Bijlage 2. Advies van de Commissie voor de bezwaarschriften
Tekst van het document
Commissie voor de bezwaarschriften
Advies aan het de gemeenteraad van Kaag en Braassem
Datum advies
24 juli 2022
Behandeld door Bijlage
Susan Schreurs Verslag hoorzitting
Onderwerp: Bezwaarschriften tegen het aanwijzen van gronden op de locatie Braassemerland waarop de Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing is. Geachte raad, Hierbij treft u aan het advies van de commissie voor de bezwaarschriften met betrekking tot de bezwaarschriften ingediend door: 1. De heer A.G.M. Bakker namens de heer V.H.C. Hoogenboom 2. De heer F.C. Hoogenboom en mevrouw M.F. van den Ing-Hoogenboom 3. De heer P.G. van der Meer 4. Westelijke Land- en Tuinbouw Makelaars (WLTM) namens Hogenboom Phloxen B.V. (pachter) 5. WLTM namens de heer T.F. Hogenboom 6. De heer O.J. Adema en mevrouw M.G.J. van Wijngaarden 7. De heer J.C.M. van Ruiten 8. De heer H.A.M. Groot 9. De heer Stoof namens mevrouw J.M. Ammerlaan, de heer H.J. de Jong, de heer M.C. Hogenboom, de heer R.N. Hogenboom, mevrouw J.J. van der Meer – van der Wereld, de heer R.T.M. van der Zwet en de heer J.C.M. van Ruiten, gericht tegen uw besluit van 21 februari 2022, waarbij het besluit van het college van 7 december 2021 tot het vestigen van het voorkeursrecht gemeenten bestendigd is. Inhoud bezwaarschriften Het bezwaarschrift ingediend door de heer A.G.M. Bakker namens de heer V.H.C. Hoogenboom (bezwaarmaker 1) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. Een vestiging van het voorkeursrecht geeft een beperking bij een eventuele vervreemding van het perceel.
Ook aankoop door een derde partij behoort niet meer tot de mogelijkheden. 2. Recent is er ook een voorkeursrecht gevestigd, waardoor het gebied 10 jaar lang ‘op slot’ heeft gezeten. In die periode is er niets ondernomen om te komen tot een aankoop of een oplossing door de gemeente. 1
Het bezwaarschrift ingediend door de heer F.C. Hoogenboom en mevrouw M.F. van den IngHoogenboom (bezwaarmaker 2) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. De aanwijzing is niet juist en in strijd met het herhalingsverbod van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). 2. Bezwaarmakers willen de eventuele verkoop in eigen hand houden. Het bezwaarschrift ingediend door de heer P.G. van der Meer (bezwaarmaker 3) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. Er is eerder een voorkeursrecht gevestigd op het perceel, maar dit is na 10 jaar verlopen. Dit voorkeursrecht leverde bezwaarmaker een groot nadeel op. 2. Het eiland is eerder te koop aangeboden aan de heer Van Wijk, maar destijds werd te kennen gegeven dat er geen interesse was. 3. Het vestigen van het voorkeursrecht voldoet niet aan de voorwaarden die daaraan verbonden zijn. Het bezwaarschrift ingediend door WLTM namens Hogenboom Phloxen B.V. (bezwaarmaker 4) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. Bezwaarmaker pacht het glastuinbouwbedrijf aan de Noorderhemweg 5 in Roelofarendsveen en heeft de glasopstanden nodig voor de bedrijfsvoering. In de directe omgeving zijn er geen geschikte bedrijven die voor verpachting worden aangeboden.
