Bijlage 4 Wijzigingstabel GR ODWH
Tekst van het document
3.
De directeur is onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast met de ambtelijke leiding van de omgevingsdienst en de zorg voor een juiste taakvervulling in de organisatie.
1.
Het sluiten van een arbeidsovereenkomst, de schorsing en het ontslag van personeelsleden van de omgevingsdienst geschiedt door het dagelijks bestuur.
2.
Op het personeel in dienst van de omgevingsdienst zijn de bepalingen uit de cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties en het Personeelshandboek van toepassing.
Hoofdstuk 12 Financiële bepalingen
Benoeming
Personeel
21.
22.
Het dagelijks bestuur is bevoegd tot benoemen, schorsing en ontslag van de directeur. Zie ook art 15, inzake de bevoegdheden van het dagelijks bestuur. Niet het algemeen bestuur. Om die reden zijn de eerste twee leden gewijzigd.
Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het benoemen van de formatie en niet het algemeen bestuur, zie ook toelichting bij het voorgaande artikel. Om die reden is de laatste zinsnede komen te vervallen. Daarnaast kwam ook het verzoek vanuit de ambtenaren om de het vaststellen van de formatie door het AB, te laten vervallen.
Het derde lid is komen te vervallen, omdat een soortgelijke bepaling al in artikel 1, lid 2 geregeld is. De leden zijn dus samengevoegd.
Hoofdstuk 9 Financiële bepalingen 29.
(Vervallen)
Bijlage 4. Wijzigingstabel GR ODWH (2024035562)
Artikelen die bij eerdere wijzigingen zijn komen te vervallen of gereserveerd stonden, zijn voor de leesbaarheid en nummering in de nieuwe regeling komen te vervallen.
11/17
Huidige tekst (12de wijziging) info
Nieuw (13de wijziging)
artikel lid sub
30.
31.
(Vervallen)
1.
De kosten van de omgevingsdienst worden gedekt door verrekening per deelnemer op basis van gewerkte uren zoals bepaald in door het algemeen bestuur vast te stellen regels.
2.
Tot de kosten van de omgevingsdienst worden, naast de directe uitvoeringskosten, tevens gerekend de overheadkosten en de kapitaalslasten. De tarieven worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met de indexering zoals vastgesteld in de begroting van het desbetreffende jaar.
3.
32.
1.
1.
De overige uit deze regeling voortvloeiende gezamenlijke inkomsten en uitgaven worden met de deelnemers verrekend naar evenredigheid van de bijdrage per deelnemer als bedoeld in artikel 31, eerste lid. De verrekening wordt door het dagelijks bestuur op de eerste vergadering van het jaar vastgesteld aan de hand van de voor dat jaar vastgestelde begroting en rekening van de omgevingsdienst met de peildatum 1 januari van het voorgaande jaar.
Verrekening
2.
Het algemeen bestuur bepaalt elk jaar bij het vaststellen van de begroting de bijdrage per deelnemer in de voor het begrotingsjaar geraamde kosten.
1.
De kosten van de omgevingsdienst worden gedekt door verrekening per deelnemer op basis Geen wijzigingen. van gewerkte uren zoals bepaald in door het algemeen bestuur vast te stellen regels.
2.
Tot de kosten van de omgevingsdienst worden, naast de directe uitvoeringskosten, tevens gerekend de overheadkosten en de kapitaalslasten. De tarieven worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met de indexering zoals vastgesteld in de begroting van het desbetreffende jaar.
24.
1.
2.
25.
1.
2.
De door de deelnemers op grond van de gemaakte werkafspraken verschuldigde bedragen Geen wijzigingen. worden door de omgevingsdienst periodiek gefactureerd en zijn door de deelnemers bij vooruitbetaling verschuldigd. In geval van niet tijdige betaling van de door de deelnemers verschuldigde bedragen, wordt Geen inhoudelijke wijzigingen, alleen redactioneel. de wettelijke rente in rekening gebracht.
