CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20260423_m_NL.IMRO.1884.TAMHLGGSTLN7-VAS1

Gemeenteraad 6 juli 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Heiligegeestlaan 7 in Leimuiden’ .13.967 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Heiligegeestlaan 7, Leimuiden (motivering) Gemeente Kaag en Braassem

Colofon Gegevens over het project: Planstatus:

Vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.TAMHLGGSTLN7-VAS1

Datum:

23 april 2026

Kenmerk Buro SRO:

SR240363 (FP)

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

De Prie Betonvloeren VOF

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.burosro.nl

pagina 2 van 44

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding en ambitie ...................................................................................................................................................... 5 1.2 Aanduiding plangebied .................................................................................................................................................... 5 1.3 Leeswijzer ........................................................................................................................................................................ 6

2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................................ 7 2.1 Omgevingstafel ................................................................................................................................................................ 7 2.2 Participatie ...................................................................................................................................................................... 7 2.3 Bestuurlijk overleg ........................................................................................................................................................... 8

3 Huidige situatie ..................................................................................................................................... 9 4 Planbeschrijving ................................................................................................................................. 10 5 Toetsing aan omgevingsplan ............................................................................................................. 11 5.1 Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden .................................................................................................................... 11 5.2 Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan ..................................................................................................... 12

6 Beleid .................................................................................................................................................. 13 6.1 Rijksbeleid ..................................................................................................................................................................... 13 6.2 Provinciaal beleid .......................................................................................................................................................... 14 6.3 Regionaal beleid ............................................................................................................................................................ 19 6.4 Gemeentelijk beleid ...................................................................................................................................................... 20

7 Aspecten fysieke leefomgeving .......................................................................................................... 23 7.1 Verkeer en parkeren ...................................................................................................................................................... 23 7.2 Duurzaamheid en gezondheid ....................................................................................................................................... 24 7.3 Geluid ............................................................................................................................................................................ 25 7.4 Activiteiten en milieuzonering ....................................................................................................................................... 27 7.5 Geur ............................................................................................................................................................................... 28 7.6 Luchtkwaliteit ................................................................................................................................................................ 29 7.7 Archeologie en cultuurhistorie ......................................................................................................................................

30 7.8 Bodem ........................................................................................................................................................................... 32 7.9 Omgevingsveiligheid...................................................................................................................................................... 33 7.10 Natuur ......................................................................................................................................................................... 35 7.11 Water........................................................................................................................................................................... 37 7.12 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................................................................................... 39

8 Juridische planbeschrijving................................................................................................................. 41 8.1 Algemeen....................................................................................................................................................................... 41 8.2 Verbeelding ................................................................................................................................................................... 41

pagina 3 van 44

8.3 Planregels ...................................................................................................................................................................... 41 8.4 Toedeling van functies op locaties ................................................................................................................................ 42

9 Financiële haalbaarheid ..................................................................................................................... 43 10 Conclusie .......................................................................................................................................... 44

pagina 4 van 44

1 Inleiding 1.1 Aanleiding en ambitie Initiatiefnemer is eigenaar van enkele percelen gelegen ten zuiden van de kern Leimuiden. Op deze percelen bevindt zich de bedrijfsbebouwing van de initiatiefnemer. Met het beoogd voornemen wordt de bestaande bedrijfsbebouwing verbouwd naar drie appartementen. In het verleden heeft de initiatiefnemer bij de gemeente een conceptverzoek van het voorgenomen initiatief ingediend. Op 22 februari 2024 heeft de gemeente gereageerd op het conceptverzoek. In hun reactie heeft de gemeente aangegeven het als een wenselijke ontwikkeling te zien, maar dat er bij de voorgenomen ontwikkeling wel dient te worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Mits aan de voorwaarden wordt voldaan is de gemeente bereid mee te werken aan het initiatief. De beoogde ontwikkeling past niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', wat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente, beschikken de gronden over de bestemming 'Bedrijf'. Het gebruiken van de gronden ten behoeve van wonen past niet binnen deze bestemming. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken dient er een nieuw (tijdelijk) omgevingsplan te worden opgesteld voor de planlocatie.

1.2 Aanduiding plangebied Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Leimuiden. Nabij het lint van de Willem van der Veldenweg. Kadastraal is de planlocatie bekend als Leimuiden, sectie A met perceelnummers 439, 4397, 4398 en (deels) 4399. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: beeldmateriaal.nl)

pagina 5 van 44

Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: beeldmateriaal.nl)

1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de resultaten van de participatie en het bestuurlijk overleg. Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van de huidige situatie. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Aansluitend daarop wordt in hoofdstuk 6 het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/het gebied verwoord. In hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 8 komt de beschrijving van de juridische planregeling aan bod. Hoofdstuk 9 beschrijft de financiële haalbaarheid van het initiatief. Tot slot wordt in hoofdstuk 10 een algehele conclusie getrokken.

pagina 6 van 44

2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Daarbij bestaat de mogelijkheid zienswijzen op het ontwerpbesluit in te dienen.

2.1 Omgevingstafel Er is voor de beoogde ontwikkeling een principeverzoek voor het initiatief ingediend, waar de gemeente in februari 2024 inhoudelijk op heeft gereageerd. De gemeente ziet de realisatie van woningbouw op deze locatie als een wenselijke ontwikkeling, maar heeft een aantal voorwaarden gesteld waaraan het initiatief dient te voldoen. De voorwaarden van de gemeente waren als volgt: 1.

alle bedrijfsactiviteiten dienen volledig te worden gestopt;

2.

de ontwikkeling dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn(met extra aandacht voor bodem, ecologie en geluid);

3.

er dient een afdracht gedaan te worden in het sociale vereveningsfonds om te voldoen aan de eis van 30% sociale woningbouw;

4.

dat het de voorkeur heeft om meerdere kleinere woningen te realiseren in het bestaande gebouw, dan een grote woning.

