Bijlage 1. Aanmeldnotitie m.e.r.
Tekst van het document
Aanmeldnotitie MER – Boskade 7 – 7c Hoogmade Gemeente Kaag en Braassem
1
Gegevens over het plan: Plannaam: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Planontwikkeling Boskade 7 – 7c te Hoogmade 31 augustus 2023 SR230212
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Ancora Imparo Ontwikkeling BV / Barthen Rioolservice BV
Gegevens Buro SRO: Projectmedewerker: Adres: Telefoon: E-mail: Internet:
Mr. J.J. van Nuland ’t Goylaan 11 3525 AA te Utrecht 030-2679198 utrecht@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding .......................................................................................................... 4
1.1
Aanleiding .....................................................................................................................4
1.2
Waarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling .................................................................5
1.3
Toetsen van activiteiten in een vormvrij M.E.R.-beoordeling.....................................5
Hoofdstuk 2
Kenmerken van het project ............................................................................ 6
2.1
Omvang van het project ...............................................................................................6
2.2
Cumulatie met andere projecten ................................................................................6
2.3
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen .........................................................................6
2.4
Productie van afvalstoffen ...........................................................................................6
2.5
Verontreiniging en hinder ............................................................................................7
2.6 Het risico van ongevallen, met nader gelet op de gebruikte stoffen of technologieën ............................................................................................................................7 Hoofdstuk 3
Plaats van het project ..................................................................................... 8
3.1
Plaats van de activiteit .................................................................................................8
3.2
Bestaande grondgebruik .............................................................................................9
3.3 Relatieve rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied .....................................................................................................9 3.4
Opname vermogen van het natuurlijke milieu ...........................................................9
Hoofdstuk 4.
Kenmerken van de potentiële effecten ........................................................ 10
4.1
Water...........................................................................................................................10
4.2
Bodem.........................................................................................................................10
4.3
Geluid ..........................................................................................................................11
4.4
Luchtkwaliteit .............................................................................................................11
4.5
Ecologie ......................................................................................................................12
4.6
Milieuzonering ............................................................................................................12
4.7
Externe veiligheid .......................................................................................................13
4.8
Archeologie .................................................................................................................13
4.9
Verkeer........................................................................................................................14
Hoofdstuk 5
Conclusie ..................................................................................................... 15
3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Ancora Imparo Ontwikkeling BV / Barthen Rioolservice BV hebben plannen om woningbouw en een bedrijventerrein aan de Boskade 7 – 7c te Hoogmade mogelijk te maken. Voornemen is de bedrijfslocatie geschikt te maken voor meerdere bedrijfsverzamelgebouwen. Daarmee zullen op locatie meer bedrijven vestigen dan in de huidige situatie en planologisch toegestaan.. Daarnaast zal een deel van de bedrijfsbestemming herbestemd worden naar wonen. Daarmee wordt het mogelijk op locatie maximaal 8 woningen te realiseren. In de huidige situatie zijn de gronden deels bebouwd en tot voor kort als bedrijfslocatie in gebruik. Het voornemen van deze herontwikkeling past niet binnen het huidige planologische regiem. Om deze reden wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling is onderdeel van deze bestemmingsplanprocedure. In de vormvrije m.e.r.beoordeling is beoordeeld of deze ontwikkeling mogelijk kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
4
1.2
Waarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten gekoppeld aan een plan of besluit, zoals een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De m.e.r.procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- of besluitvorming mee te nemen en mee te laten wegen. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. Hierin wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, dit zijn activiteiten uit de zogenaamde D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Voor activiteiten die in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn genoemd, maar waarbij de omvang van het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden ligt dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt er, net als bij een m.e.r.-beoordeling getoetst of er mogelijke belangrijke milieugevolgen op kunnen treden door het betreffende plan of besluit. Initiatiefnemer is voornemens om maximaal 8 woningen en een nieuw bedrijventerrein te realiseren.
