Bijlage 4. Rapport quickscan Wnb
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Hofdijklaan 61-63, Oude Ade
Rapport
Quickscan Wet natuurbescherming
Locatie Kenmerk Datum
: : :
Hofdijklaan 61-63, Oude Ade A4434-03/JHO/qs1 13 september 2023
Auteur Vrijgave Email Telefoon
: : : :
Dhr. J. den Houdijker Dhr. D. van der Meer jvkolck@idds.nl 06 8386 4029
Opdrachtgever
:
Het Hof van Keet Mevr. C. van Ewijk
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Samenvatting In opdracht van Het Hof van Keet is op 7 september 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Hofdijklaan 61-63 te Oude Ade. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 8 Conclusie en advies. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn ten tijde van het schrijven van deze rapportage nog niet bekend. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden.
Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. De omliggende vegetatie en/of waterlichamen kunnen door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied en/of vliegroute. Ook kunnen in omliggende gebouwen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten lichtbronnen zo zijn afgesteld dat deze niet op omliggende gebouwen en vegetatie schijnen. Ook in de definitieve fase kan verstoring van vleermuizen worden voorkomen door geen verlichting te laten schijnen op de omliggende vegetatie en gebouwen. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is
Diverse algemene vogelsoorten
Mitigerende maatregelen
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
Mitigerende maatregelen
Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)
Mitigerende maatregelen
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
Mitigerende maatregelen
Franjestaart (Myotis nattereri)
Mitigerende maatregelen
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Mitigerende maatregelen
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Mitigerende maatregelen
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Mitigerende maatregelen
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Mitigerende maatregelen
Vleermuizen
Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Mitigerende maatregelen
Vale vleermuis (Myotis myotis)
Mitigerende maatregelen
Inhoudsopgave
1.1 1.2 1.3
Inleiding ........................................................................................................................ 7 Aanleiding ...................................................................................................................... 7 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 7 Leeswijzer ...................................................................................................................... 7
2.1 2.2 2.3
Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 8 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 8 Veldonderzoek ............................................................................................................... 8 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 8
3.1 3.2
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen ............................................ 10 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied ................................................ 10 Planvoornemen ............................................................................................................ 12
4.1 4.2 4.3
Gebiedsbescherming ................................................................................................ 13 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 13 Effectbeoordeling gebiedsbescherming ....................................................................... 15 Deelconclusie gebiedsbescherming ............................................................................ 15
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
Soortbescherming ..................................................................................................... 16 Amfibieën ..................................................................................................................... 16 Broedvogels ................................................................................................................. 16 Flora ............................................................................................................................. 19 Libellen ......................................................................................................................... 20 Reptielen ...................................................................................................................... 20 Vleermuizen ................................................................................................................. 21 Vlinders ........................................................................................................................ 21 Weekdieren .................................................................................................................. 22 Zoogdieren ................................................................................................................... 22 Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied .........
22 Vrijgestelde soorten ..................................................................................................... 22
6.1 6.2
Effectbeoordeling ...................................................................................................... 24 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 24 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 24
7.1 7.2
Advies en vervolg soortbescherming ...................................................................... 28 Nader onderzoek ......................................................................................................... 28 Mitigerende maatregelen ............................................................................................. 28
8.1 8.2
Conclusie en advies .................................................................................................. 30 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 30 Soortbescherming ........................................................................................................ 30
Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 32 Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 33 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 38
Inleiding Hoofdstuk 1 bestaat uit een korte uitleg waarom dit onderzoek noodzakelijk is. Tevens wordt het doel van het onderzoek toegelicht en als laatste volgt de leeswijzer van deze rapportage. 1.1
Aanleiding
Het Hof van Keet (hierna: opdrachtgever) is voornemens de aanwezige bebouwing binnen het plangebied te slopen aan de Hofdijklaan 61-63 te Oude Ade te slopen en te vervangen door 42 tiny houses. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en/of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). De opdrachtgever heeft IDDS gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • In het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • Het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • De ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • De ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden en NNN); • Door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten op beschermde planten diersoorten kunnen worden voorkomen; • Op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is; en • Op basis van bovenstaande bevindingen mogelijk een ontheffing en/of vergunning nodig is. 1.3
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en het planvoornemen. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. De resultaten van het bureau- en veldonderzoek in het kader van de soortbescherming worden in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling van de soortberscherming uiteen gezet en in Hoofdstuk 7 volgt het advies en mogelijke vervolgstappen in het kader van de soortbescherming. Ten slotte worden in Hoofdstuk 8 conclusies getrokken. Een overzicht van de gebruikte literatuur is terug te vinden in Hoofdstuk 9. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wnb staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer voor natuurinclusief bouwen.
