of andersoortige gebouwen, vanwaar hij ’s nachts tot ca. 2km afstand van zijn nestplaats foerageert op kleine gewervelden zoals muizen of hagedissen. In de woonark zijn geen geschikte broedgelegenheden voor kerkuil aanwezig. Ook zijn geen sporen van gebruik door uilen (vogelpoep, braakballen, etc.) aangetroffen in het interieur van de woonark. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat kerkuil negatieve effecten ondervindt als gevolg van de geplande werkzaamheden. Nader onderzoek voor deze soort is niet noodzakelijk. De woonark heeft ook geen geschikt pannendak, geen geschikte waarneembare nissen en geen nestkasten. Hierdoor zijn nestplaatsen van huismus en gierzwaluw binnen het plangebied uit te sluiten. De tuinpercelen rondom de huizen noordelijk van het plangebied ogen te aangeharkt en onderhouden met te weinig vegetatie om heel geschikt te zijn voor huismus. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen waarnemingen gedaan van huismussen op of rondom deze percelen.
Verstoring van nestactiviteit door trillingen of geluid is daardoor voldoende onwaarschijnlijk dat aanvullend onderzoek voor huismus niet noodzakelijk is. Door het water- en insectrijke biotoop rondom het plangebied is een nestplaats voor gierzwaluw niet op voorhand uit te sluiten. Omdat nestplaatsen van gierzwaluw sowieso niet beschadigd raken is het mogelijk om de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van gierzwaluw (grofweg 15 april t/m 15 juli) ter voorkoming van het verstoren van broedactiviteit van deze soort. In dat geval is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Indien werkzaamheden wel in de periode van 15 april t/m 15 juli moeten plaatsvinden, is alsnog aanvullend onderzoek voor gierzwaluw noodzakelijk om uit te sluiten dat broedactiviteit wordt verstoord door trillingen of geluid als gevolg van de geplande bouwwerkzaamheden. Roofvogels Roofvogels zoals slechtvalk, boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer broeden in grote nesten in bomen. Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen aanwezig voor dergelijke nesten, waardoor aanwezigheid van roofvogelnestplaatsen binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Door de lage geschiktheid van het plangebied als biotoop voor kleine grondgebonden zoogdiersoorten zoals muizen is het ook uit te sluiten dat het plangebied een essentiële functie als foerageergebied vervult.
Nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet noodzakelijk. Algemeen voorkomende broedvogels Binnen het plangebied is potentieel geschikt broedbiotoop aanwezig voor weidevogels en watervogels. In het plangebied is een eierschaal waargenomen van een zanglijster, wat duidt op recente aanwezigheid van een broedgeval van zanglijster in de directe omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied is gelegenheid voor het broeden van algemeen voorkomende vogels. Tijdens het broeden zijn alle in Nederland voorkomende vogels beschermd. Om verstoring van deze broedvogels te voorkomen is het noodzakelijk om sloop en bouwwerkzaamheden te starten buiten de broedperiode van algemeen voorkomende broedvogels. Deze is grofweg van 15 maart tot 15 juli. Deze periode is geen
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
20
wettelijk vastgestelde periode. Wij adviseren om bij twijfel een broedvogelcontrole uit te voeren alvorens de start van hiervoor relevante werkzaamheden. Conclusie vogels: Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen kunnen negatieve effecten op vogelsoorten niet worden uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk mits de werkzaamheden buiten de actieve broedperiode van gierzwaluw kunnen worden uitgevoerd. Deze loopt grofweg van 15 april t/m 15 juli. Ook mogen werkzaamheden niet worden gestart binnen het algemene broedseizoen (grofweg 15 maart t/m 15 juli). Wettelijk is geen periode vastgesteld als broedseizoen. Onder afdeling 11.2 van het Bal zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar. Het is daarom noodzakelijk om te werken op een manier waarop broedactiviteit van vogels niet verstoord wordt. Werkzaamheden zijn mogelijk indien door een deskundige is vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten zijn, of indien is vastgesteld dat met het werken volgens een goedgekeurd werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Een dergelijk ecologisch werkprotocol dient te zijn opgesteld door een ter zake deskundige en vervolgens goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag.