Bij eventuele staking van het bedrijf wil bezwaarmaker gecompenseerd worden voor de schade, te weten de extra kosten die hij moet gaan maken voor de aankoop van een perceel grond en het oprichten van een glastuinbouwbedrijf op een andere locatie. Het bezwaarschrift ingediend door WLTM namens de heer T.F. Hogenboom (bezwaarmaker 5) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. Het glastuinbouwbedrijf van bezwaarmaker aan de Noorderhemweg 5 in Roelofarendsveen heeft de glasopstanden nodig voor de bedrijfsvoering. 2. Een vestiging van het voorkeursrecht geeft een beperking bij een eventuele vervreemding van het perceel. Ook aankoop door een derde partij behoort niet meer tot de mogelijkheden. 3. Recent is er ook een voorkeursrecht gevestigd, waardoor het gebied 10 jaar lang ‘op slot’ heeft gezeten. In die periode is er niets ondernomen om te komen tot een aankoop of een oplossing door de gemeente. 4. Bezwaarmaker is het niet eens met de begrenzing van het plangebied waarop het voorkeursrecht is gevestigd. De plangrens komt op ongeveer 5 meter vanaf de zuidgevel van de woning van bezwaarmaker te lopen, waardoor een groot deel van de privacy verloren gaat en bezwaarmaker het deel van zijn perceel aan het water verliest waar zijn boot ligt. Het bezwaarschrift ingediend door de heer O.J. Adema en mevrouw M.G.J. van Wijngaarden (bezwaarmaker 6) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1.
Er is eerder een voorkeursrecht gevestigd op het perceel, maar dit is na 10 jaar verlopen. Nu wordt er opnieuw een voorkeursrecht gevestigd, terwijl de bestemming van het perceel inmiddels is gewijzigd. Het gaat nu om het uitwerken van het bestemmingsplan. Het bezwaarschrift ingediend door de heer J.C.M. van Ruiten (bezwaarmaker 7) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. Er is eerder een voorkeursrecht gevestigd op het perceel, maar dit is na 10 jaar verlopen. Nu wordt er opnieuw een voorkeursrecht gevestigd. 2
2. Bezwaarmaker heeft twijfels over de huidige perceelgrenzen versus de grenzen in het bestemmingsplan en zou graag opnieuw laten uitzetten. 3. Hetgeen is ingebracht als zienswijze en bezwaar tegen het exploitatieplan Braassemerland wordt geacht onderdeel uit te maken van dit bezwaarschrift. Het bezwaarschrift ingediend door de heer H.A.M. Groot (bezwaarmaker 8) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. Er is een voorkeursrecht gevestigd, maar het is niet duidelijk waarom dit is gebeurd en welke gevolgen dit voor hem heeft. 2. Bezwaarmaker wil zelf een woning op zijn perceel realiseren en wil dat de grond zijn eigendom blijft. Het bezwaarschrift ingediend door de heer Stoof namens mevrouw J.M. Ammerlaan, de heer H.J. de Jong, de heer M.C. Hogenboom, de heer R.N. Hogenboom, mevrouw J.J. van der Meer – van der Wereld, de heer R.T.M. van der Zwet en de heer J.C.M. van Ruiten (bezwaarmaker 9) wordt samengevat als volgt weergegeven: 1. Het huidige gebruik van de gronden is in overeenstemming met de bestemming. De raad had daarom niet tot deze aanwijzing kunnen komen. 2. Een aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangehouden totdat een exploitatieplan onherroepelijk is. Het exploitatieplan is vernietigd. Na vernietiging van het plan loopt de aanhoudingsplicht door. De aanwijzing berust op een plan dat niet tot uitvoering kan worden gebracht. 3.
Doordat er twee keer kort na elkaar een voorkeursrecht wordt gevestigd is er straks in totaal 21 jaar een voorkeursrecht door de gemeente gevestigd geweest. Cliënten worden daardoor onevenredig zwaar getroffen. Dit strookt niet met het systeem van de Wvg (niet langer bezwaren dan noodzakelijk en slechts zolang wordt voldaan aan de doelstelling van dat recht). Hoorzitting In overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:13, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de commissie bezwaarmakers uitgenodigd het bezwaarschrift toe te lichten tijdens een hoorzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni 2022. Het verslag van deze hoorzitting is bijgevoegd (zie bijlage 1). Juridisch kader - Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) - Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) Overwegende ten aanzien van het recht Ontvankelijkheid Zowel tegen het besluit van het college van 7 december 2021 tot het vestigen van het voorkeursrecht gemeenten, als tegen het besluit van de gemeenteraad van 21 februari 2022 waarbij het besluit van het college van 7 december 2021 bestendigd is, kon bezwaar worden gemaakt. Op grond van artikel 6:7 e.v. van de Awb moet een bezwaarschrift worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het bestreden besluit is bekendgemaakt.