De overige uit de regeling voortvloeiende gezamenlijke inkomsten en uitgaven worden met Geen wijzigingen, alleen redactioneel. de deelnemers verrekend naar evenredigheid van de bijdrage per deelnemer als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de regeling. De verrekening wordt door het dagelijks bestuur op de eerste vergadering van het jaar vastgesteld aan de hand van de voor dat jaar vastgestelde begroting en rekening van de omgevingsdienst met als peildatum 1 januari van het voorgaande jaar. Het algemeen bestuur bepaalt elk jaar bij het vaststellen van de begroting de bijdrage per deelnemer in de voor het begrotingsjaar geraamde kosten.
De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
1.
2.
34.
23.
3.
Verschuldigde bijdrage
33a.
33b.
Kosten
De door de deelnemers op grond van de gemaakte werkafspraken verschuldigde bedragen worden door de omgevingsdienst periodiek gefactureerd en zijn door de deelnemers bij vooruitbetaling verschuldigd. In geval van niet tijdige betaling van de op grond van dit artikel door de deelnemers verschuldigde bedragen, wordt de wettelijke rente in rekening gebracht.
2.
33.
Artikelen die bij eerdere wijzigingen zijn komen te vervallen of gereserveerd stonden, zijn voor de leesbaarheid en nummering in de nieuwe regeling komen te vervallen.
Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat een gemeente weigert de verplichte uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.
Het artikel is samengevoegd met artikel 25a. Dit geldt ook voor het voormalig artikel 39a.
Continuïteit omgevingsdienst
25a.
Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat de provincie weigert de verplichte uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet.
1.
Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting op van inkomsten en uitgaven en legt deze ter besluitvorming voor aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur doet het algemeen bestuur tijdig voorstellen tot wijziging van de begroting toekomen.
2.
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting, met de daarbij behorende aanbiedingsbrief en toelichting, acht weken voordat deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden voor zienswijze toe aan de raden van de gemeenten en aan provinciale staten.
Bijlage 4. Wijzigingstabel GR ODWH (2024035562)
1.
Deelnemers dragen zorg voor de continuïteit van de omgevingsdienst en overleggen met de Het voormalig artikel 39a is als extra lid aan dit artikel toegevoegd. De bijdrage aan de omgevingsdienst als eerste partij omtrent de voorwaarden voor het uitvoeren van de in continuïteit van de omgevingsdienst staat nu in één artikel. Verder geen inhoudelijke artikel 4 van de regeling genoemde taken en bevoegdheden. wijzigingen.
2.
De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de omgevingsdienst te allen tijde over De inhoud is niet gewijzigd, maar afkomstig van het voormalig artikel 33a (zie bovenstaand). voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat een deelnemende Geen wijzigingen, alleen redactioneel. gemeente weigert de verplichte uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
3.
Begroting
26.
4.
Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat de provincie weigert de verplichte uitgaven op de begroting te zetten, dan doet het algemeen bestuur onverwijld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet.
1.
Het dagelijks bestuur zendt vóór de in artikel 58b van de wet genoemde datum van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de vertegenwoordigende organen.
2.
Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting op van inkomsten en uitgaven en legt deze ter besluitvorming voor aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur doet het algemeen bestuur tijdig voorstellen tot wijziging van de begroting toekomen.
Conform de nieuwe wet wordt in dit artikel gewezen naar de artikelen waarin de termijn gewijzigd zijn. Zie verder ook de uitgebreidere toelichting bij artikel 12, dat gaat over zienswijzen.
12/17
Huidige tekst (12de wijziging) info
Nieuw (13de wijziging)
artikel lid sub
3.
Het totaal van de begroting vormt het autorisatieniveau voor begrotingswijzigingen. Indien noodzakelijk vinden begrotingswijzigingen plaats bij de eerste bestuursrapportage (hierna te noemen: “BURAP”) en/of de tweede BURAP. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp begrotingswijzigingen acht weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden voor zienswijze toe aan de raden van de gemeenten en aan provinciale staten. Het dagelijks bestuur hoeft dit niet te doen als:
3.
