Bijlage 05 Flora- en faunaonderzoek (2023-03)
Tekst van het document
FLORAEN FAUNAONDERZOEK DRECHTHOEK II TE LEIMUIDEN
Opdrachtgever
:
KuiperCompagnons T.a.v. De heer R. Kool Postbus 13042 3004 HA Rotterdam
Vestiging
:
ABO-Milieuconsult B.V. Curieweg 19 2408 BZ Alphen aan den Rijn tel. +31 (0)172 449827
Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage
: : :
ANL23-7721 Maart 2023 13 maart 2023
Veldmedewerkers:
De heer R.F.M. Sluijs (Ecoloog)
Projectadviseur:
De heer D.D.C.A. Bijl
Handtekening:
Dhr. R.J. van der Helm General Business Unit Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doel van het onderzoek .................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ....................................................................................................................................... 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................................ 4 2.1 Bureaustudie ................................................................................................................................... 4 2.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 4 2.3 Effectenbeoordeling ........................................................................................................................ 4 3.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................... 5 3.1 Ligging plangebied.......................................................................................................................... 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied .................................................................................... 6 4. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................. 8 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten .................................................................................. 8 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland ...................................................... 9 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING ................................................................................ 10 5.1 Vleermuizen .................................................................................................................................. 10 5.2 Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................................... 11 5.3 Vaatplanten ...................................................................................................................................
12 5.4 Vogels ........................................................................................................................................... 12 5.5 Amfibieën en reptielen .................................................................................................................. 13 5.6 Vissen ........................................................................................................................................... 14 5.7 Overige beschermde soorten ....................................................................................................... 14 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL ............................................................... 15 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 .......................................................................... 15 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 .......................................................................... 15 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ............... 16 6.4 Checklist groen bouwen ............................................................................................................... 16 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ................................................................................................ 17
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
2/20
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van KuiperCompagnons is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen tussen de Burgemeester Bakhuizenlaan en Waaier in Leimuiden. Aanleiding voor het uitvoeren van dit floraen faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot sloop van alle opstallen in het plangebied en de realisatie van nieuwbouw, plan Drechthoek II. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. In de bijlage volgt een opsomming van de gebruikte literatuur en bronnen en een fotobijlage.
Afbeelding 1: Schetsontwerp Drechthoek II. Bron: AW Groep
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
3/20
2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 8 maart 2023 in de middag bij bewolkt weer en circa 3ºC. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.
De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.
Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
4/20
3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Leimuiden. Het ligt nabij de Westeinderplassen, langs de N207 en het grenst aan een bedrijventerrein. Het wordt omringt door de straten Burgemeester Bakhuizenlaan, Overloop, Waaier en Oosterweg. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 of strategische reservering natuur. Belangrijk weidevogelgebied en strategische reservering natuur liggen niet binnen een kilometer van het plangebied. Binnen een straal van 10 kilometer liggen geen Natura 2000-gebieden.
Afbeelding 2: Ligging plangebied (rode kader) ten opzichte van beschermde gebieden. NNN = donkergroen. Bron: Atlas van de leefomgeving.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
5/20
3.2 Algemene beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat voor het overgrote deel uit akkerland. In het plangebied liggen meerdere watergangen, waarvan enkele beschoeid. Tegen de Overloop aan staan een treurwilg en zwarte els (1). De overige bomen in het plangebied staan op het erf van de twee woningen in het plangebied. Beide woningen (2 en 5) hebben meerdere bijgebouwen, waaronder beide een glazen kassencomplex (7 en 8) met bijbehorend waterreservoir. Beide woningen en bijgebouw 3 hebben een pannendak. Schuren 4 en 6 hebben een golfplatendak. Hieronder volgen enkele foto’s van het plangebied. Meer foto’s zijn te vinden in de fotobijlage.
Afbeelding 3: Overzicht van de gebouwen en bomen in het plangebied.
