CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Integrale tekst APV na 10e wijziging

Gemeenteraad 17 november 2025, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: 10e wijziging Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Kaag en Braassem 2012.17.301 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

b .

bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.

Artikel 3:6 Sluitingstijden 1.

Het is de houder van een seksinrichting verboden na 01.30 uur en voor 06:00 uur bezoekers toe te laten tot zijn bedrijf. Het is wel toegestaan bezoekers die voor dit tijdstip reeds aanwezig waren na dit tijdstip in het bedrijf te laten verblijven.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

3.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.

4.

Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

1.

2.

Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a.

tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

b.

van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet estuursrecht. b

Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

2.

De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: . a

geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de piumwet en in de Wet wapens en munitie; en O

. b

geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:9 Straatprostitutie 1.

Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: a.

op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

b.

gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

2.

Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

3.

Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

4.

De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid hij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

5.

De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

6.

Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3:10 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotische-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.

1.

2.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.

indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

b.

anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling 3 Beslissingstermijn: weigeringsgronden Artikel 3:12 Beslissingstermijn 1.

Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

2.

Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1.

2.

De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a.

de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

b.

de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of

c.

er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet rbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. a

Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: a.

het voorkomen of beperken van overlast;

b.

het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

c.

de veiligheid van personen of goederen;

d.

de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e.

de gezondheid of zedelijkheid; of

f.

de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 1.

De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

2.

Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:15 Wijziging beheer 1.

Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

2.

Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Afdeling 5 Overgangsbepaling Artikel 3:16 Overgangsbepaling (Niet opgenomen)

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: -

Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

-

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

-

gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

-

gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

-

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

-

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

-

inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

-

onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijziging collectieve festiviteiten . 1

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

. 2

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

. 3

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer dorpen.

. 4

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

. 5

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

. 6

Het equivalente geluidsniveau Leq,T veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A) en 95 dB(C) gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen.

. 7

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.

. 8

In een aanwijzing bedoeld in het eerste lid kan het college afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidsnormen en van de in het zevende lid genoemde eindtijd.

. 9

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen het gebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1.

Het is een inrichting toegestaan maximaal 9 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

2.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 9 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

3.

Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding.

4.

De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5.

De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6.

Het equivalente geluidsniveau Leq,t, veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A) en 95 dB(C), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen;

7.

In geval er in- of aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidsniveau Leq,t veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 60 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning.

8.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het binnen het bebouwde gedeelte van de inrichting ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.

9.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

10.

Het college kan gemotiveerd afwijken van de in het zesde en zevende lid genoemde geluidnormen en van de in het achtste lid genoemde eindtijd.

11.

De houder van een inrichting waar een incidentele festiviteit plaatsvindt, licht omwonenden binnen een straal van vijftig meter uiterlijk 48 uur voor het begin van de festiviteit in over de voor genomen festiviteit op de wijze zoals aangegeven op het meldingsformulier.

12.

Het gebruik van de aanwezige omroepinstallatie beperkt zich tot het aankondigen van het starten en beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen.

Artikel 4:4 [Vervallen]

Artikel 4:5 Onversterkte muziek (Niet opgenomen) Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht . 1

Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

. 2

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

. 3

Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik.

. 4

. 5

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel 4:5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2.

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen (Niet opgenomen)

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (Niet opgenomen)

Artikel 4:9a Onkruidbescherming en gewasbescherming De eigenaar of gebruiker van gronden is verplicht deze van onkruid te zuiveren en gezuiverd te houden, indien ten gevolge van de vervuiling van deze gronden met onkruid aan gronden die bij anderen in eigendom of gebruik zijn schade wordt toegebracht of zou kunnen worden toegebracht. Artikel 4:9b Verbod oplaten ballonnen 1.

In dit artikel wordt onder een ballon verstaan: een herdenkingsballon, een vuurballon, een gelukslampion, een (Thaise) wensballon, een papierballon, een geluksballon en andere daarmee vergelijkbare voorwerpen.

2.

Het is verboden ballonnen en daarmee vergelijkbare voorwerpen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten.

Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: 1. Houtopstanden: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend; 2. Toekomstboom: een boom die aangeplant is met een kwalitatief goed aangelegde groeiplaats met het oog op de gestelde ambitieleeftijd. 3. Vellen: het rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 30% van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen en knotten, evenals het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging van de boom of houtopstand tot gevolg kunnen hebben;

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Deze groenregels zijn van toepassing op alle bomen die op de lijst beschermwaardige bomen, de Bomenlijst, van de gemeente Kaag en Braassem staan. Artikel 4:12 aanwijzing bebouwingscontouren De bebouwingscontour houtkap van de gemeente beslaat het gebied binnen de grenzen zoals door het bevoegd gezag is vastgesteld als bebouwingscontour als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Artikel 4:12a Bomenlijst Melding incidentele festiviteiten 1.