De besluiten zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad van 8 december 2021 (college), respectievelijk het gemeenteblad van 4 maart 2022 (gemeenteraad). 3
Alle bezwaarschriften zijn tijdig ingediend en van vrijwel alle bezwaarmakers is gebleken dat zij eigenaar zijn van de desbetreffende percelen, waarop het voorkeursrecht is gevestigd. Met uitzondering van Hogenboom Phloxen B.V.: Hogenboom Phloxen B.V. is pachter van het perceel en geen eigenaar. Zoals ook in het verweerschrift is overwogen, heeft bezwaarmaker echter wel een persoonlijk recht tot het perceel en kan het besluit tot het vestiging van het voorkeursrecht van invloed zijn op hem als pachter. De bezwaarschriften – met uitzondering van het bezwaarschrift van de heer H.A.M. Groot- voldeden ook aan de overige ontvankelijkheidsvereisten (naam en adres, datum, ondertekening, duidelijk tegen welk besluit het zich richt en de gronden van bezwaar). Het bezwaarschrift van de heer Groot bevatte geen gronden van bezwaar. Hij is echter in de gelegenheid gesteld om deze ter zitting gemotiveerd weer te geven en dit heeft hij gedaan. De commissie adviseert dan ook om alle bezwaarmakers ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar. Beoordeling van de ingediende bezwaren De vertegenwoordigers van uw raad hebben aangegeven dat het voorkeursrecht is gevestigd om de gemeente een betere uitgangspositie op de grondmarkt te verschaffen in verband met de realisatie van het project Braassemerland.
Het vormt een beschermingsinstrument waardoor ongewenste verkopen van grond tegengegaan kunnen worden. Om zoveel mogelijk grip te houden op de beoogde ontwikkeling is er voor gekozen om op een aantal percelen een voorkeursrecht te vestigen. Tegen deze aanwijzing op grond van de Wvg richten zich de bezwaarschriften. De commissie onderschrijft hetgeen is gesteld in het verweerschrift van uw gemeente. In dit verweerschrift wordt uitvoerig ingegaan op de gronden van bezwaar en de commissie kan zich vinden in de conclusies van het verweer. Hierna geeft de commissie een inhoudelijke reactie op de bezwaarschriften. Omdat de gronden van bezwaar deels gelijkluidend zijn, wordt eerst ingegaan op de gronden van bezwaar die door meerdere bezwaarmakers zijn ingediend. Het besluit maakt inbreuk op het eigendomsrecht (bezwaarmakers 1, 2 en 5) De commissie merkt op dat een aanwijzing op grond van de Wvg vaak wordt gezien als een inbreuk op het eigendomsrecht. Dit belang is echter meegewogen bij de totstandkoming van de Wvg. In dat verband is onder andere overwogen dat in aanmerking dient te worden genomen dat dit wettelijke voorkeursrecht slechts een betrekkelijk beperkte inbreuk op het eigendomsrecht maakt.
De eigenaar blijft immers bevoegd om zijn grond te vervreemden, hetzij aan de gemeente, waarbij hij tenminste de werkelijke waarde zal ontvangen, hetzij aan een derde, als de gemeente geen gebruik van haar voorkeursrecht wenst te maken. Voorts is van belang dat de Wvg de eigenaar in ruime mate rechtsbescherming biedt, hetzij door de bestuursrechter, hetzij door de burgerlijke rechter. Meerdere bezwaarmakers hebben aangevoerd dat een vestiging van het voorkeursrecht een beperking geeft bij een eventuele vervreemding van het perceel. Gesteld wordt dat de aankoop door een derde partij niet meer tot de mogelijkheden behoort. De commissie kan voorstellen dat bezwaarmakers dit zo ervaren, maar zij verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De vestiging van het voorkeursrecht heeft een beperkte inbreuk op het eigendomsrecht. Bezwaarmakers blijven eigenaar en zelf bevoegd (en niet verplicht!) om de grond te verkopen. Als zij zouden willen verkopen, moet de grond eerst aan de gemeente worden aangeboden. Als de gemeente ervan afziet om te kopen, kan het aan een derde worden verkocht. Indien er een koopovereenkomst tussen bezwaarmakers en de gemeente tot stand zou komen, kan de verkooprijs in onderling overleg worden bepaald. Als het niet lukt om tot overeenstemming te komen, zal de rechter op advies van deskundigen de prijs bepalen.
