CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13. Quickscan Natuur Grietpolder

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Grietpolder, Leimuiden’.10.763 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Natuur Grietpolder te Leimuiden Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2024-0248

Datum:

29 maart 2024

Samensteller:

S. Gielen Ad.

Collegiale toets:

ing. J. Dekkers

Opdrachtgever:

Buro SRO B.V.

Contactpersoon:

F. Zandstra

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

1.1

Planlocatie

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

9

2 Methode

10

2.1

Uitvoering onderzoek

10

2.2

Houdbaarheid en toepassing

10

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Specifieke zorgplicht Soorten

15

3.3

Gebiedsbescherming

16

3.4

Houtopstanden

18

4 Conclusie en vervolg

19

4.1

Conclusie

19

4.2

Uitvoerbaarheid

19

4.3

Vervolgstappen en maatregelen

19

Samenvatting Aan de Kerklaan en de Polderlaan te Leimuiden zijn 3 percelen met verschillende gebouwen, volkstuinverengingen, een scoutingvereniging, een ijsvereniging en weilanden. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen, de aanwezige structuren te verwijderen, de bomen te kappen, de dijksloot te verleggen en kavelsloten te dempen. Gevolgd door de relocatie van de volkstuinen, de scoutingvereniging en de ijsvereniging ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep

Bescherming

Mogelijke functie

Vervolgstap (H4.3)

HR

Leefgebied

E-DNA

VR VR

Nestlocatie/foerageergebied Nestlocatie

Sperweronderzoek Buizerdonderzoek

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Platte schijfhoren Vogels (cat. 1 t/m 4) Sperwer Buizerd Vogels (Algemeen en cat. 5)

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

11,1 km 290 m 75 m 2,1 km

Geen Geen Geen Geen

Houtopstanden

Onderdeel

Uitzondering

Vervolgstap (H4.3)

Eenheid van >1000 m2 Bomenrij van >20 bomen

Aanwezig Aanwezig

type a type a

Geen Geen

Zorgplicht

Vervolgstap (H4.4)

Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden

Ja Ja Rugstreeppad

Vervolgstap (H4.3)

4

1 Inleiding Aan de Kerklaan en de Polderlaan te Leimuiden zijn 3 afzonderlijk gelegen percelen gesitueerd. Het project waar de 3 percelen onderdeel van zijn wordt de Grietpolder genoemd. Perceel 1 bestaat uit een scoutingvereniging, een volkstuinverenging en een schaatsvereniging en is gelegen aan de Kerklaan. Perceel 2 betreft een weiland van circa 3 hectare gelegen aan de Kerklaan. Perceel 3 betreft een volkstuinvereniging gelegen de bebouwing van Leimuiden aan de Polderlaan. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en de bomen te kappen op de percelen. Er worden enkele kavelsloten gedempt en de dijksloot wordt verlegd en verbreed. De scouting, de tuinverenigingen en de schaats vereniging worden verplaatst naar het weiland op perceel 2. Ten behoeve van de nieuwbouw van woningen op perceel 1 en perceel 3. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep, maar wordt niet gewijzigd. Voor het project wordt namelijk een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden.

Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kerklaan en de Polderlaan te Leimuiden. 5

1.1

Planlocatie De planlocatie bestaat uit 3 percelen en zijn gelegen aan de Kerklaan en de Polderlaan te Leimuiden. In figuur 1.2-1.6 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Perceel 1 is gelegen aan de Kerklaan 63 te Leimuiden en bestaat uit een scoutingvereniging, een volkstuinvereniging en een schaatsbaan. Het totale perceel heeft een oppervlakte van circa 2,6 ha. Op het perceel zijn de volgende onderdelen aanwezig: A. De volkstuinvereniging bestaat uit volkstuinen met enkele enkelwandige kleine schuren en glastuinhuizen. Er zijn enkele kavelsloten op en om de tuiverenging aanwezig. De bebouwing wordt gesloopt en kavelsloten worden gedempt in de beoogde ontwikkeling (figuur 1.2). B. De scoutingvereniging bestaat uit enkele gebouwen opgebouwd uit vrachtcontainerdelen en aluminium sandwich delen. Het terrein bestaat uit een sport- en speelveld en een kampvuurplaats. Rondom de scoutingvereniging staan bomen (figuur 1.3). C. De schaatsvereniging bestaat uit een landijsbaan welke in de winter gebruikt wordt voor ijsevenementen en in de zomer wordt deze begraasd door schapen. De landijsbaan wordt in de beoogde ontwikkeling verplaatst naar perceel 2 (figuur 1.4).

