Agendabundel
Tekst van het document
In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor de uitbreiding van bedrijfsgebouwen geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als een kantoor en bedrijfsgebouw met respectievelijk 540 m² en 400 m² worden uitgebreid. Planspecifiek Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
15
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Het plan betreft het wijzigen van een bestemming ‘Agrarisch’ in de bestemming ‘Bedrijf’, en de huidige schuren te slopen voor de realisatie van een nieuwe opslagloods. Er zal 657 m² worden gesloopt en een loods van ca. 860 m² worden gebouwd. De bebouwing zal derhalve met ca. 203 m² worden uitgebreid, waardoor geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Gezien de beperkte ontwikkelingen ter plaatse is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Het plan dient derhalve dan ook niet te worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Conclusie Gezien de beperkte ontwikkelingen ter plaatse is er conform jurisprudentie (onder meer in de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door de Ladder voor duurzame verstedelijking.
4.1.4 20 KE-zone Schiphol en Luchthavenindelingbesluit Het Luchthavenindelingbesluit (Lib) is een uitwerking van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. Op 26 november 2002 is het Luchthavenindelingbesluit Schiphol vastgesteld, dat op 20 februari 2003 in werking is getreden, waarmee binnen een aangewezen ‘beperkingengebied’ beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven. Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent beperking van: a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; c. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; d. een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. Het besluit tot wijziging van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in verband met wijziging van het luchthavengebied is op 1 juli 2014 in werking getreden (Staatsblad 2014, 193).
Het besluit tot wijziging van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in verband met wijziging van het beperkingengebied en de regels met het oog op de vliegveiligheid is op 3 november 2015 bekendgemaakt en met ingang van 4 november 2015 in werking getreden.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
16
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Het besluit tot wijziging van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in verband met wijziging van de regels met het oog op de externe veiligheid en de geluidbelasting alsmede wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in verband met een omissie is op 1 januari 2018 in werking getreden (Staatsblad 2017, 402). Met de wijziging van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in verband met wijziging van de regels met het oog op de externe veiligheid en de geluidsbelasting wordt beoogd om het aantal knelpunten te verminderen. Gemeenten krijgen meer eigen afwegingsruimte en daarmee eigen verantwoordelijkheid, door flexibilisering van de regels ten aanzien van binnenstedelijke ruimtelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij herstructurering van bestaand stedelijk gebied en herbouw van in een bepaald gebied reeds aanwezige of in het verleden aanwezige gebouwen. Voorts zijn de criteria waaraan een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar van de Minister om te mogen afwijken van het LIB werd getoetst zoveel mogelijk opgenomen in de regels van het besluit zelf. Hierdoor hebben gemeenten deze verklaring niet meer nodig om positief te kunnen besluiten over een omgevingsvergunning. De planlocatie is gelegen in het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.
Afbeelding 8, Luchthavenindelingbesluit Schiphol, bijlage 2 beperkingengebied De planlocatie valt buiten het beperkingengebied bebouwing van het Luchthavenbesluit Schiphol, gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 1 t/m 5 zijn aangewezen.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
17
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Afbeelding 9, Luchthavenindelingbesluit Schiphol, bijlage 3 beperking bebouwing Op de planlocatie geldt een toetshoogte van 146 m NAP. Het initiatief is hiermee niet in strijd.
Afbeelding 10, Luchthavenindelingbesluit Schiphol, bijlage 4 maatgevende kaart toetshoogtes (overzichtskaart) Conclusie Onderhavig initiatief valt buiten het beperkingengebied bebouwing van het vigerende Luchthavenindelingbesluit Schiphol. Tevens is het plan niet in strijd met de hoogtebeperkingen ter plaatse. Derhalve is het plan in overeenstemming met het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
18
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
4.2. Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meest recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is op 1 augustus 2020 in werking getreden. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende vier onderdelen: 1. Ruimtelijke hoofdstructuur Introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur; 2. Ambities en sturing De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. 3. Omgevingskwaliteit een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. 4. Beleidskeuzes De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Dit bestaande beleid is integraal toegankelijk via de digitale raadpleegomgeving. Planspecifiek 1. Ruimtelijke hoofdstructuur Gezien de aard en omvang van het initiatief is de ruimtelijke hoofdstructuur niet specifiek van toepassing voor onderhavig initiatief. 2.