4
In dat geval zal er worden uitgegaan van de zogenaamde ‘verkeerswaarde’ van de grond, oftewel de prijs die in het vrije verkeer tussen een redelijk handelend eigenaar en een redelijk handelende koper tot stand zou komen. Er is recent ook een voorkeursrecht gevestigd, waardoor het gebied 10 jaar lang ‘op slot’ heeft gezeten. Nu er opnieuw een voorkeursrecht wordt gevestigd, is dit in strijd met het herhalingsverbod uit de Wvg (bezwaarmakers 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9). Het is de commissie gebleken dat de gemeenteraad van Kaag en Braassem in 2008 eveneens een gemeentelijk voorkeursrecht heeft gevestigd op een groot aantal percelen in hetzelfde gebied. Dit voorkeursrecht is in juli 2019 van rechtswege komen te vervallen, tien jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 9c van de Wvg kent een herhalingsverbod, dat inhoudt dat niet binnen twee jaar na het intrekken of van rechtswege vervallen van een aanwijzing opnieuw dezelfde gronden mogen worden aangewezen. De commissie constateert dat er in dit geval meer dan twee jaar is verstreken en dat de huidige aanwijzing niet in strijd is met het herhalingsverbod uit de Wvg.
Hoewel de commissie constateert dat er twee keer achter elkaar een voorkeursrecht wordt gevestigd voor (deels) hetzelfde gebied en dit enige mate van onzekerheid meebrengt voor de eigenaren, is het de commissie gebleken dat er in dit geval geen strijd bestaat met het herhalingsverbod uit de Wvg. Zoals gemotiveerd overwogen, is er in dit geval meer dan twee jaar is verstreken en is de huidige aanwijzing toegestaan. Er kan niet opnieuw een voorkeursrecht worden gevestigd, omdat de bestemming inmiddels is gewijzigd (bezwaarmakers 6 en 9). Voor zover is opgemerkt dat de bestemming van het perceel inmiddels is gewijzigd overweegt de commissie dat artikel 3 van de Wvg een aantal formele vestigingsvereisten kent, te weten: 1. aan de betrokken gronden moet een niet-agrarische bestemming zijn toegekend, 2. het huidige gebruik dient af te wijken van de toegekende bestemming, en 3. in een bestemmingsplan of inpassingsplan is deze bestemming toegekend. De commissie stelt vast dat de toegekende bestemming ’Wonen- uit te werken 1’ en ‘Wonen- uit te werken 2’, oftewel wonen met bijbehorende voorzieningen is. Op dit moment zijn de gebieden waarop het voorkeursrecht is gevestigd als agrarisch, water, wegen, recreatie en groen in gebruik.
De commissie overweegt voorts dat uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:1638) blijkt dat ook wanneer de nieuwe bestemming voorziet in een vergelijkbaar, maar intensiever gebruik dan het bestaande, van afwijkend gebruik kan worden gesproken. Naar het oordeel van de commissie is hier sprake van. Daarmee wijkt het huidige gebruik af van de toegekende bestemming en is er voldaan aan de vestigingsvereisten voor het voorkeursrecht. Het bezwaarschrift ingediend door de heer P.G. van der Meer (bezwaarmaker 3) In aanvulling op hetgeen hiervoor is besproken heeft bezwaarmaker aangevoerd dat het eiland eerder te koop is aangeboden aan de heer Van Wijk, maar dat er destijds te kennen werd gegeven dat er geen interesse was. Het verbaast bezwaarmaker dat er opnieuw een voorkeursrecht wordt gevestigd. De commissie heeft vernomen dat de plannen destijds mede door de economische crisis niet van de grond zijn gekomen, maar dat de plannen van de gemeente nu in een vergevorderd stadium zijn. Dat de grond eerder is aangeboden, is geen belemmering om nu opnieuw een voorkeursrecht te vestigen. Verder stelt bezwaarmaker dat het vestigen van het voorkeursrecht niet voldoet aan de voorwaarden die daaraan verbonden zijn. In het bezwaarschift wordt echter niet uitgelegd waarom dit zo zou zijn.