Figuur 1.2 De tuinvereniging op perceel 1 aan de Kerklaan te Leimuiden. Er zijn volkstuinen met bebouwing en kavelsloten gesitueerd. De aanwezige dijksloot wordt verbreed. De volledige bebouwing wordt verwijderd en de kavelsloten worden gedempt in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

6

Figuur 1.3 De scoutingvereniging op perceel 1 aan de Kerklaan te Leimuiden. Er zijn enkele clubgebouwen gesitueerd die zijn opgebouwd uit vrachtcontainers en sandwichpanelen. Rondom het scoutingterrein zijn bomen gesitueerd. De bebouwing wordt gesloopt en de bomen worden gekapt in de beoogde ontwikkeling.

Figuur 1.4 De landijsbaan ligt aan de Kerklaan te Leimuiden en wordt verplaatst binnen de beoogde ruimtelijke ontwikkeling naar perceel 2. Perceel 2 is gelegen langs de Kerklaan ten westen van perceel 1 en bestaat uit weilanden omringt met kavelsloten met totale oppervlakte van circa 3 ha. De kavelsloten worden in de beoogde ruimtelijke ingreep gedempt. Op het perceel worden de volkstuinvereniging, de ijsvereniging en de scoutingvereniging gerealiseerd (figuur 1.5).

7

Figuur 1.5 Perceel 2 bestaat uit weilanden met kavelsloten. De sloten worden in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gedempt. Op het perceel wordt de volkstuinvereniging, de ijsvereniging en de scoutingvereniging gerealiseerd. Perceel 3 betreft een tuinverenging gelegen aan de Polderlaan te Leimuiden. De tuinvereniging bestaat uit enkelwandige kleine schuren en enkele bomen. De volledige inrichting van het perceel wordt verwijderd ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen op het perceel (figuur 1.6).

Figuur 1.6 Op perceel 3 is een volkstuinvereniging gesitueerd. De volledige inrichting wordt verwijderd binnen de beoogde ruimtelijke ontwikkeling ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen 8

De directe omgeving van de planlocaties bestaat uit de dorpsrand van Leimuiden. De percelen maken deel uit van het randgebied van het dorp. Ten zuiden van de planlocaties is een dijk gelegen van rivier de Drecht en verder ten zuiden weilanden. De dichtstbijzijnde snelweg is de Provincialeweg de N207 op circa 1 km afstand van de planlocatie.

Figuur 1.7

1.2

Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie. De Drecht met verder ten zuiden weilanden en agrarische percelen.

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het verwijderen van de volledige inrichting van perceel 1 en 3, de kap van de bomen op perceel 1 en het dempen van kavelsloten op perceel 1 en 2. Daarbij verlegging en verbreding van de dijksloot en de her locatie van de verschillende onderdelen van perceel 1 en 3 naar perceel 2. Ten behoeve van de realisatie van nieuwbouwwoningen op perceel 1 en 3. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •

slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

9

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 27 februari 2024 en is uitgevoerd door S. Gielen Ad. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De NDFF is geraadpleegd op d.d. 15 maart 2024. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied.

Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.

2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2019-2024). De planlocatie is verdeeld over 3 grote percelen met verschillende functies. De percelen met volkstuinen en de scoutingvereniging worden intensief gebruik. Op de locatie van de ijsbaan en de weilanden vindt beweiding plaats. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, gewone braam, grote brandnetel, hondsdraf, eendenkroos, paardenbloem en straatgras. De percelen zijn op looppaden na volledig onverhard door kavelsloten, weilanden en volkstuinen. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Rondom de scouting staan bomen en struiken.