Ambities en sturing De ambities van de provincie Zuid-Holland zijn niet specifiek van toepassing voor onderhavig initiatief, en vormen tevens geen belemmering voor het bouwplan 3. Omgevingskwaliteit Buiten bestaand stad en dorpsgebied De planlocatie is gelegen binnen ‘Buiten bestaand stads en dorpsgebied 2018’ van de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
19
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Afbeelding 11, kaart 2 Buiten bestaand stads en dorpsgebied 2018 Het bouwplan is een kleinschalige stedelijke ontwikkeling, kleiner dan 3 hectare, in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied en het bebouwingslint van de Herenweg te Rijnsaterwoude waarbij verouderde bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. 4. Beleidskeuzes Ruimtelijke kwaliteit Ter plaatse is behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van toepassing. Door het vervangen van verouderde bedrijfsbebouwing door nieuwbouw zal de omgevingskwaliteit verbeteren. Conclusie Het plan is een passende (her)ontwikkeling binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland, en in lijn met de provinciale ambities.
4.2.1 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening in werking getreden. De omgevingsvisie en de omgevingsverordening zijn instrumenten die onderling sterk met elkaar samenhangen. In de systematiek van de Omgevingswet is de inhoud van de omgevingsvisie voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. Vandaar dat de inhoud van beide kerninstrumenten gelijktijdig wordt vastgesteld.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
20
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
De regels in de provinciale omgevingsverordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De provinciale verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid
Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 (Ruimtelijke kwaliteit) van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1.
een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
Planspecifiek De planlocatie is niet gelegen in een gebied met ruimtelijke (top)kwaliteit en beschermingscategorieën. Het plan betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang, met een beperkte ruimtelijke impact op de gebiedskwaliteiten. Door de sloop van verouderde bebouwing zal de ruimtelijke kwaliteit in het gebied toenemen. Het bouwplan heeft geen invloed op aanwezige openbare recreatie- en natuurgebieden in de omgeving. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
21
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie gemeente Kaag en Braassem Op 26 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de ‘Omgevingsvisie gemeente Kaag en Braassem’ vastgesteld. De Omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is onderverdeeld in verschillende thema’s die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en verschillende gebiedstypen. De Omgevingsvisie gaat in op zaken als recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Met de omgevingsvisie wil de gemeente Kaag en Braassem samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Samenwerking is maatwerk en de rol van de gemeente Kaag en Braassem is afhankelijk van de rol die samenwerkingspartners (willen) pakken. Per situatie, per dorp, per buurt, per vraagstuk, per organisatie wordt bekeken welke rol de gemeente Kaag en Braassem zal innemen.
In de Omgevingsvisie gemeente Kaag en Braassem staan de volgende thema’s centraal: - Energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; - Natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; - Wonen in Kaag en Braassem; - Gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; - Sociaal Kaag en Braassem; - Mobiliteit in Kaag en Braassem; - Veilig Kaag en Braassem. De gemeente Kaag en Braassem is in vier verschillende soorten gebiedstypen opgedeeld: - Buitengebied - Glastuinbouwgebieden - Bedrijventerreinen - De kernen Voor de verschillende gebieden zijn kenmerken en waarden bepaald zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. Op de visiekaart heeft de planlocatie het gebiedstype ‘Centrum Dorps’
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
22
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Afbeelding 12, Visiekaart gemeente Kaag en Braassem Planspecifiek Voor ontwikkelingen in Rijnsaterwoude ligt de nadruk op het behoud van het bestaande karakter, ontwikkelingen moeten passen binnen de aard en schaal van de omgeving. Het slopen van de huidige bedrijfsbebouwing met een oppervlakte van ca. 657 m² voor de realisatie van een nieuwe opslagloods met een oppervlakte van ca. 860 m² is een passende ontwikkeling. Conclusie Het bouwplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie gemeente Kaag en Braassem.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
23
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
4.3.1 Welstandsnota Kaag en Braassem Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Welstandsnota vastgesteld.
Afbeelding 13, Welstandsnota gemeente Kaag en Braassem De planlocatie is gelegen in welstandsluw gebied. In welstandsluwe gebied behoeft voor aanvragen voor een omgevingsvergunning geen welstandstoets te worden gedaan. Planspecifiek Het bouwplan is in overeenstemming met de Welstandsnota.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
24
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Hoofdstuk 5 Water 5.1 Kader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld. Wettelijk kader Het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen hebben in februari 2001 de Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw ondertekend. Deze startovereenkomst is in 2003 omgezet in het Nationaal Bestuursakkoord Water dat in juni 2008 is geactualiseerd. Hiermee hebben deze partijen elkaar gecommitteerd om een watertoets toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorts bepaald dat waterbeheerders dienen te worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen.