Het college stelt een lijst met beschermwaardige bomen vast. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bomen van de gemeente en bomen van derden, eigenaren van bomen niet zijnde de gemeente. Een boom moet een minimale toekomstverwachting hebben van 10 jaar én voldoen aan tenminste één van de volgende criteria om in aanmerking te komen voor de Bomenlijst; Gemeentelijke: a. Bomen met een stamdiameter van minimaal 30 centimeter of een stamomtrek van minimaal 94 centimeter gemeten op 130 centimeter boven maaiveld; of b. Leeftijd van minimaal 60 jaar oud; of c. Cultuurhistorische status; of d. Aangewezen als toekomstboom; of Niet-gemeentelijke: a. Bomen met een stamdiameter van minimaal 60 centimeter of een stamomtrek van minimaal 188 centimeter gemeten op 130 centimeter boven maaiveld; of b. Leeftijd van minimaal 60 jaar oud; of c. Cultuurhistorische status; of d. Herplantbomen/vervangende bomen.

2.

Bomenlijst wordt iedere 5 jaar geactualiseerd.

Activiteiten Artikel 4:12b Verbod op het vellen van bomen 1.

Het is verboden bomen op de door het college aangenomen Bomenlijst te vellen of doen vellen zonder een door het college verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘boom kappen of houtopstand vellen’;

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. Bomen en houtopstanden die moeten worden geveld in het kader van de Plantgezondheidswet; b. Bomen en houtopstanden die moeten worden geveld op bevel van de Burgemeester of diens gemachtigde, in het kader van de openbare orde en veiligheid; c. Bomen en houtopstanden die moeten worden geveld in het kader van artikel 4:12g; d. Bomen die conform een goedgekeurd beheerplan geveld worden; e. Boomsoorten die staan vermeldt op de Unielijst invasieve exoten van Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. In geval van een vrijstelling in het kader van het eerste lid van dit artikel, blijft het bepaalde in artikel 4:12e en/of artikel 4:12f onverminderd van toepassing.

3.

Artikel 4:12c Gronden voor verlenging 1.

Het vellen van één of meerdere bomen die zijn opgenomen op de Bomenlijst is een vergunningsplichtige activiteit en wordt afgewogen door het bevoegd gezag;

2.

Een omgevingsvergunning voor het vellen van bomen op de Bomenlijst kan worden toegekend in geval van: a. Gevaar voor de openbare orde en veiligheid; b. Onomkeerbare aantasting van de boomconditie of kwaliteitsvermindering; c. Zwaarwegende maatschappelijke/persoonlijke belangen, dit vereist een collegebesluit.

Artikel 4:12d Indieningsvereisten vergunningaanvraag 1.

Een vergunning zoals bedoeld in artikel 4:12b wordt aangevraagd door de rechthebbende van de betreffende boom of bomen of de gemachtigde daarvan;

2.

De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten aan bij het bevoegd gezag: a. Een kaart waarop de betreffende boom/bomen en de huidige ruimtelijke situatie zijn weergegeven; b. Tenminste één (1) duidelijke foto per boom; c. Een onderbouwing van de in lid 2 van artikel 4:12c gestelde situaties, ofwel een motivatie waarom de boom gekapt dient te worden; d. Welke alternatieven voor het behouden van de boom of bomen, in de vorm van boomsparende maatregelen, verplanting, of mitigerende maatregelen, zijn onderzocht conform de meest recente versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen, en niet houdbaar zijn bevonden; e. In het geval dat de aanvraag wordt ingediend in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling; • I Een bomen effect analyse (BEA) waarin uit de conclusie te herleiden valt dat de te vellen bomen niet duurzaam te behouden zijn; of, • II Indien aangegeven door het bevoegd gezag een compensatieplan zoals bedoeld in artikel 4:12f; f. Een invulling van de beoogde herplant; g. Indien de omgevingsvergunning aangevraagd wordt in het kader van veiligheid of beheerbaarheid omwille een sterk teruggelopen boomkwaliteit of boomconditie, of ter preventie van schade of letsel, moet ook het afschrift en bevindingen van de meest recente boomveiligheidscontrole toegevoegd worden.

Ter aanvulling op de in dit artikel opgenomen indieningsvereisten, kunnen derden die in eigendom zijn van een boom op de Bomenlijst op kosten van de gemeente een boominspectie aanvragen (in de vorm van een VTA, Visual Tree Assessment). De uitkomst van deze inspectie is leidend voor de verdere afhandeling van de vergunningsaanvraag. Indien de overlast met een snoeimaatregel verholpen kan worden, zijn deze kosten voor de eigenaar en wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

3.