Enkele soorten zijn: gladde berk, plataan, populier en zwarte els. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bruine rat, bunzing, egel, konijn, haas, mol, noordse woelmuis, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 20192024). Voor de noordse woelmuis geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De noordse woelmuis leeft voornamelijk in hogere grasachtige vegetatietypen, waarbij er voldoende variatie in vegetatie aanwezig dient te zijn. De soort eet hoofdzakelijk plantendelen zoals groene delen van riet, biezen, zeggen en grassen maar ook wortels, zaden of schors.

In gebieden waar concurrerende soorten (met name veldmuis en aardmuis) voorkomen wordt de noordse woelmuis verdreven naar natte(re) terrein delen waaraan de soort zich goed heeft aangepast. Doordat concurrentie door algemeen voorkomende woelmuissoorten vaak aanwezig is, leeft de noordse woelmuis veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. (Zoogdiervereniging noordse woelmuis, 2022). Er zijn waarnemingen van noordse woelmuis bekend ten noorden van Leimuiden in de natte gras en riet gebieden te weten gebied ‘de Wildernis’. Het gebied ten noorden van Leimuiden is kenmerkend voor geschikt leefgebied van noordse woelmuis. De percelen 1 en 3 worden intensief gebruikt en er zijn geen geschikte structuren aanwezig voor noordse woelmuis. Perceel 2 bestaat uit weilanden welke intensief begraasd worden. Er zijn geen geschikte structuren aanwezig die voldoende dekking en beschutting geven voor noordse woelmuis. Derhalve is het voorkomen van noordse woelmuis in de plangebieden uitgesloten.

11

Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3).

Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. De bomen langs perceel 1 en 3 worden gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De bebouwing op de volkstuinen bestaat uit enkele enkelwandige kleine schuren zonder spouw en zonder dakbeschot. Derhalve zijn in de schuren geen geschikte wegkruipruimtes aanwezig voor vleermuizen. De bebouwing van de scoutingvereniging bestaat uit vrachtcontainers en sandwichpanelen. Er zijn geen geschikte openingen en wegkruipruimtes aanwezig.

Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er zijn geen lijnvormige structuren aanwezig op de planlocaties welke vleermuizen kunnen gebruiken als vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast. In de directe omgeving zijn voldoende vergelijkbaar structuren aanwezig die vleermuizen gebruiken om te foerageren. Derhalve resulteert de beoogde ontwikkeling niet in aantasting van essentieel foerageergebied. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2019-2024). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De rugstreeppad in gebieden met vergraafbare grond, met een voorkeur naar zandgronden.

De soort komt voor op ruig, onbeschaduwd terrein zoals duingebieden, open heideterreinen, braakliggende bouwterreinen en zandafgravingen. Voor de voortplanting wordt gebruik gemaakt van ondiep water dat snel opwarmt. Momenteel kan het voorkomen van rugstreeppad op de afzonderlijke planlocaties worden uitgesloten wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes en geschikte overwinteringslocaties. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). Tijdens de 12

beoogde ontwikkeling zijn maatregelen benodigd om de kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen op de planlocaties. Derhalve zijn specifieke maatregelen noodzakelijk, zie H4.3. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20192024). Bij de beoogde dempingswerkzaamheden dienen enkele maatregelen getroffen te worden, zie H4.3. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2019-2024). In de omgeving van de planlocaties is het voorkomen van platte schijfhoren niet bekend (NDFF 20192024).