5.6. Vissen Verspreidingsatlas: geen beschermde soorten bekend Bij gebrek aan beschermde vissoorten in de omgeving van het plangebied is het voorkomen van vissen in het plangebied uitgesloten. Wel is de algemene zorgplicht van toepassing voor de algemene vissoorten bij het verbreden van de watergang. Het advies is hierbij om de huidige oever af te zetten met schotten voordat de graafwerkzaamheden aan de oever beginnen. Dit om te zorgen dat bij het verbreden van de watergang niet per ongeluk vissen worden gedood door de grondwerkzaamheden in de oever van de watergang. Bij het verwijderen van de schotten dient de ruimte achter de schotten al tenminste ten delen gevuld te worden met water om een grote golfslag te voorkomen. Indien de schotten geplaatst kunnen worden op een manier dat hier geen ruimte met water achter ontstaat (dus strak tegen de bestaande oevers aan) is ecologische begeleiding of afvissen niet noodzakelijk. Conclusie vissen: Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vissen uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Wel dient met schotten langs de oever te worden gewerkt om aan de algemene zorgplicht voor vissen te voldoen.
5.7. Reptielen en Amfibieën Verspreidingsatlas: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, bastaardkikker, rugstreeppad (geen reptielen bekend) In de nabijheid van het plangebied zijn geen beschermde reptielen waargenomen. Wel zijn beschermde amfibieënsoorten waargenomen. Het gaat om de bovengenoemde soorten. Gedurende het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor strikt beschermde
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
21
soorten. Een geschikt leefgebied voor strikt beschermde amfibieën is aanwezig op de planlocatie. Algemene amfibieën Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker zijn niet kieskeurig in welke watergangen ze bevolken. De aanwezigheid van de watergang aan de westzijde van het plangebied in combinatie met het feit dat niet de gehele oever beschoeid is maakt dat geschikt biotoop voor deze soorten niet uit te sluiten is binnen de invloedssfeer van werkzaamheden. Deze soorten hebben een provinciale vrijstelling in provincie ZuidHolland. Daarom is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing voor deze soorten. Dat wil zeggen dat zo veel mogelijk in één richting gewerkt moet worden om de dieren een duidelijke vluchtroute te verschaffen, dat de werkzaamheden stapvoets moeten worden uitgevoerd, en dat de werkzaamheden worden stilgelegd bij waarneming van een beschermde soort tot de dieren uit eigen beweging zijn weggevlucht. Rugstreeppad Rugstreeppad is bij uitstek een pionierssoort die het goed doet in open en verstoorde landschappen. Het is een slechte zwemmer die zich voortplant in plas-dras oevers of in lang staande regenplassen. Binnen het plangebied is potentieel geschikt biotoop aanwezig voor rugstreeppad in de open modderdelen langs de noordkant van het plangebied.
Winterbiotoop vinden ze doorgaans in losse zandhopen of andersoortige vergraafbare grond. Door het droge voorjaar was hier tijdens het veldbezoek geen water aanwezig, en eiersnoeren zijn niet aangetroffen. Vestiging van deze soort in het plangebied is in de toekomst wel mogelijk. Voor de toekomst is niet uit te sluiten dat hier geschikt voortplantingsbiotoop van rugstreeppad ontstaat, mede omdat in huidige staat de modderige delen en aanwezigheid van soorten als blaartrekkende boterbloem al duiden op de natte aard van het plangebied. Daarom is het noodzakelijk om te voorkomen dat hier in de komende jaren voortplantingsbiotoop voor rugstreeppad aanwezig is, als mogelijk het voorjaar meer regen meebrengt. Eén optie daarvoor is het plaatsen van een amfibieënscherm rondom het plangebied. Een dergelijk scherm dient ca. 50cm hoog te zijn, en aan de onderzijde deels (ca. 5cm) ingegraven te zijn zodat rugstreeppad er niet onderdoor kan graven. Rondom het amfibieënscherm dient een vegetatiebuffer te worden gehandhaafd, waarbij binnen een meter van het scherm periodiek de opkomende kruidige vegetatie wordt weggemaaid, zodat padden niet via de vegetatie over het scherm heen kunnen klimmen. Het plaatsen van een dergelijk scherm moet onder ecologische begeleiding plaatsvinden en worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol.
