Bijlage 4. Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
2020
QUICKSCAN ECOLOGIE Woubrugge
Ofwegen 7
Bureau Natuurzorg - Mail: natuurzorg@ziggo.nl W: www.bureaunatuurzorg.nl - M: 06 1243 7949
Onderzoek en aanpak exoten — Flora en fauna Inventarisaties — Flora en fauna adviezen — Flora en fauna werkplannen — Bevorderen biodiversiteit — Ecologisch werkprotocol — Project begeleiding — Project management — Natura 2000 projecten — Ontheffingen — Soorten monitoring — Beheerplannen — Bever, Otter en Das — Aquatische ecologie — Vleermuizen — Weidevogels — Biologische teelt
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
Onderzoek:
Inventarisatie te slopen woonboerderij en schuren
Locatie:
Ofwegen 7 te Woubrugge
Project:
Sloop oude opstanden ten behoeve van twee nieuwbouwwoningen
Datum scans:
20 augustus en 10 september
Opdrachtgever:
Dhr. Jeanno van der Ploeg en dhr. Siebe Ganzevles p/a Ofwegen 7 Woubrugge i.o.v. dhr. Jeanno van der Ploeg
Veldonderzoek: Tekst en samenstelling: Foto’s in het rapport: Projectnummer:
Theo en Marco de Kreij Theo de Kreij Theo de Kreij BN-2020-JP-QS20-0052
Rapportage: Status rapport:
Beknopte versie (quickscan) V3-gecorrigeerd (22-03-2021)
Bronnen:
NDFF (Nationale Database Flora en Fauna) Documenten opdrachtgever
2020
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
Bureau Natuurzorg Klaproostuin 31 2724PG Zoetermeer Tel: 06 - 1243 7949 Mail: natuurzorg@ziggo.nl Web: www.natuurzorg.eu Bureau Natuurzorg is actief op het gebied van ecologisch onderzoek en advisering. We zijn het meest bekend vanwege de volgende werkzaamheden: Ecologie Inventarisaties flora en fauna Planvormen en protocollen Projectbegeleiding Toename biodiversiteit Soort specifieke onderzoeken Natura-2000 projecten Bevers, Otters en Dassen Weidevogels Exoten Inventarisatie en bestrijding (invasieve) exoten Beheersplannen exoten Projectvoering of projectbegeleiding exotenaanpak Onderzoek bestrijdingsmethoden en effecten Overige Zie www.bureaunatuurzorg.nl
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn/haar eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, (foto)kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Bureau Natuurzorg, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het is vervaardigd. Bureau Natuurzorg is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Natuurzorg. De opdrachtgever vrijwaart Bureau Natuurzorg voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat een flora en fauna inventarisatie een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten niet altijd worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2020 Bureau Natuurzorg, te Zoetermeer
1
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
Inhoudsopgave 1
Inleiding .....................................................................................................................................3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding................................................................................................................................................ 3 Doel ......................................................................................................................................................... 3 Leeswijzer ................................................................................................................................................ 4
2
Wet- en regelgeving beknopt.....................................................................................................4
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Wet natuurbescherming .......................................................................................................................... 4 Natuurnetwerk Nederland NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) ......................................... 5 Natuurbeheerplan 2019 ........................................................................................................................... 5 Natura-2000 gebied ................................................................................................................................. 5 Weidevogelgebied ................................................................................................................................... 5
3
Beschrijving projectgebied en ingreep .......................................................................................6
3.1 3.2 3.3
Gebiedsbeschrijving ................................................................................................................................. 6 Voorgenomen werkzaamheden ............................................................................................................... 6 Periode van uitvoeren .............................................................................................................................. 6
4
Methodiek onderzoek................................................................................................................7
4.1 4.2 4.3 4.4
Algemeen ................................................................................................................................................ 7 Uitleg bureauonderzoek........................................................................................................................... 7 Uitleg veldonderzoek ............................................................................................................................... 7 Effectbeoordeling .................................................................................................................................... 8
5
Resultaten en effectbeoordeling................................................................................................9
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9
Beschermde vogels, VRVP en nesten ........................................................................................................ 9 Beschermde vleermuizen ......................................................................................................................... 9 Beschermde vegetatie ........................................................................................................................... 10 Overige beschermde soortgroepen (zoals grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden, veenmossen en paddenstoelen) ................................................................................. 10 Te verwijderen bomen en begroeiing ..................................................................................................... 11 Natuurnetwerk Nederland NNN (voorheen EHS) .................................................................................... 11 Natura-2000 .......................................................................................................................................... 11 Weidevogelkerngebied .......................................................................................................................... 11 Overige bijzonderheden ......................................................................................................................... 11
6
Conclusies en aanbevelingen ...................................................................................................11
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Wet- en regelgeving ............................................................................................................................... 11 Ecologie ................................................................................................................................................. 12 Bijzonderheden en mitigerende maatregelen ......................................................................................... 12 Conclusie ............................................................................................................................................... 12 Aanbevelingen ....................................................................................................................................... 12
7
Beeldmateriaal veldbezoek......................................................................................................13
8
Bijlagen ....................................................................................................................................16
2
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7 1 1.1
2020
Inleiding Aanleiding
Om aan de natuurwetgeving te kunnen voldoen, hebben Dhr. Jeanno van der Ploeg en dhr. Siebe Ganzevles ons Bureau Natuurzorg verzocht een onderzoek te doen naar de aanwezige natuurwaarden op en rond de projectlocatie Ofwegen 7 te Woubrugge, hierna te noemen ‘plangebied’. De nieuwe eigenaar van het plangebied is voornemens om op deze locatie de oude woonboerderij en schuren af te breken ten behoeve van nieuwbouw van twee woningen. De hooiberg blijft staan. Voor de bouw van de twee woningen worden geen bomen en struiken verwijderd. De voorbereiding van het plangebied en het slopen zelf, kunnen mogelijk negatieve gevolgen hebben voor aanwezige (beschermde) natuurwaarden binnen en rondom de planlocatie.