Opzet van het onderzoek In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet. Hierbij wordt het bureauonderzoek, het veldbezoek en de effectbeoordeling toegelicht. 2.1
Bureauonderzoek
Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast wordt (vrij beschikbare) informatie geraadpleegd, zoals relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 9 voor de literatuurlijst). Hierbij wordt in een straal van drie kilometer rond het plangebied gekeken welke beschermde soorten voorkomen. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Indien nodig worden gebiedsspecifieke documenten geraadpleegd om beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied in kaart te brengen. 2.2
Veldonderzoek
Tevens wordt een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied, wordt een indicatie gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna en (beschermd) habitattype. Tijdens het veldbezoek wordt globaal geïnventariseerd welke biotopen, (beschermd) habitattype en welke (beschermde) soorten (mogelijk) in en in de directe omgeving van het gebied aanwezig zijn. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom worden de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier wordt het belang van het plangebied beoordeeld voor (beschermde) flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.
De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3
Effectenbeoordeling
Gebiedsbescherming Op basis van de voorgenomen werkzaamheden, de resultaten van het veldbezoek en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en NNN, wordt bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op beschermde gebieden. Indien negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals aanvullende toetsing en/of vergunningsaanvraag) noodzakelijk zijn. Een stikstofberekening is geen onderdeel van dit rapport. Indien stikstofeffecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, kan wel geadviseerd worden om een stikstofberekening op te (laten) stellen. Soortbescherming Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van
betekenis kan zijn. Vervolgens wordt getoetst of de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot (negatieve) effecten op de potentieel aanwezige soorten. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wnb. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming. Indien (negatieve) effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, wordt in kaart gebracht welke verbodsbepalingen worden overtreden. Indien mogelijk worden mitigerende maatregelen benoemd om de effecten te voorkomen of te verzachten om te voldoen aan de Wnb. Indien mitigerende maatregelen niet mogelijk zijn, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals nader onderzoek en/of ontheffingstraject) noodzakelijk zijn. Soorten die geen strikte bescherming genieten, worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten, bij een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikel 3.10 van de Wnb. Wel geldt ten alle tijden de Zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wnb.
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Tevens wordt een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1
Ligging en algemene beschrijving van het plangebied
In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Het plangebied ligt ten oosten van Leiderdorp in de gemeente Oude Ade. De omgeving van het plangebied bestaat uit weilanden, boerderijen, sportvelden, bosgebied, volkstuinen, doorgaande wegen, sloten en de A4 en bollenvelden.
Figuur 1: Onderzoeksgebied quickscan binnen het blauwe kader.
Het plangebied bestaat uit een terrein waarop een kas staat en meerdere stacaravans. De kas is opgetrokken uit glas en staal en is van binnen volledig betegeld (Figuur 2). De kas heeft geen openingen of kapotte ruiten. Naast de kas is een verharde parkeerplaats aanwezig die volledig geasfalteerd is. Het terrein achter de kas bestaat uit kleine plots waar een stacaravan op staat (Figuur 3). Een groot aantal van deze caravans is reeds verwijderd, aangezien de bewoners verhuisd zijn. De stacaravan wordt direct verwijderd wanneer de bewoner verhuisd. Rondom de stacaravans staan diverse bomen, struiken en kruidenvegetatie. Aan de voorzijde van de weg staat een woonhuis. Dit woonhuis is opgetrokken uit baksteen en heeft een dakpannen dak. Aan dit huis vinden echter geen werkzaamheden plaats. Aan weerszijde van het perceel is een sloot aanwezig.
Figuur 2: De kas is aan de binnenzijde geheel betegeld en is in goede staat.
Figuur 3: Eén van de stacaravans met diverse begroeiing rondom de caravan.
