Bijlage 1.1 Samenvattende reactie Wensen en Bedenkingen
Tekst van het document
Bijlage 1.1 Samenvattende reactie op de wensen en bedenkingen op de Concept RES Datum: 5 april 2021
1. Inleiding Na het gereedkomen van de Concept RES is het stuk op 3 april 2020 naar alle partners (gemeenten, provincie, hoogheemraadschap en omgevingsdienst) toegestuurd. Aan de colleges is vervolgens gevraagd om het document voor ‘wensen en bedenkingen’ voor te leggen aan de volksvertegenwoordigers (raden, staten, Verenigde Vergadering) en voor 1 juni met een reactie te komen. Voor de zomer van 2020 hebben wij de wensen en bedenkingen ontvangen van de raden van alle 13 gemeenten en van de Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap. De Programmaraad heeft een advies uitgebracht over de Concept RES dat ook mee wordt genomen in de ‘wensen en bedenkingen-procedure'. Provinciale Staten van Zuid-Holland heeft op 23 september 2020 over alle zeven Concept RESsen vergadert en ook haar wensen en bedenkingen meegegeven. Daarnaast heeft het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (uit onze RES-regio valt Nieuwkoop hier binnen) haar wensen en bedenkingen ingediend. En we hebben van netbeheerder Liander een brief ontvangen met hun visie op de RES Holland Rijnland. Het idee achter de wensen en bedenkingen-procedure is dat de volksvertegenwoordigers in deze fase aan konden geven hoe zij aankeken tegen de Concept RES en in die zin sturing konden geven aan het proces.
Formeel is in de handreiking RES aangegeven dat de volksvertegenwoordigers de RES 1.0 vast dienen te stellen (gepland voor 1 juli 2021). Er is in de zomer van 2020 een brochure van NP RES (Regionale Energiestrategieën en besluitvorming) verschenen waarin de wensen en bedenkingen procedure wordt beschreven als een van de drie vormen van besluitvorming. Er worden twee belangrijke voordelen beschreven: “Het eerste voordeel is dat door de term “wens en bedenking” direct duidelijk is dat er in deze conceptfase nog geen besluitvorming plaatsvindt door PS, raad of algemeen bestuur. Het is niet meer en niet minder dan input door PS, raad en algemeen bestuur aan GS, college en dagelijks bestuur. Het tweede voordeel is dat er bij al die organen een vergelijkbare uitkomst in de vorm van een wens/bedenking kan worden verkregen voor het vervolg.” Alle wensen en bedenkingen zijn opgenomen in bijgaand excelsheet (bijlage 1.2). Het eerst tabblad daarvan geeft een overzicht van alle wensen en bedenkingen, onderverdeeld per organisatie. In de daaropvolgende tabbladen zijn de wensen en bedenkingen thematisch geordend: naast de vier uitvoeringslijnen Warmte, Energie en Ruimte, Energiebesparing, Duurzame Mobiliteit zijn daar de thema’s Proces, Participatie en Overig aan toegevoegd.
Door in het overzicht te klikken op de link achter de wens/bedenking, komt u terecht bij het thema waarin de wens en bedenking is ondergebracht. Daar wordt ook een reactie gegeven en wordt aangegeven wat er (per thema/onderwerp) gedaan is met de reacties. Daarin wordt een onderscheid aangebracht in 5 categorieën: 1. Overnemen in RES 1.0: was al gepland, is uitvoerbaar en/of vergt niet al te grote kosten of inzet. Dit betreffen vooral wensen om de komende periode een onderwerp nader te belichten of te onderzoeken 2. Lastig over te nemen aangezien dit veel inzet/kosten vergt, Hier is een besluit over nodig in de Stuurgroep/PHO+
1
3.
4. 5.
