CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Verkennend bodemonderzoek en asbest

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Noordeinde 78, Leimuiden’.22.848 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

µg/l

0,01

300

1,1,2-trichloorethaan

µg/l

0,01

130

trichlooretheen

µg/l

0,5

500

chloroform

µg/l

6

400

vinylchloride

µg/l

0,01

5

tribroommethaan

µg/l

-

630

fractie C10-C12

µg/l

-

-

fractie C12-C22

µg/l

-

-

fractie C22-C30

µg/l

-

-

fractie C30-C40

µg/l

-

-

totaal olie C10 - C40

µg/l

200

600

VLUCHTIGE AROMATEN

GEHALOGENEERDE KOOLWATERSTOFFEN

MINERALE OLIE

In de omgevingsverordening is voor molybdeen een waarde van 20 µg/l opgenomen. De provincie heeft aangegeven dat dit onjuist is en dat de waarde van 300 µg/l gehanteerd moet worden. Voor diverse parameters is de voorkeurswaarde kleinder dan de detectielimiet. Indien dit zo is dan wordt dit niet gezien als overschrijding van de voorkeurswaarde.

Toetsingsblad PFAS

Toetsing van de analyseresultaten aan de in juli 2021 vastgelegde risicogrenswaarden voor PFAS, PFOA en GenX, welke gebruikt kunnen worden als Indicatief Niveau voor Ernstige Verontreiniging (INEV) en de normen uit het 'Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 29 december 2023)'

Projectgegevens Projectnummer

20251767

Monsternummer

MM3 PFAS

Projectnaam

Noordeinde 78 Leimuiden

Analyserapport

14361136

Analyseresultaten (µg/kg ds)

INEV's

Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie

normen (µg/kg ds)

Toepassingssituatie en -normen (in µg/kg ds) Op landbodem

MM3 PFAS Achtergrondwaarde

Parameter GSSD

GW

(AW)

Index = 0,5

Indicatief Niveau voor

Ernstige Verontreiniging (INEV)

Op waterbodem

Bodemkwaliteitsklasse Landbouw / natuur

Grootschalig Wonen

Industrie

toepassen

Oppervlaktewaterlichaam

in gwbg

(uitgezonderd diepe plassen) Rijkswater

Anders

Toepassen in nietvrijliggende diepe plassen in open

Toepassen in

vrijliggende diepe

plassen en in niet-

verbinding met

vrijliggende plassen

rijkswater

aan niet-rijkswater

PFAS perfluorbutaanzuur

PFBA

0,8

0,45

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorpentaanzuur

PFPeA

0,3

0,17

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorhexaanzuur

PFHxA

0,3

0,17

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorheptaanzuur

PFHpA

0,4

0,22

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluoroctaanzuur (lineair)

PFOA lineair

2,4

1,35

-

-

-

-

-

-

-

0,1

-

-

-

-

perfluoroctaanzuur (vertakt)

PFOA vertakt

<0,1

0,04

-

-

-

-

-

-

-

0,1

-

-

-

-

perfluoroctaanzuur (som)

som PFOA

2,5

1,40

1,9

30,95

60

1,9

7

7

7

-

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluornonaanzuur

PFNA

0,3

0,17

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluordecaanzuur

PFDA

0,4

0,22

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorundecaanzuur

PFUnDA

0,2

0,11

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluordodecaanzuur

PFDoDA

0,2

0,11

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluortridecaanzuur

PFTrDA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluortetradecaanzuur

PFTeDA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorhexadecaanzuur

PFHxDA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluoroctadecaanzuur

PFODA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorbutaansulfonzuur

PFBS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorpentaansulfonzuur

PFPeS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorhexaansulfonzuur

PFHxS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluorheptaansulfonzuur

PFHpS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluoroctaansulfonzuur (lineair)

PFOS lineair

2,2

1,24

-

-

-

-

-

-

-

0,1

-

-

-

-

perfluoroctaansulfonzuur (vertakt)