3.2
Planvoornemen
De opdrachtgever is voornemens om binnen het plangebied 42 kleine plots te maken waarop de bewoner zelf een tiny house mag plaatsen. Hiervoor wordt de huidige bebouwing (een kas, stacaravans en schuurtjes) en beplanting verwijderd. Aan het einde van het perceel wordt een voedselbos gecreëerd. Er vinden geen werkzaamheden plaats in de bodem of aan waterlichamen. Het woonhuis aan de weg blijft bestaan. Hier vinden geen werkzaamheden aan plaats. Figuur 4 geeft een impressie van de beoogde toekomstige situatie.
Figuur 4: Ontwerpschets van de beoogde toekomstige situatie.
Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de bureaustudie en het veldbezoek wordt bepaald of (negatieve) effecten op deze beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. 4.1
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebieden, NNN, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 5 en Figuur 6. In Figuur 7 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied
Afstand tot het plangebied in meters
Natura-2000 gebied
5.300 - De Wilck (ongevoelig voor stikstof) 9.400 - Meijendel & Berkheide (zeer gevoelig voor stikstof)
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
900
Belangrijk weidevogelgebied
80
Strategische reservering natuur
5.250
Figuur 5: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden.
Figuur 6: Ligging plangebied ten opzichte van belangrijk weidevogelgebied.
Figuur 7: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.
4.2
Effectbeoordeling gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Het plangebied ligt op 80 meter afstand van een gebied wat is aangemerkt als belangrijk weidevogelgebied. De werkzaamheden hebben geen effect op de geschiktheid van het weidevogelgebied, aangezien geen hoge bomen of bouwwerken geplaatst worden. Hoge plekken kunnen een uitkijkpost of nestplaats voor roofvogels vormen, waardoor dit een negatief effect kan hebben op weidevogelgebied. Dit is niet aan de orde. Daarnaast is ten zuiden en westen van het plangebied al reeds een bos aanwezig met hoge populieren. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd.
De resultaten van deze berekening zijn ten tijde van het schrijven van deze rapportage nog niet bekend. 4.3
Deelconclusie gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn ten tijde van het schrijven van deze rapportage nog niet bekend.
Soortbescherming In dit hoofdstuk wordt per soortgroep weergegeven of en zo, ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek. Het veldonderzoek is op 7 september 2023 uitgevoerd door deskundig ecoloog J. den Houdijker. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 3: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum
Temperatuur (℃)
Overheersende windrichting (Bft)
Bewolking
Neerslag (mm)
07-09-2023
25
OZO 3
Zonnig
Geen
5.1 Amfibieën Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Tabel 4: Waargenomen amfibieënsoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (wetenschappelijke soortnaam) Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Veldbezoek Binnen het plangebied is geen vergraafbaar zand aanwezig. De omliggende watergangen zijn te diep en niet visvrij, waardoor ze ongeschikt zijn om als voortplantingswater te dienen voor de rugstreeppad. Tussen het plangebied en de bekende waarnemingen liggen meerder onoverbrugbare barrières, zoals de A4, grote waterlichamen en meerdere intensieve weilanden. Zodoende wordt niet verwacht dat de rugstreeppad het plangebied kan kolonialiseren. Strikt beschermde amfibieën worden zodoende niet binnen het plangebied verwacht. 5.2 Broedvogels Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van verschillende vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4). In de tabel hieronder wordt weergegeven om welke soorten het gaat. Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam)
Beschermingscategorie
Boomvalk (Falco subbuteo)
4
Buizerd (Buteo buteo)
4
Gierzwaluw (Apus apus)
2
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
3
Havik (Accipiter gentilis)
4
Huismus (Passer domesticus)
2
Ooievaar (Ciconia ciconia)
3
Ransuil (Asio otus)
4
Sperwer (Accipiter nisus)
4
Soort (Wetenschappelijke soortnaam)
Beschermingscategorie
Wespendief (Pernis apivorus)
4
Veldbezoek De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit een kas en meerdere stacaravans. De kas is opgetrokken uit glas en staal en verkeerd in goede staat. Vogelsoorten als de witte kwikstaart gebruiken de openstaande ramen om in de kas te kunnen broeden. De stacaravans zijn ongeschikt voor gebouwbewonende soorten als huismus en gierzwaluw, aangezien geen dakpannen of anders geschikte ruimten aanwezig zijn om te broeden. Wel kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest in de bomen en struiken rondom de stacaravans broeden (Figuur 8). Ook kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden in de watergangen rondom het plangebied (Figuur 9). Kraaien- of eksternesten zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. De woning aan de wegzijde van het perceel heeft een vogelwerende dakrand (Figuur 10). Hierdoor worden hier geen huismussen verwacht. Gezien de landelijke ligging, worden gierzwaluwen hier ook niet verwacht. Gierzwaluwen komen voor in de dorpskernen en stadscentra, waar veel oude gebouwen bij elkaar zijn. Dit is in de directe omgeving niet aanwezig.