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting, met de daarbij behorende aanbiedingsbrief en toelichting, twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden voor zienswijze toe aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.
1. De bijdrage van de individuele deelnemers niet wijzigt; of
4.
De vertegenwoordigende organen kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.
2. Het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt; of
5.
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp begrotingswijzigingen twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden voor zienswijze toe aan de vertegenwoordigende organen. Het dagelijks bestuur hoeft dit niet te doen als:
3. De wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien door: a) extra opdracht(en) van een individuele deelnemer en bijbehorende financiële dekking; of b) overige taken, zoals wettelijke taken waar extra bijdragen van derden/deelnemers tegenover staan.
a.
de bijdrage van de individuele deelnemers niet wijzigt; of
b. het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt; of c. de wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien door: I. extra opdracht(en) van een individuele deelnemer en bijbehorende financiële dekking; of II. overige taken, zoals wettelijke taken waar extra bijdragen van derden/deelnemers tegenover staan. 4. 5.
Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, tweede lid, van de wet genoemde datum van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
6. 7.
8.
35.
36.
(Vervallen)
1. 2.
3. 4.
37.
1. 2.
38.
Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, tweede lid, van de wet genoemde datum van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het bepaalde in het eerste, derde en zevende lid van dit artikel is, met uitzondering van de in de leden 3 en 5 genoemde termijnen, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
1.
Het algemeen bestuur stelt de rekening van inkomsten en uitgaven vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het dagelijks bestuur biedt daartoe jaarlijks, zo spoedig mogelijk na beëindiging van elk dienstjaar, de rekening van inkomsten en uitgaven aan het algemeen bestuur aan. De directeur doet de rekening van inkomsten en uitgaven aan het dagelijks bestuur toekomen. De aanbieding aan het algemeen bestuur gaat vergezeld van een verantwoording en van een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening.
Artikelen die bij eerdere wijzigingen zijn komen te vervallen of gereserveerd stonden, zijn voor de leesbaarheid en nummering in de nieuwe regeling komen te vervallen.
Jaarrekening
27.
2.
Het dagelijks bestuur zendt een afschrift van de rekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten toe. Het dagelijks bestuur zendt de rekening van inkomsten en uitgaven binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de rekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3. 4.
Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de finan¬ciële administratie en met betrekking tot het kasbeheer. Het algemeen bestuur stelt een regeling vast omtrent de verzekering van de gelden van de omgevingsdienst tegen benadeling.
Administratie
Uiterlijk binnen een maand na de vast¬stelling van de rekening doet het dagelijks bestuur aan elke ge¬meente en aan de provincie mededeling van het over het betreffende jaar verschuldigde aandeel.
Vaststelling
Bijlage 4. Wijzigingstabel GR ODWH (2024035562)
1.
28.
1. 2.
29.
1.
Het algemeen bestuur stelt de rekening van inkomsten en uitgaven vast in het jaar volgende Geen wijzigingen, alleen tekstueel en conform definities. op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het dagelijks bestuur biedt daartoe jaarlijks, zo spoedig mogelijk na beëindiging van elk dienstjaar, de rekening van inkomsten en uitgaven aan het algemeen bestuur aan. De directeur doet de rekening van inkomsten en uitgaven aan het dagelijks bestuur toekomen. De aanbieding aan het algemeen bestuur gaat vergezeld van een verantwoording en van een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening. Het dagelijks bestuur zendt een afschrift van de rekening toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten. Het dagelijks bestuur zendt de rekening van inkomsten en uitgaven binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, vierde lid, van de wet genoemde datum van het jaar volgende op het jaar waarop de rekening betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Voor de volledigheid wordt verwezen naar het wetsartikel, waarin de termijn staat opgesomd.
Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de financiële administratie en met Geen wijzigingen. betrekking tot het kasbeheer. Het algemeen bestuur stelt een regeling vast omtrent de verzekering van de gelden van de omgevingsdienst tegen benadeling.