PFOS vertakt

0,4

0,22

-

-

-

-

-

-

-

0,1

-

-

-

-

perfluoroctaansulfonzuur (som)

som PFOS

2,6

1,46

1,4

30,2

59

1,4

3

3

3

-

3,7

1,1

3,7

1,1

perfluordecaansulfonzuur

PFDS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

4:2 fluortelomeer sulfonzuur

4:2 FTS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

6:2 fluortelomeer sulfonzuur

6:2 FTS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

8:2 fluortelomeer sulfonzuur

8:2 FTS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

10:2 fluortelomeer sulfonzuur

10:2 FTS

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

perfluoroctaansulfonamide

PFOSA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

n-methyl perfluoroctaansulfonamide

MeFOSA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

n-methyl perfluoroctaansulfonamide acetaat

MePFOSAA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

n-ethyl perfluoroctaansulfonamide acetaat

EtPFOSAA

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

8:2 fluortelomeer fosfaat diester

8:2 DiPAP

<0,1

0,04

1,4

-

-

1,4

3

3

3

0,1

0,8

0,8

0,8

0,8

Toepasbaar

Niet toepasbaar

Niet toepasbaar

Niet toepasbaar

Niet toepasbaar

Organisch stof (%) Organisch stof

17,8

Eindoordeel

Licht verhoogd

Bodemfunctieklasse Wonen

GW: Gemeten waarde;

GSSD: Gestandaardiseerde meetwaarde;

gwbg: Grondwaterbeschermingsgebied; bij gehalten kleiner dan de detectielimiet is voor het bepalen van de gestandaardiseerde meetwaarde gerekend met 0,7x detectielimiet. Door deze correctie wordt de ‘kleiner dan’ waarde vervangen door een rekenwaarde. Een bodemtypecorrecie is voor PFAS alleen noodzakelijk als het organisch stofgehalte tussen de 10 % en 30 % ligt:

De BoToVa-gevalideerde software is nog niet ingericht op het toetsen op PFAS. Dit betekent dat de PFAS-resultaten handmatig door MILON bv zijn getoetst.

Niet

toepasbaar

Bijlage 7: Toetsingskader

Projectnummer: 20251767

Toetsingskader landbodem - Omgevingswet Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen de Omgevingswet (Ow) ingedeeld in verschillende categorieën. Hiervoor zijn toetsingskaders en normen opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (Rbk) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hieronder is een korte samenvatting van deze toetsingskaders gegeven. Landbouw/natuur (grond) De waarden voor landbouw/natuur voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan landbouw/natuur is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als niet verontreinigd. Interventiewaarde (grond) De interventiewaarde geeft het milieukwaliteitsniveau aan waarboven ernstige vermindering optreedt van de functionele eigenschappen van de bodem (grond en grondwater). Deze waarde staat voor verschillende stoffen in bijlage IIA van het Bal. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide RIVM-studie naar zowel humaantoxicologische als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Als in de grond of het grondwater stoffen voorkomen die de interventiewaarde overschrijden, wordt dit aangeduid als sterk verontreinigd.

Signaleringparameter beoordeling grondwatersanering (grondwater) (SBG) De signaleringsparameter is opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem Omgevingswet. Deze parameters dienen als signaal voor het beoordelen van risico’s van verspreiding van (historische) verontreiniging in het grondwater, van noodzaak tot saneren tot het type maatregel. Als grens tussen diep en ondiep grondwater wordt hierbij een arbitraire (indicatieve) grens van 10 m-mv gebruikt. Voorkeurswaarde (grondwater) Provincies kunnen in de omgevingsverordening een voorkeurswaarde voor grondwater opnemen. Voor grondwatergevoelige locaties in een grondwaterafhankelijk natuurgebied en grondwaterbeschermingsgebieden geldt niet de SBG als toetswaarde maar de voorkeurswaarde als toetswaarde. Toevalsvondst Historische bodemverontreinigingen (ontstaan voor 1 januari 1987) met onaanvaardbare risico’s worden beschouwd als toevalsvondst. Indien sprake is van een historische verontreiniging moet middels een modelberekening (Sanscrit) een risicobeoordeling worden uitgevoerd voor het vaststellen van onaanvaardbare risico’s voor de mens, het ecosysteem en verspreiding van verontreiniging. Als blijkt dat onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn, moet de eigenaar handelen om risico’s weg te nemen. Zorgplicht Voor gevallen van bodemverontreiniging ontstaan na 1 januari 1987 is de zorgplicht van toepassing.

