CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5. Orienterend onderzoek flora en fauna 23-05-2019

Gemeenteraad 2 juni 2025, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Julianalaan 68-70, Kaag’ (bestuurlijke lus).5.006 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO T.a.v. dhr. H. van Arendonk ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Datum

11 juni 2018 (revisie op 23 mei 2019 door T.W.D. Schrader)

Kenmerk

BE/2018/349/R

Uw kenmerk

Email d.d. 1 juni 2018

Auteur(s)

J.J.M. Jansen

Projectleider(s)

C.J. Blom

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Julianalaan 68-70 te Kaag Gelegen op het Kagereiland, in de Kagerplassen bevindt zich het dorpje Kaag waar aan de Julianalaan 68-70 een woning, botenloods en schuur is gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om de botenloods, schuur en de woning te slopen om hiervoor in de plaats 4 appartementsgebouwen, met in totaal 10 appartementen, te realiseren. Daarnaast zullen de woningen worden onderkelderd. In het kader van deze ontwikkeling dient de huidige bebouwing op de locatie te worden gesloopt. Het huidige bestemmingsplan voorziet niet in deze ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project, zoals hiervoor omschreven, uitvoerbaar zoals het bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan Julianalaan 68-70 te Kaag. Op het perceel is een woning en een botenloods aanwezig. Daarnaast bevindt zich op de locatie een klein houten schuurtje met een bitumen dak wat wordt gebruikt als ponystalletje. De woning is opgetrokken uit steense muren en bevat een pannen zadeldak. De loods bestaat uit houten rabatdelen aan de kopse kant en bevat verder steense muren. Het dak is gemaakt van hout en is bedekt met bitumen aan de buitenzijde. De kozijnen van beide gebouwen zijn van kunststof en de dakranden bevatten trespa platen. De overige terreininrichting betreft verharding in de vorm van klinkers, een steiger naar de haven, een siertuin en een gras- en zandveld waar de pony’s op lopen. De locatie wordt met een intensief onderhouden. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het bovenste topje van Zuid-Holland, in de gemeente Kaag, op het Kagereiland. Het eiland wordt volledig omgeven door de Kagerplassen en is alleen toegankelijk via een pontje. De directe omgeving wordt gekenmerkt door waterachtige landschappen en agrarische velden. Tevens zijn er een aantal havens in de nabije omgeving gelegen. Ten noordoosten van de planlocatie is de bebouwing van Kaag gelegen.

Op een afstand van circa 1,2km ten noorden van de locatie is de snelweg A44 gelegen.

Figuur 1

De planlocatie (rood kader) is gelegen aan Julianalaan 68-70 te Kaag (bron kaart: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingreep betreft het verwijderen van de bebouwing en de siertuin, en de herbouw van 4 appartementsgebouwen met in totaal 10 appartementen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen vegetatie: werkzaamheden, afvoer groen; • sloop huidige woning, loods en schuur: sloopwerkzaamheden en afvoer materiaal; • dempen watergang zuidwestzijde, graven watergang zuidzijde: graafwerkzaamheden; • uitgraven kelder; algemene graafwerkzaamheden; • egaliseren terrein; graafwerkzaamheden en grondtransport; • bouwrijp maken terrein: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie appartementsgebouwen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein: algemene hoveniers-, bestratings- en overige werkzaamheden. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocaties komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

2

Methode Inventarisatie De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij gedetailleerd een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 0/8 bewolkt, 15,5 Celsius en windkracht 1-2 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie ZuidHolland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt definitie vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea).

3

In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Beschermde vaatplanten en/of sporen en delen hiervan zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bestaat voor een overgroot deel uit verharding en bebouwing waardoor er geen vegetatie is gevestigd. Tevens zijn er geen bomen aanwezig. Op de planlocatie is een grasveld aanwezig met algemene kruiden zoals madeliefje, raaigras, paardenbloem en gewoon biggenkruid. De siertuin bevat algemene kruiden zoals diverse klokjesbloemen en viooltjes. Tevens is hier een visvijver gelegen met waterlelies en vissen. De vegetatie op de planlocatie wordt intensief onderhouden. In de directe omgeving zijn zeldzame plantensoorten bekend in het Natuurnetwerk gebied. Dit meegenomen in de beoordeling, gezien de habitatpreferentie van zeldzame of beschermde vaatplanten, de verharding, het onderhoud en de verstoring door boten en uitlaatgassen hiervan, wordt de aanwezigheid van zeldzame plantensoorten niet verwacht. Zoogdieren De planlocatie aan de Julianalaan bestaat grotendeels uit verharding. Tevens is er een grasveld aanwezig.

