CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Quickscan Wet natuurbescherming

Gemeenteraad 22 april 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Achterdijk 2, Rijpwetering’.7.007 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Achterdijk 2 te Rijpwetering Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

202 3-0964

Datum:

21 september 202 3 -

Samensteller:

drs. C.J. van Soolingen

Collegiale toets:

ir. ing. K.J. Rebergen

Opdrachtgever:

Buro SRO B.V.

revisie 1 december 2023

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Soortenbescherming

8

2.3

Gebiedsbescherming

10

2.4

Houtopstanden

11

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

16

3.3

Houtopstanden

18

4 Samenvatting

19

4.1

Soortenbescherming

19

4.2

Gebiedsbescherming

19

4.3

Houtopstanden

19

5 Conclusie

20

5.1

Conclusie

20

5.2

Uitvoerbaarheid

20

5.3

Vervolgstappen

20

5.4

Te treffen maatregelen

20

1 Inleiding Aan de Achterdijk 2 te Rijpwetering is een woonperceel met woning en bijgebouwen gesitueerd. Hierin zijn vijf onderkomens aanwezig welke een functie hebben als Bed & Breakfast. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning op de planlocatie inpandig te verbouwen tot twee woningen, een schuur inpandig te verbouwen tot woning, een kleine schuur inpandig te verbouwen tot tiny house en op het noordelijke perceel twee woningen te realiseren op een grasveld. Hierbij worden mogelijk enkele kleine fruitbomen gekapt. Een stacaravan zal worden verwijderd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Achterdijk 2 te Rijpwetering. 4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Achterdijk 2 te Rijpwetering (figuur 1.2). Op de planlocatie zijn zes gebouwen en een stacaravan aanwezig, welke hieronder nader worden omschreven. 1.

De woning betreft een historische boerderijwoning en is opgetrokken uit bakstenen muren zonder luchtspouw. Er is een zadeldak met rieten dakbedekking aanwezig. Door middel van een aanbouw is de woning verbonden met de schuren 4 en 5. In de beoogde ontwikkeling wordt het Bed & Breakfastgedeelte aan de achterzijde van de woning inpandig verbouwd tot een tweede woning. Van alle te verbouwen gebouwen geldt dat de daken niet worden aangetast. 2. Aan de zuidzijde is een schuur gesitueerd welke is opgetrokken uit houten rabatdelen met dakpannen zadeldak zonder dakbeschot. Aan één zijde is een bakstenen kopgevel aanwezig zonder luchtspouw. Deze schuur blijft in dezelfde staat behouden. 3. Aan de westzijde is een houten schuur gesitueerd welke in de huidige situatie fungeert als logies van het Bed & Breakfast. Deze is opgetrokken uit bakstenen muren zonder luchtspouw en heeft een dakpannen zadeldak. In de beoogde ontwikkeling wordt dit gebouw inpandig verbouwd tot een tiny house. 4. De hoge wagenschuur betreft een gebouw welke is opgetrokken uit bakstenen muren zonder luchtspouw met een dakpannen schilddak. In de beoogde ontwikkeling wordt deze schuur inpandig verbouwd tot een woning. 5. Tegen de oostzijde van de wagenschuur is eveneens een schuur gebouwd welke is opgetrokken uit bakstenen muren zonder luchtspouw met een dakpannen schilddak.

Deze schuur functioneert in de huidige situatie als Bed & Breakfast. In de beoogde situatie wordt deze schuur inpandig verbouwd tot een woning. 6. De oorspronkelijke hooiberg is opgetrokken uit muren van houten planken en heeft een tentdak van golfplaten. Dit gebouw blijft in de huidige staat behouden. 7. De stacaravan is opgetrokken uit platen en heeft een bolstaand bitumen dak. Deze wordt in de beoogde ontwikkeling verwijderd. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Achterdijk 2 te Rijpwetering.

5

De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door bebouwing in de dorpskern Rijpwetering en agrarisch grasland. De planlocatie grenst aan de gelijknamige watergang de Rijpwetering, welke ten noorden van het plangebied uitmondt in enkele waterplassen. Op circa 1,2 km afstand liggen de natuur- en waterrijke Kagerplassen. De dichtstbijzijnde snelweg is de A4 en deze is gelegen op circa 1,6 km afstand van het plangebied.