Uiterlijk binnen een maand na de vaststelling van de rekening doet het dagelijks bestuur aan Geen wijzigingen. elke deelnemer mededeling van het over het betreffende jaar verschuldigde aandeel.
13/17
Huidige tekst (12de wijziging) info
Nieuw (13de wijziging)
artikel lid sub
2.
Het exploitatiesaldo van een vastgestelde rekening in een jaar komt ten bate dan wel laste van de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. De verdeling is gebaseerd op de inbreng van de deelnemers.
2.
39.
Het dagelijks bestuur draagt elk jaar vóór 15 juli zorg voor de samenstel¬ling van een verslag met betrekking tot de door de omgevingsdienst over het afgelopen jaar verrichte werkzaam¬he¬den. Het algemeen bestuur stelt het verslag vast en draagt zorg voor de toezending aan de gemeenten en de provincie.
39a.
Deelnemers dragen zorg voor de continuïteit van de omgevingsdienst en overleggen met de omgevingsdienst als eerste partij omtrent de voorwaarden voor het uitvoeren van de in de artikelen 6 en 25 genoemde taken en bevoegdheden.
Dit artikel is samengevoegd met artikel 25a, waarin het ook gaat over de bijdrage van deelnemers ten behoeve van de continuïteit van de omgevingsdienst.
39b.
Bij opheffing van de omgevingsdienst stelt het algemeen bestuur een plan op dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de omgevingsdienst over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze..
Dit artikel is samengevoegd met artikel 36.
Hoofdstuk 13 Het archief 40.
1.
Het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst draagt zorg voor het in goede, geordende en toegankelijke staat onderbrengen en bewaren van de archiefbescheiden volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, alsmede draagt het zorg voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.
2. 3. 4.
Jaarverslag
Het exploitatiesaldo van een vastgestelde rekening in een jaar komt ten bate dan wel laste van de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. De verdeling is gebaseerd op de inbreng van de deelnemers.
Hoofdstuk 11 Het archief Archivering
30.
31.
Het dagelijks bestuur draagt elk jaar vóór de in artikel 58, vierde lid, van de wet genoemde datum zorg voor de samenstelling van een verslag met betrekking tot de door de omgevingsdienst over het afgelopen jaar verrichte werkzaamheden. Het algemeen bestuur stelt het verslag vast en draagt zorg voor de toezending aan de deelnemers.
Het artikel is conform de begripsbepalingen bijgewerkt. Voor de volledigheid wordt verwezen naar het wetsartikel, waarin de termijn staat opgesomd.
1.
Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de omgevingsdienst, conform een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling.
De directeur is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden.
2.
De kosten verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zorg komen ten laste van de omgevingsdienst. Voor de bewaring van de op grond van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wordt door het dagelijks bestuur gebruik gemaakt van de archiefbewaarplaats van de gemeente Leiden.
3.
De directeur is belast met het beheer van de niet naar de archiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden. De kosten verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zorg komen ten laste van de omgevingsdienst. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van de De verwijzing naar de Archiefwet is weggelaten, omdat naar verwachting deze wet in de omgevingsdienst wordt door het dagelijks bestuur gebruik gemaakt van de nabije toekomst wijzigt. Hierdoor dient de GR niet enkel om technische reden gewijzigd te archiefbewaarplaats van de gemeente Leiden. worden. De archivaris van de gemeente Leiden is belast met het toezicht op het beheer van de niet Ter verduidelijking is een verwijzing naar de taak van de archivaris opgenomen. naar de archiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden. De verordening voor archiefen informatiebeheer van de gemeente Leiden is hiertoe van overeenkomstige toepassing.
4.
5.
Hoofdstuk 14 Geschillenregeling
6.
Bij opheffing van de regeling worden de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Leiden.
Dit lid is van toepassing indien de regeling wordt opgeheven.
1.
Geschillen voortvloeiende uit de regeling worden, voordat door de deelnemers van een daarvoor openstaande wettelijke voorziening gebruik wordt gemaakt, door het algemeen bestuur voorgelegd aan een door hem in te stellen geschillencommissie.