Figuur 8: Vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden in de bomen en struiken rondom de stacaravans binnen het plangebied.
Figuur 9: Vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden in de waterlichamen rondom het plangebied.
Figuur 10: De woning aan de voorzijde van het perceel heeft een vogelwerende dakrand, waardoor huismus geen toegang heeft tot onder de dakpannen.
Boomvalk, buizerd, sperwer en havik worden niet binnen het plangebied verwacht door het ontbreken van horsten en kraaien- en eksternesten en door continue verstoring door menselijke aanwezigheid. Grote gele kwikstaart wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt broedbiotoop, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Ooievaar wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van hoge plekken, zoals telefoonpalen, zeer hoge bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform. De wespendief wordt niet verwacht, omdat binnen het plangebied geen gemengd bos op zandgrond aanwezig is. Ten slotte wordt de ransuil uitgesloten door het ontbreken van zeer dichte, grote coniferen die als winterroestplaats kunnen dienen en het ontbreken van oude kraaien- en eksternesten die de ransuil gebruikt als nest. Tevens zijn geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. 5.3
Flora
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 6: Waargenomen soorten beschermde flora in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Groot spiegelklokje (Specularia speculum) Rood peperboompje (Daphne mezereum) Schubvaren (Asplenium ceterach) Wilde ridderspoor (Consolida regalis) Wilde weit (Melanmpyrum arvense)
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn soorten aangetroffen als Canadese fijnstraal, akkerdistel, koninginnekruid, grote brandnetel, grote kattenstaart, ridderzuring en paardenbloem (Figuur 11). Dit duidt op een zeer voedselrijke, licht zure bodem. Planten als groot spiegelklokje, rood peperboompje, wilde ridderspoor en wilde weit worden niet verwacht, aangezien deze soorten op kalkhoudende (basische) bodems groeien. Schubvaren wordt niet verwacht, aangezien binnen het plangebied geen geschikte muren aanwezig zijn waar planten op kunnen groeien. Strikt beschermde plantensoorten worden zodoende niet verwacht.
Figuur 11: Binnen het plangebied groeien planten als koninginnekruid, grote brandnetel en paardenbloem. Dit duidt op een zeer voedselrijke, licht zure bodem.
5.4
Libellen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande libellensoort voorkomt. Tabel 7: Waargenomen beschermde libellensoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)
Veldbezoek In de watergangen rondom het plangebied groeien waterplanten als gele plomp en waterlelie. Dit duidt op zeer voedzaam water. Gevlekte witsnuitlibel wordt zodoende niet verwacht, aangezien deze soort in laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen voorkomt. Strikt beschermde libellensoorten worden niet verwacht. 5.5
Reptielen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande reptiel in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Tabel 8: Waargenomen beschermde reptielensoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Ringslang (Natrix natrix)
Veldbezoek Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor de ringslang, namelijk waterrijke gebieden op de overgangen van zand- naar klei- of veengronden. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen zand- en/of veengronden aanwezig. Zodoende wordt de ringslang niet verwacht.