Conclusie reptielen en amfibieën: Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op reptielen en amfibieën niet uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing voor algemene amfibieënsoorten. Dat wil zeggen dat zo veel mogelijk in één richting gewerkt moet worden om de dieren een duidelijke vluchtroute te verschaffen, dat de werkzaamheden stapvoets moeten worden uitgevoerd, en dat de werkzaamheden worden stilgelegd bij waarneming van een beschermde soort tot de dieren uit eigen beweging zijn weggevlucht. Daarnaast is het
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
22
noodzakelijk om langs de landranden van het plangebied een amfibieënscherm te plaatsen, ter voorkoming van het vestigen van rugstreeppadden binnen het plangebied.
5.8. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op een afstand van ±11,3 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en op een afstand van ±12,3 km van het Natura 2000gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Door de ligging van het plangebied ten opzichte van deze Natura 2000-gebied kunnen er mogelijk negatieve effecten plaatsvinden van de ingreep op deze gebieden. Indien er sprake van is van negatieve effecten dan is de voorgenomen ontwikkeling vergunning plichtig. De grenzen van het plangebied vallen buiten de grenzen van de Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘Kennemerland-Zuid’. Op basis hiervan zijn verlies aan oppervlakte of versnippering uitgesloten. Effecten zoals trillingen, licht, geluid en optische effecten kunnen wel op grotere afstanden optreden. Omdat de afstand van het plangebied tot grenzen van de Natura 2000-gebieden meer dan 500 meter bedraagt kunnen deze overige effecten worden uitgesloten. Op nog grotere afstanden van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen negatieve effecten plaatsvinden door stikstofdepositie. In de Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘Kennemerland-Zuid’ bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. Als er bij de ingreep stikstof wordt uitgestoten zijn de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden mogelijk in het geding.
Bij de voorgenomen ingreep vindt naar verwachting stikstofuitstoot plaats. Hierdoor zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Wij adviseren u daarom een stikstofberekening m.b.v. AERIUS Calculator uit te voeren en te laten toetsen door het bevoegd gezag.
5.9. Houtopstanden Binnen het plangebied bevinden zich geen houtopstanden die betrekking hebben tot Afdeling 11.3 van het Bal. De effecten van de ingreep op houtopstanden hoeft om deze reden niet getoetst te worden aan de Ow.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
23
6.
CONCLUSIE
In dit rapport is de quickscan Flora- en fauna-activiteit naar aanleiding van het plan aan Noordeinde 78 te Leimuiden beschreven. Conclusies gebiedsbescherming: De dichtstbijzijnde gronden met bestemming ‘natuur’ zijn gelegen op 20 meter noordoostelijk van het plangebied. De afstand tot het Natuurnetwerk Nederland is eveneens ongeveer 20 meter (groenstrook tussen N207 en het kanaal noordoostelijk van het plangebied). Ten westen van het plangebied ligt op ca. 95m nog een perceel met bestemming ‘natuur’ dat tevens onderdeel is van Natuurnetwerk Nederland. In provincie Zuid-Holland wordt niet beoordeeld op externe werking, waardoor factoren als verstoring door trillingen, geluid en optische effecten niet te hoeven worden getoetst voor deze gebieden. Deze beschermde gebieden zijn daardoor op dusdanige afstand gelegen dat negatieve effecten van het plan op voorhand kunnen worden uitgesloten voor de gunstige staat van instandhouding van deze in het kader van de Omgevingswet (in het kader van het overgangsrecht) beschermde gebieden. Het plangebied ligt op een afstand van ±11,3 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en op een afstand van ±12,3 km van het Natura 2000gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Op basis hiervan zijn verlies aan oppervlakte of versnippering uitgesloten.