Het plangebied rood omlijnd. Binnen de groene lijn wordt nieuwe natuur ontwikkeld. 1.2
Doel
Deze QuickScan ecologie is uitgevoerd door middel van een bureaustudie en veldbezoek. Het veldbezoek heeft in de avonduren plaatsgevonden op 20 augustus en 10 september en is uitgevoerd in de vorm van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Een habitatgeschiktheidsbeoordeling is een veldonderzoek waarbij op grond van fysieke, landschappelijke en vegetatie kenmerken, een indicatie verkregen wordt van het voorkomen (ook mogelijk) van beschermde soorten planten en dieren. De habitatgeschiktheidsbeoordeling, in combinatie met beschikbare verspreidingsgegevens, vormen de basis van de QuickScan. De resultaten zijn opgenomen in dit rapport.
3
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
1.3
2020
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is toegelicht aan welke wettelijk kaders getoetst wordt. Nadere uitleg over de wettelijke kaders is opgenomen als ingevoegde bijlage. Hoofdstuk 3 gaat in op de huidige en toekomstige situatie in het plangebied. In hoofdstukken 4, 5, 6 vindt de toetsing van de effecten van maatregelen op de Wet Natuurbescherming plaats. Hoofdstuk 7 gaat in op onze conclusies en aanbevelingen. In de 2 ingevoegde bijlagen vindt u informatie over de wetgeving en de te beschermen soorten.
2
Wet- en regelgeving beknopt
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (volksmond Natuurwet) van kracht. Wat praktisch gezien is veranderd, zijn de lijsten met te beschermen soorten. Er zijn soorten die zowel nationaal als binnen de Europese unie beschermd zijn. Nederland behoort tot die EU en de te beschermen EU-soorten zijn nu ook onze soorten om te beschermen. De term “strikt beschermt (voorheen tabel 3) ”bestaat niet meer. Alle soorten zijn even zwaar beschermd. Er zijn onder de Wet natuurbescherming soorten toegevoegd, maar er zijn ook wat soorten, die werden beschermd door de oude Flora- en faunawet, geschrapt. Dat houdt echter niet in dat deze “geschrapte” soorten in hun voortbestaan bedreigd mogen worden. Ook daarvoor geld de Zorgplicht als bescherming. Niet (meer) beschermde soorten kunnen door het lokaal bevoegd gezag per gebied worden toegevoegd aan een “gebiedslijst”. Bijvoorbeeld vanwege een belang voor de lokale ecologie of behoud biodiversiteit. Zo zijn de mieren in de Veluwe weer beschermd omdat zij een belangrijke voedselbron zijn voor de beschermde Zwarte Specht. De lijsten met soorten zijn dus dynamisch en kunnen per provincie of gebied van elkaar verschillen. Raadpleeg bij twijfel Bureau Natuurzorg.
2.1
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. In de ingevoegde bijlage 1 treft u de relevante meest wetteksten aan, plus uitleg. In bijlage 2 treft u de lijsten aan met de huidige te beschermen soorten en soorten die zijn vervallen. De Zorgplicht geld altijd voor álle flora en fauna, dus ook de niet beschermde soorten. Tekst Zorgplicht onder de Wet natuurbescherming (artikel 1.11) 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Het zinsgedeelte “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden”, slaat met name op iedereen die professioneel werkt. Achter de uitleg “ik wist het niet”, kunt u zich niet meer verschuilen. Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De rol van de RVO is overkoepelend.
4
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
De Wet natuurbescherming is grofweg in 3 hoofdlijnen op te delen: 1. Bescherming van Natura-2000 gebieden, hun specifieke habitats en hun aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. 2. Bescherming van soorten die zowel nationaal als in EU verband zijn aangewezen als uniek tot bijna verdwenen. 3. Bescherming van houtopstanden en met name op instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (uitleg in de ingevoegde bijlage) Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.10 Beschermingsregime andere (nationale) soorten
2.2
Natuurnetwerk Nederland NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS))
Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Derhalve heeft hierop verder geen toetsing plaatsgevonden.
2.3
Natuurbeheerplan 2019
Het plangebied maakt geen deel uit van het provinciaal natuurbeheerplan. Derhalve heeft hierop verder geen toetsing plaatsgevonden.
2.4
Natura-2000 gebied
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest dichtbij gelegen N-2000 gebied ligt op ruim 11 kilometer afstand van het plangebied. Derhalve heeft hierop verder geen toetsing plaatsgevonden.
2.5
Weidevogelgebied
Het plangebied ligt in de nabijheid van provinciaal aangewezen weidevogelgebied. Het voorgenomen plan heeft echter geen invloed op de functie van dit gebied. Derhalve heeft hierop verder geen toetsing plaatsgevonden.