In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bosmuis, huisspitsmuis, egel, haas, boommarter, dwergmuis, veldmuis, Noordse woelmuis, hermelijn, bunzing, rosse woelmuis, muskusrat, waterspitsmuis, konijn, bruine rat, mol en vos. Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. Op en rondom de planlocatie zijn geen sporen als vraatsporen (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren, etc.), uitwerpselen, latrines, pootafdrukken of loopsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstellingsregeling vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Daarnaast is de planlocatie grotendeels verhard. De locatie is uitermate ongeschikt als verblijfplaats en specifieke habitatonderdelen voor zeldzame, kwetsbare of beschermde soorten die geen gebruik maken van bomen (waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen); bijvoorbeeld: Noordse woelmuis en waterspitsmuis. Tevens zijn er geen bomen aanwezig die geschikt zouden kunnen zijn voor vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de boommarter.

Gelet op de inrichting van de planlocatie, de verharding, de afwezigheid van bomen, het intensieve onderhoud op de planlocatie, en de afwezigheid van potentie is het uitgesloten dat de planlocatie een relevante functie heeft voor beschermde soorten die niet onder de vrijstellingsregeling vallen. Op de locatie is wel sprake van aspecifiek leefgebied voor zoogdiersoorten die algemeen voorkomen, dit betreft soorten zoals: bruine rat, egel en hermelijn. Aannemelijk maken opportunistische en algemene soorten incidenteel gebruik van de planlocatie. Voor dergelijke soorten is in de direct omgeving voldoende geschikt leefgebied waar individuen zich naar toe kunnen begeven. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen in het kader van habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde overige soorten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis.

In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt de bebouwing op de planlocatie gesloopt en worden er 4 nieuwe appartementsgebouwen gerealiseerd. De woning en de loods op de planlocatie bevatten verschillende kieren en stootvoegen die geschikt zouden kunnen zijn ten aanzien van vleermuizen. Effecten op vaste rust- en/of verblijfslocaties van gebouw-bewonende vleermuissoorten kunnen niet worden uitgesloten. Een aanvullend onderzoek is nodig om de aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen op de planlocatie.

4

Figuur 2

De gebouwen op de planlocatie bevatten verschillende openingen en kieren die geschikt zijn voor vleermuizen.

Vleermuizen foerageren opportunistisch waarbij het actuele insectenaanbod leidend is voor de plaats waar ze op dat moment foerageren. Hoewel er geen bomen aanwezig zijn op de planlocatie, is er water naast de planlocatie aanwezig wat zeer geschikt kan zijn als foerageergebied gezien de hoeveelheid insecten die dit met zich meebrengt. Gelet op de directe omgeving met het stedelijk gebied, het water en het Natuurnetwerk gebied, wordt de omgeving niet dusdanig aangetast door de beoogde ontwikkeling, dat vleermuizen zich niet meer kunnen oriënteren in het landschap. De planlocatie zelf is momenteel hoogstens geschikt als algemeen onderdeel van het foerageergebied. De toekomstige situatie zal met de aanplant van nieuwe bomen en een toename in het aantal siertuinen verbeteren ten opzichte van de huidige situatie en geschikter raken voor vleermuizen. Mogelijk worden aanwezige vleermuizen verstoord gedurende het foerageren en migreren. Hiervan is echter enkel sprake indien er gewerkt wordt gedurende de schemer of na zonsondergang. Tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van foeragerende en passerende vleermuizen (verlichting aanpassen of werken tussen zonsopkomst en zonsondergang). Amfibieën en reptielen Gedurende het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied.