Effecten zoals trillingen, licht, geluid en optische effecten kunnen wel op grotere afstanden optreden. Omdat de afstand van het plangebied tot grenzen van de Natura 2000gebieden meer dan 500 meter bedraagt kunnen deze overige effecten worden uitgesloten. Op nog grotere afstanden van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen negatieve effecten plaatsvinden door stikstofdepositie. In de Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘Kennemerland-Zuid’ bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. Bij de voorgenomen ingreep vindt naar verwachting stikstofuitstoot plaats. Hierdoor zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Wij adviseren u daarom een stikstofberekening m.b.v. AERIUS Calculator uit te voeren en te laten toetsen door het bevoegd gezag. Conclusies Soortenbescherming: Flora Van het plan worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Zoogdieren Vleermuizen Van het plan zijn negatieve effecten op beschermde vleermuissoorten te verwachten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen in de te slopen bebouwing en de te verwijderen vegetatie.
Wel is het noodzakelijk om voorzorgsmaatregelen te nemen omtrent bouwverlichting om te voldoen aan voorschriften uit de specifieke
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01
24
zorgplicht. Dat wil zeggen dat tussen zonsondergang en zonsopkomst geen breed uitstralende bouwverlichting in gebruik mag zijn tijdens de uitvoering van werkzaamheden. Overige zoogdieren Van het plan zijn geen negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren te verwachten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Om het ontstaan van geschikt biotoop voor waterspitsmuis te voorkomen is het wel belangrijk dat de oeverzone periodiek wordt gemaaid om het ontstaan van een ontwikkelde kruidige vegetatielaag tegen te gaan. Vogels Broedvogels Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen kunnen negatieve effecten op vogelsoorten niet worden uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk mits de werkzaamheden buiten de actieve broedperiode van gierzwaluw kunnen worden uitgevoerd. Deze loopt grofweg van 15 april t/m 15 juli. Ook mogen werkzaamheden niet worden gestart binnen het algemene broedseizoen (grofweg 15 maart t/m 15 juli). Wanneer werkzaamheden moeten worden uitgevoerd in de periode van 15 april t/m 15 juli is alsnog aanvullend onderzoek noodzakelijk voor gierzwaluw. Wettelijk is geen periode vastgesteld als broedseizoen.
Onder afdeling 11.2 van het Bal zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar. Het is daarom noodzakelijk om te werken op een manier waarop broedactiviteit van vogels niet verstoord wordt. Werkzaamheden zijn mogelijk indien door een deskundige is vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten zijn, of indien is vastgesteld dat met het werken volgens een goedgekeurd werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Een dergelijk ecologisch werkprotocol dient te zijn opgesteld door een ter zake deskundige en vervolgens goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag. Vissen Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vissen uitgesloten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Wel dient met schotten langs de oever te worden gewerkt om aan de algemene zorgplicht voor vissen te voldoen. Reptielen en amfibieën Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op reptielen en amfibieën niet uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing voor algemene amfibieënsoorten.
Dat wil zeggen dat zo veel mogelijk in één richting gewerkt moet worden om de dieren een duidelijke vluchtroute te verschaffen, dat de werkzaamheden stapvoets moeten worden uitgevoerd, en dat de werkzaamheden worden stilgelegd bij waarneming van een beschermde soort tot de dieren uit eigen beweging zijn weggevlucht. Daarnaast is het noodzakelijk om langs de landranden van het plangebied een amfibieënscherm te plaatsen, ter voorkoming van het vestigen van rugstreeppadden binnen het plangebied.
Quickscan Flora- en fauna-activiteit Noordeinde 78, Leimuiden. Datum: 24 november 2025 ; Referentie: 20250518.v01