5
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
3 3.1
2020
Beschrijving projectgebied en ingreep Gebiedsbeschrijving
Het plangebied ligt aan weilanden die worden gebruikt voor het weiden van vee en grasproductie. De woning en de aan de woning verbonden stal hebben een rieten dak. Het riet is in slechte staat en daardoor zijn gaten in het rietdak ontstaan. Daardoor staat er een flinke tocht door het pand. De schuren bestaan uit verschillende kleinere eenheden en zijn niet vervallen. De schuren hebben een enkelvoudig golfplatendak. De holtes onder de platen zijn opgevuld met purschuim waardoor er geen openingen zijn. Ook in de wanden zijn geen openingen. Op het naastgelegen perceel staat een oude caravan.
Het plangebied rood omlijnd
3.2
Voorgenomen werkzaamheden
Het voorgenomen plan bestaat voornamelijk uit de volgende werkzaamheden: - Het slopen van voorgenoemde opstanden, behalve de hooiberg. - Het in de plaats daarvan bouwen van twee nieuwe woningen en een bijgebouw. - Het verwijderen van de oude stacaravan op het naastgelegen perceel. - Dit perceel wordt teruggegeven aan de natuur.
3.3
Periode van uitvoeren
De periode van uitvoeren wordt bepaald door de eigenaar.
6
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7 4 4.1
2020
Methodiek onderzoek Algemeen
Het onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten en ligging van beschermde gebieden is opgebouwd uit twee onderdelen: 1. Bureaustudie naar waarnemingen van beschermde soorten uit het (recente) verleden en ligging van beschermde gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. Veldbezoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten of geschikte habitats. Onderzoeksvragen Om het onderzoek te complementeren worden onder andere de volgende vragen beantwoord: 1. Zijn er te beschermen soorten flora en fauna, of sporen daarvan, binnen het plangebied? 2. Zijn er beschermde soorten flora en fauna in het omgelegen gebied die op termijn (projectduur) het plangebied kunnen betreden? 3. Zijn er andere, door de opdrachtgever aangewezen, bijzondere natuurwaarden om te behouden? 4. Kunnen de bomen worden gekapt? 5. Kunnen er tijdens de uitvoering conflictsituaties ontstaan met de regel- en wetgeving? 6. Welke maatregelen moeten worden genomen om conflictsituaties te voorkomen of te verzachten.
4.2
Uitleg bureauonderzoek
In het bureauonderzoek wordt gekeken naar de beschermde soorten die vallen onder de Wet Natuurbescherming en gebiedslijsten met doelsoorten. De soorten zijn nationaal beschermd of hebben een bescherming binnen de Europese Unie. Daarnaast wordt gekeken naar de huidige rechtsgeldigheid van een mogelijk te gebruiken gedragscode. Treden door het werk negatieve effecten op, of worden verbodsbepalingen overtreden, dan zijn er maatregelen nodig om deze effecten te voorkomen, te verzachten of te compenseren om zodoende te voldoen aan de natuurwetgeving. Bronnen Er worden diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding van de beschermde soorten in en rond het plangebied. Afhankelijk van het project worden specifieke internetsites en databases geraadpleegd (bijvoorbeeld van NDFF, Ravon.nl, Vlindernet.nl, Libellennet.nl, Naturalis.nl) en wordt nagegaan of in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen in of zeer dicht nabij het plangebied. Buiten de NDFF maken deze sites maken veelal gebruik van atlasblokken. Deze gegevens hebben daarom veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. Aan de hand van de resultaten van de bureaustudie wordt een inschatting gemaakt of en welke soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen. Deze gegevens zijn meegewogen tijdens het veldbezoek.
Naast de bronnen met soortinformatie, is voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van het Ministerie van LNV en de provinciale website.
4.3
Uitleg veldonderzoek
Het veldonderzoek is onderdeel van deze quickscan en derhalve een momentopname. Naar aanleiding van de uitkomsten van de bureaustudie is bepaald in hoeverre de aanwezigheid van beschermde soorten aannemelijk gesteld kan worden op basis van aanwezig geschikt habitat in het plangebied. Het bezoek aan het plangebied is afgelegd om te bepalen in hoeverre aan de hand van de soorten uit de bureaustudie en aan de hand van het visueel voorkomen van geschikt habitat beschermde soorten kunnen voorkomen of voorkomen. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Ten behoeve van het onderzoek kunnen hulpwerkstukken worden gebruik om de
7
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
uitkomst van het onderzoek te helpen bepalen. Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten opgetekend. De volgende groepen worden gewogen: Broedvogels en VRVP’s Binnen de soortgroep broedvogels wordt in eerste instantie voornamelijk gekeken naar de mogelijkheden die het plangebied biedt of kan bieden aan jaarrond beschermde vogelsoorten. Veel voorkomende soorten in huizen/gebouwen uit deze groep zijn de huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil. In andersoortige plangebieden kunnen dit soms ook o.a. de ooievaar, buizerd, havik, torenvalk, ransuil, bosuil en grote gele kwikstaart zijn. Daarnaast wordt er gekeken naar met name de mogelijkheden voor algemene broedvogelsoorten als voortplantingsplaats en eventueel als foerageergebied. Algemene broedvogelsoorten zijn alleen beschermd in dit verband wanneer er sprake van een nest met eieren en/of jongen binnen het plangebied. Vanuit de gedragscode wordt de richtdata voor het broedseizoen gegeven van 15 maart tot 15 juli. Echter is het vooral van belang of er gevallen van voortplanting binnen het plangebied aanwezig zijn of niet. Voor diverse soorten zoals de Meerkoet, Merel en de Houtduif kan de aanwezigheid van een broedgeval ook buiten het algemeen gehanteerde broedseizoen vallen. Vleermuizen Tijdens het veldbezoek word gebruik gemakt van een batdetector en inspectiecamera.