Lastig over te nemen aangezien de wensen en bedenkingen van verschillende partijen niet met elkaar in lijn zijn of omdat een partij iets vraagt ten aanzien van het proces dat nog niet eerder is besproken. Dit betreffen vooral wensen en bedenkingen over het ruimtelijk spoor en de kaart en over het vervolgproces. Hier is een besluit over nodig in Stuurgroep/PHO+ Niet direct over te nemen in de RES 1.0 aangezien de kennis/inzicht het komend jaar er nog niet is. We zullen het wel op de voet blijven volgen. Hier kunnen we komend jaar alleen nog maar een procesantwoord op geven Past niet in de RES 1.0. Aangeven waarom niet en of dit wel of niet elders al is of wordt opgenomen
Doel van deze bijlage is om kort en leesbaar aan te geven wat de wensen en bedenkingen op hoofdlijnen zijn en op welke wijze deze in aanloop naar de RES 1.0 verwerkt zijn. In deze notitie wordt in paragraaf 2 het vervolgproces geschetst, geven paragraaf 3 tot en met 6 de hoofdlijnen weer van de wensen en bedenkingen en de geactualiseerde reacties op de uitvoeringslijnen (Energiebesparing en Duurzame mobiliteit, Warmte en Energie en Ruimte) en paragraaf 7 de wensen en bedenkingen en reacties op de overige thema’s (Proces, Participatie en Overig). Overal waar hieronder ‘raden’ staat aangegeven, kunt u gemeenteraad, Provinciale Staten of Verenigde Vergadering lezen.
2. Vervolgproces Een eerste versie van deze notitie (en bijbehorende bijlagen met wensen en bedenkingen en het overzicht in het excelsheet) is op 23 september voorgelegd aan het PHO+ Energie, die er kennis van heeft genomen. Vervolgens zijn de wensen en bedenkingen als bijlage met de Concept RES (van 3 april 2020) meegestuurd aan het NP RES. Op drie momenten is er in het proces tussen Concept RES en RES 1.0 een reactie gegeven in het excelsheet: 1. Een eerste reactie over hoe de wens/bedenking naar verwachting verwerekt zal worden (najaar 2020) 2. Een tweede reactie over hoe de wens/bedenking in het onderzoeks- en ontwikkeltraject van de RES een plek heeft gekregen, oftewel een mogelijk actualisatie van de eerste reactie (januari 2021) 3. Een afsluitende reactie: wat is er met de wnes'bedenking daadwerkelijk gedaan en waar heeft het een plek gekregen in de RES (met een verwijzing naar hoofdstuk, paragraaf of bijlage)
3. Hoofdlijnen wensen en bedenkingen en reactie bij uitvoeringslijn Energiebesparing Een aantal raden geeft aan dat meer aandacht voor energiebesparing gewenst is. Meerdere gemeenten vragen daarbij aan RES regio Holland Rijnland om bij het Rijk aan te dringen op beter en passend instrumentarium. In dat kader is geinventariseerd welke instrumentarium gemeenten nu missen bij het realiseren van de energiebesparingsdoelstellingen. In de RES wordt het beschikbaar krijgen van deze instrumenten als randvoorwaarde meegenomen en de regiogemeenten kunnen straks samen de acties bepalen om deze instrumenten beschikbaar te krijgen.
2
Enkele gemeenten vragen een verdere uitwerking van de doelstellingen voor energiebesparing. In de RES zijn deze nu algemeen geformuleerd: in 2030 11% besparing ten opzichte van 2014, in 2050 30% besparing ten opzichte van 2014. Bij het bepalen van de potentie wordt inzicht gegeven in de bouwstenen waar energiebesparing uit bestaat, waardoor nadere detaillering mogelijk is. Daarnaast is de vraag gesteld hoe energiebesparing zich verhoudt tot de verschuiving in het gebruik van energiedragers. Kan de stijging van het elektriciteitsgebruik door vervanging van aardgas, benzine en andere fossiele brandstoffen (voor verwarming en transport) door elektriciteit, opgevangen worden door besparingen op het gebruik? De inschatting is dat de totale energievraag in 2030, onafhankelijk van hoe deze energievraag is ontstaan of opgebouwd, 11% lager kan zijn dan in 2014. In de RES 1.0 wordt dit verder worden onderbouwd. Ook bij de investeringen voor energiebesparing is er aandacht nodig voor de financiering ervan, de vraag of er voldoende draagkracht en draagvlak voor is. In ieder geval bij de vertaling van de RESdoelstellingen naar de uitvoering (in/door de gemeenten) moet daar aandacht voor zijn. Het betrekken van lokale organisaties zoals lokale energie-coöperaties is nu in veel gemeente al de praktijk.