Geen wijzigingen.
2.
De geschillencommissie bestaat uit drie leden en is samengesteld uit:
Hoofdstuk 12 Geschillenregeling 41.
1.
Geschillen, voortvloeiende uit deze regeling worden, voordat door de deelnemers van een daarvoor openstaande wettelijke voorziening gebruik wordt gemaakt, door het algemeen bestuur voorgelegd aan een door hem in te stellen geschillencommissie.
2.
De geschillencommissie bestaat uit drie leden en is samengesteld uit:
Geschillenregeling
32.
* de voorzitter van de Regionale Commissie Bezwaarschriften van de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude en Servicepunt71.,
a.
de voorzitter van de Regionale Commissie Bezwaarschriften van de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude en het Bezwarensecretariaat Leidse Regio;
* een voorzitter van de Commissie voor de bezwaarschriften van één van de overige deelnemers, * een door hen beiden aan te wijzen derde.
b. een voorzitter van de Commissie voor de bezwaarschriften van één van de deelnemers die niet bij het geschil betrokken is, en c. een door de bij het geschil betrokken deelnemers gezamenlijk aan te wijzen derde.
3.
De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen en brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.
3.
De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken bestuursorganen en brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.
4.
Het algemeen bestuur kan een termijn vaststellen, binnen welke de geschillencommissie advies moet uitbrengen.
4.
Het algemeen bestuur kan een termijn vaststellen, waarbinnen de geschillencommissie advies moet uitbrengen.
Bijlage 4. Wijzigingstabel GR ODWH (2024035562)
Het Servicepunt71 bestaat niet meer en is verwijderd uit dit lid.
Inhoudelijk niet gewijzigd, alleen redactioneel.
14/17
Huidige tekst (12de wijziging) info
Nieuw (13de wijziging)
artikel lid sub
Hoofdstuk 15 Sloten overgangsbepalinge n 42.
1.
Deze regeling treedt in werking op een door het algemeen bestuur te bepalen tijdstip. Elk van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en Gedeputeerde staten dragen zorg voor de opname in het regis¬ter als bedoeld in artikel 27 van de wet, respectievelijk artikel 52, eerste lid, onder j van de wet.
2. 3.
De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Een voorstel tot wijziging van de regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door de besturen van een deelnemer. In het laatste geval wordt een zodanig voorstel ingediend bij het algemeen bestuur, die dit voorstel eventueel vergezeld van een advies, aan de besturen van de deelnemers ter vaststelling aanbiedt.
4.
De artikelen 5, 6, 11, 18, 31, leden 1 en 2, 32, 33, 45, 46 en 47 kunnen slechts worden gewijzigd bij eenslui¬dende besluiten van de deelnemende bestuursorganen van de deelnemers. De niet in het vierde lid van dit artikel genoemde artikelen worden gewijzigd bij eensluiden¬de besluiten van de besturen van ten minste twee derde van de deelnemers.
Voor de leesbaarheid van de regleing is dit verplaatst naar het einde van de regeling.
5.
6.
43.
1.
Toetreding kan op verzoek van de beoogde toekomstige deelnemer, plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van de deelnemende bestuursorganen.
2.
Het algemeen bestuur doet daartoe een voorstel en geeft daarin aan of, en zo ja, welke voorwaarden, waaronder financiële, aan de toetreding zijn verbonden. De toetreding gaat in op een in overleg tussen het algemeen bestuur en de toetredende deelnemer te bepalen tijd¬stip, dat niet ligt voor het tijdstip dat de in het eerste lid genoemde besluiten zijn genomen.
3.
44.
De bestuursorganen van een deelnemer die, binnen een half jaar nadat een voorstel tot wijziging bij de deelnemer is ingediend, ter zake geen beslissing hebben genomen, worden geacht te hebben ingestemd met de wijziging.
1.
2.
3.
4.