Binnen de zoogdieren zijn de vleermuizen een aparte groep. Alle vleermuissoorten binnen Nederland zijn strikt beschermd door de Wet Natuurbescherming. In de praktijk betekent dit doorgaans dat wanneer er sprake is van opstallen die gesloopt of gerenoveerd zullen worden, dat hier vrijwel altijd nader onderzoek nodig is om het gebruik van het plangebied in kaart te brengen. In de quickscan wordt in eerste instantie dan vooral gekeken naar de potenties voor vleermuizen, zoals spouwmuren, mogelijkheden om in spouwmuren te komen, aanwezigheid van dakbeschot, type dak, daklijsten met hierachter ruimten, zolders met toegang voor vleermuizen tot deze, kachelhoutopslag, etc. Dergelijke locaties kunnen worden gebruikt als kraamverblijf, balts-/paarverblijf en/of overwinteringsplaats. In overige plangebieden of delen van deze kunnen aspecten vanuit de quickscan worden gevormd door het al dan niet aanwezig zijn van holten, spleten en losse schors in bomen die als verblijfplaats kunnen dienen. Ook wordt er in dat geval gelet op de mogelijkheden van het plangebied voor vleermuizen als trekroute en/of foerageergebied. Overige soortgroepen Beschermde soorten uit de overige soortgroepen, bijvoorbeeld paddenstoelen en mossen, zijn doorgaans aan zeer specifieke biotopen gebonden zoals zeer schoon stilstaand water of zeer oud eikenbos met veel dood hout.
Wanneer uit de bekende literatuur naar voren komt dat een dergelijke soort in de regio voorkomt zal extra worden gelet op de aanwezigheid of de potenties in leefgebied voor deze.
4.4
Effectbeoordeling
Aan de hand van de bevindingen uit het bureauonderzoek en de resultaten van het onderzoek in het veld, kan worden bepaald of een vervolgonderzoek nodig is om beschermde soorten uit te sluiten en om te bepalen wat de effecten zijn. Tevens kan worden geadviseerd over de te volgen procedure inzake de natuurwetgeving.
8
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7 5
2020
Resultaten en effectbeoordeling
Het visueel waarnemen van soorten flora en fauna is mede afhankelijk van het tijdstip op de dag en van het jaargetijde dat een scan wordt uitgevoerd. Specifiek is gelet of er binnen het plangebied soorten voorkomen die door de werkzaamheden in hun ontwikkeling en rijkdom negatief kunnen worden benadeeld. Daarnaast is ook uitgekeken naar invasieve exoten. Onder opstanden wordt verstaan; alle bouwsels en stacaravan.
5.1
Beschermde vogels, VRVP en nesten
NDFF-waarnemingen plangebied: geen bijzondere waarnemingen NDFF-waarnemingen omgeving plangebied: geen bijzondere waarnemingen Veldbezoek waarnemingen: algemene soorten. In en aan de opstanden zijn geen VRVP’s en geen oude en nieuwe nesten aangetroffen van typische soorten zoals de Huismus, Kerkuil, Steenuil en zwaluwsoorten. De schuren zijn volledig afgesloten en hebben geen ingangen voor voorgenoemde soorten. De daken zijn enkellaags en het rieten dak is vervallen. Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) Binnenin en buiten aan de opstanden zijn nauwelijks geschikte mogelijkheden voor nestvorming door broedvogels. Effectbeoordeling werkzaamheden Nesten van broedvogels, zoals de Huismus, Kerkuil, Steenuil en zwaluwsoorten aan en in de opstanden zijn niet aanwezig en worden ook niet verwacht. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Nesten van de Boerenzwaluw zijn jaarrond beschermd indien zij een zwaarwegend ecologisch belang hebben. Deze nesten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht (lees onderstaande conclusie). Negatieve effecten zijn uitgesloten. Conclusie De sloop kan per direct aanvangen. Indien de sloopwerkzaamheden plaatsvinden gedurende het voortplantingsseizoen, grofweg tussen 15 maart en 1 oktober is men gehouden de Wet natuurbescherming na te leven voor wat betreft actief bezette nesten.
Bij enige twijfel over nestvormen dient kort voor de sloop binnen het voortplantingsseizoen nogmaals te worden gekeken door een ter zake deskundig ecoloog. Een oordeel met instructies dient te worden opgevolgd.
5.2
Beschermde vleermuizen
NDFF-waarnemingen plangebied: geen NDFF- waarnemingen omgeving plangebied: geen waarnemingen ingevoerd. Veldbezoek waarnemingen: op beide avonden, 20 augustus en 10 september, zijn geen exemplaren waargenomen met de batdetector noch visueel. Onderzoek van 1 uur voor zonsondergang tot 2 uur na zonsondergang. De klimaatomstandigheden waren zeer gunstig voor vluchten. Geen verblijfsplaatsen of sporen aangetroffen in de schuren. Bij de inspectie van holtes en spleten met de inspectiecamera geen exemplaren en sporen aangetroffen in de woonboerderij. Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort Er komen in en rond het plangebied slechts summier “rechtlijnige” contouren voor die als foerageerroute kunnen worden gebruikt door vleermuizen uit de omgeving. Het verwijderen van bomen heeft geen negatieve invloed. Het is geen essentieel foerageergebied.