Een aantal gemeenten vraagt om meer aandacht voor de opwek van zonne-energie op daken, zowel grote als kleine. Daarbij wordt ook een hogere ambitie bepleit, die dan onderdeel zou moeten zijn van het regionale aanbod voor opwek van duurzame energie. De energie-opbrengst van kleinschalig zon op dak (<15kWp) mag echter niet meegeteld worden in het RES-bod. Er wordt vanuit gegaan dat buiten het RES-bod om een ontwikkeling plaatsvindt op kleinschalig zon op dak (autonoom en via andere beleidsinspanningen dan de RES). Ten behoeve van de RES 1.0 is de inschatting van de potentiële capaciteit van zonne-energie geactuliseerd op zowel grote als kleine daken, is een ambitie voor zon op grote daken (0,25 TWh) en is in beeld gebracht welke belemmeringen er zijn en hoe deze kunnen worden weggenomen.
4. Hoofdlijnen wensen en bedenkingen en reactie bij uitvoeringslijn Duurzame mobiliteit Voor de uitvoeringslijn Duurzame Mobiliteit zijn er door vijf raden enkele wensen en bedenkingen meegegeven. Schonere Mobiliteit In de Concept RES staat dat wij streven naar schonere mobiliteit, onder andere door in te zetten op emissieloos vervoer. Een gemeente vraagt aandacht voor (nog) snellere verduurzaming van het openbaar vervoer. De ambitie om te komen tot zero emissie busvervoer was reeds onderdeel van de Concept RES en is dat nog in de RES 1.0. De provincie Zuid-Holland is de concessiehouder van de concessie Zuid-Holland Noord. Tijdens de inspraakperiode van het beleidskader voor de nieuwe concessie heeft Holland Rijnland ingesproken in de Statencommissie om te pleiten voor een snellere omvorming naar zero emissie busvervoer. Er wordt vanuit twee gemeenten ook aandacht gevraagd voor laadinfrastructuur. De oproep wordt gedaan om te voorkomen dat er een wildgroei van laadinfrastructuur komt. Daarnaast wordt de RES regio Holland Rijnland opgeroepen om een regierol te pakken bij de realisatie van regionale snellaadinfrastructuur. Sinds enkele jaren werken wij in de regio al samen aan de opgave voor realisatie van laadinfrastructuur. Er vindt onderlinge kennisuitwisseling plaats en waar nodig werken wij samen. In 3
gezamenlijkheid zijn voor alle gemeenten in Holland Rijnland al prognose- en plankaarten opgesteld. Eerder is het 'Plan van aanpak laadinfrastructuur Holland Rijnland' vastgesteld. Daarnaast is door RES regio Holland Rijnland in samenwerking met gemeenten de opzet 'integrale visie laadinfrastructuur' opgesteld. Gemeenten kunnen deze opzet gebruiken als basis voor hun lokale integrale visie op laadinfrastructuur. In de lokale visie geeft elke gemeente aan hoe het om gaat met de opgave voor realisatie van allerlei vormen van laadinfrastructuur, inclusief het snelladen. Het is aan gemeenten zelf om uiteindelijk te bepalen waar wel of geen laadpalen mogen worden geplaatst. Een gemeente doet ook een oproep aan met name het Rijk om het aandeel van de A4 op de totale CO2-uitstoot in Holland Rijnland te verminderen. Voor de RES 1.0 zullen wij onderzoeken hoe wij de landelijke CO2-reductie doelstelling kunnen vertalen naar Holland Rijnland. Wij zullen met name kijken waar wij als gemeenten en regio direct invloed op kunnen uitoefenen. Andere mobiliteit In de Concept RES staat dat wij streven naar andere mobiliteit. Vanuit twee gemeenten is de oproep gedaan om het gebruik van de fiets en het openbaar vervoer te stimuleren. In de Cconcept RES staat al dat wij inzetten op stimulering van andere vormen van mobiliteit zoals het openbaar vervoer en fietsen.