De watertoets is een instrument om bij alle ruimtelijke plannen en besluiten waarin waterhuishoudkundige aspecten voorkomen te toetsen of in voldoende mate rekening wordt gehouden met die aspecten. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor de waterkwantiteit (ruimte voor water, berging, infiltratie, aan- en afvoer), aandacht voor effecten op de waterkwaliteit en aandacht voor de veiligheid (overstroming). Rijksbeleid Het rijksbeleid is in diverse nota's vastgelegd. De meest directe beleidsplannen zijn de Vierde Nota Waterhuishouding en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Deze plannen hebben tot doel om in de periode tot 2015 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden. Het gaat daarbij om het aanpakken van de gevolgen van de zeespiegelstijging, bodemdaling en een veranderend klimaat. Belangrijk onderdeel is om de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen, afvoeren' in alle overheidsplannen als verplicht afwegingsprincipe te hanteren. Tevens is in het NBW vastgelegd, dat de watertoets een verplicht te doorlopen proces is in waterrelevante ruimtelijke planprocedures. Hierdoor wordt een vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder in de planvorming gewaarborgd. Verder is water in de Nota Ruimte een belangrijk structurerend principe voor bestemming, inrichting en gebruik van de ruimte.
Om problemen met water te voorkomen moet, anticiperend op veranderingen in het klimaat, de ruimte zo worden ingericht dat water beter kan worden vastgehouden of geborgen. Vierde Nota Waterhuishouding Ten aanzien van de waterhuishouding is het rijksbeleid verwoord in de Vierde Nota Waterhuishouding. Deze nota vormt de basis voor de watertoets, welke in het Besluit ruimtelijke ordening voor alle ruimtelijke plannen is voorgeschreven. Centrale doelstelling van de nota is "Het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het in stand houden en versterken van Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
25
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". In de nota is beleid geformuleerd ten aanzien van verschillende watersystemen, waarbij onder meer veiligheid (beheer waterkeringen) en kwaliteit centraal staan. Ook wordt gestreefd naar goede afstemming tussen verschillende overheden en daarbij horende (ruimtelijke) plannen. In de Vierde Nota Waterhuishouding is het water in de stad apart benoemd, door middel van zeven aangrijpingspunten: 1. het uitvoeren van een knelpuntenonderzoek stedelijk waterbeheer; 2. het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie van gemeenten en waterbeheerders op het waterbeleid en doorvertaling naar bestemmingsplannen en waterbeheersplannen; 3. een meer op ecologische, hydrologische aspecten en belevingswaarde gebaseerde planning van de verstedelijking; 4. aandacht voor de waterketen in relatie tot duurzaam bouwen; 5. voortgaan met het opstellen en uitvoeren van gemeentelijke rioleringsplannen, het terugdringen van overstortingen en het verwijderen van vervuilde waterbodems; 6. het bevorderen van waterbesparing en hergebruik van water; 7. het afkoppelen van verhard oppervlak en infiltratie van water in de bodem. Provinciaal beleid Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015.
Dit waterplan is 11 november 2009 door Provinciale Staten vastgesteld. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: a. Waarborgen waterveiligheid. b. Zorgen voor mooi en schoon water. c. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening. d. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem. De planperiode van het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 is geëindigd op 22 december 2015. Op grond van artikel 4.8 Waterwet dient het waterplan eenmaal in de zes jaren door Provinciale Staten te worden herzien. Waar de herziening uit bestaat, is niet nader ingevuld. Een geheel nieuw plan is hiervoor niet nodig; er kan volstaan worden met een planherzieningsbesluit. Het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water.
Dit maakt een volledig nieuwregionaal waterplan overbodig. Het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 bevat geen nieuw beleid. Het verwijst naar de diverse vastgestelde beleidsdocumenten waarin het waterbeleid inmiddels geactualiseerd is opgenomen. Verder benoemt het besluit op welke onderdelen het beleid van het Provinciaal waterplan Zuid-Holland 2010-2015 van kracht blijft.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
26
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
5.2 Keur en Beleidsregels Hoogheemraadschap van Rijnland 2015 Per 1 juni 2020 is een nieuwe Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland in werking getreden. Deze keur van Rijnland is na een grootschalige dereguleringsslag tot stand is gekomen. Dit houdt in dat er gebroken is met de gangbare manier van regulering, waarbij als uitgangspunt werd gehanteerd: alle handelingen in het watersysteem zijn zonder vergunning verboden. Het uitgangspunt van deze keur is ‘ja, tenzij’: in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze keur anders is bepaald. Indien dat het geval is, zijn er nadere regels voor die handelingen vastgesteld. Nadere regels zijn voorschriften van een algemene regel of voorwaarde waaronder een vergunningplichtig(e) werk of handeling wordt toegestaan. De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt.