Het bekende verspreidingsgebied bevindt zich op 2,2 km in zuidwestelijke richting (verpreidingsatlas, 2024). De soort is lastig waar te nemen waardoor het aantal waarnemingen beperkt is. De platte schijfhoren is een zoetwaterslak die voornamelijk voorkomt in kleinschalig, schoon, voedselrijk, ondiep, helder, stilstaand water (Boesveld et al., 2009; Terrier et al., 2006). Het voorkomen van de soort is veelal gebonden aan de aanwezigheid van een diversiteit aan watervegetatie zoals krabbescheer, grof hoornblad, kikkerbeet, brede en smalle waterpest en gele lis (Boesveld et al., 2009; Terrier et al., 2006). De aanwezigheid van open, zonbeschenen water is hiervoor van groot belang. Echter zijn er ook waarnemingen bekend op plekken waar uitsluitend sprake is van begroeiing met sterrenkroos en draadalg (Kroese & Drukker, 2020). Gezien de aanwezigheid van de soort in de omgeving bekend is kan de aanwezigheid van de platte schijfhoren niet uitgesloten worden. Voorafgaande de dempwerkzaamheden dient de aanwezigheid van de platte schijfhoren in de kavelsloten en de dijksloot onderzocht te worden (zie H.4.3). Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, grauwe gans, grote bonte specht, grote zilverreiger, houtduif, kauw, knobbelzwaan, meerkoet, waterhoen en wilde eend.

Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019-2024).

13

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). De bebouwing op de planlocaties bestaat uit kleine enkelwandige schuren en twee gebouwen bestaande uit een vrachtcontainer constructie zonder dakbeschot. Er zijn in de bebouwing geen openingen aanwezig voor huismussen en gierzwaluwen die mogelijk toegang geven tot geschikte nestlocaties. Het voorkomen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot aantasting van groene delen. Echter is in de directe omgeving van planlocaties geen geschikte bebouwing aanwezig voor huismussen. Hierdoor leidt de ontwikkeling niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus en gierzwaluw is derhalve geen sprake. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn enkele grote nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Er zijn meerdere grote nesten op verschillende hoogtes in de bomen op rondom de scoutingvereniging aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat de verschillende nesten een functie hebben voor buizerd en sperwer. Vanaf de bomen is op het plangebied is voor de soorten een geschikt foerageergebied bereikbaar langs de rand van het dorp ten zuiden van het plangebied. Voor sperwer is het bosschage in het voorjaar en zomer geschikt foerageergebied, waarbij mogelijk ook gebruik gemaakt kan worden van de dorpsrand en de omliggende weilanden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en buizerd. Het weiland betreft een groot open gebied.

Echter is er ten zuiden van de planlocatie een zeer groot agrarisch gebied bestaande uit uitgestrekte weilanden dat in grote mate zeer geschikt leefgebied betrekt. Mogelijk betreft maakt de bosschage onderdeel uit van essentieel leefgebied van sperwer. Derhalve leidt de ontwikkeling mogelijk tot aantasting nestlocaties van buizerd en sperwer en mogelijk tot negatief effecten op essentieel foerageergebied van sperwer. Derhalve is aanvullend onderzoek naar essentieel foerageergebied van sperwer en van nestlocaties van sperwer en buizerd noodzakelijk. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of onder bruggen of stuwen. Er zijn geen geschikte structuren aanwezig voor grote gele kwikstaart. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten mogelijk sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties.

Tijdens het veldbezoek zijn nesten aangetroffen van ekster, houtduif en kauw. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde

14

werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waarvoor maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: boerenzwaluw, haas, huiszwaluw, kramsvogel, lepelaar, rugstreeppad, stormvogel en wulp (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld zijn: boerenzwaluw, haas, huiszwaluw, kramsvogel, lepelaar, stormvogel en wulp. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. De boerenzwaluw en huiszwaluw broeden in Nederland en overwinterteren in warme streken. De soort is voor nauw verbonden aan bebouwing waaraan de nesten worden gemaakt. De bebouwing op de planlocatie is niet geschikt voor deze soorten. Voorkomen van nesten van boerenzwaluw en huiszwaluw wordt derhalve uitgesloten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen en individuen waargenomen van haas op de planlocaties. Kramsvogel, lepelaar en stormvogel overwinteren in Nederland en trekken voor de broedperiode naar geschikt broedgebied in streken buiten Nederland.