Verdere uitwerking hiervan vindt plaats in de Regionale Strategie Mobiliteit, in uitvoeringsplannen en het eigen gemeentelijk beleid. Impact van corona op mobiliteit Door twee gemeenten wordt gevraagd om in de RES 1.0 aandacht te besteden aan de impact van de coronacrisis op de vervoersbewegingen. De coronacrisis heeft invloed op het aantal vervoersbewegingen en de gebruikte vervoersmodaliteiten. Welke gevolgen dit heeft, zal landelijk onderzocht moeten worden. In de RES 1.0 is wel de coronacrisis benoemen. In de Regionale Strategie Mobiliteit kunnen de eventuele gevolgen van de coronacrisis als (mogelijk) kantelpunt in het mobiliteitsbeleid worden meegenomen.
5. Hoofdlijnen wensen en bedenkingen en reactie bij uitvoeringslijn Warmte Restwarmte Bijna alle raden staan in principe positief tegenover restwarmte uit Rotterdam. Wel bestaan er nog veel vragen en aanvullende wensen over deze bron, met name over het gebied dat door deze bron bediend kan worden en over alternatieven als het niet doorgaat. Inzet is om verder te gaan met de reeds gestarte actieve lobby en voorbereidingen voor de komst van restwarmte uit Rotterdam. Daarbij zal voor de Regionale Structuurvisie Warmte 1.0 (onderdeel van de RES 1.0) verder onderzocht worden of en hoe meer gemeenten dan de huidig beoogde gemeenten uit de Leidse regio, daarop kans kunnen maken. In de RES zijn als mogelijk alternatief al andere warmtescenario's in beeld gebracht. Waterstof Meerdere raden willen meer aandacht voor waterstof, ook in de vorm van vergelijkende businesscases of het in stand houden van het aardgasnet. De rol van en de afwegingen met betrekking tot waterstof zijn in de Regionale Structuurvisie Warmte (RSW) 1.0 beschreven. Voor de RES 1.0 zijn echter geen extra financiële berekeningen gemaakt over waterstofnetten, omdat die al worden gemaakt in de PBL-analyses, waarin waterstofalternatieven ook doorgerekend worden.
Het al dan niet handhaven van het aardgasnet is een afweging van de netbeheerder van dat net, die zich daarbij mede zal laten leiden door de transitievisies van de gemeenten.
4
Geothermie De kansen voor geothermie en de ingediende exploratieaanvragen worden positief ontvangen. Wel wordt door meerdere gemeenten aandacht gevraagd voor de risico's van geothermie. De geothermiekansen in de regio zijn in de RES/RSW 1.0 verder uitgewerkt en de kosten van die bron. In de nog in ontwikkeling zijnde Plan MER zal ook aandacht worden besteed aan de milieu effecten van geothermie. Aquathermie De aquathermiekansen in de regio zullen in de RES/RSW 1.0 verder gespecificeerd worden naar kansrijke buurten/wijken en waterlichamen. Overig • Er is aandacht besteed aan de gevolgen van warmteoplossingen voor de elektriciteitsvraag • In de RES/RSW 1.0 is aangegeven dat er afspraken over de verdeling van bovenlokale bronnen gemaakt zullen worden. Uitwerking daarvan vindt plaats in aanloop naar de RES 2.0 • In de RES/RWS 1.0 is een integraal beeld van mogelijke bovenlokale infrastructuur geschetst. De verkenning naar grootschalige ondergrondse opslag van hogetemperatuur warmte zal pas in RSW 2.0 nader uitgewerkt worden en is ook een optimalisatievraagstuk voor de toekomstige leverancier. WKO-oplossingen zijn lokale oplossingen en daar zal op regionaal niveau geen aandacht aan worden besteed.