Een deelnemer kan uittreden door toezending van de daartoe strekkende besluiten van de deelnemende bestuursor¬ganen van de deelnemer aan het algemeen bestuur, doch slechts nadat het algemeen bestuur daarin bewilligt. De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur te kennen heeft gegeven met de uittreding in te stemmen, tenzij door het algemeen bestuur een andere datum is bepaald.
Hoofdstuk 12 Toetreding, uittreding en opheffing Toetreding
33.
1.
2. 3.
Uittreding
34.
1.
2.
Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en kan aan de uittreding voorwaarden, waaronder financiële en personele, verbinden. Tot deze financiële voorwaarden behoort in elk geval de bepaling, dat een uittredende deelnemer van het jaar van uittreding af aan de omgevingsdienst blijft betalen een bijdrage in de jaarlijkse (vaste) exploi¬tatielasten van de omgevingsdienst. Deze bijdrage wordt bepaald naar het gemiddelde van de in de laatste drie jaren, vooraf¬gaande aan de uittreding, door de uittredende deelnemer afgenomen producten en diensten, uitgedrukt in geld. De bijdrage is niet meer verschuldigd, zodra het algemeen bestuur beslist, dat de uit de uittreding voortgekomen kostenstijging op voldoende wijze is gecompenseerd.
3.
Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de over¬dracht van enig eigen¬dom van de omgevingsdienst.
4.
Een college van een deelnemer kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet.
Voortaan moet in elke gemeenschappelijke regeling uitdrukkelijk bepaald worden hoe de gevolgen van uittreding worden geregeld. Dit betekent dat in ieder geval de volgende onderwerpen geregeld moeten zijn: - Besluitvorming rondom wijziging, opheffing, toetreding en gevolgen van uittreding vindt Het college zendt, na toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan, het besluit tot uittreding toe aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag plaats door deelnemende bestuursorganen. Het bestuur van de Omgevingsdienst heeft daarin formeel geen rol. nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. - De voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden. De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het college - De gevolgen voor het vermogen van de Omgevingsdienst door uittreding. van de uittredende deelnemer te kennen heeft gegeven uit te willen treden. - De gevolgen voor het vermogen van deelnemende gemeenten/provincie door uittreding. In de navolgende artikelen is gehoor gegeven aan bovenstaande wettelijke verplichting. Bij elk artikel volgt een korte duiding van het artikel. Daarnaast is het voor elke deelnemer mogelijk om uit te treden. Hiertoe heeft de deelnemer geen instemming nodig van de andere deelnemers. Dergelijke bepalingen zijn komen te vervallen.
5.
6.
Bijlage 4. Wijzigingstabel GR ODWH (2024035562)
Toetreding kan op verzoek van de beoogde toekomstige deelnemer plaatsvinden bij daartoe Geen inhoudelijke wijzingen, slechts redactioneel. strekkende besluiten van de deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet. Het algemeen bestuur doet daartoe een voorstel en geeft daarin aan of, en zo ja, welke voorwaarden, waaronder financiële, aan de toetreding zijn verbonden. De toetreding gaat in op een in overleg tussen het algemeen bestuur en de toetredende deelnemer te bepalen tijdstip, dat niet ligt voor het tijdstip dat de in het eerste lid genoemde besluiten zijn genomen.
Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en kan aan de uittreding voorwaarden verbinden. Het algemeen bestuur legt deze vast in een conceptuittredingsplan, als bedoeld in artikel 34a van de regeling. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van de omgevingsdienst.
15/17
Huidige tekst (12de wijziging) info
Nieuw (13de wijziging)
artikel lid sub
Procedure voor vaststellen uittredingsplan
34a.
1.
Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.
De artikelen 34a tot en met 34c regelen de uitwerking en nadere regels inzake de procedure voor en condities bij uittreding van een deelnemer.
2.
Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.
3.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
Dit artikel regelt de procedure voor vaststelling van het uittredingsplan. Met deze procedure hebben alle betrokken partijen ten minste een jaar voorafgaand aan de uitreding een hoge mate van duidelijkheid over de condities voor uittreding en de hoogte van de (voorlopige) uittreedsom.