5

Voor reptielen zijn kale (zandige) plekken, dichte heide en opgaande vegetatie afgewisseld met open structuren van essentieel belang. Vergraafbare grond wordt gebruikt door hagedissen om holen te graven en eieren in af te zetten. Voor ringslang zijn uitgestrekte extensieve graslanden en waterrijke gebieden onderdeel van het functionele leefgebied. De planlocatie is gelegen aan de rand van Kaag. In de beoogde ontwikkelingen wordt de watergang aan de zuidwestzijde gedempt en wordt een nieuwe watergang gegraven aan de zuidzijde. De watergang aan de zuidwestzijde is beschoeid en submerse vegetatie is afwezig. In de watergang is geen potentie voor het voorkomen van beschermde amfibieën of reptielen. Er is op de planlocatie een kleine visvijver aanwezig. Deze vijver is afgedekt met netten en gaas wat deze minder toegankelijk maakt voor reptielen en amfibieën. Op 130 m ten westen van de planlocatie is een Natuurnetwerkgebied gelegen. Dit gebied is zeer geschikt voor zeldzame of beschermde reptielen of amfibieën en deze soorten zijn tevens waargenomen. Gezien de afstand is het mogelijk dat zij zich naar de planlocatie begeven. Doch, is het ’s Gravenwater zeer open en onbeschut, is er geen vegetatie aanwezig, en varen er veel boten bij de havens die aanwezig zijn. Daarnaast is er voldoende en zeer geschikt habitat aanwezig wat ontbreekt op de planlocatie.

Voor beschermde reptielen en amfibieën als levendbarende hagedis, zandhagedis, vroedmeesterpad, heikikker, rugstreeppad en alpenwatersalamander ontbreken functioneel leefgebied, geschikte voortplantingsplaatsen als poelen, vennen en vijvers en overwinteringslocaties als strooisellagen, kruidenrijke graslanden en dichte vegetatie op de planlocatie. Het voorkomen van habitatrichtlijnsoorten en bijzondere nationaal beschermde soorten of verplaatsing van het Natuurnetwerk gebied naar de planlocatie wordt niet verwacht. De aanwezigheid van de meer algemene, opportunistische amfibieën als gewone pad en bruine kikker kan echter niet worden uitgesloten. Voor de incidenteel aanwezige soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Behoudens de algemene zorgplicht zijn geen bijzondere bepalingen van toepassing en kan overtreding van verbodsbepalingen in het kader van amfibieën en reptielen uitgesloten worden. Vissen Direct naast de planlocatie gelegen bevindt zich een van de Kagerplassen namelijk het ’s Gravenwater. In de beoogde ontwikkelingen wordt de watergang aan de zuidwestzijde gedempt, en aan de zuidzijde wordt een nieuwe watergang gegraven.

Het water aan de oostelijke oever bevat geen vegetatie, in tegenstelling tot de westelijke oever die zich aan het Natuurnetwerk gebied bevindt. Tevens bevindt er zich geen zichtbare watervegetatie in het water. De watergang bevat licht stromend water en heeft een aardige diepte. Gelet op de uniformiteit van het kanaal en het ontbreken van essentiële habitatonderdelen van habitatrichtlijnsoorten als bittervoorn en rivierdonderpad kan het voorkomen ervan worden uitgesloten. Verder gelet op de ontstaansgeschiedenis, ligging, gebruik van de watergang en ecologische indicatoren is geen relevante functie voor vissen geconstateerd en worden slechts algemene en zeer tolerante soorten verwacht. In de directe omgeving is voor algemene en opportunistische soorten voldoende vergelijkbaar habitat waar ze zich naartoe kunnen verplaatsen en zich eventueel kunnen vestigen. Negatieve effecten op beschermde vissen worden uitgesloten. Insecten, libellen en ongewervelde In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelde aangetroffen. Tevens zijn geen mierenhopen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van zeldzame, kwetsbare en/of beschermde mieren. Zeldzame of beschermde insecten vereisen een specifiek habitat of waardplant. De locatie aan de Julianalaan is grotendeels verhard.

Er is een klein grasveld aanwezig en een kleine siertuin. De vegetatie kan geschikt zijn voor algemene insecten ten behoeve van voedsel, voortplanting, opgroei (larvale stadium), popstadium en verblijfplaats, maar is minimaal gezien de grotendeelse verharding van de planlocatie.