9
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
Effectbeoordeling werkzaamheden Er zijn geen vleermuizen aangetroffen en deze zijn ook niet te verwachten in de voorgenoemde opstanden. De werkzaamheden hebben verder geen negatieve invloed op mogelijke foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen. De rechtlijnige contouren langs en om het plangebied blijven behouden. De werkzaamheden hebben geen invloed op de soorten en alle essentiële onderdelen van hun habitat. Conclusie Vervolgonderzoeken zijn niet nodig. De sloop kan per direct aanvangen. Er zijn geen vleermuizen waargenomen noch zijn er verblijfsplaatsen aanwezig in de te slopen opstanden. De sloop en nieuwbouw hebben geen negatieve invloed op het habitat van de vleermuizen in/uit de omgeving. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. Aanvulling De woonboerderij die op de planlocatie is gelegen bevat enkele open stootvoegen. De aftimmering van de woonboerderij en overige opstallen, alsmede het metselwerk van de overige opstallen sluiten naadloos aan en zijn niet toegankelijk voor vleermuizen. Alle potentiële invliegmogelijkheden zijn grondig onderzocht. Er zijn daarbij geen sporen van voormalig of hedendaags gebruik gevonden, ergo de conclusie dat alle bouwsels niet zijn- en worden gebruikt door vleermuizen.
5.3
Beschermde vegetatie
Bureaustudie waarnemingen plangebied: geen Bureaustudie waarnemingen omgeving plangebied: geen Veldbezoek waarnemingen: geen Aangewezen te behouden soorten: geen Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) Deze zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Effectbeoordeling werkzaamheden Negatieve effecten door de werkzaamheden worden niet verwacht. Conclusie Geen beschermde soorten aanwezig. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig.
5.4
Overige beschermde soortgroepen (zoals grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden, veenmossen en paddenstoelen)
Bureaustudie waarnemingen plangebied: geen Bureaustudie waarnemingen omgeving plangebied: geen Veldbezoek waarnemingen: geen Aangewezen te behouden soorten: zorgplicht soorten Habitat / biotoop voorgenoemde beschermde soort(en) De voorgenoemde soortgroepen zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht. Effectbeoordeling werkzaamheden Negatieve effecten door de werkzaamheden worden niet verwacht.
10
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
Conclusie Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. Voor de soortgroepen grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Wel geldt de Zorgplicht flora en fauna voor alle soorten.
5.5
Bomen en struiken
Indien de plannen veranderen en deze wel worden verwijderd: de meest geschikte periode om deze te verwijderen is tussen 1 oktober en 15 maart. Is dit niet mogelijk dan dient een terzake deskundig ecoloog eerst een controle uit te voeren op nesten. De aanwijzingen moeten worden opgevolgd.
5.6
Natuurnetwerk Nederland NNN (voorheen EHS)
Er heeft, gezien de aard van het werk verder geen toetsing plaatsgevonden.
5.7
Natura-2000
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest dichtbij gelegen N-2000 gebied ligt op ruim 11 kilometer afstand van het plangebied. Een berekening van stikstofuitstoot is niet nodig. Derhalve heeft hierop verder geen toetsing plaatsgevonden.
5.8
Weidevogelgebied
Er heeft, gezien de ligging van het plangebied en de aard van het werk, verder geen toetsing plaatsgevonden.
5.9
Overige bijzonderheden
Geen overige bijzonderheden die nadelige effecten kunnen ondervinden van de sloop en nieuwbouw.
6 6.1
Conclusies en aanbevelingen Wet- en regelgeving
Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: De te slopen opstanden en de directe omgeving zijn vrij van beschermde flora en fauna. Broedvogels: de sloop kan per direct aanvangen. Indien de sloopwerkzaamheden plaatsvinden gedurende het voortplantingsseizoen, grofweg tussen 15 maart en 1 oktober is men gehouden de Wet natuurbescherming na te leven voor wat betreft actief bezette nesten. Bij enige twijfel over nestvormen dient kort voor de sloop binnen het voortplantingsseizoen nogmaals te worden gekeken door een ter zake deskundig ecoloog. Een oordeel met instructies dient te worden opgevolgd. Vleermuizen: de sloop kan per direct aanvangen. Er zijn geen vleermuizen en/of verblijfsplaatsen aanwezig in de te slopen opstanden. De sloop en nieuwbouw hebben geen negatieve invloed op enige vorm van essentieel habitat van de vleermuizen. Op alle soorten flora en fauna is het hele jaar de Zorgplicht van toepassing.
11
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
6.2
2020
Ecologie
Negatieve gevolgen op het voortbestaan van soorten worden niet verwacht.
6.3
Bijzonderheden en mitigerende maatregelen Buiten het voortplantingsseizoen dient een terzake deskundig ecoloog beschikbaar te zijn voor ondersteuning indien nodig. Bij sloop en verwijdering bomen en beplanting tijdens het voortplantingsseizoen, dient een terzake deskundig ecoloog het plangebied eerst vrij te geven.
6.4
Conclusie
Het werk kan worden uitgevoerd met in achtneming van het voorgaande.
6.5
Aanbevelingen
Houd deuren en ramen gesloten. Dit voorkomt inpandige nestvorming door broedvogels.