Afbeelding 4: Woning 5
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
6/20
Afbeelding 5: Schuur (6)
Afbeelding 6: Kas (8)
Afbeelding 7: Woning 2 en bijgebouw 3
Afbeelding 8: Bijgebouw 3
Afbeelding 9: Overzicht gebouwen
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
7/20
4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
8/20
4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: -a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; -(b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander, Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
9/20
5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek In het plangebied staan verschillende opstallen, waardoor gebouwbewonende soorten kunnen worden verwacht. Hieronder vallen volgens de verspreidingsgegevens gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. In het plangebied staan meerdere bomen. Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger kunnen boomholtes gebruiken als paarverblijf. Rosse vleermuis is de enige echte boombewonende soort die voorkomt volgens verspreidingsgegevens. Deze soort is met name aanwezig op landgoederen met meerdere oude bomen en wordt niet verwacht in het plangebied. De bomen moeten worden onderzocht op holtes die voor vleermuizen geschikt zijn om in te verblijven, zoals naar boven ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Resultaten veldbezoek Woning 2 en bijgebouw 3 hebben geen open stootvoegen. De dakpannen sluiten overal goed aan en er zijn geen kieren tussen boeidelen en muren. De kant- en nokpannen sluiten nauw aan op de gevel, waardoor er geen kieren voor vleermuizen aanwezig zijn. De schuur met golfplatendak is niet geïsoleerd en heeft geen voor vleermuizen geschikte verblijfplaatsen. In de bomen op het terrein van woning 2 zijn geen voor vleermuizen geschikte openingen aanwezig.
Afbeelding 10: Close-up foto’s gevel, dakvlak en aansluitingen pannen op gevel.
Woning 5 heeft alleen open stootvoegen op 30 cm van de grond. De dakrand sluit goed aan op de gevel en de pannen zijn sneldekkers, waar geen ruimte in zit voor vleermuizen. Er is voor vleermuizen geen mogelijkheid om onder nok- of kantpannen te vliegen. De schuur met golfplatendak is niet geïsoleerd en heeft geen voor vleermuizen geschikte verblijfplaatsen. In de bomen op het terrein van woning 5 zijn geen voor vleermuizen geschikte openingen aanwezig.
Afbeelding 11: Close-up foto’s van gevel en open stootvoegen woning 5.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
10/20
De glazen kassen in het plangebied zijn niet geïsoleerd en hebben geen verblijfplaatsen voor vleermuizen. Verschillende landschappelijke structuren, een pré om te voorzien in foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen, ontbreken. Een doorlopend lijnvormig element is niet aanwezig in het plangebied. De omgeving van het plangebied is aan vrijwel continue verstoring door verkeer onderhevig. De kans dat eventueel in de omgeving verblijvende vleermuizen verstoord worden door de werkzaamheden is daardoor nihil. Conclusie vleermuizen De beide woningen en bijgebouwen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. In de bomen zijn geen geschikte openingen aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat verblijfplaatsen van vleermuizen niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Een lijnelement is niet aanwezig. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kunnen noordse woelmuis en waterspitsmuis voorkomen.
De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. De noordse woelmuis komt vooral voor in nattere gebieden. Rietlanden, langs meren, langs beken, langs rivieren en hooi- weilanden. De noordse woelmuis is een soort die in veel verschillende biotopen kan leven. Belangrijk is dat er het gehele jaar door voldoende voedsel en dekking aanwezig is. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. Ze mijden door struiken en bomen gedomineerde begroeiingen. Resultaten veldbezoek Op het akkerland in het plangebied wordt nog geteeld. De oevers van de sloten in het plangebied zijn niet kruidenrijk en worden regelmatig gemaaid. De sloten in het plangebied hebben geen goede onderwatervegetatie (te veel bemesting door maisteelt) en ruig begroeide oevers ontbreken. Bodembedekkende vegetatie en dekking ontbreken in het akkerland.
Deze zijn wel in zeer beperkte mate aanwezig in de gecultiveerde tuinen. Overgangszones en natte gebieden ontbreken in het plangebied.
Afbeelding 12: Beschoeide oever van de sloot tussen plangebied en Waaier. Afbeelding 13: Sloot tussen akkers.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
11/20
Afbeelding 14: De sloot en de akkers daarachter behoren tot het plangebied.
Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat het plangebied ongeschikt biotoop is voor beschermde soorten zoogdieren. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht. 5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. 5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Huismus, gierzwaluw en andere soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, worden gemeld in Leimuiden. Bebouwing is aanwezig waardoor geschikte invliegopeningen aanwezig kunnen zijn voor gierzwaluw of huismus. Uilen en roofvogels, waarvan het nest jaarrond beschermd is, kunnen in de bomen in het plangebied broeden. Resultaten veldbezoek Op de daken van beide woningen en bijgebouwen sluiten de pannen goed aan. Bij woning 5 is vogelschroot aanwezig tussen de eerste rij pannen en de goot. Bij woning 2 en bijgebouwen (3 en 4) zijn geen huismussen waargenomen. Deze hebben ook geen plaats tussen goot en dakpannen.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
12/20
Door de goed sluitende pannen is het voor gierzwaluw evenmin mogelijk in te vliegen en een nest te hebben in het plangebied.
Afbeelding 15: goot woning (2) met nestkast op de voorgrond. Afbeelding 16: vogelschroot bij woning (5).
Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen waargenomen. In de bomen in het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Waterhoentjes broeden in de slootjes tussen de akkers. Eveneens zullen in het groen en nestkasten in het plangebied vogels gaan broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Conclusie vogels Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden. Voor huismus is het plangebied geen essentieel leefgebied, omdat de soort er niet broedt en niet is waargenomen. Door de aanwezige bomen, struiken, sloten en nestkasten is het aannemelijk dat vogels in het plangebied gaan broeden. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van vogels. De nestbescherming geldt voor alle soorten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere vogel is tijdens het broeden beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot eind augustus in verband met het broeden van waterhoen. Het is mogelijk om aan te vangen voor het broedseizoen en continu (weekenden uitgezonder) door te werken in het broedseizoen.
Indien er wordt gestart in het broedseizoen, dan moet door een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden worden nagegaan of verstoring van broedvogels plaatsvindt. 5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek Volgens verspreidingsgegevens komt rugstreeppad voor. Rugstreeppadden zijn warmteminnend en komen daarom vooral voor in gebieden waarvan de bodem vaak sterk opwarmt en waarin ze kunnen graven. De rugstreeppad is vooral een soort die voorkomt op terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is bouwmateriaal om onder te schuilen een voorwaarde. Water dat snel opwarmt en waarin ze kunnen zitten, moet eveneens in de buurt zijn. Resultaten veldbezoek In het plangebied zijn vanwege de tijd van het jaar geen amfibieën en reptielen waargenomen. De watergangen in het plangebied zijn te diep om snel op te warmen. Poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan zijn niet aanwezig in het plangebied. Het landbiotoop is door akkerbouw ongeschikt voor rugstreeppad. Algemene soorten kikkers kunnen wel voorkomen in het plangebied.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
13/20
Beschermde reptielen kunnen op basis van verspreidingsgegevens worden uitgesloten. Rugstreeppad kan op basis van biotoop worden uitgesloten. Rugstreeppad is waargenomen in het 5x5 km hok waarbinnen het plangebied valt. De exacte locatie is niet bekend. De drukke wegen rond het plangebied vormen een grote barriere en zorgen er daardoor voor dat het niet aannemelijk is dat rugstreeppad het plangebied zal koloniseren. Vanwege afwezigheid van beschermde soorten zijn nader onderzoek naar het voorkomen van en maatregelen met betrekking tot beschermde soorten niet noodzakelijk. Voor aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht. 5.6 Vissen Resultaten bureauonderzoek De voorgenomen plannen voorzien in ingrepen in het water. De volgende vissen zijn in Nederland beschermd: beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper en kwabaal. De kreeftachtige Europese rivierkreeft wordt hier ook meegenomen, omdat deze soort, net als vissen, gebruik maakt van watergangen. Volgens verspreidingsgegevens komen deze beschermde soorten niet voor binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied. Resultaten veldbezoek De sloten in het plangebied voldoen niet aan de eisen die door bovengenoemde soorten worden gesteld. In de sloten kunnen algemene soorten vissen voorkomen. Conclusie vissen Beschermde soorten komen niet voor.