5.6
Vleermuizen
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande vleermuissoorten voorkomen. Tabel 9: Waargenomen beschermde vleermuissoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Veldbezoek Binnen het plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. De kas en de stacaravans hebben geen dakpannen of spouwmuur. Daarnaast zijn geen holten of kieren aanwezig waar vleermuizen in kunnen kruipen. Ook ontbreken holtebomen binnen het plangebied. In de omliggende bebouwing kunnen verblijfplaatsen aanwezig zijn van vleermuizen. De aangrenzende woning bevat geschikte kantpannen, waardoor vleermuizen een verblijfplaats in de woning kunnen hebben. Hier worden soorten als gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, Brandt’s vleermuis, franjestaart, laatvlieger, gewone, kleine en ruige dwergvleermuis verwacht. Meervleermuis wordt niet verwacht, aangezien groot open water in de directe omgeving ontbreekt. Daarnaast kunnen de watergangen en naastgelegen bosgebied gebruikt worden als foerageergebied en vliegroute. Beide worden niet als essentieel beschouwd, aangezien meerdere uitwijkmogelijkheden aanwezig zijn in de directe omgeving van het plangebied. De vegetatie in het plangebied kan een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel gezien vanwege de geringe omvang en hoeveelheid alternatief in de directe omgeving. 5.7
Vlinders
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Tabel 10: Waargenomen beschermde vlindersoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Grote vos (Nymphalis polychloros)
Veldbezoek De grote vos heeft als waardplant hoge vrijstaande iepen, zoete kersen en wilgensoorten. Wilgen zijn binnen het plangebied aanwezig, maar niet hoge vrijstaande wilgen. Daarnaast ontbreekt het aan geschikt biotoop, namelijk vochtige, open bossen, bosranden en boomgaarden met hoge vrijstaande bomen. De aanwezigheid van de grote vos is daarmee uitgesloten. Beschermde vlindersoorten worden binnen het plangebied niet verwacht.
5.8
Weekdieren
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Tabel 11: Waargenomen beschermd weekdier in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)
Veldbezoek Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn waterlichamen aanwezig. Echter vinden hier geen werkzaamheden aan plaats. 5.9
Zoogdieren
Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 12: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Damhert (Dama dama) Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) Waterspitsmuis (Neomys fodiens)
Veldbezoek In het plangebied is geen geschikt habitat voor de damhert aanwezig. Binnen het plangebied ontbreekt bos, houtwallen en parkachtig landschap. De noordse woelmuis komt voor in zeer natte gebieden, zoals moerassen. Dit biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied. De waterspitsmuis wordt niet verwacht, aangezien deze soort voorkomt op ruig begroeide oevers. Dit biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied. Stacaravans die leeg staan, worden vrijwel direct verwijderd. Dit voorkomt vandalisme, maar ook de mogelijkheid voor steenmarters om een verblijfplaats te hebben. Momenteel zijn alle nog aanwezige stacaravans in gebruik en in goede staat, waardoor de steenmarter niet wordt verwacht. De aanwezigheid van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren is daarmee uitgesloten. 5.10
Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied
Bureaustudie en veldbezoek Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroep vissen, binnen een straal van 3 kilometer, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroep worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. 5.11
Vrijgestelde soorten
In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, rosse
woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht in het kader van de Wnb.
Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een (negatief) effect kunnen hebben op de beschermde soorten die volgens het (bureau- en veld)onderzoek in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst komen de soorten aan bod waarop een negatief effect niet uitgesloten kan worden. Vervolgens komen de soorten aan bod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1
Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Tabel 13: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep)
Reden optreden mogelijke effecten
Artikel en lid Wnb
Vogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. De bomen staan binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en broedende vogels aanwezig zijn, worden broedende vogels verstoord. Tevens kunnen algemene soorten als de witte kwikstaart in de kas. Wanneer de kas binnen het broedseizoen gesloopt wordt, kunnen individuen worden gedood en nesten worden vernietigd. Negatieve effecten op broedende vogels kunnen daarom niet uitgesloten worden.
§3.1, lid 1, 2 en 4
Tijdens de werkzaamheden kan gebruik gemaakt worden van bouwverlichting. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijf en in essentiële delen van hun leefgebied. Als de lichtbundels op de aangrenzende bebouwing, vegetatie of de waterlichamen schijnen, kan een negatief effect optreden voor vleermuizen.
§3.5, lid 2
Broedvogels
Algemene broedvogels
Vleermuis Baardvleermuis, bosvleermuis, Brandt’s vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en vale vleermuis
6.2
Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer welke soorten niet verwacht worden en/of op welke soorten geen negatief effect verwacht worden. Tabel 14: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën
Rugstreeppad
Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomerhabitat, winterhabitat en voortplantingswater. Daarnaast zijn onoverbrugbare barrières aanwezig tussen de bekende waarnemingen en het plangebied, namelijk de A4, meerdere wegen en sloten en veel intensief beheerde weilanden.
Broedvogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik
Horsten ontbreken binnen het plangebied. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied. De directe omgeving is ook te druk bezocht door verkeer en voetgangers, waardoor bij het broeden te veel verstoring zou optreden.