12
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
7
2020
Beeldmateriaal veldbezoek
13
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
14
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
15
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7 8
2020
Bijlagen
Bijlage 1: Informatie Wet natuurbescherming Wetgeving soortenbescherming in het kort Beschermingsregimes van soorten onder de Wet natuurbescherming en de Flora- en faunawet Een belangrijk verschil met de Flora- en faunawet is dat in de Wet natuurbescherming voor elke categorie soorten aparte verboden zijn opgesteld, terwijl de Flora- en faunawet één uniform verbodsstelsel kende. Hierdoor golden voor nationale soorten dezelfde (strenge) verbodsbepalingen als voor de soorten beschermd onder de Europese natuurrichtlijnen. Om hier in de praktijk toch pragmatisch mee om te kunnen gaan, kende de Flora- en faunawet verschillende uitzonderingsregimes, onder meer in de toetsingscriteria voor het verlenen van ontheffing. Hiertoe waren nationale soorten ingedeeld in zogenaamde tabel 1, tabel 2 en tabel 3 soorten. Alle Europese soorten vielen onder tabel 3. Voor tabel 1 en 2 soorten gold voor een aantal handelingen een vrijstelling. Indien hier geen gebruik van gemaakt kon worden en toch een ontheffing vereist was, behoefde enkel getoetst te worden aan het criterium van een gunstige staat van instandhouding. Voor tabel 3 soorten moest aan drie toetsingscriteria (geldig belang; ontbreken van alternatieven; geen afbreuk staat van instandhouding) zijn voldaan.
Onder de Wet natuurbescherming wordt één op één aangesloten bij de beschermingsartikelen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn van de EU. Voor ‘nationale’ andere soorten geldt nu een kleiner aantal verbodsbepalingen. Het meest in het oog springend is het vervallen van het verbod op het verstoren van soorten. Daarnaast zijn voor alle nationale soorten (of zij nu vroeger onder tabel 1, 2 of 3 vielen) de toetsingscriteria gelijkgesteld en moet aan de drie voorwaarden bij het verlenen van een ontheffing of vrijstelling voldaan worden. Wel kennen de ‘nationale’ andere soorten ruimere ontheffingsmogelijkheden dan de soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Ten tweede worden soorten (geen vogels) beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Zorgplicht: Artikel 1.11 – de Zorgplicht onder de Wet op natuurbescherming 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Verbodsbepalingen Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
16
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
5.
2020
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Uitzonderingen op de verbodsbepalingen Verstoring van vogels is niet verboden indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 4 en lid 5). Het is aan de initiatiefnemer om zich ervan te vergewissen - en waar nodig aan te kunnen tonen - dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de vogelsoort en aldus niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3). De volgende vragen dient u te kunnen beantwoorden: Vraag 1. Komen er beschermde soorten voor in het gebied? Vraag 2.
Zijn er jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfsplaatsen? Vraag 3. Worden door de handeling de verbodsbepalingen overtreden? Vraag 4. Vallen de handelingen onder een vrijstelling? Vraag 5. Kan een ontheffing soortenbescherming worden verleend? Zorgplicht flora en fauna Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.
17
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer u een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, u zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van uw handelen. Zo nodig raadpleegt u een ecoloog. Bij de uitvoering van die handeling moet u negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken of ongedaan maken. Drie beschermingsregimes De Wet op natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn (beschermd). Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.
Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie criteria is voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. De drie criteria op grond waarvan van de verbodsbepalingen afgeweken kan worden, zijn eveneens uit deze twee richtlijnen overgenomen. Dat betekent dat de verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). Komen er beschermde soorten voor in het gebied? U onderneemt een handeling op plaatsen waar zich mogelijk beschermde planten of dieren bevinden. Om vast te stellen of beschermde soorten daadwerkelijk voorkomen in het gebied, moet u eerst weten wélke soorten beschermd zijn.
Ook moet u weten welk gebied u moet (laten) inventariseren op het voorkomen van deze beschermde soorten. Welke soorten zijn beschermd: Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Van de soorten die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn*, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. * Met uitzondering van exoten (die hier ook kunnen broeden, zoals de nijlgans) en verwilderde soorten (zoals soepganzen, eenden, -duiven). Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijk verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie pagina 22) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
Ten derde is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld op in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren,
18
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Let op: soortgroepen die niet opgenomen zijn in de bij de Wet Natuurbescherming gepubliceerde lijsten met beschermde soorten, bijvoorbeeld paddenstoelen en mossen, zijn nog steeds beschermd. Laat u door een ecoloog op de hoogte brengen. Inventarisatie plangebied, onderzoeksgebied De bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn alleen van toepassing als op of rondom de locatie waar u aan het werk gaat beschermde planten en/of dieren voorkomen of als zich daar hun nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen bevinden. Het plangebied is het gebied waar de daadwerkelijke handeling wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de kenmerken van de activiteit kunnen storende factoren ook optreden buiten het plangebied. Denk aan verstoring door geluid, waardoor u bijvoorbeeld het verbod om soorten opzettelijk te verstoren overtreedt. Hoe groot het onderzoeksgebied is hangt dan ook af van de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het onderzoeksgebied is vaak groter dan het plangebied.