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om meerdere gebouwen inpandig te verbouwen tot in totaal 4 woningen en een tiny house. De stacaravan wordt verwijderd. Tevens worden op een grasveld twee woningen gerealiseerd. Een van de schuren welke behouden blijft (2) is niet weergegeven op deze afbeelding.

Figuur 1.4 Op een grasveld aan de noordzijde worden twee woningen gerealiseerd.

6

Figuur 1.5 Fotografische impressie van de omgeving van de planlocatie.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het inpandig verbouwen van een woning en drie schuren tot vier woningen en een tiny house. Op een grasveld worden enkele fruitbomen gekapt ten behoeve van realisatie van twee woningen. Een stacaravan wordt verwijderd. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •

slopen van stacaravan: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; inpandige verbouwing van woning en enkele schuren, waarbij daken niet worden aangetast; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 5 september 2023 en is uitgevoerd door drs. C.J. van Soolingen en ing. J. Bruining. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 0/8 bewolkt, 28 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld in Wnb art. 3.5 lid 2 wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

8

4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid

te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift.

Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

9

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.

Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. 10

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). In de beoogde ontwikkeling zijn hoofdzakelijk inpandige werkzaamheden voorzien. De locatie van de te realiseren woningen betreft kort gemaaid grasveld, waardoor intensief beheer en een dichte grasmat geen natuurlijke, geschikte groeiplaatsen voorhanden zijn voor beschermde planten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: bleek cypergras, gele plomp, gewone brunel, gewoon biggenkruid, grote lisdodde, grote egelskop, haagwinde, hondsdraf, klimop, moerasandoorn, oeverbies, smalle weegbree, wolfsklauw en zilverschoon. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

Op de planlocatie zijn meerdere aangeplante bomen en struiken aanwezig. Het betreft soorten als beuk, linde en populier. Enkele aanwezige fruitbomen worden aannemelijk gekapt ten behoeve van realisatie van twee woningen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, noordse woelmuis, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, waterspitsmuis en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: noordse woelmuis, steenmarter en waterspitsmuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De te realiseren woningen worden op kort gemaaid grasveld gerealiseerd.

Door intensief maaien treden hier vele verstoringen op. Er worden geen groene structuren en/of groene oevers verwijderd in de beoogde ingreep. Er worden uitsluitend enkele fruitbomen gekapt. De beoogde ingreep resulteert derhalve niet in aantasting van leefgebied van noordse woelmuis en waterspitsmuis. De bebouwing op de planlocatie bevindt zich in onderhouden staat. De bebouwing wordt intensief gebruikt, aangezien de schuren functioneren als Bed & Breakfast. Er zijn op de planlocatie geen sporen van de steenmarter aangetroffen. In de te verwijderen stacaravan zijn geen openingen aanwezig welke naar mogelijke verblijfplaatsen leiden. Door het ontbreken van sporen en de hoge mate aan menselijke verstoringen binnen de bebouwing kan aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter worden uitgesloten. Doordat in de beoogde ontwikkeling vrijwel geen groen wordt verwijderd, kan aantasting van essentieel leefgebied eveneens worden uitgesloten.

12

Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel, huismuis, huisspitsmuis en mol. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel dient rekening te worden gehouden met de Algemene zorgplicht (zie H5.4). Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5).

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen geschikte boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Er worden geen bomen met holtes gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Van alle te renoveren gebouwen geldt dat er geen luchtspouw aanwezig is. Er zijn in de gebouwen geen openingen aangetroffen welke naar andere potentieel geschikte verblijfplaatsen leiden. Door intensief gebruik en de onderhouden staat van de bebouwing zijn er geen wegkruipplekken voorhanden voor soorten welke vrij aan de zolder hangen, zoals de gewone grootoorvleermuis.

Het ontbreekt aan onverstoorde ruimtes waar vleermuizen kunnen verblijven. Bovendien worden in de beoogde ontwikkeling uitsluitend inpandige werkzaamheden uitgevoerd. De dakruimte wordt niet aangetast. Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten. Hoewel het uitgesloten is dat de beoogde ingreep leidt tot aantasting van vleermuisverblijfplaatsen, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er wordt in de beoogde ingreep echter vrijwel geen groen weggenomen. Ook wordt er geen oppervlaktewater aangetast. Grasvelden zoals die waar woningen worden gerealiseerd zijn volop voorhanden in de directe omgeving. De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot aantasting van een essentieel foerageergebied en/of vliegroute. Negatieve effecten kunnen derhalve worden uitgesloten. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad (NDFF 20132023). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren.

Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn enkele bastaardkikkers aangetroffen op de planlocatie. Op en rondom de planlocatie zijn geen ondiepe poelen met spaarzame begroeiing aanwezig. Ook is er op de planlocatie geen vergraafbaar zand voorhanden. Het voorkomen van de rugstreeppad op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten. 13

Het is mogelijk dat de soort het plangebied koloniseert, wanneer door werkzaamheden ondiepe poelen ontstaan en er hopen zand beschikbaar zijn. De rugstreeppad is echter niet waargenomen in een straal van 1 km rond de planlocatie in de afgelopen drie jaar. Derhalve is het zeer onaannemelijk dat de soort de planlocatie koloniseert tijdens de werkzaamheden. Om kolonisatie geheel uit te kunnen sluiten, dienen grondwerkzaamheden zoveel mogelijk aaneengesloten te worden uitgevoerd om kolonisatie te voorkomen. Tevens dient te worden voorkomen dat in de voortplantingsperiode (mei t/m juli) geschikte voortplantingsplaatsen ontstaan (ondiepe plassen water). Tevens dient eventuele opslag van open zand te worden afgedekt (zie H5.4). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de oevers en het ontbreekt aan onverstoorde structuren. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). In de beoogde ontwikkeling vinden geen werkzaamheden plaats aan oppervlaktewater. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de platte schijfhoren (NDFF 2013-2023). In de beoogde ruimtelijke ingreep vinden echter geen werkzaamheden aan de naastgelegen watergang plaats. Ook de oeverzone wordt niet aangetast. Negatieve effecten op platte schijfhoren kunnen derhalve worden uitgesloten.

Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, huiszwaluw en koolmees. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De te renoveren gebouwen met dakpannen daken met dakbeschot zijn potentieel geschikt als nestlocatie voor de huismus. Dit betreft de schuren 3, 4 en 5. In de beoogde ingreep zijn echter geen 14

werkzaamheden aan de daken voorzien. Aantasting van nestlocaties van de huismus kan derhalve worden uitgesloten. Om negatieve effecten te voorkomen, dienen eventuele werkzaamheden aan de buitenzijde te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de huismus (maart t/m augustus). Dit geldt ook voor zeer verstorende werkzaamheden met betrekking tot de te realiseren nieuwbouw, zoals heien (zie ook H5.4). Buiten het broedseizoen bestaat de mogelijkheid dat de huismus de nestlocaties onder de dakpannen benut als rustplaats. Buiten het broedseizoen is de huismus echter het minst kwetsbaar. De nestlocaties/rustplaatsen worden niet aangetast in de beoogde ingreep en blijven derhalve toegankelijk. Bij verstorende geluiden of trillingen kunnen de huismussen in hun rustplaatsen blijven. Indien zij deze verlaten, is er geen sprake van verstoringen die leiden tot de sterfte of verwonding van een individu of andere negatieve effecten op de lokale populatie. Om dergelijke effecten geheel uit te kunnen sluiten dienen verstorende werkzaamheden aan de buitenzijde tevens te worden uitgevoerd buiten strenge vorstperiodes (zie H5.4). De dakpannen daken zijn ongeschikt voor de gierzwaluw. Er zijn geen kantpannen aanwezig welke als invliegopeningen kunnen functioneren. Ook onder de dakgoten is geen opening aanwezig. Het ontbreekt derhalve aan geschikte invliegopeningen.

Negatieve effecten op nestlocaties van de gierzwaluw kunnen derhalve worden uitgesloten. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. Er treden op de planlocatie vele menselijke verstoringen op en er zijn geen sporen aangetroffen. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de beoogde ontwikkeling wordt vrijwel geen groen verwijderd. Aantasting van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten kan derhalve worden uitgesloten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.

Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

15

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 11 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 11 km tot het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft inpandige verbouwing van een woning en drie schuren tot vier woningen en een tiny house en realisatie van twee woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Gezien er sprake is van een grote afstand (11 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek), maar ligt betreffende beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer) binnen de Groene buffer. Op een afstand van circa 660 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 3,8 km tot beschermd grasland in de Bollenstreek (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 15 m ligt Belangrijk weidevogelgebied en de planlocatie ligt binnen de Groene buffer (figuur 3.3). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. 16

Gezien er binnen dit project sprake is van een bestemmingsplanwijziging, is toetsing aan het provinciaal beleid benodigd. Een ruimtelijke ontwikkeling binnen groene buffers kan plaatsvinden voor zover dit geen grootschalige ontwikkeling betreft en de bufferfunctie niet wordt verstoord. (Omgevingsverordening Zuid-Holland, in werking per 1 februari 2023). Hierbij zijn de volgende kwaliteiten van belang: 1.

De functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; 2. De identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; 3. De bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; 4. De recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling is relatief kleinschalig van omvang en betreft het realiseren van twee nieuwe woningen. Een stacaravan wordt verwijderd en verder blijft alle aanwezige bebouwing behouden en wordt inpandig verbouwd. De te realiseren woningen komen op een grasveld welke onderdeel is van de tuin van het plangebied. Er worden geen karakteristieke of landschappelijk waardevolle elementen aangetast. Doordat de nieuwbouwlocatie onderdeel is van besloten terrein, is er geen sprake van een recreatieve functie. De identiteit van het gebied (buitengebied met lintbebouwing) zal derhalve niet wijzigen door de voorgenomen ingreep. Hier is evenmin sprake van een contrastfunctie met stedelijk gebied, er is nog steeds zeer veel groen aanwezig op de planlocatie dat niet wordt aangetast. Het realiseren van twee woningen en het inpandig verbouwen van andere bebouwing doet door vorengenoemde geen afbreuk aan de identiteit en kwaliteit van het gebied.

De beoogde ontwikkeling op de planlocatie zorgt derhalve niet voor de aantasting van de Groene Buffer en is niet strijdig met het vigerende beleid ten aanzien van de Groene Buffer.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 660 m tot Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).

17

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 15 m tot Belangrijk weidevogelgebied en de planlocatie ligt binnen de Groene buffer (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

18

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De beoogde ruimtelijke ingreep resulteert niet negatieve effecten op beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee art. 3.1

Nee Nee

Mogelijke functie planlocatie

Nestlocaties*

* Geldt alleen voor de gebouwen met dakpannen dak en dakbeschot. Nestlocaties worden niet aangetast.

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Beschermd grassland bollenstreek Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

11 km 660 m 3,8 km 15 m -

Geen Geen Geen Geen Geen

N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

19

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde realisatie van twee woningen waarbij enkele fruitbomen worden gekapt, inpandige verbouwing van een woning en drie schuren tot vier woningen en het verwijderen van een stacaravan aan de Achterdijk 2 te Rijpwetering is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Zeer verstorende werkzaamheden met zware machines zoals het aanbrengen van heipalen en eventuele werkzaamheden aan de buitenzijde nabij de dakpannen daken dienen te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de huismus (1 maart t/m 31 augustus).

Daarnaast dienen dergelijke werkzaamheden te worden uitgevoerd buiten strenge vorstperiodes in de winter. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

20

• Kolonisatie door de rugstreeppad dient te worden voorkomen. Dit kan door grondwerkzaamheden zoveel mogelijk aaneengesloten uit te voeren. Tevens dient te worden voorkomen dat er ondiepe plassen water ontstaan. Het voorkomen van dergelijke plassen in rijsporen kan middels het aanbrengen van rijplaten. Verder dient een eventueel aanwezige opslag van open zand te worden afgedekt, zodat dit niet kan functioneren als verblijfplaats.

21

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.verspreidingsatlas.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

22

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Achterdijk 2 te Rijpwetering en bestaat uit een woning en enkele bijgebouwen. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning op de planlocatie inpandig te verbouwen tot twee woningen, een schuur inpandig te verbouwen tot woning, een kleine schuur inpandig te verbouwen tot tiny house en op het noordelijke perceel twee woningen te realiseren op een grasveld. Hierbij worden mogelijk enkele kleine fruitbomen gekapt. Een stacaravan zal worden verwijderd. Op de foto de woning (1) en de hoge schuur (4).

Figuur 2

De houten schuur aan de zuidzijde (2) wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. 23

Figuur 3

Op het zuidelijke gedeelte van het plangebied is een groene tuin gesitueerd welke niet wordt aangetast in de beoogde ontwikkeling.

Figuur 4

Een van de schuren (5) welke zal worden verbouwd tot woning. 24

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=e6879e35-e35f-4ef4-a759-7e9b3fc3a58a