Als een verontreiniging is aangetroffen die geen toevalsvondst betreft, is het uitgangspunt van de zorgplicht spoedig en volledig herstel.

Revisiedatum 5 juni 2024

Overgangsrecht Er zijn onder de Wet bodembescherming (Wbb) veel verschillende situaties denkbaar, waarop het overgangsrecht en daarmee het oude recht van toepassing kan zijn, zie ook de website van informatiepunt leefomgeving (IPLO). Bodemcorrectie Voordat de analyseresultaten van grond worden getoetst aan de normen, behorende bij de genoemde toetsingskaders, moeten deze op basis van het lutum- en/of organisch stofgehalte van de bodem gecorrigeerd worden naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Bij de toetsing van grondwater vindt geen correctie plaats. Bodemindex Voor de interpretatie van de analyseresultaten wordt een indexwaarde berekend. De indexwaarde geeft de mate van verhoging aan voor de onderzochte stoffen. In tabel 1 is weergegeven wat de indexwaarde betekent, welke begrippen worden gehanteerd in de rapportages en hoe overschrijdingen worden weergeven in de toetsingstabellen. In de toetsingstabellen wordt de indexwaarde tussen haakjes achter de verhoogde parameter weergegeven. De indexwaarde heeft geen wettelijk kader, maar is een sterk hulpmiddel bij interpretatie van de algehele kwaliteit van de bodem. Tabel 1: Mate van bodemverontreiniging en weergave in toetsingstabellen Indexwaarde

Betekenis

Weergave in toetsingstabellen

<0

Geen verhoging (schoon): Een negatieve indexwaarde of een indexwaarde gelijk aan 0 houdt in dat de (gestandaardiseerde) meetwaarde lager dan of gelijk is aan landbouw/natuur of de normwaarde. Er is sprake van een goede bodemkwaliteit en geen sprake van een verontreiniging.

-

>0 ≤0,5

Licht verhoogd: Een indexwaarde hoger dan 0 en lager of gelijk aan 0,5 betekent dat de (gestandaardiseerde) meetwaarde niet hoger is dan het gemiddelde van de waarde voor landbouw/natuur- of normwaarde en de interventiewaarde. Ondanks de lichte verhoging kan voor de parameter uitgegaan worden van verwaarloosbare risico's.

>0 ≤0,5

>0,5 ≤1,0

Matig verhoogd: Een indexwaarde hoger dan 0,5 en lager of gelijk aan 1,0 betekent dat de (gestandaardiseerde) meetwaarde hoger is dan het gemiddelde van de waarde voor landbouw/natuur of normwaarde en de interventiewaarde Mogelijk is sprake van een sterke bodemverontreiniging. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft deze waarde aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster of het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek.

>0,5 ≤1,0

>1,0

Sterk verhoogd: Bij een indexwaarde hoger dan 1,0 is de (gestandaardiseerde) meetwaarde hoger dan de interventiewaarde. Voor de parameter is sprake van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en/of dier.

>I

De noodzaak tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek hangt deels af van de aanleiding en doelstelling van het onderzoek en de ‘gevoeligheid’ van het gebruik en de bestemming van de locatie. Een overschrijding van een bodemindex van 0,5 of interventiewaarde kan een aanleiding zijn om een nader onderzoek uit te voeren, zodat de aard, herkomst, mate, omvang en risico’s van de eventuele verontreiniging kan worden bepaald.