De dichtstbijzijnde bekende verspreidingspopulatie verspreidingsgebied van de wulp ligt op enkele tientallen kilometers ten zuidwesten van de planlocatie. De planlocatie beperkt in geschikt leefgebied voor de wulp en zal derhalve geen deel uitmaken van leefgebied voor wulp. Het plangebied bestaat uit twee volkstuinverenigingen, een scoutingvereniging, een ijsbaan en enkele weilanden. Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. Er zijn geen nesten, sporen, holen, nesten en/of delen of restanten van planten en/of dieren aangetroffen van Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten. Anders dan genoemd in de soortenbescherming (H3.1). Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

15

3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 11,1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ‘(figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 11,1 km tot het Natura 2000-gebied ’Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van en verwijdering van de inrichtingen van 2 percelen, het verplaatsen van volkstuinen, een scouting en een ijsbaan. Ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen op 2 percelen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Gezien er sprake is van een grote afstand (11,1 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.

16

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 290 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 75 m ligt Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 2,1 km ligt de Groene buffer (geen kaartweergave). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 290 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl).

17

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 75 m tot het Belangrijk weidevogelgebied (bron: ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl).

3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Voor de houtopstanden geldt dat dit houtopstand type a betreft: Houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen herplantingsmaatregelen getroffen te worden. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

18

4 Conclusie en vervolg 4.1

Conclusie De beoogde sloop van de bebouwing, kap van de bomen, dempen en omleggen van de sloten en verwijderen van de terreininrichting op de percelen aan de Kerklaan en Polderlaan ten behoeve van relocatie en nieuwbouw aan de Grietpolder te Leimuiden is uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

4.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te dempen en te verleggen sloten een relevante functie heeft voor buizerd (nestlocatie), sperwer (nestlocatie en leefgebied) en platte schijfhoren (leefgebied) (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er is sprake van een reden van sociale of economische aard, buizerd en sperwer: volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

4.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar sperwer uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar sperwer wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode maart t/m juni. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar buizerd uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar buizerd wordt uitgevoerd middels vier gerichte veldbezoeken in de periode februari t/m juni. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar de platte schijfhoren plaats te vinden. De platte schijfhoren kan aangetoond worden door met een schepnet monsters van het te dempen wateroppervlakte te nemen. Deze monsters dienen onder een binoculair gedetermineerd te worden om andere gelijkende soorten uit te kunnen sluiten. De beste periode voor het inventariseren is van juni t/m september of via inventarisatie door middel van E-DNA. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

19

• Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Specifieke zorgplicht • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 4.

20

Bronvermelding Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2023) Kennisdocument Buizerd (Buteo Buteo) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites bij12.nl atlas.zuid-holland.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Fotografische impressie Juridisch kader Vervolgstappen soortenbescherming Ecologie rugstreeppad Environmental DNA (eDNA)

21

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocaties zijn gelegen aan de Kerklaan en de Polderlaan te Leimuiden. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de verwijdering van de perceelinrichtingen, de kap van de bomen en het dempen en omleggen van de watergangen ten behoeve van de relocatie van de volkstuinverenigingen, de scoutingvereniging en de ijsvereniging ten behoeve van nieuwbouw.

Figuur 2

De volkstuinvereniging op perceel 1 wordt verplaatst naar perceel 2. 22

Figuur 3

De bebouwing van de scoutingvereniging opgebouwd uit vrachtcontainers met sandwichpanelen. De bebouwing wordt gesloopt binnen de beoogde ontwikkeling.

Figuur 4

De percelen worden omringt en doorkruist door kavelsloten en de dijksloot. Er worden sloten gedempt en de dijksloot wordt gedeeltelijk verlegt en verbreedt binnen de beoogde ontwikkeling.

23

Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3.

Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -

-

“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”

De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

24

Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.

het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.

het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 25

3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten,

bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c.

de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Tabel 4.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:

26

Tabel 4.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een omgevingsvergunning voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek.

27

Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11.111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e.

naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: 1) wegbeplantingen; 2) beplantingen langs waterwegen; en 3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: 1) ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2) bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en 3) zijn aangelegd na 1 januari 2013; en j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=f935d5c1-dde2-4da5-ae95-7188279aa877