Het realiseren van woningen en een bedrijventerrein zijn activiteiten als bedoeld onder D11.2 en D11.3 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met in begrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen en De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. De drempelwaarde van kolom 2, die gelijk is aan een oppervlakte van 75 hectare of meer, een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer, wordt niet overschreden. Dit betekent dat er volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldingsnotitie dient het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.beoordelingsbesluit te nemen. Het uitgangspunt is dat er in principe geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij het bevoegd gezag bepaald dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.
1.3
Toetsen van activiteiten in een vormvrij M.E.R.-beoordeling
In de voorliggende aanmeldingsnotitie voor de planontwikkeling komen de volgende aspecten, zoals opgenomen in bijlage III bij de mer-richtlijn (richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26)) terug, welke afzonderlijk van elkaar worden behandeld. 1. kenmerken van de projecten; 2. plaats van de projecten; 3. kenmerken van de potentiële effecten.
5
Hoofdstuk 2 2.1
Kenmerken van het project
Omvang van het project
De initiatiefnemers hebben het voornemen om een locatie ten westen van de kern Hoogmade te ontwikkelen tot woningbouw en bedrijventerrein. Het gebied is in de huidige situatie deels bebouwd, maar is niet meer in actief gebruik. Er wordt beoogd het gebied te transformeren tot een aantrekkelijk woongebied en bedrijventerrein. Daarbij worden in het plangebied maximaal 8 woningen gerealiseerd.
2.2
Cumulatie met andere projecten
Het project is een opzichzelfstaande ontwikkeling. In de omgeving zijn, voor zover bekend, geen andere ontwikkelingen. Derhalve is er geen sprake van cumulatie van effecten van andere projecten.
2.3
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
In de aanlegfase wordt voor de bouw de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (hout, beton, metaal, etc.). Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Er zijn geen bijzondere effecten ten aanzien van natuurlijke hulpbronnen in het gebied. Binnen het plangebied zullen de woning conform BENG worden gerealiseerd. Daarmee worden er een beperkt aantal PV-panelen toegepast. Voor de verwarming van de woningen zal gebruik gemaakt worden bodemwarmtepompen met actieve koelfunctie. Voor de nieuwe woningen wordt een nieuw rioolsysteem aangelegd, waarbij verschillende maatregelen worden genomen om verstandig om te gaan met hemelwater. Ten eerste wordt het hemelwater afgekoppeld, wat betekent dat het gescheiden wordt van het afvalwater. Onderzocht wordt of het hemelwater in kratjes of een IT-riool gebufferd kan worden. Pas wanneer nodig, wordt het hemelwater geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de nabijgelegen sloten. Het is belangrijk op te merken dat er geen materialen worden gebruikt die schadelijke stoffen in het water kunnen laten lekken. Met deze maatregelen wordt gestreefd naar een efficiënt beheer van het hemelwater.
Door het afkoppelen, bufferen en verbeteren van de infiltratie wordt voorkomen dat het hemelwater direct naar het riool wordt afgevoerd, waardoor de belasting van het rioleringssysteem wordt verminderd. Dit draagt bij aan het duurzame waterbeheer van het gebied en bevordert de natuurlijke infiltratie van hemelwater in de bodem.
2.4
Productie van afvalstoffen
Als gevolg van het project zal er een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. Deze afvalstoffen komen voort uit afval uit de bouwfase. In lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval zal ook het afval gedurende de bouw in toenemende mate gescheiden worden afgevoerd. Dit resulteert in een kleinere hoeveelheid stoffen die feitelijk als afvalstoffen gezien moeten worden. De toename van de productie van afvalstoffen leidt tot een toename van de afvoerfrequentie of een andere wijze van afvoeren. De milieugevolgen hiervan zijn van een beperkte omvang.
6
Na realisatie ontstaat een stroom van afvalstoffen behorende bij het gebruik van de gronden als regulier woonwijk. De autonome ontwikkeling brengt met zich mee dat afvalstoffen meer gescheiden aangeleverd zullen gaan worden en naar verwachting in hoeveelheid zullen afnemen. Bij de bouw van de woningen en aanleg van de infrastructuur wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame en waar mogelijk circulaire materialen. Hiermee wordt de productie van afval zoveel mogelijk voorkomen. Er zijn daarom geen bijzondere kenmerken betreffende dit aspect.