6

Daarnaast zijn er geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een bepaalde soort een waardplant vormen. Aan de overkant van het ‘s Gravenwater, bevindt zich een Natuurnetwerk Nederland gebied. Hier zijn verschillende beschermde vlinders en overige insecten bekend en waargenomen. Gezien de waardplanten van deze vlinders en het specifieke habitat, is het niet waarschijnlijk dat deze zich zullen vestigen op de planlocatie. Daarnaast blijft de permanente afstand van 130 meter tot het natuurgebied gewaarborgd. Effecten ten aanzien van beschermde insecten als gevolg van de beoogde werkzaamheden worden niet verwacht. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: huismus, spreeuw, kauw, scholekster, bruine kiekendief, roerdomp (van horen) putter en wilde eend. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan zijn geen bomen aanwezig die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. Nabij de planlocatie is een Natuurnetwerk gebied gelegen die ongetwijfeld geschikt is voor deze vogelsoorten.

Gezien de verharding op de planlocatie, het ontbreken van bomen, en het hoge aanbod aan voedsel, bescherming en habitat in het Natuurnetwerk gebied, is het niet waarschijnlijk dat roofvogels of uilen zich naar de planlocatie zullen begeven. Hetzelfde geldt voor ransuilen of sperwerachtigen die mogelijk een verblijfplaats hebben in het Natuurnetwerk Nederland gebied. Tevens zijn in de directe omgeving ruim voldoende geschikt alternatieven dat de (tijdelijke) verstoring op de planlocatie, geen effect uitoefent op de lokale populaties. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is voor roofvogels, uilen, ransuilen en sperwerachtigen geen sprake. Voor gierzwaluw geldt dat de woning niet hoog genoeg is en niet voldoende openingen bevat die geschikt zijn voor gierzwaluw om toegang te krijgen tot de spouwmuur. Daarnaast zijn de daklijsten dicht en zijn de dakpannen afgewerkt. Aanwezigheid van gierzwaluw in de bebouwing van de planlocatie is uitgesloten. In de siertuin van de planlocatie is de aanwezigheid van huismus vastgesteld. Tevens is de huidige woning op de planlocatie geschikt als nestlocatie voor de huismus.

Daarnaast zijn er een paar wintergroene struiken in de siertuin aanwezig en is er een natuurgebied dichtbij gelegen die mogelijke schuilplaatsen en foerageermogelijkheden biedt als essentieel onderdeel van het habitat van de huismus. Er zijn geen bomen aanwezig. Gezien de beoogde ontwikkeling zal er een soortgelijke situatie ontstaan en zullen er nieuwe siertuinen worden aangelegd. Doch, tijdens het veldbezoek zijn er meerdere huismussen aangetroffen en is het overduidelijk gebleken dat deze soort mogelijk nesten heeft in de te slopen bebouwing. Om deze redenen kan schade aan de huismus niet worden uitgesloten en dient er aanvullend onderzoek te worden uitgezocht naar mogelijk aanwezige nesten in de huidige woning die op de planlocatie is gesitueerd. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) Op de planlocatie zijn geen bomen aangetroffen. Wel is er een kleine siertuin aanwezig die geschikt kan zijn als foerageergebied voor algemene broedvogels zoals merels, duiven en kleine zangvogels. De beoogde ontwikkeling leidt tot een tijdelijke afname van dit groengebied maar hier staat tegenover dat er hoogstwaarschijnlijk nieuwe siertuinen zullen ontstaan bij de woningen die gebouwd zullen worden op de planlocatie.

Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

7

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, belangrijk weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 8,4km en meer zijn enkele Natura2000-gebieden gelegen (figuur 3).

De planlocatie ligt op een afstand van 0,1km tot het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4).

Figuur 3

De planlocatie (rood traject) ligt op een afstand van 8,4km tot Kennemerland-Zuid, 8,8km tot de Coepelduynen en 10km tot Meijendel & Berkheide (bron: natura2000.eea.europa.eu).

Figuur 4

De planlocatie (rood kader) ligt op een afstand van 0,1 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.b3p.nl).

De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van de huidige bewoning en het verwijderen van de vegetatie om vervolgens 4 nieuwe appartementsgebouwen met in totaal 10 appartementen te bouwen. Het transport en de bouwwerkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). De ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke (n.a.v. vergelijkingsberekening met als referentie 2012 t/m 2014) en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare/jaar blijft. Bovendien gelet op de nabijgelegen autosnelwegen zal de toename van (vracht)verkeersbewegingen verwaarloosbaar zijn.