Het is belangrijk om het onderzoeksgebied te inventariseren op het voorkomen van diersoorten en op de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of nesten van diersoorten en het voorkomen van plantensoorten. Het is immers verboden om soorten te doden of te vangen en om dergelijke plaatsen te beschadigen of vernielen. Om een goed beeld te krijgen van de verschillende aanwezige soortgroepen is het noodzakelijk om op meerdere momenten in het jaar veldonderzoek te verrichten. Dit veldonderzoek moet niet alleen in beeld brengen welke soorten aanwezig zijn, maar ook welke functie het gebied heeft voor de soort. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. Ook voor andere diersoorten kan gelden dat voortplantings- en rustplaatsen beschermd moeten worden, ook wanneer zij niet gebruikt worden. De bescherming van voortplantings- en rustplaatsen tegen beschadiging en vernieling moet worden opgevat als een waarborg dat de ecologische functionaliteit van deze plaatsen gegarandeerd wordt.
Andere leefgebieden van een diersoort, zoals foerageergebieden of vaste vliegroutes, worden volgens de uitleg van het Guidance document niet beschermd, tenzij deze samenvallen met de voortplantings- of rustplaatsen. Jurisprudentie maakt echter duidelijk dat in het geval van Habitatrichtlijnsoorten het zodanig verstoren van vaste vliegroutes en/of beschadigen van foerageergebied dat de soort om die reden deze vaste voortplantings- of rustplaatsen (die buiten het plangebied zijn gelegen) zal verlaten, wel onder het verbod van de Habitatrichtlijn valt*. De redenering hierbij is dat bij een dergelijke verstoring de ecologische functionaliteit van de voortplantings- of rustplaatsen niet meer gegarandeerd is. In deze gevallen is dan ook artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming van toepassing. * ECLI:NL:RVS:2012:BY2464 en ECLI:NL:RVS:2012:BX8942 Worden de verbodsbepalingen overtreden? U gaat na of door uw handeling de verbodsbepalingen worden overtreden. Ook wordt beoordeeld welke wettelijke uitzonderingen er gelden voor het overtreden van de verbodsbepalingen en of er maatregelen mogelijk zijn om overtreding te voorkomen. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Welopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn verboden.
Daarbij is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen6): “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”. Indien maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Maatregelen die overtreding kunnen voorkomen zijn bijvoorbeeld: het aanpassen van de werkvolgorde; het gebruik maken van andere werkapparatuur; of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld van bomenkap). Als ondanks het treffen van maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is ontheffing nodig. Deze ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van de vogelsoort optreedt
19
2020
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. Overigens wordt bij soortenbescherming geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen (dit in tegenstelling tot gebiedenbescherming). Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. Ontheffing of niet? Het volgende stappenplan helpt u te bepalen of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. Hou rekening met een afhandelingstijd van 20 weken vanaf het indienen van een aanvraag.
STAPPENPLAN SOORTENBESCHERMING 1
Komen er beschermde soorten voor in het gebied? JA
2
NEE
Vallen de handelingen onder een vrijstelling? NEE
Geen ontheffing nodig Let op: elke categorie beschermde soorten heeft eigen verbodsbepalingen.
Worden de verbodsbepalingen overtreden? JA
3
NEE
Let op: er zijn drie categorieën beschermde soorten: vogels, overige Europees beschermde soorten en andere (‘nationaal’) beschermde soorten.
Geen ontheffing nodig Let op: afhankelijk van het type handeling en de aangetroffen soorten kunnen verschillende vrijstellingen gelden via bijvoorbeeld een gedragscode of provinciale verordening.
JA
Geen ontheffing nodig
JA
Doorloop de stappen opnieuw met het alternatief
4a Is er een alternatieve oplossing mogelijk? NEE
Let op: elke categorie beschermde soorten heeft eigen lijst met belangen.
4b Is er sprake van een wettelijk belang? JA
NEE
Geen ontheffing nodig
4c Is er een effect op de staat van instandhouding? NEE
JA
Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en al in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde
20
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.
Ontheffing aanvragen Voor handelingen is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig als: Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen; Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Een ontheffing wordt aangevraagd door de initiatiefnemer waarna een besluit over de aanvraag wordt genomen door het bevoegd gezag. In de regel moet een aparte ontheffing soortenbescherming worden aangevraagd bij de provincie waarbinnen de handeling plaatsvindt. Alleen ten aanzien van handelingen die tot de Rijksbevoegdheden behoren is RVO.nl namens het Rijk bevoegd gezag. Daarbij moet gedacht worden aan activiteiten en handelingen van nationaal, provincie-overschrijdend belang, zoals de aanleg en onderhoud van Rijkswegen, -wateren en spoorwegen of schelpdiervisserij. In zijn algemeenheid moet in een aanvraag soortenbescherming aandacht besteed worden aan: Een beschrijving van de handelingen die uitgevoerd zullen worden; Voor welke beschermde soorten een ontheffing wordt aangevraagd; Voor welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming een ontheffing wordt aangevraagd. Het doel en belang van de handelingen die zullen plaatsvinden en de afwezigheid van andere bevredigende oplossingen hiervoor.