2.5
Verontreiniging en hinder
Met het voorgenomen plan worden geen bedrijven of inrichtingen gerealiseerd die mogelijk kunnen leiden tot verontreinig van de bodem en of het grondwater. Hinder wordt voorkomen door de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk gedurende kantoortijden plaats te laten vinden. De omgeving zal hierdoor minimale hinder ondervinden van geluid- en trilling overlast. In de omgeving van het projectgebied zijn woningen en bedrijven aanwezig. De toekomstige woningen zijn passend in de omgeving en zullen geen hinder opleveren voor de omliggende woningen. De aanliggende bedrijven zullen niet in hun huidige bedrijfsvoering gehinderd worden. Er zijn geen bijzondere kenmerken ten aanzien van verontreiniging en hinder.
2.6 Het risico van ongevallen, met nader gelet op de gebruikte stoffen of technologieën De stoffen of technologieën die toegepast worden bij de bouwwerkzaamheden brengen geen verhoogd risico op ongevallen, anders dan de gebruikelijke risico’s bij bouwwerkzaamheden, met zich mee. Het project heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een Beviinrichting binnen het plangebied, er worden namelijk woningen gerealiseerd. Er zijn geen bijzondere kenmerken ten aanzien van dit aspect.
7
Hoofdstuk 3
Plaats van het project
Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden of dat het initiatief een negatieve invloed heeft op het omliggende milieu in de omgeving.
3.1
Plaats van de activiteit
Het plangebied van het voorliggende plan omvat de percelen rondom de Klaverwijde en Boskade 6/7c in de gemeente Kaag en Braassem. Het plangebied is gelegen ten oosten van Leiden en grenst aan de A4 en N446. Daarnaast ligt het plangebied ten noorden van de Does, een kunstmatige watergang. De percelen dat dit bestemmingsplan omvat zijn de percelen 2147, 2148, 2233, 2234, 2235, 2238 en 2239. Deze percelen bij elkaar hebben een totaaloppervlakte van circa 9 400 m². Hieronder is de globale ligging en de begrenzing van het plangebied weergeven.
Globale ligging plangebied (rode cirkel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
8
3.2
Bestaande grondgebruik
Het voorafgaande gebruik van de locatie bestaat uit gebruik t.b.v. van bedrijvigheid. Op het terrein is nog bedrijfsbebouwing aanwezig welke wordt gesaneerd.
3.3 Relatieve rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het plangebied van de planontwikkeling bevindt zich buiten een grondwaterbeschermingsgebied, wat betekent dat er geen speciale maatregelen nodig zijn om de kwaliteit van het grondwater te waarborgen. Het ontbreken van een grondwaterbeschermingsgebied draagt bij aan de uitvoerbaarheid van het plan en minimaliseert potentiële beperkingen die verband houden met het grondwaterbeheer. Daarnaast zijn er in het plangebied geen bijzondere natuurlijke hulpbronnen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling. Dit betekent dat er geen beschermde flora, fauna of andere waardevolle natuurlijke hulpbronnen zijn die speciale aandacht of mitigatiemaatregelen vereisen. Het ontbreken van deze bijzondere natuurlijke hulpbronnen vergemakkelijkt de uitvoering van het plan en vermindert eventuele ecologische risico's die gepaard zouden kunnen gaan met de planontwikkeling. Samengevat is het positief dat het plangebied zich buiten een grondwaterbeschermingsgebied bevindt en dat er geen bijzondere natuurlijke hulpbronnen aanwezig zijn.
3.4
Opname vermogen van het natuurlijke milieu
Ten aanzien van het opnamevermogen van het natuurlijke milieu zijn Natura 2000-gebieden in de omgeving van belang. De potentiële effecten op kwetsbare gebieden worden in paragraaf 4.5 nader toegelicht.
9
Hoofdstuk 4.