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten
Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen. Daarnaast ligt de locatie afgelegen en niet binnen dorpskernen of stadscentra waar veel oude gebouwen bij elkaar staan.
Grote gele kwikstaart
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Deze soort kan ook broeden in dorpen waar een rivier doorheen loopt.
Huismus
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, losliggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren.
Ooievaar
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, zeer hoge bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform.
Ransuil
Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen (zeer dichte coniferen) die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn geen sporen (braakballen) van uilen aangetroffen. Ook zijn geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.
Wespendief
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk loofbos of gemengd bos met open plekken, hoogvenen, heide, moerasbos en kleinschalig cultuurlandschap met bos hoogvenen.
Flora
Groot spiegelklokje
Groot spiegelklokje groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke grond (zand, leem, zavel, lichte klei, löss en mergel). De soort komt voor in akkers, bermen en dijken, braakliggende grond, als adventief nabij graansilo’s en langs spoorwegen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Rood peperboompje
Rood peperboompje groeit in kalkrijke loofbossen en struwelen (vooral op kalkhellingen). Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Schubvaren
Schubvaren groeit op oude muren, rotsen, spleten van stenen constructies en kalkstenen muurtjes langs begraafplaatsen en wegen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Wilde ridderspoor
Wilde ridderspoor groeit op zonnige plaatsen en heeft vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke, omgewerkte zandige klei gronden nodig. Deze soort komt voor in akkers en soms op ruderale plaatsen, bij graansilo's en graanoverslagbedrijven. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Wilde weit
Wilde weit groeit doorgaans op zonnige plaatsen met een matig droge, matig voedselrijke, kalkrijke, enigszins omgewerkte grond bodem. De soort komt voor in akkers, op rotsachtige plaatsen, grasland (kalkgrasland), bermen, op puinkegels aan de voet van kalkhellingen en heggen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Libellen
Gevlekte witsnuitlibel
Deze libel leeft in laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen met een beschutte ligging waarin het water helder, ondiep (één meter of minder) en matig voedselrijk is. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Daarnaast vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten.
Reptielen
Ringslang
De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Ook zijn geen broeihopen aangetroffen binnen het plangebied. De ringslang wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht.
Vleermuizen
Grijze grootoorvleermuis
De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet aanwezig en daarnaast ontbreken potentiële verblijfplaatsen binnen het plangebied.
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap.
Meervleermuis
Negatieve effecten op de meervleermuis worden niet verwacht, aangezien in de directe omgeving van het plangebied geen grote onverlichte waterlichamen aanwezig. Zomerverblijfplaats: vleermuiskasten en woonhuizen. Winterverblijfplaats: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Foerageergebied: groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Boven vochtige weilanden binnen een straal van 500 meter van water.
Rosse vleermuis
Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien holtebomen ontbreken binnen het plangebied. Daarnaast vliegt de rosse vleermuis hoog boven alle bebouwing en vegetatie, waardoor negatieve effecten door licht vervuiling niet worden verwacht. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.
Tweekleurige vleermuis
Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen. Foerageergebied: half open agrarisch gebied, boven water en open plaatsen in het bos (zowel tussen als boven de boomkruinen).
Watervleermuis
Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.
Vlinders
Grote vos
De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Binnen het plangebied zijn waardplanten aanwezig van de grote vos, namelijk schietwilg. Echter zijn dit geen grote vrijstaande wilgen. Daarnaast ontbreekt het in de directe omgeving ook aan het gewenste habitat voor deze soort. De grote vos is een trekvlinder en kan daarom overal opduiken. Waarnemingen van deze soort betreffen vaak losse waarnemingen van vlinders die op trek zijn.
Weekdieren Platte schijfhoren
Er vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten.
Zoogdieren Damhert
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; lichte loofbossen en gemengde bossen met een dichte ondergroei waar voldoende gras aanwezig is.
Noordse woelmuis
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig; namelijk natte terreinen met een hoge vooral grasachtige vegetatie. De soort leeft in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. In gebieden waar geen andere woelmuizen leven, wordt hij ook aangetroffen in drogere gedeelten, zoals in wegbermen of zelfs in droog naaldbos. De noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen.