Revisiedatum 5 juni 2024

Milieubelastende activiteiten bij graven en saneren Bij graven of saneren in de landbodem zijn de volgende milieubelastende activiteiten uit het Bal van toepassing: - saneren van de bodem (als er op grond van het omgevingsplan een saneringsplicht geldt of als men de intentie heeft de bodemkwaliteit te verbeteren); - graven in de bodem met een kwaliteit groter dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen graven in de bodem met een omvang kleiner óf groter dan 25 m3. Bij graven > 25 m³ zijn paragraaf 3.2.22 en 4.120 uit het bal van toepassing. Als gegraven wordt met omvang < 25 m³ dan zijn mogelijk regels voor kleinschalig graven in het omgevingsplan van de gemeente opgenomen (bruidsschat). - graven in de bodem met een kwaliteit kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Ook heir wordt onderscheid gemaakt tussen graven in de bodem met een omvang kleiner óf groter dan 25 m³. Bij graven > 25 m³ zijn paragraaf 3.2.21 en 4.119 uit het bal van toepassing. Als gegraven wordt met omvang < 25 m³ dan zijn geen specifieke regels van toepassing.

Revisiedatum 5 juni 2024

Toetsingskader PFAS – Handelingskader PFAS In het 'Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' zijn achtergrondwaarden en toepassingswaarden opgenomen voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Het handelingskader is wat betreft de toepassingswaarden een interpretatie van de zorgplichten van de Omgevingswet (Ow) en kan als zodanig in de praktijk worden toegepast. Deze wettelijke zorgplichten houden in dat de toepasser die redelijkerwijs kan vermoeden dat er nadelige effecten kunnen optreden voor de bodem of het oppervlaktewater als gevolg van het toepassen van grond of baggerspecie, de redelijkerwijs mogelijke maatregelen moet nemen om die effecten te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Toepassingswaarden op de landbodem In het handelingskader zijn toepassingswaarden voor PFAS opgenomen. In tabel 1 zijn de waarden weergegeven. Voor toepassingen in grondwaterbeschermingsgebieden is de toepassingseis gelijk aan de gebiedskwaliteit en als deze niet bekend is, dan is de eis gelijk aan de detectiegrens (0,1 μg/kg ds). Tabel 1: Toepassingswaarden PFAS op landbodem Parameter

Op landbodem (µg/kg ds) Landbouw/natuur

Bodemfunctieklasse Wonen

Industrie

Grootschalig toepassen

In GWBG

PFOS (som)

1,4

3

3

3

0,1

PFOA (som)

1,9

7

7

7

0,1

Overige PFAS

1,4

3

3

3

0,1

GWBG: grondwaterbeschermingsgebied

Toepassingswaarden in een oppervlaktewaterlichaam De toepassingseisen voor grond en baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam zijn bij de meeste toepassingssituaties hetzelfde (zie tabel 1). Het verspreiden van baggerspecie in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam (stroomopwaarts of stroomafwaarts) of (sedimentdelende) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichamen is toegestaan, met uitzondering van puntbronnen of onverwachte hoge gehalten. Dat geldt ook bij het toepassen van baggerspecie in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam. Bij het toepassen van grond en baggerspecie in niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater geldt de voorwaarde dat in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object gelegen is. Voor het toepassen van baggerspecie en grond in andere diepe plassen dan hierboven genoemd, gelden de toepassingswaarden benoemd in tabel 2. Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden, gelden de toepassingswaarden in deze tabel niet. Indien waarden zijn aangetoond boven de detectielimiet (ook als de detectielimiet is verhoogd en vermenigvuldigd met factor 0,7 voor het rekenkundig maken), mag de PFAS-houdende grond, ondanks de toetsingsresultaten niet worden toegepast in een grondwaterbeschermingsgebied of grondwaterwingebied.