Artikel 4:12e Herplantplicht 1.

Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning een herplantplicht met voorschriften;

2.

Bomen die herplant worden hebben een minimale plantmaat van 16/18 centimeter;

3.

Herplant gebeurt altijd conform de herplantladder, te weten: a. Op dezelfde locatie, soort van gelijke boomgrootte klasse; anders, b. Op dezelfde locatie, soort van kleinere boomgrootte klasse; anders, c. Binnen dezelfde perceelsgrenzen; anders, d. Grenzend aan of nabij de locatie tot maximaal 300 meter; anders, e. Financiële compensatie; Bij iedere lagere keuze dan stap a. moet gemotiveerd worden waarom er afgeweken wordt. Nadere toelichting op de herplantladder is opgenomen in het beheerplan Bomen.

4.

De vergunninghouder dient zelf aan te tonen dat de herplant is uitgevoerd binnen de termijn zoals gesteld in de vergunningsvoorschriften en binnen 2 weken na aanplant, de herplant te melden bij het bevoegd gezag;

5.

Wanneer een boom gedurende een nazorgperiode van 3 jaar verloren gaat, teniet gedaan is of anderzijds in onbeheerbare staat opgeleverd wordt, is de betreffende vergunninghouder verplicht de boom te vervangen voor eenzelfde soort en plantmaat en gaat opnieuw een nazorgperiode van 3 jaar in;

6.

Bij het verlenen van een vergunning voor vellen wordt als voorschrift opgenomen dat de vergunning 4 weken na de vergunningverlening inwerking treedt;

7.

Bij een gecombineerde aanvraag waarbij meerdere vergunningsplichtige activiteiten in één procedure gezamenlijk worden ingediend en beoordeeld, wordt in ieder geval het voorschrift opgenomen dat de activiteit vellen pas mag starten als ook voor de andere onderdelen van de aanvraag toestemming is verleend; Bij het vellen van bomen zonder benodigde vergunning zoals bedoeld in artikel 4:12b legt het college een boetebedrag op volgens artikel 6:8. Daarnaast legt het college ook een herplantplicht op; Ter uitzondering op de in dit artikel opgenomen voorschriften op de herplantplicht, wordt door een particulier die eigenaar is van een beschermwaardige boom én een omgevingsvergunning voor de activiteit kap hierop heeft aangevraagd, in samenwerking met het bevoegd gezag een maatwerkprocedure aangegaan voor de invulling van de herplant.

8. 9.

Artikel 4:12f Compensatieplan 1.

Het bevoegd gezag kan de aanvrager van een omgevingsvergunning opleggen een compensatieplan op te stellen voor bomen wanneer de aanvraag een ruimtelijke ontwikkeling betreft;

2.

Het compensatieplan kan deel uitmaken van de indieningsvereiste omgevingsvergunning voor het vellen van bomen op de Bomenlijst;

3.

In het compensatieplan wordt tenminste het volgende opgenomen: a. Waar zal worden herplant onderbouwd met verwijzing naar de herplantladder zoals gesteld in artikel 4:12e; b. Een omschrijving van de te herplanten boom of bomen met hierin aangegeven ten minste: soortnaam, wetenschappelijke naam, maatvoering, wortel-/kluittype en herkomst van het materiaal; c. Een omschrijving van de groeiplaats, zowel boven- en ondergronds, met onderbouwing dat deze groeiplaats van voldoende kwalitatieve waarde is om de te herplanten boom ter plaatse duurzaam te handhaven met inachtneming van de gestelde ambitieleeftijd van 60 jaar; d. De invulling van een zorgvuldige nazorg om een succesvolle start van de boom te garanderen. Bomen in openbaar gebied worden na 3 jaar vanuit de ruimtelijke ontwikkeling aan het gemeentelijke beheer overgedragen.

voor

een

te

verlenen

Artikel 4:12g Bestrijding van boomziekten 1.

2.

3. 4.

Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag of door melding aan het licht gekomen zijn gevaar opleveren voor de verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn de boom of bomen te vellen; De gevelde boom of houtopstand dient conform de richtlijnen van de gemeente direct zodanig te worden behandeld dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die een boomziekte kan verspreiden; Voor het gestelde verbod onder het tweede lid van dit artikel kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (een BOPA) worden afgegeven voor de uitvoering van de werkzaamheden; Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 4:12h Beschadigen van bomen en houtopstanden 1. 2.

Het is verboden om bomen en houtopstanden, die publiek eigendom zijn: a. te beschadigen, te bekladden of te beplakken; b. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen onderhoudstaken. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan publieke bomen aan te brengen of anderszins te bevestigen zonder voorafgaande vergunning van het college.

Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz. 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.

kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

d.

2. 3.

mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14 [Vervallen]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2.

Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:16 [Vervallen]

Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.

Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

2.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a.

de bescherming van natuur en landschap;

b.

de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.

Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

2.

Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 [Vervallen]

Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.

2.

3.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a.

het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

b.

het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

b.

voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 500 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b.

de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4.

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1.

Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2.

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.

Het is verboden een caravan, aanhangwagen, boottrailer, kampeerwagen of een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3.

Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

4.

Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing: -

op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden;

-

gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

5.

Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9 (Niet opgenomen)

Artikel 5:10

[Vervallen]

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

2.

Dit verbod is niet van toepassing:

3.

a.

op de weg;

b.

op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

c.

op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:12 Overlast van fiets en bromfiets 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

2.

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Afdeling 2 Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

2.

Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3.

Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

4.

a.

in besloten kring;

b.

door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of

c.

door een andere, door het college aangewezen instelling.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3 Venten Artikel 5:14 Begripsbepaling

(Niet opgenomen)

Artikel 5:15 Ventverbod (Niet opgenomen)

Artikel 5:16 [Vervallen]

Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:17 Begripsbepaling 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

2.

Onder standplaats wordt niet verstaan: a.

een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

b.

een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2.

Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

4.

a.

de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

b.

een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende (Niet opgenomen)

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.

Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

2.

De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:21

[Vervallen]

Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5:22 Snuffelmarkten [Vervallen: zie artikel 2.25]

Afdeling 6 Openbaar water Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

Her is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tecoren een melding aan het college.

3.

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4.

Van de melding wordt kennis gegeven op het digitale gemeenteblad.

5.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 1.

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen oop door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

2.

Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort, aantal vaartuigen en maximale duur waarop een ligplaats mag worden ingenomen.

3.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

4.

Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

5.

De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 5:26 (Vervallen)

Artikel 5:27 (Vervallen)

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 1.

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1.

Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de omgevingswet.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 1.

Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden (Niet opgenomen)

Afdeling 8 Vuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.

Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2.

Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a.

verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.

sfeervuren op door het college aangewezen openbare plaatsen, mits deze een maximale afmeting hebben van 0,5 m2 en die geen schade toebrengen aan de openbare ruimte, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

c.

sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

d.

vuur voor koken, bakken en braden.

3.

Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 9 Verstrooiing van as Artikel 5:35 Begripsbepaling (Niet opgenomen)

Artikel 5:36 Verboden plaatsen (Niet opgenomen)

Artikel 5:37 Hinder of overlast (Niet opgenomen)

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling 1.

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, en 2:12, eerste lid.

Artikel 6:1a Strafbepaling voor groen 1. Overtreding van het bepaalde in de artikelen van deze groenregels en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie; 2.

Naast het bepaalde in lid 1 van dit artikel kan in de vorm van een last onder bestuursdwang of dwangsom, een financiële compensatie worden geëist door het bevoegd gezag waarbij het oogmerk wordt aangehouden om de verloren waarde van de boom of bomen te compenseren. De financiële compensatie wordt toegevoegd aan het budget voor onderhoud/aanleg groen van de gemeente. De waarde van de betreffende boom wordt berekend aan de hand van de boomwaarde-indextabel uit de meest recente versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen. Voor de financiële waardebepaling geldt de volgende correctiefactor: a. Bij bomen met een toekomstverwachting van meer dan 15 jaar wordt de financiële waarde voor 100% gecompenseerd; b. Bij bomen met een toekomstverwachting van 10 tot 15 jaar wordt de financiële waarde voor 60% gecompenseerd;

3.

Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover de Omgevingswet en de Wet economische delicten van toepassing zijn.

Artikel 6:2 Toezichthouders 1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast opsporingsambtenaren van de politie, personen werkzaam voor de gemeente en als zodanig belast met toezicht en handhaving en de buitengewoon opsporingsambtenaren die hiertoe zijn aangewezen door het college.

2.

Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6:2a Toezicht en handhaving op groen 1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze groenregels zijn belast: opsporingsambtenaren van de regionale politie eenheid Den Haag en de medewerkers die zijn aangewezen als toezichthouder van de groenregels;

2.

Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze groenregels belast de bij besluit van het bevoegd gezag aan te wijzen personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die waarop zij is bekendgemaakt. Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: APV Kaag en Braassem

Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Kaag en Braassem gehouden op de griffier, de voorzitter, drs. B.S.M. Sepers mr. K.M. van der Velde-Menting

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=b97fa1b7-5e14-4675-8670-7e6f1f9a8672