6. Hoofdlijnen wensen en bedenkingen en reactie bij uitvoeringslijn Energie en Ruimte
Integraal beeld ruimtelijke claims Door de meeste gemeenten zijn opmerkingen geplaatst ten aanzien van een gewenste integrale afweging wanneer we spreken over ruimtelijke claims. De vraag naar een integraal afwegingskader rondom zaken als energie, wonen, bedrijvigheid, mobiliteit, natuur en biodiversiteit wordt door de meeste gemeenten gedeeld. Aan deze wens is op regionaal niveau gehoor gegeven door het opstellen van een Regionale Omgevingsagenda Holland Rijnland, waarvan het besluitvormingsproces parallel loopt aan dat van de RES. Gemeenten en provincie zullen ook zelf in hun omgevingsvisie deze afwegingen moeten maken. Verhogen draagvlak door participatiemogelijkheden Een meerderheid van de raden benadrukt dat een goede methode om draagvlak voor de ruimtelijke invulling van de opwekopgave kan worden verkregen door de inwoners/bedrijven ook te laten participeren in de exploitatie van nieuw te realiseren energiebronnen. Hetzij rechtstreeks, hetzij via zogenaamde energiecorporaties. Voor deze oproep bestaat ook een groot bestuurlijk draagvlak. Daaromi s er in de RES 1.0 een handreiking lokaal eigenaarschap opgesteld. Aan de RES 1.0 is een bijlage toegevoegd (6.6 handreiking Omgevingsparticipatie) waarin een handreiking wordt gedaan aan de deelnemende partijen hoe deze principes van ‘mede-eigenaarschap’ kunnen worden toegepast en verankerd in beleid.
Voorkeur denkrichting De wens om met slechts één ‘denkrichting’ de participatie in te gaan, in plaats van de twee denkrichtingen zoals deze in de Concept RES zijn opgenomen, werd breed gesteund. Daarbij heeft
5
een kleine minderheid ook een voorkeur voor één van de denkrichtingen uitgesproken. Daar waar het Hoogheemraadschap van Rijnland een lichte voorkeur had voor de denkrichting ‘Lokaal eigenaarschap & Landschap’ hadden alle gemeenten die een voorkeur kenbaar hebben gemaakt ‘gekozen’ voor de denkrichting ‘Infrastructuur & Landschap’. Aan deze wensen is gehoor gegeven door de twee denkrichtingen, daar waar zij complementair aan elkaar zijn, samen te voegen tot een. De denkrichting infrastructuur & landschap vormde hierbij het uitgangspunt waar elementen (bouwstenen) uit de denkrichting ‘Lokaal eigenaarschap & Landschap’ aan zijn toegevoegd. Deze ‘kansenkaart’ is gebruikt in het participatie-traject en daarna verder uitgewerkt tot de kansenkaart met zoekgebieden in de RES 1.0. Behoud bijzonder landschappen Een zestal gemeenten hebben wensen en bedenkingen geuit waarin zij, al of niet op basis van door hen gemaakte afspraken of interpretaties van normen, aandacht vragen voor het behoud van het door hen ervaren bijzondere landschap. Tot dan toe waren bij het opstellen van kaarten met bouwstenen door de werkgroep Ruimte & Energie alleen harde (wettelijke) restricties gehanteerd. Op zich was deze oproep om voor speciale landschappen ook ‘zachtere restricties’ te hanteren strijdig met de oproep van een aantal gemeenten om de harde restricties ter discussie te stellen.
Dit dilemma is voorgelegd aan de bestuurders tijdens een portefeuille houders overleg (PHO+) in het najaar. Daar is besloten bijzondere en kwetsbare landschappen, zoals natuurgebieden en eerste klas bollengrond, op voorhand te ontzien. Dit is verwerkt in de ‘kansenkaart’ zoals deze in het participatietraject is gebruikt en de uiteindelijke kaart in de RES 1.0. Verhouding wind en zon Door de netbeheerder (Liander) is aangegeven dat de verhouding tussen wind en zon (als opwekkingsbron) voor beide denkrichtingen in de Concept RES bijzonder ongunstig was. Meerdere gemeenten hebben in hun wensen en bedenkingen hier aandacht voor gevraagd en aangedrongen op een meer evenwichtiger verhouding tussen beide bronnen. Bij het samenvoegen van de twee denkrichtingen tot de ‘kansenkaart’ is een beoordeling gemaakt of de kaart voldoende zoekgebieden bevatte om de ideale verhouding van 1:1 vermogen tussen zon en wind te hanteren. Dat bleek zo te zijn. Als zodanig heeft deze wens ten aanzien van grote opwek geen directe gevolgen voor de zoekgebieden. Het is wel zo dat door het hanteren van een betere verhouding tussen zon en wind de bestaande investeringsagenda van Lander gevolgd kan worden en geen ruimte ‘gezocht’ hoeft te worden voor extra netwerk infrastructuur. Bij het bepalen van de kansrijke gebieden wordt de net-efficiëntie als factor meegenomen.