Kenmerken van de potentiële effecten
Bij aanzienlijke potentiële effecten van het project moet in het bijzonder de samenhang tussen de criteria genoemd in de punten 1 en 2 in overweging worden genomen. Bij de besluitvorming is het daarmee mogelijk het milieueffect mee te wegen als één van de belangen. Middels gespecialiseerde onderzoeken zijn in het kader van het bestemmingsplan de belangrijkste effecten ten aanzien van aspecten als: ecologie, water, geluid, luchtkwaliteit en bodem in kaart gebracht. Aan de hand van deze onderzoeken kan het effect van het project ingeschat worden en een gewogen oordeel gegeven worden of er sprake is van een significant negatief effect. Navolgend worden de belangrijkste resultaten van de relevante milieuaspecten uiteengezet.
4.1
Water
Voor dit project is als uitgangspunt genomen dat een vastgesteld percentage van het verharde oppervlak gecompenseerd moet worden. Nu de exacte hoeveelheid aan verharding nog niet vast staat en daarmee ook nog niet de exacte omvang van de wateropgave is dit middels een regeling in de planregels geborgd. Daarmee wordt afhankelijk van de hoeveelheid bebouwing voorzien in voldoende compensatie. Gelet op de voorgaand beschreven maatregelen wordt er voldaan aan diverse eisen voor het aspect water. Daarmee worden er geen significant negatieve effecten verwacht voor het watersysteem.
4.2
Bodem
De bestemmingswijziging van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie is een wijziging naar een strenger bodemgebruik. In het kader van de bestemmingswijziging is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Aangezien de geplande ontwikkeling een intensiever gebruik van de bodem met zich meebrengt, is een bodemonderzoek laten uitgevoerd door Grondslag op 30 maart 2023 en OrtaGeo op 27 januari 2022. Uit dit onderzoek is gebleken dat er significant verhoogde gehalten aan verontreinigingen in de bodem van het plangebied zijn aangetroffen. De initiatiefnemer gaat middels een saneringsplan het plangebied saneren voordat er gebouwd gaat worden op het plangebied. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de herontwikkeling. Het toekomstige gebruik brengt geen verhoogd risico op bodemverontreiniging met zich mee. In zijn algemeenheid leiden de beoogde gebruiken niet tot bodemverontreining. Er zijn geen significant negatieve effecten te verwachten met betrekking tot het aspect bodem.
10
4.3
Geluid
Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) worden woningen beschouwd als geluidgevoelige objecten. De planlocatie bevindt zich binnen de geluidzone van de Van Klaverweijdeweg, A4 en de HSL en in de nabijheid van enkele wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur. Om die reden wordt een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uitgevoerd. In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de voorkeurswaarde overschreden zal worden, maar een hogere ontheffingswaarde wel aangewezen kan worden. De beoogde realisatie van woonwijk heeft een emissie van geluid tot gevolg. In het plangebied zullen mensen wonen en verblijven. Daarnaast gaat het ‘wonen’ gepaard met extra verkeersbewegingen. De verkeersontsluiting zal via een 30 km/u plaatsvinden op het bestaande wegennet. De externe geluidseffecten van de te realiseren woonwijk zijn niet van dien aard dat hieruit negatieve milieueffecten te verwachten zijn. Gelet op het voorgaande zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen vanuit het aspect geluid.
4.4
Luchtkwaliteit
Het plan valt onder de vastgestelde grens van 'niet in betekenende mate'. Het beoogde plangebied is ook onderzocht met behulp van de Atlas Leefomgeving waaruit is bleken dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Op basis van de resultaten kan gesteld worden dat significante negatieve effecten op de luchtkwaliteit uitgesloten zijn.