Waterspitsmuis
De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oever. De waterspitsmuis komt enkel voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is, waar
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten de oever voldoende schuilmogelijk heeft en waar binnen een straal van 500 meter water te vinden is. Deze habitatseisen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Advies en vervolg soortbescherming In dit hoofdstuk wordt een advies gegeven betreffende de soortbescherming welke voortvloeit uit de bevindingen van het vorige hoofdstuk. Het gaat hierbij om soortgericht nader onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. 7.1
Nader onderzoek
Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. Direct grenzend aan het plangebied zijn wel potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Door het nemen van mitigerende maatregelen kan nader onderzoek voorkomen worden. Indien niet aan de mitigerende maatregelen gehouden kan worden, wordt nader onderzoek alsnog nodig geacht. 7.2
Mitigerende maatregelen
Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Vleermuizen: in de opstal grenzend aan het plangebied zijn potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijven. Wanneer in het actieve seizoen (1 april t/m 31 oktober) van vleermuizen gewerkt wordt met (bouw)verlichting en deze verlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan verstoring ontstaan van vleermuisverblijven. Ook kunnen vleermuizen gebruik maken van de watergangen en van het naastgelegen bosgebied als foerageerbiedgebied of vliegroute. In de periode 1 november t/m 31 maart zijn vleermuizen inactief en heeft verlichting geen effect, in deze periode zijn dan ook geen beperkingen.
Het advies luidt daarom om in de actieve periode (1 april t/m 31 oktober) niet met (bouw)verlichting op de omliggende woningen, watergangen en vegetatie te schijnen om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Verlichting kan ook in de toekomstige situatie voor verstoring zorgen. Dit betekent dat in de toekomstige situatie niet met (extra) verlichting om de omliggende panden, watergangen of vegetatie geschenen mag worden. Wanneer dit niet mogelijk is, zal nader onderzoek moeten uitwijzen of vleermuisverblijven aanwezig zijn. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de egel, bruine kikker, veldmuis en gewone pad. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de watergang af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de watergang in gejaagd waar ze kunnen verdrinken.
• Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten.
Conclusie en advies Dit hoofdstuk geeft de conclusie van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot gebiedsbescherming en soortbescherming weer. Voor zowel de gebiedsbescherming als de soortbescherming wordt beschreven of vervolgstappen en/of het treffen van maatregelen noodzakelijk zijn. 8.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn ten tijde van het schrijven van deze rapportage nog niet bekend. 8.2
Soortbescherming
Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar Hoofdstuk 7. Tabel 15: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Amfibieën
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Nee
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Diverse algemene soorten
Mitigerende maatregelen
Boomvalk (Falco subbuteo)
Nee
Buizerd (Buteo buteo)
Nee
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Nee
Havik (Accipiter gentilis)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nee
Ooievaar (Ciconia ciconia)
Nee
Ransuil (Asio otus)
Nee
Sperwer (Accipiter nisus)
Nee
Wespendief (Pernis apivorus)
Nee
Groot spiegelklokje (Specularia speculum)
Nee
Rood peperboompje (Daphne mezereum)
Nee
Schubvaren (Asplenium ceterach)
Nee
Wilde ridderspoor (Consolida regalis)
Nee
Wilde weit (Melanmpyrum arvense)
Nee
Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)
Nee
Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)
Flora
Libellen
Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Reptielen
Ringslang (Natrix natrix)
Nee
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
Mitigerende maatregelen
Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)
Mitigerende maatregelen
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
Mitigerende maatregelen
Franjestaart (Myotis nattereri)
Mitigerende maatregelen
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Mitigerende maatregelen
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Mitigerende maatregelen
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Mitigerende maatregelen
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Mitigerende maatregelen
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Nee
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Nee
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Mitigerende maatregelen
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Nee
Vale vleermuis (Myotis myotis)
Mitigerende maatregelen
Vlinders
Grote vos (Nymphalis polychloros)
Nee
Weekdieren
Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)
Nee
Damhert (Dama dama)
Nee
Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola)
Nee
Waterspitsmuis (Neomys fodiens)
Nee
Vleermuizen
Zoogdieren
Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels Internetbronnen www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.floron.nl www.floravannederland.nl www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage I
Wet natuurbescherming
Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die zorg moeten dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.
Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking 1.
Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De 1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.
richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden). Wet natuurbescherming, Soorten Voor de soortbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11).
Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het
eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.