4.
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur.
5.
Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur Doordat er uiterlijk zes maanden na uittreding een definitieve uittreedsom bepaald baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in wordt, weten alle partijen waar ze aan toe zijn. artikel 34b en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Het algemeen bestuur biedt de uittredende deelnemer gedurende het uittredingsproces Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de de keuze tussen betaling van de uittreedsom in enkele termijnen of betaling van de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de uittreedsom in één keer. definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34b van de regeling en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.
6.
Uittreedsom
34b.
7.
Bij de voorbereiding van het concept-uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen.
1.
De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de omgevingsdienst die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de omgevingsdienst die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
2.
3.
Bijlage 4. Wijzigingstabel GR ODWH (2024035562)
Omdat de hoogte van de uittreedsom in het laatste jaar van deelname aan de regeling nog kan wijzigen bepaalt het zesde lid dat het algemeen bestuur binnen zes maanden na het moment van uittreding de definitieve uittreedsom dient te bepalen.
4.
De omgevingsdienst brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 34a lid 6 heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan anders is vastgelegd.
5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.
6.
De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 34 lid 3.
7.
De omgevingsdienst is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het dagelijks bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
De berekening van de voorlopige uittreedsom en de definitieve uittreedsom is gebaseerd op de systematiek van de uittreding en de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Alleen kosten die het directe gevolg zijn van de uittreding komen voor compensatie in aanmerking.
Dit artikel bepaalt welke kosten als gevolg van de uittreding voor compensatie door de uittredende deelnemer in aanmerking komen. De uittredingsregeling maakt daarbij onderscheid tussen frictiekosten en desintegratiekosten. De definitieve uittreedsom bestaat dus uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. Alle frictiekosten en desintegratiekosten moeten bij de uittredende deelnemer in rekening gebracht worden. De uittredende deelnemer is verplicht deze kosten te betalen. Het gaat hierbij om het saldo van alle frictiekosten en desintegratiekosten. Eventuele baten van mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld overname van overtollig personeel) moeten derhalve worden afgetrokken van de bruto kosten. Ook bij de regeling opgebouwde reserves waartoe de uittredende deelnemer gerechtigd is, dienen te worden verrekend met de verschuldigde frictiekosten en desintegratiekosten. De uittredende deelnemer is verplicht om binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vastgesteld heeft te betalen. Kosten die de uittredende deelnemer maakt in het kader van de uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Deze kosten kunnen niet in mindering worden gebracht op de uittreedsom.
Het zesde lid regelt dat de datum van uittreding moet gelden als peildatum voor berekening van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die na de datum opkomen dienen buiten beschouwing te worden gelaten bij de bepaling van de uittreedsom. Dit impliceert dat bij het berekenen van de compensatie van eventuele onvoorziene kosten een zo precies mogelijke raming moet worden gemaakt, gebaseerd op zo plausibel mogelijke aannames. Of deze aannames ook na de datum van uittreding blijken te kloppen mag vervolgens geen rol spelen. In zoverre moeten de uittredende deelnemer en de overige partijen beiden een inschatting maken van de risico’s die zij lopen bij het bepalen van de compensatie en de onderbouwing daarvan.
16/17
Huidige tekst (12de wijziging) info
Nieuw (13de wijziging)
artikel lid sub
Verplichtingen uittreder
45.
Opheffen
34c.
De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van de omgevingsdienst die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van de omgevingsdienst wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van de omgevingsdienst die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
1.
De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges.
Geen inhoudelijke wijzigingen, alleen conform definitiebepalingen.
Geen wijzigingen.
1.
De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de bestuursorganen van alle deelnemers.
2.
De opheffing wordt van kracht op 1 januari na de datum waarop de besluitvorming zoals bedoeld in het eerste lid is afgerond. Het algemeen bestuur kan een andere datum vaststellen, mits deze niet ligt voor het tijdstip van afronding van de in het eerste lid bedoelde besluitvorming.