Alternatieve energiebronnen Verschillende gemeenten vragen extra aandacht voor andere energiebronnen, de ontwikkeling hiervan of de opslag voor energie. In de handreiking van het NP RES staat specifiek beschreven welke energiebronnen gehanteerd mogen worden. Het bod van RES regio Holland Rijnland zal dan ook uitsluitend op deze bronnen gebaseerd zijn. Echter, in het proces van de RES (iedere twee jaar een herijking/herziening) is ruimte om deze ontwikkelingen te volgen en te zijner tijd alsnog te betrekken bij de afweging en het regionale bod.
7. Hoofdlijnen wensen en bedenkingen en reactie bij overige thema’s Naast wensen en bedenkingen over de uitvoeringslijnen zijn er ook veel wensen en bedenkingen gericht op andere thema’s. Wij hebben daarbij een onderscheid aangebracht in Proces, Participatie en Overig.
6
Proces Door veel partijen worden kanttekeningen geplaatst bij de rol van de provincie. De provincie is enerzijds partner in het Regionaal Energieakkoord en de RES en neemt anderzijds een toetsende rol in, vooral op het ruimtelijke terrein, bij de RES. Daarbij worden vanuit het provinciale coalitieakkoord ruimtelijke restricties opgeworpen bij duurzame opwekking van energie. Daarnaast wordt gepleit om te lobbyen bij het Rijk voor adequate instrumenten voor gemeenten om de energietransitie vorm te kunnen geven en in goede banen te kunnen leiden. De discussie over instrumentarium en regelgeving is een landelijke. RES regio Holland Rijnland is een van de 30 regio's. In de Concept RES staan de wensen en randvoorwaarden reeds aangegeven en deze zijn verder geconcretiseerd in de RES. De RES regio brengt alle wensen en randvoorwaarden, zo mogelijk gezamenlijk met andere RES regio's (in Zuid-Holland verband), in bij het NP RES en bij het Rijk. In de periode tussen Concept RES en RES 1.0 is dat vooral het geval geweest ten aanzien van het thema warmte. Ook wordt er gepleit voor een helder vervolgtraject en besluitvormingsproces en afstemming met andere regio’s. Er wordt nu al goed samengewerkt met de RES regio's in Zuid-Holland. Ook is er contact met de buurregio Noord-Holland Zuid.
Participatie In de wensen en bedenkingen wordt een aantal maal gerefereerd aan het participatietraject rondom de RES. Regionaal is – door bureau EMMA - een Communicatie- en participatieplaan RES opgesteld, waarin kaders waren weergegeven en een toolbox werd aangereikt. In de periode van oktober 2020 tot en met januari/februari 2021 is het participatietraject in gezamenlijkheid vormgegeven. Elke gemeente heeft dit op haar eigen manier gedaan. Hoe zit het met de betrokkenheid van de energie coöperaties? Op regionaal niveau zijn de energiecoöperaties vertegenwoordigd in de Programmaraad. Op lokaal niveau spelen energiecoöperaties en andere maatschappelijke initiatieven een belangrijke rol bij de uitwerking en uitvoering van de energietransitie. In de RES 1.0 is een handreiking gedaan voor verdere uitwerking en vormgeving van omgevingsparticipatie. Overig En er zijn nog diverse andere wensen en bedenkingen ingediend. Drie belangrijke vragen daarbij: is er aandacht voor de sociale kant van de energietransitie? Hoe zit het met de kosten? En wordt er ingezet op innovatieve ontwikkelingen? In de RES 1.0 is de sociale kant van de energietransitie nog niet verder uitwerkt. De aandacht richten zich vooral op andere thema's. In aanloop naar de RES 2.0 zal dit thema verder uitgewerkt worden, in samenwerking met maatschappelijke organisaties (o.a. die uit de Programmaraad).
In de RES 1.0 zijn ontwikkelingen, ambities, vraag en aanbod nader uitgewerkt. Ook zijn mogelijke maatregelen en instrumenten concreter uitgewerkt. Ten aanzien van de kosten zijn er echter nog nauwelijks indicaties te geven. Er is en blijft aandacht voor innovaties. Ook wordt er actief gekeken waar we in onze regio pilots en proefprojecten op kunnen zetten.
7