Revisiedatum 5 juni 2024

Tabel 2: Toepassingswaarden PFAS in een oppervlaktewaterlichaam In een oppervlaktewaterlichaam (µg/kg ds) Parameter

Toepassen regionale wateren (uitgezonderd diepe plassen)

Toepassen in niet vrij liggende diepe plassen in open verbinding met rijkswater

Toepassen in vrijliggende diepe plassen en in niet vrijliggende plassen aan niet rijkswater

Rijkswater

Anders

PFOS (som)

3,7

1,1

3,7

1,1

PFOA (som)

0,8

0,8

0,8

0,8

Overige PFAS

0,8

0,8

0,8

0,8

Indicatieve Niveaus van Ernstige Verontreiniging (INEV) De in juli 2021 door het RIVM1 opgestelde risicogrenzen PFOS, PFOA en GenX kunnen worden gebruikt als Indicatieve Niveaus van Ernstige Verontreiniging (INEV). De risicogrenswaarden worden gebruikt om interventiewaarden voor grond en grondwater vast te stellen. Aan de hand van de INEV-waarden kan het bevoegd gezag bepalen waar er sprake is van een verontreiniging met PFAS. Als dat het geval is, moet onderzocht worden of sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. Mochten er inderdaad risico’s zijn, dan dienen maatregelen getroffen te worden om deze risico’s weg te nemen. Dat kan bijvoorbeeld door de bodem te saneren of maatregelen te nemen die de blootstelling van mensen en dieren aan PFAS verminderen. Als de gehalten onder de INEV-waarden blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. De INEVwaarden zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 3: INEV-waarden voor PFOS, PFOA en GenX Risicogrenzen grond en grondwater Parameter

Grond (µg/kg ds)

Grondwater (µg/l) Inclusief consumptie

Exclusief consumptie

PFOS

59

0,0099

2,7

PFOA

60

0,02

8,6

GenX

57

0,33

60

Voordat de meetwaarden voor grond kunnen worden getoetst dienen deze op basis van het organisch stofgehalte van de bodem gecorrigeerd te worden naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Lokaal beleid Bevoegde gezagen kunnen beargumenteerd andere waarden in het eigen bodembeleid opnemen.

Bron: memo Risicogrenzen ten behoeve van de vaststelling van Interventiewaarden voor PFOS, PFOA en GenX, RIVM, d.d. 20 juli 2021 1

Revisiedatum 5 juni 2024

Toetsingskader asbest in grond en puin Asbest in grond - Omgevingswet Om de mate van verontreiniging aan te geven geldt voor asbest binnen de Omgevingswet (Ow) uitsluitend de interventiewaarde (ook wel de restconcentratienorm genoemd). Het toetsingskader en de norm voor grond is opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Verkennend asbestonderzoek (grond) Bij een verkennend asbestonderzoek worden uitsluitend indicatieve asbestgehalten bepaald. Per (deel)locatie en per (verdachte) bodemlaag moeten alle indicatieve resultaten worden getoetst aan de interventiewaarde. De volgende criteria worden hierbij gehanteerd om te bepalen of moet worden opgeschaald naar nader asbestonderzoek: - voor proefgaten (0,3 x 0,3 m):

als het indicatieve gehalte asbest in grond kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (oftewel 50 mg/kg ds gewogen asbest), is een nader asbestonderzoek niet noodzakelijk;

- voor proefgaten (0,3 x 0,3 m):

als het indicatieve gehalte asbest in grond groter is dan de helft van de interventiewaarde (oftewel 50 mg/kg ds gewogen asbest), is een nader asbestonderzoek noodzakelijk; als in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend onderzoek verplicht. Dit kan met een verkennend of nader asbestonderzoek. als in het opgeboorde materiaal uit geen van de boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is nader onderzoek niet verplicht.