2.
De opheffing wordt van kracht op 1 januari na de datum waarop de besluitvorming zoals bedoeld in het eerste lid is afgerond. Het algemeen bestuur kan een andere datum vaststellen, mits deze niet ligt voor het tijdstip van afronding van de in het eerste lid bedoelde besluitvorming.
3.
Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de opheffing.
3.
Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de opheffing en stelt hiervoor een Aan dit lid is een zinsnede toegevoegd, waarbij er rekening is gehouden met de recente liquidatieplan vast. Alvorens dit plan vast te stellen, legt het algemeen bestuur dit voor aan wetswijziging en wordt toegekomen aan het verzoek om de democratische legitimatie te de colleges en vertegenwoordigende organen die daarover hun zienswijzen kenbaar kunnen versterken. maken.
4.
Uit het plan, zoals bedoeld in het vorige lid, volgt onder meer de verplichting voor elk college om alle rechten en plichten van de omgevingsdienst, op een in het plan te bepalen wijze, te verdelen over de deelnemers.
5.
De omgevingsdienst en haar bestuur blijven na het opheffingsbesluit bestaan voor zover dit Dit lid is toegevoegd is ter verduidelijking. voor de uitvoering van het liquidatieplan nodig is.
1.
Een voorstel tot wijziging van de regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of De inhoud van dit artikel stond voorheen bij het artikel over de inwerkingtreding. Omdat door een college. In het laatste geval wordt een zodanig voorstel ingediend bij het algemeen het gaat over de mogelijkheid tot wijzigen van de regeling, is de inhoud in een separaat bestuur, die dit voorstel eventueel vergezeld van een advies, aan de colleges ter vaststelling artikel geplaatst. aanbiedt.
2.
De artikelen 3, 4, 8, 24, 25, 32, leden 1 en 2, 35 en 37 kunnen alleen worden gewijzigd indien alle deelnemers daarmee instemmen.
3.
De niet in het tweede lid van dit artikel genoemde artikelen worden gewijzigd indien ten minste twee derde van de colleges een gelijkluidend besluit daartoe genomen hebben en de betreffende vertegenwoordigde organen daarmee ingestemd hebben.
1.
De regeling treedt in werking op 1 juli 2024. Echter, niet eerder dan de dag nadat de regeling Nadat alle colleges besloten hebben, moet de gemeenschappelijke regeling zelf (of althans bekend is gemaakt overeenkomstig het tweede lid. het wijzigingsbesluit) bekendgemaakt worden in het Provinciaal Blad (art. 26 lid 4 jo. lid 1 jo. artikel 52, eerste lid, aanhef en onder l, van de Wgr). De gemeenschappelijke regeling kan niet in werking treden voordat deze laatste bekendmaking heeft plaatsgevonden (art. Het provinciebestuur draagt zorgt voor bekendmaking van de regeling als bedoeld in artikel 26 lid 4 jo. lid 3 jo. artikel 52, eerste lid, van de Wgr). Dit moet dus hebben plaatsgevonden 52, eerste lid, aanhef en onder l, in samenhang met artikel 26, eerste en tweede lid, van de uiterlijk op 31 juni 2024 om de wijziging per 1 juli 2024 in te laten gaan. wet.
Wijzigen
Hoofdstuk 13 Slotbeaplingen Inwerkingtreding
35.
1.
36.
37.
2.
3.
46.
(Vervallen)
47
Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst West-Holland.
Bijlage 4. Wijzigingstabel GR ODWH (2024035562)
Dit was voormalig artikel 39a en is samengevoegd met dit artikel, zodat de bepalingen omtrent opheffing bij elkaar staan. De inhoud van de bepaling is niet gewijzigd, maar er heeft wel een redactionele slag plaatsgevonden.
De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikelen die bij eerdere wijzigingen zijn komen te vervallen of gereserveerd stonden, zijn voor de leesbaarheid en nummering in de nieuwe regeling komen te vervallen.
38.
Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst West-Holland.
Geen wijzigingen.
17/17