5
Zoals in het voorgaande overwogen is het de commissie gebleken dat het huidige gebruik afwijkt van de toegekende bestemming ’Wonen- uit te werken 1’ en ‘Wonen- uit te werken 2’ en is er voldaan aan de formele vestigingsvereisten uit artikel 3 van de Wvg. De stelling dat het vestigen van het voorkeursrecht niet voldoet aan de voorwaarden kan de commissie niet volgen. Het bezwaarschrift ingediend door WLTM namens Hogenboom Phloxen B.V. (bezwaarmaker 4) Bezwaarmaker pacht het glastuinbouwbedrijf aan de Noorderhemweg 5 in Roelofarendsveen en heeft de glasopstanden nodig voor de bedrijfsvoering. In de directe omgeving zijn er geen geschikte bedrijven die voor verpachting worden aangeboden. Bij eventuele staking van het bedrijf wil bezwaarmaker gecompenseerd worden voor de schade, te weten de extra kosten die hij moet gaan maken voor de aankoop van een perceel grond en het oprichten van een glastuinbouwbedrijf op een andere locatie. Hoewel de commissie zich kan voorstellen dat de plannen van de gemeente en het vestigen van het voorkeursrecht enige mate van onzekerheid voor de toekomst van bezwaarmaker meebrengen en om die reden het verzoek om compensatie van mogelijke schade kan begrijpen, kan en mag de commissie hierover geen oordeel over kan en mag vellen. In de onderhavige procedure staat slechts het besluit tot het vestigen van het voorkeursrecht ter beoordeling.
Zoals de commissie in het voorgaande heeft geconcludeerd voldoet het bestreden besluit aan de formele vestigingsvereisten en is het niet in strijd met het met herhalingsverbod uit de Wvg. Indien bezwaarmaker van mening is dat het handelen van de gemeente hem schade berokkent, staat het hem vrij een verzoek tot schadevergoeding in te dienen. Het bezwaarschrift ingediend door WLTM namens de heer T.F. Hogenboom (bezwaarmaker 5) In aanvulling op hetgeen hiervoor is besproken geeft bezwaarmaker aan het niet eens te zijn met de begrenzing van het plangebied waarop de Wvg is gevestigd. De plangrens komt op ongeveer 5 meter vanaf de zuidgevel van de woning van bezwaarmaker te lopen, waardoor een groot deel van de privacy verloren gaat en bezwaarmaker het deel van zijn perceel aan het water verliest waar zijn boot ligt. Het is de commissie gebleken dat bij de afbakening van het vestigingsgebied rekening is gehouden met de begrenzing van het bestemmingsplan ’Braassemerland 2019’. De begrenzing uit het bestemmingsplan is één op één overgenomen in het besluit tot het vestigen van het voorkeursrecht. De commissie overweegt dat er een totaalplan wordt gemaakt voor een (gefaseerde) ontwikkeling van Braassemerland. In het bestemmingsplan wordt vastgelegd op welke locatie er gebouwd mag worden. Dat hoeft niet direct naast de woning van bezwaarmaker te zijn.
Als bezwaarmaker het niet eens is met de invulling van de bouwmogelijkheden, kan hij zich daartegen verzetten in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Ten overvloede overweegt de commissie dat bezwaarmaker in het kader van de Wvg procedure niet gedwongen kan worden om zijn grond te verkopen en daarmee ook niet verplicht wordt om te accepteren dat er heel dichtbij zijn woning wordt gebouwd. Naar het oordeel van de commissie bestaat er geen aanleiding om de begrenzing van het voorkeursrecht ter plaatse van het perceel van bezwaarmaker aan te passen. Het bezwaarschrift ingediend door de heer J.C.M. van Ruiten (bezwaarmaker 7) In aanvulling op hetgeen hiervoor is besproken voert bezwaarmaker aan dat hij twijfels heeft over de huidige perceelgrenzen versus de grenzen in het bestemmingsplan en hij zou dit graag opnieuw laten uitzetten. Hetgeen is ingebracht als zienswijze en bezwaar tegen het exploitatieplan Braassemerland wordt geacht onderdeel uit te maken van dit bezwaarschrift.