8

Op dit moment is er sprake van stikstofdepositie in de huidige woning. Daarnaast is er een botenloods aanwezig waardoor er veel uitlaatgassen op de locatie vrijkomen. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is en dat de mate van deze verstoringsfactoren niet zullen leiden tot een toename. Tevens zorgen de tussen gelegen percelen, woningen en infrastructuur voor voldoende bufferwerking om deze (eventuele) effecten te ondervangen. De ontwikkeling resulteert niet in een significant verhoogde verkeersintensiteit en/of stikstofdepositie. De nieuwe woningen dienen gebouwd te worden naar de nieuwste energieen uitstooteisen waardoor ze zeer energiezuinig zullen zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland is externe werking geen toetsingskader. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats.

Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2)

bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Op de planlocatie staan geen kapwerkzaamheden gepland. Er is derhalve geen meldingen/of vergunning nodig in het kader van de Wet Natuurbescherming.

Conclusies In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft, behoudens vleermuizen en huismus, aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor vleermuizen dient nader onderzocht te worden of de stootvoegen en kieren in de bebouwing op de planlocatie geschikt al dan niet in gebruik zijn. Tevens maken vleermuizen mogelijk gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren. Daarnaast dient er een aanvullende inspectie te worden uitgevoerd om de aanwezigheid van de huismus en mogelijke nesten die aanwezig zijn te kunnen vaststellen.

9

De planlocatie en de directe omgeving hebben (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of Belangrijk Weidevogelgebied, maar is wel nabij een Natuurnetwerk Nederland gebied gelegen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt.

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort +

+

-

-

+/-

-

-

n

n

n

broedvogels (j)

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de te verwachten effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

broedvogels (a)

Tabel 2

+/-

+

n

j

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat overige soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

8,4km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

0,1km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

nee

n.v.t.

n.v.t.

Bomen

nee

n.v.t.

n.v.t.

j

Uitvoerbaarheid bestemmingsplan De werkzaamheden en toekomstige situatie leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden of (behoudens vleermuizen en huismus omdat dit nog niet met zekerheid is vastgesteld) beschermde natuurwaarden. Om te bepalen of verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord worden dient een aanvullende inspectie uitgevoerd te worden. Voor huismus dient een nadere inspectie of 2 gerichte veldbezoeken uitgevoerd te worden in de periode aprilmei, om de aan- dan wel afwezigheid van de soort aan te tonen. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Conclusie De de sloop van de bebouwing en de nieuwbouw van 4 appartementsgebouwen aan de Julianalaan 68-70 te Kaag en het onderkelderen van de bebouwing is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

10

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). •

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

Ten aanzien van huismus dient aanvullend onderzoek uitgevoerd. Er zijn 2 opties om de aan- dan wel afwezigheid van huismusnesten aan te tonen. De inspectie betreft een eenmalig bezoek waarbij dakpannen gelicht worden om nestlocaties visueel te constateren. De inspectie dient plaats te vinden in de periode 15 september tot 1 maart. Een andere optie is door het uitvoeren van 2 gerichte veldbezoeken waarbij gelet wordt op nestindicatief gedrag. De veldbezoeken dienen uitgevoerd te worden in de periode 1 april tot 15 mei met een tussenperiode van 10 dagen. Daarnaast dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

•

Ten aanzien van gebouw-bewonende vleermuizen dienen de openingen en kieren in de bebouwing gecontroleerd te worden of deze geschikt al dan niet in gebruik zijn door boom-bewonende vleermuissoorten. De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.

•

Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon)(redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

11

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pas.natura2000.nl www.pzh.b3p.nl www.ravon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. J.J.M. Jansen

Bijlage 1

Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

12

Bijlage 1 Fotografische impressie

Figuur 1

De initiatiefnemer is voornemens om de bebouwing op de planlocatie te slopen om plaats

te maken voor 4 appartementsgebouwen met in totaal 10 appartementen.

Figuur 2

Tevens is er op de planlocatie een grasveld met algemene kruiden aanwezig.

13

Figuur 3

De botenloods bevat een aantal kieren aan de waterzijde bij de deuren, maar geschikte ruimtes voor vleermuizen of gierzwaluwen ontbreken.

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=5a868760-2872-4446-af5e-4684175422a7