Voor algemene soorten geldt: Werkzaamheden in de watergangen dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden in de maanden september en oktober (na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën). Werkzaamheden in watergangen kunnen alleen plaatsvinden als zowel de watertemperatuur als de luchttemperatuur boven het vriespunt en beneden de 25 °C liggen en wanneer geen sprake is van ijsvorming. Bagger dat vrijkomt tijdens werkzaamheden dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van dieren (amfibieën en vissen). Indien dieren worden aangetroffen, dienen de soorten teruggeplaatst te worden in een geschikt leefgebied in de nabije omgeving, waar geen werkzaamheden zullen plaatsvinden. 5.7 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek. Volgens verspreidingsgegevens komen platte schijfhoren en bruin blauwtje voor. Platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalg-vegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbescheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. Lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water. Bruin blauwtje heeft als waardplanten diverse soorten ooievaarsbek, met name kleine ooievaarsbek en gewone reigersbek. Ook zonneroosje soorten.
De vlinder komt voor op droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden en kalkgraslanden. Voor het bruin blauwtje geschikte graslanden worden gevonden in de duinen, op dijken en rivierduintjes, in wegbermen en op opgespoten en ruderale terreinen. De vlinder vliegt vooral op warme, droge plaatsen en heeft een voorkeur voor gebieden met een afwisseling van open grond en begroeide plaatsen. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van soort specifieke waardplanten en overige habitat. Een goed ontwikkelde watervegetatie ontbreekt in de sloten in en rond het plangebied. De sloten zullen last hebben van de vermesting door akkerbouw. Conclusie overige beschermde soorten De verschillende soorten libellen, vlinders en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander biotoop dan het plangebied. Met beschermde overige diersoorten hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
14/20
6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onaannemelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna worden niet verwacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Zodra een niet in de Wet natuurbescherming beschermd in het wild levende dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel. Inachtneming van de zorgplicht betekent dat men het struikgewas handmatig en gefaseerd kapt, in plaats van met bulldozer of graafmachine. De egel is met name 's nachts actief. Door de werkzaamheden overdag te plannen wordt verstoring zoveel mogelijk voorkomen. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot eind augustus), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
15/20
6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied Soort(groep) Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Vogels Amfibieën en reptielen Vaatplanten Vissen Overige soorten
Ingreep verstorend Nee
Nader onderzoek Nee
Ontheffing
Nee
Nee
Nee
Bijzonderheden/ opmerkingen Geen verblijfplaatsen aanwezig, het plangebied heeft geen essentiële functie voor vleermuizen. Geen beschermde soorten aanwezig.
Mogelijk* Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee
*Hou rekening met het broedseizoen. Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig.
Nee
Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies. 6.4 Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. https://www.checklistgroenbouwen.nl/
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
16/20
LITERATUUR EN BRONVERMELDING Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland Stichting RAVON: www.ravon.nl Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www.vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Verstoringsgevoeligheid van vogels, Krijgsveld e.a. in opdracht van Vogelbescherming, maart 2022 Nationale Databank Flora en Fauna, Verspreidingsatlas. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/ De Vlinderstichting: www.vlinderstichting.nl Stichting Anemoon: www.anemoon.nl
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
17/20
Fotobijlage
Sloot in het plangebied. De knotwilg op de voorgrond staat langs de Oosterweg. In de knotwilgen zijn geen nestholtes voor steenuil aangetroffen.
Waterhoen die in de ruigte aan de oever broedt.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
18/20
Kassencomplex in het plangebied en moestuin buiten het plangebied. De sloot behoort tot het plangebied.
Burgemeester Bakhuizenlaan met rechts het plangebied.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
19/20
Het plangebied bevindt zich links van de Oosterweg. Alle bomen links van die weg behoren tot het plangebied.
Gecultiveerde tuin woning 5 en zicht op woning 2 met bijgebouwen. De akker ertussen behoort ook tot het plangebied.
Flora- en faunaonderzoek, Drechthoek II te Leimuiden, ANL23-7721
20/20