6
De commissie overweegt dat in deze bezwaarprocedure slechts het besluit tot het vestigen van het voorkeursrecht ter beoordeling staat. Het uitzetten van de perceelsgrenzen versus de perceelgrenzen in het bestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de onderhavige procedure. De commissie is niet bevoegd om hier over te oordelen. Het bezwaarschrift ingediend door de heer H.A.M. Groot (bezwaarmaker 8) Ter zitting heeft de heer Groot aangegeven dat er een voorkeursrecht is gevestigd, maar het is hem niet duidelijk waarom dit is gebeurd. Hij wil zelf een woning op zijn perceel realiseren en wil dat de grond zijn eigendom blijft. Uit de stukken en uit de mondelinge toelichting op de zitting blijkt dat het voorkeursrecht is gevestigd om de gemeente een betere uitgangspositie op de grondmarkt te verschaffen in verband met de realisatie van het project Braassemerland. Het vormt een beschermingsinstrument waardoor ongewenste verkopen van grond tegen kunnen worden gegaan. Om zoveel mogelijk grip te houden op de beoogde ontwikkeling is er voor gekozen om op een aantal percelen een voorkeursrecht te vestigen. De aanwijzing heeft niet tot gevolg dat bezwaarmakers verplicht worden hun gronden te verkopen. Bezwaarmaker blijft zelf eigenaar en zelf bevoegd om de grond te verkopen. De Wvg staat zelfrealisatie in beginsel niet in de weg.
Of het voor bezwaarmaker mogelijk is om een woning te bouwen op zijn perceel, is onder andere afhankelijk van hetgeen het bestemmingsplan hierover bepaalt. Dit gaat de beoordeling van dit geding te buiten. De commissie adviseert bezwaarmaker om hierover in overleg te treden met de gemeente en de mogelijkheden te verkennen. Het bezwaarschrift ingediend door de heer Stoof namens mevrouw J.M. Ammerlaan, de heer H.J. de Jong, de heer M.C. Hogenboom, de heer R.N. Hogenboom, mevrouw J.J. van der Meer – van der Wereld, de heer R.T.M. van der Zwet en de heer J.C.M. van Ruiten (bezwaarmaker 9) In aanvulling op hetgeen hiervoor is besproken voert bezwaarmaker aan dat een aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangehouden totdat een exploitatieplan onherroepelijk is. In dit geval is het exploitatieplan vernietigd. Na vernietiging van het plan loopt de aanhoudingsplicht door. Bezwaarmaker stelt dat de aanwijzing op een plan berust, dat niet tot uitvoering kan worden gebracht. Zoals de commissie hiervoor al heeft aangegeven kent artikel 3 van de Wvg een aantal formele vestigingsvereisten, te weten: 1. aan de betrokken gronden moet een niet-agrarische bestemming zijn toegekend, 2. het huidige gebruik dient af te wijken van de toegekende bestemming, en 3. in een bestemmingsplan of inpassingsplan is deze bestemming toegekend.
Naar het oordeel van de commissie is er aan deze vereisten voldaan. Een onherroepelijk exploitatieplan is geen vereiste voor het vestigen van een voorkeursrecht. Conclusie Gelet op het voorgaande overweegt de commissie dat de aangevoerde bezwaren geen doel treffen en heeft u de percelen heeft kunnen aanwijzen op grond van de Wvg.
Advies De commissie adviseert uw raad: - de bezwaarschiften ontvankelijk te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. - het verzoek van de heer Stoof om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen, omdat geadviseerd wordt het besluit niet te herroepen.
7
Hoogachtend, de commissie voor de bezwaarschriften, de secretaris,
de voorzitter,
mr. S. Schreurs
mr. G.A.M. van Atteveld
8