11
4.5
Ecologie
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van en Natura 2000 gebied op NNN gebied. Het meest nabijgelegen NNN gebied ligt op een afstand van circa 270 m. Het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied ligt op een afstand van circa 5,0 km afstand. Externe effecten als gevolg van licht, geluid en trillingen zijn daarmee uit te sluiten. Gevolgen van stikstofdepositie zijn evenmin uitgesloten. Uit de berekeningen blijkt dat er in de aanlegfase van de planontwikkeling geen netto toename is van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden, zoals vastgesteld op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Dit betekent dat negatieve effecten van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de aanlegfase bij voorbaat kunnen worden uitgesloten.. Nu er geen externe effecten zijn op omliggende Natura 2000 gebieden als gevolg van licht, geluid, trillingen en stikstof zijn negatieve effecten uit te sluiten. Soortenbescherming Om aan te tonen wat de effecten van het plan op beschermde soorten en gebieden van de Wet natuurbescherming zijn, is een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit de Quickscan is naar voren gekomen dat het plangebied mogelijk geschikt leefgebied is voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
Beschermde soorten komen niet voor in het gebied.
4.6
Milieuzonering
Met behulp van het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid gecreëerd voor een gevoelige bestemming, namelijk woningen, binnen het plangebied. Het plangebied bestaat uit een woonwijk met 8 woningen. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven waarvan de milieuzones zich uitstrekken over het plangebied. Het beoogde plan maakt ook een nieuw bedrijventerrein mogelijk waardoor er sprake kan zijn van overlast. Om dit tegen te gaan is er gebruik gemaakt van milieuzonering waarmee er voldaan kan worden aan de richtafstanden zoals uitgegeven door het VNG. Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen gevormd worden voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
12
4.7
Externe veiligheid
Het plangebied bevindt zich deels binnen het aandachtsgebied van de A4. Omdat met het planvoornemen het aantal personen dat zich binnen het invloedsgebied van het aandachtsgebied bevindt met een beperkte verantwoording opgesteld worden op basis van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ’bestrijdbaarheid’. De A4 bevindt zich ten noorden van de planlocatie en staat specifiek vermeld als een transportroute voor gevaarlijke stoffen op de risicokaart. In geval van een incident met toxische stoffen op de provinciale weg N225, kan een giftige gaswolk de locatie bereiken. Er zijn geen speciale voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken of om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters na alarmering door de veiligheidsregio of via NL-Alert is voldoende. In het geval van een incident met een LPG-tankwagen, zal de bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten niet veranderen na de uitvoering van het plan. De hulpdiensten kunnen via lokale wegen het gebied bereiken om de omvang van een ramp te beperken. Personen kunnen zich in veiligheid brengen via de Doespolderweg en Van Klaverweijdeweg, mits ze tijdig worden gewaarschuwd. Er is voldoende mogelijkheid voor evacuatie van het plangebied naar de openbare weg.
Ten slotte wordt geadviseerd om de gebouwen uit te rusten met een systeem waarmee de ventilatie snel kan worden uitgeschakeld in geval van een noodsituatie.
4.8
Archeologie
Uit de raadpleging van de archeologische beleidskaart blijkt dat de planlocatie een middelhoge archeologische verwachting heeft. Volgens deze verwachtingswaarde moet er een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd bij overschrijding van de drempelwaarde. Aangezien dat het beoogde plan deze waarde overschrijdt, is er in de planregels opgenomen dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden voordat werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Hiermee worden mogelijke archeologische waarden beschermt.
13
4.9
Verkeer
Om de impact op het verkeer van de herontwikkeling te beoordelen is in het kader van het bestemmingsplan de verkeersgeneratie in beeld gebracht. Als gevolg van de ontwikkeling zullen per etmaal circa 320 motorvoertuigen gaan rijden. Het plan voorziet in een ontsluitingsweg op de Van Klaverweijdeweg. De wegcapaciteit van de Van Klaverweijdeweg kan de beperkte toename aan motorvoertuigen opvangen. Hierbij moet opgemerkt worden dat het bestaande verkeer in mindering op de ontwikkeling kan worden gebracht. Het aspect verkeer leidt niet tot significant negatieve milieueffecten.
14
Hoofdstuk 5
Conclusie
Op basis van deze aanmeldingsnotitie kunnen de conclusies getrokken worden dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Tevens blijkt uit de getoetste milieuaspecten dat er geen significant negatieve effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt en/of de benodigde vergunningen worden verkregen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het volgen van een m.e.r.-procedure zal niet leiden tot een andere conclusie en is niet benodigd voor deze ontwikkeling.
15
16