- voor boringen (Ø <0,35 m): - voor boringen (Ø <0,35 m):

Nader asbestonderzoek (grond) Met een nader asbestonderzoek in grond wordt de aard en omvang van de verontreiniging vastgesteld. Daarnaast wordt het gehalte aan asbest bepaald op basis van een visuele inspectie van het maaiveld. Het gemiddelde gewogen gehalte wordt per ruimtelijke eenheid (RE) van maximaal 1.000 m² vastgesteld. Indien binnen een RE grote afwijkingen voorkomen op basis van bijmengingen of bodemtype, wordt gedurende het veldwerk de strategie en de indeling van de ruimtelijke eenheden aangepast, waarbij altijd wordt gegraven tot de zintuiglijk schone ondergrond. Wanneer de verdachte bodemlaag uniform is en visueel geen verticale opdeling kan worden gemaakt, dan moet de gehele bodemlaag, ongeacht de dikte, als één traject worden beschouwd. Het vaststellen van het gemiddelde gewogen gehalte kan ook per homogeen vak van 50 m² tot 200 m², zodat de omvang van de verontreiniging meer in detail bepaald kan worden. Op basis van de analyseresultaten wordt het gewogen gehalte asbest per RE of per sleuf berekend. Dit gehalte wordt getoetst aan de interventiewaarde om te bepalen of sprake is van een verontreiniging met asbest. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Als inderdaad een verontreiniging met asbest aanwezig is en de zorgplicht niet van toepassing is, dan moet een standaard risicobeoordeling uitgevoerd worden.

Zodra tijdens het verkennend of nader asbest onderzoek bundels vezels gevonden worden in de fractie <0,5 mm door middel van kwalitatief onderzoek met behulp van stereo microscopie, dan is een Revisiedatum 9 januari 2024

aanvullend onderzoek met elektronenmicroscopie (SEM, Scanning Elektronen Microscopie) nodig. Dit is ook nodig wanneer een specifieke verdenking is voor het voorkomen van respirabele vezels vanuit het vooronderzoek (onder andere bij de afwateringszone van geërodeerde asbestdaken, de zogenoemde drupzone). Interventiewaarde (grond) De interventiewaarde is vastgesteld op 100 mg/kg ds gewogen asbest en is gebaseerd op het Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR). De waarde van 100 mg/kg ds geldt als eis, mits het asbest niet opzettelijk aan de grond is toegevoegd (zie Productenbesluit asbest). Dit gehalte is de som van het gewogen gehalte aan asbest in asbesthoudend materiaal (fractie >20 mm) en het gewogen gehalte aan asbest in de grond of het puin (fractie <20 mm). Bij de monstervoorbehandeling op locatie wordt het materiaal door middel van zeven gesplitst in de fractie <20 mm (fijn) en de fractie >20 mm (grof). De consequentie is dat het analysemonster alleen betrekking heeft op het fijne materiaal, terwijl het gehalte betrekking moet hebben op het totale (fijne + grove) materiaal. Bij de correctie wordt het gehalte in het analysemonster <20 mm herberekend naar een gehalte over de totale hoeveelheid uitgegraven materiaal. Om de correctie uit te kunnen voeren wordt in het veld de verhouding tussen grof en fijn materiaal bepaald (in kg).