Welke maatregelen getroffen zullen worden om schade aan soorten te beperken en/of herstellen. Aanvragen moeten in ieder geval vergezeld gaan van een projectbeschrijving, een ecologische gebiedsinventarisatie en van een effectstudie, waarin de gevolgen van de handeling op de staat van instandhouding van de soorten beschreven zijn. Na ontvangst van de aanvraag wordt de aanvraag met bijbehorende stukken beoordeeld op volledigheid. Dat wil zeggen dat het bevoegd gezag zich ervan vergewist dat alle noodzakelijke informatie aanwezig is om een zorgvuldig en gemotiveerd besluit te nemen. Als de aanvraag aanhaakt bij een omgevingsvergunning wordt deze volledigheidstoets uitgevoerd door de gemeente; als het een aparte ontheffing soortenbescherming betreft, wordt deze toets in het algemeen uitgevoerd door de provincie. Als de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor een beoordeling van de aanvraag, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om een aanvulling te doen. Het is aan het bestuursorgaan om hiervoor een redelijke termijn te geven. Als de aanvraag onvolledig of niet is aangevuld, nadat de geboden termijn hiervoor is verstreken, dan moet het bestuursorgaan binnen vier weken beslissen om de aanvraag niet te behandelen.
Een ontheffing (of een vrijstelling) wordt uitsluitend verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden: Geen andere bevredigende oplossing. Sprake van een in de wet genoemd belang. Geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal een toetsing van de belangen en de alternatieven plaatsvinden en een ecologische toetsing. De termijn voor het behandelen van een aanvraag bedraagt 13 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met 7 weken.
Rol provincie en gemeente Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000- gebieden (de
21
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
2020
gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Ook gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet natuurbescherming. Als sprake is van locatie gebonden activiteiten met gevolgen voor wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, moet ofwel een natuurtoets deel uitmaken van de procedure bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning, ofwel er wordt voorafgaand aan het aanvragen van de omgevinsgvergunning apart een ontheffing aangevraagd. In het eerste geval geeft de initiatiefnemer bij de aanvraag omgevingsvergunning aan dat er sprake is van handelingen met gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten. Deze werkwijze staat bekend als vrijwillig aanhaken. Het is aan de gemeente (als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning) om te controleren of de aanvraag voor een omgevingsvergunning volledig is, of dat de aanvrager al apart ontheffing heeft aangevraagd. Essentieel is dat de gemeente toetst of de initiatiefnemer al dan niet terecht heeft aangegeven of de handeling gevolgen heeft voor beschermde soorten. Als een initiatiefnemer vooraf géén aparte ontheffing soortenbescherming heeft aangevraagd, dan moet de natuurtoets aanhaken en kan geen afzonderlijke ontheffing meer worden aangevraagd.
Bij aanhaken legt de gemeente de aanvraag voor aan de provincie als het bevoegd gezag voor de natuurtoets. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. Overigens geldt dezelfde procedure bij handelingen met gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden. Exoten Exoten – EU-wetgeving Nederland sluit aan bij de Europese wetgeving op exoten. De “Verordening Invasieve Uitheemse soorten” (EU Regulation 1143/2014 on Invasive Alien Species). Op grond van deze verordening is in december 2015 in Brussel de Europese Unielijst aangenomen. Voor 37 aangewezen ‘invasieve exoten van EU-belang’ die op deze Unielijst staan, gaan onder andere een import-, handels- en bezitsverbod gelden. De Unielijst is een dynamische lijst. Op basis van risicobeoordeling kunnen soorten aan de lijst worden toegevoegd, of er weer worden afgehaald. Exoten – Wet op Natuurbescherming Artikel 1.1 – sub invasieve exoten Exoten die wanneer zij zich gevestigd hebben of zouden vestigen in de Nederlandse natuur: a. een gevaar kunnen opleveren voor het voortbestaan van dier- of plantensoorten die van nature in Nederland of elders voorkomen, of b. een aanmerkelijke verslechtering kunnen veroorzaken van omstandigheden die voor het voortbestaan van soorten als bedoeld in onderdeel a noodzakelijk zijn; Artikel 3.19 1.
Onze Minister wijst soorten invasieve exoten aan die in het belang van de bescherming van de wilde flora, de wilde fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats worden bestreden. 2. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in hun provincie het aantal van de invasieve exoten, bedoeld in het eerste lid, zoveel mogelijk wordt teruggebracht. 3. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in overeenstemming met de gedeputeerde staten, bedoeld in het tweede lid. 4. Gedeputeerde staten kunnen aan personen of samenwerkingsverbanden van personen opdracht geven tot het terugbrengen van het aantal planten van bij de opdracht aangeduide soorten, aangewezen krachtens het eerste lid. Artikel 3.18, tweede en derde lid, is op de uitvoering van deze opdracht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 3.18, derde lid, in plaats van «dieren» wordt gelezen: planten. Artikel 3.34 1. Het is verboden dieren of eieren van dieren uit te zetten. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitzetten van dieren van soorten die op grond van artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963 zijn aangewezen als «vis», of voor het uitzetten van hun eieren. 3. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing en provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. 4.
Het is verboden exoten behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen plantensoorten te planten of te zaaien.
22
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7
5.
2020
Onze Minister kan, in zoverre in afwijking van het derde lid, ontheffing of vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in het eerste en vierde lid, ten behoeve van de herintroductie van soorten, of voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten. Onze Minister verleent een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincie waar de herintroductie of uitzetting plaatsvindt.
Artikel 3.39 Het is verboden invasieve exoten behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, of eieren van deze exoten te verhandelen of in bezit te hebben. Artikel 7.2 1. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2. Onze Minister is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang in plaats van gedeputeerde staten ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens: Ad c. artikel 3.34, eerste of vierde lid, voor zover de last betrekking heeft op het uitzetten, planten of zaaien van exoten.
23
2020
QuickScan Woubrugge – Ofwegen 7