De Keur en Beleidsregels van Rijnland zijn te vinden op de website: www.rijnland.net. Ingevolge artikel 3.2 - Algemene regels (ja, mits)) van de Keur Rijnland 2020 is het toegestaan om o.a. de volgende handelingen in het watersysteem te verrichten of te laten verrichten: “Het aanleggen van 500 m² tot 5000 m² verharding, wanneer: i. deze verharding in een op kaart 15 weergegeven gebied ligt en de neerslag die hierop terecht komt niet volledig in de bodem infiltreert, of ii. deze verharding wordt aangelegd op onverharde grond in een gebied dat niet op kaart 15 is weergegeven. Het plan zal niet leiden tot meer dan 500 m² extra verhard oppervlak.
5.3 Legger regionale waterkeringen Een legger is een register waar van alle waterkeringen in het Rijnlandse beheergebied het volgende is weergegeven: de ligging en de vereiste afmetingen, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat dit onderhoud inhoudt. De legger is eind 2018 vastgesteld door het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden. In de Legger regionale keringen van het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt voor de waterkerende dijken de volgende zonering aangehouden: De kernzone (Het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven);
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
27
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
De beschermingszones: Aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen. Binnen de zone geldt een beperking voor wat betreft het ondernemen van activiteiten zoals bouwen of slopen van werken; Buitenbeschermingszone: Aan de beschermingszone grenzende zone, die als zodanig in de legger is aangegeven. Per zone is aangegeven aan welke minimumeisen de waterkering moet voldoen. Binnen de kernzone geldt daarbij het strengste beschermingsniveau. In onderstaande afbeelding, ter hoogte van het plangebied van dit bestemmingsplan, is een uitsnede van de Legger regionale keringen weergegeven, waarbij de verschillende zones zijn weergegeven.
Afbeelding 14, Legger Regionale Kering Hoogheemraadschap van Rijnland
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
28
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
5.4 Het plangebied Het plangebied ligt buiten de kern- beschermings en buitenbeschermingszone van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Er behoeft geen water gecompenseerd te worden, doordat er geen uitbreiding van meer dan 500 m² aan verharding plaats zal vinden. Conclusie Er zijn geen waterbelangen die geschaad worden met onderhavig plan.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
29
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Hoofdstuk 6 Milieu 6.1 Bedrijven en milieuzonering Beleid en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling van gevoelige functies ter plaatse, zoals woningen, en of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op grond van de Wet milieubeheer dienen bedrijven rekening te houden met een woning van derden. Ongeacht of dit een bedrijfswoning of een burgerwoning is. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). De VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.
De in de Handreiking Bedrijven en milieuzonering genoemde afstanden zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met een (1) afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. In de richtafstandenlijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. De categorie 1 staat voor de laagste potentiële milieubelastingen en de categorie 6 staat voor de hoogste potentiële milieubelasting.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
30
Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstanden tot omgevingstype 'rustige woonwijk’ ‘gemengd gebied’ 1 10 meter 0 meter 2 30 meter 10 meter 3.1 50 meter 30 meter 3.2 100 meter 50 meter 4.1 200 meter 100 meter 4.2 300 meter 200 meter 5.1 500 meter 300 meter 5.2 700 meter 500 meter 5.3 1.000 meter 700 meter 6 1.500 meter 1.000 meter Afbeelding 15, richtafstanden per milieucategorie Het plangebied kan worden getypeerd als een gemengd gebied. in de vorm van opslag voor het bestaande en naastgelegen landbouwmechanisatiebedrijf zullen plaatsvinden. Ingevolge jurisprudentie (onder meer in de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2923) is een landbouwmechanisatiebedrijf een milieucategorie 3.1 bedrijf van de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Op basis van de VNG-brochure geldt voor een bedrijf in de milieucategorie 3.1 een richtafstand van 50 meter die met 1 stap verlaagd kan worden naar 30 meter. In de huidige situatie is op grond van de geldende agrarische bestemming de vestiging van een agrarisch bedrijf met een milieucategorie 3.1 of 4 mogelijk. Planspecifiek De afstand van de planlocatie tot aan de dichtstbijzijnde woning (Herenweg 157) van derden bedraagt ca. 30 meter.
De richtafstand is gemeten vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Een vergunningsvrije aanbouw mag niet dieper zijn dan 4 meter. Derhalve is de afstand van het plangebied tot aan de uiterste (mogelijke) situering van de gevel van de dichtstbijzijnde woning (Herenweg 157) en de mogelijkheden van het vergunningsvrij uitbreiden van de woningen op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) 30 meter. Aan de richtafstand van 30 meter wordt voldaan. Het initiatief vormt derhalve geen belemmering voor omliggende woningen.
Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl
31