Daarnaast wordt het gewogen gehalte aan asbest berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest. Voor asbest geldt geen volumecriterium, wat betekent dat bij elke overschrijding van de interventiewaarde sprake is van een sterke bodemverontreiniging. Na vaststellen van een bodemverontreiniging met asbest kunnen de risico’s bepaald worden aan de hand van het ‘Milieuhygiënisch saneringscriterium bodem, protocol asbest’. Op basis van dit protocol zijn twee categorieën van risico’s mogelijk, namelijk ‘geen onaanvaardbare risico’s’ en ‘onaanvaardbare risico’s’. De categorie ‘géén onaanvaardbare risico’s’ is van toepassing als op de locatie geen kans is op vezelemissie. Dit is het geval als het onmogelijk is om met de asbestverontreiniging in contact te komen bij het actuele gebruik of als blijkt dat de concentratie aan asbest in de lucht het Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR) niet overschrijdt. Om te bepalen of sprake is van onaanvaardbare risico’s, worden een aantal stappen doorlopen. Zorgplicht Wanneer een verontreiniging met asbest is veroorzaakt na 1 juli 1993, is dit een overtreding van de zorgplicht. Bij het herstellen van een zorgplichtsituatie geldt, net als voor alle andere stoffen, dat de initiatiefnemer moet terugsaneren tot onder de rapportagegrens. Voor asbest ligt deze op 1 mg/kg.

Asbest in puin - Besluit bodemkwaliteit Om de hergebruiksmogelijkheden te bepalen geldt voor asbest binnen het Besluit bodemkwaliteit de samenstellingswaarde als maximale waarde (ook wel de restconcentratienorm genoemd). Het toetsingskader en de norm zijn opgenomen in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De samenstellingswaarde is, net als in grond, vastgesteld op 100 mg/kg ds gewogen asbest. De waarde van 100 mg/kg ds geldt als eis, mits het asbest niet opzettelijk aan het puin is toegevoegd (zie Productenbesluit asbest). Puin met een (gewogen) gehalte aan asbest lager dan de samenstellingswaarde wordt als niet verontreinigd aangemerkt. Indien de samenstellingswaarde wel wordt overschreden, is sprake van ‘asbest verontreinigd puin’. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest.

Revisiedatum 9 januari 2024

Als het puin onderdeel uitmaakt van een halfverharding kan het Besluit asbestwegen van toepassing zijn. In het Besluit asbestwegen is een verbod opgenomen om een weg die asbest bevat in eigendom te hebben als het (gewogen) gehalte hoger is dan de 100 mg/kg ds. Dergelijke asbestwegen dienen gesaneerd te worden (afdekken met klinkers, beton of asfalt of volledig afgraven). Het bevoegd gezag is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Verkennend asbestonderzoek (puin) Bij een verkennend asbestonderzoek (terreinen) worden uitsluitend indicatieve asbestgehalten bepaald. Voor het bepalen of de verdenking van een verontreiniging door asbest terecht is wordt de volgende criteria gehanteerd: Als het indicatieve gehalte asbest in puin lager is dan de helft van de samenstellingswaarde is een nader asbestonderzoek niet - noodzakelijk. Het onderzoek kan afgesloten worden. - Als het indicatieve gehalte asbest in puin hoger is dan de helft van de samenstellingswaarde (oftewel 50 mg/kg ds gewogen asbest), is een nader asbestonderzoek noodzakelijk. Bij toetsing is de hoogst bepaalde waarde binnen een (deel)locatie en toegepaste laag bepalend. Nader asbestonderzoek (puin) Met een nader asbestonderzoek (terreinen) in puin wordt de aard en omvang van de verontreiniging vastgesteld. Daarnaast wordt het gehalte aan asbest bepaald op basis van een visuele inspectie van het maaiveld.

Het gemiddelde gewogen gehalte wordt meestal per ruimtelijke eenheid (RE) van maximaal 1.000 m² vastgesteld. Indien binnen een RE grote afwijkingen voorkomen op basis van bijmengingen of materiaaltype, wordt gedurende het veldwerk de strategie en de indeling van de ruimtelijke eenheden aangepast, waarbij altijd wordt gegraven tot onderzijde puinverharding. Het vaststellen van het gemiddelde gewogen gehalte kan ook per homogeen vak van 50 m² tot 200 m², zodat de omvang van de verontreiniging meer in detail bepaald kan worden.

Revisiedatum 9 januari 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=798d7318-ea31-49de-a791-97ffdc06186a