Met de voorgenomen ontwikkeling komt de bedrijfsfunctie van het terrein te vervallen. In deze onderbouwing is nader toegelicht dat de voorgenomen ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar is. Er zal een afdracht worden gedaan aan het sociale vereveningsfonds. De initiatiefnemer heeft het initiatief ook aangepast op de laatste en vierde voorwaarden van de gemeente. In plaats van één woning, waarin het conceptverzoek wordt uitgegaan, worden er nu drie (kleinere) appartementen in de bedrijfsbebouwing gerealiseerd. Daarmee kan gesteld worden dat er wordt voldaan aan de voorwaarden van de gemeente. In de adviesbrief van de gemeente is tevens aangegeven dat beschreven moet worden dat er sprake is van een behoefte naar de te realiseren woningen. Dit is nader toegelicht in paragraaf 6.1.2. Omdat er geen sprake is van de realisatie van 30% sociale huur is er een bijdrage verschuldigd per niet-gebouwde sociale woning. Hier is de initiatiefnemer zich van bewust.

2.2 Participatie De initiatiefnemers hebben de omwonenden ten tijde van het conceptverzoek op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkeling en van de reactie van de gemeente op het conceptverzoek. Er is op 28 juni 2024 een bewonersbrief naar omwonenden gestuurd en er heeft op 10 juli 2024 een gesprek plaatsgevonden met enkele

pagina 7 van 44

omwonenden. Die omwonenden hebben hun wensen, voorkeuren en zorgen geuit, waarbij onder andere is gesproken over het type appartementen, uitzicht, waardevermindering, parkeren en veiligheid. De initiatiefnemer heeft die bevindingen tijdens het gesprek zo veel als toen mogelijk inhoudelijk kunnen toelichten. De betreffende omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de beoogde ontwikkeling, mits zij hierdoor niet te ernstig worden benadeeld op de hiervoor genoemde aspecten. Aangegeven is dat dit wordt meegenomen in de verdere uitwerkingen. Het initiatief is inmiddels verder uitgewerkt. De Initiatiefnemers zullen de omwonenden up to date houden van de beoogde ontwikkeling en eventuele wijzigingen van het ontwerp terugkoppelen.

2.3 Bestuurlijk overleg De voorgenomen ontwikkeling is voorgelegd aan de relevante vooroverlegpartners. De provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rijnland hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling.

2.4 Zienswijzen Het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22j Heiligegeestlaan 7, Leimuiden’ heeft van 18 december 2025 t/m 28 januari 2026 ter inzage gelegen. In deze periode zijn in totaal drie zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een nota van beantwoording zienswijzen (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). De zienswijzen hebben tot een aantal aanpassingen geleid van het TAM-omgevingsplan geleid.

pagina 8 van 44

3 Huidige situatie De planlocatie is gelegen ten zuiden van de kern Leimuiden. Ten oosten van de planlocatie bevindt zich de Willem van der Veldenweg. Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich de Heiligegeestlaan. Direct ten oosten van de planlocatie bevinden zich twee woningen aan de Willem van der Veldenweg 69 en 71 die zijn ontsloten met de Willem van der Veldenweg. De woning aan de Willem van der Veldenweg 69 betreft een karakteristiek pand uit 1874 dat oorspronkelijk als woonhuis met school functioneerde. De planlocatie bestaat uit een bedrijfsgebouw van het bedrijf van de initiatiefnemer en het omliggende volledige verharde terrein. Het bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van ongeveer 160 m². Het gebouw is ongeveer 6 meter hoog en beschikt over een mansardedak. Aan de zuidzijde beschikt het gebouw over een overkapping. Het omliggende terrein is tevens in gebruik door het bedrijf en wordt onder andere gebruikt voor de opslag (westzijde) en om te parkeren. Het terrein beschikt over een eigen ontsluiting naar het zuiden met de Heiligegeestlaan. Deze bevindt zich ongeveer op een afstand van 100 meter van de planlocatie. De navolgende afbeelding geeft een impressie van de bestaande situatie weer.

Aanzicht plangebied vanaf de Plantage (bron: initiatiefnemer)

pagina 9 van 44

4 Planbeschrijving Met het beoogde initiatief wordt het bestaande bedrijfsgebouw omgebouwd om in totaal drie appartementen mogelijk te maken. Het voornemen voorziet in de realisatie van twee appartementen op de begane grond en één appartement op de eerste verdieping. De bedrijfsfunctie waar de planlocatie in het tijdelijke deel van het omgevingsplan over beschikt, komt met de beoogde ontwikkeling te vervallen en wordt omgezet naar een woonfunctie. Er zal geen aanpassingen plaatsvinden aan de rest van het plangebied. Het terreindeel dat nu nog wordt gebruikt door het bedrijft wordt leeggehaald. De ontsluiting van de planlocatie blijft gelijk met de bestaande situatie, via de ontsluitingsweg met de Heiligegeestlaan is de planlocatie te bereiken. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Dit wordt nader verwoord in paragraaf 7.1.2. Gezien de ruime opzet van het bedrijfsperceel is er voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen hier te realiseren. De navolgende afbeelding toont een impressie van de beoogde situatie.

Impressie beoogde situatie (bron: De Prie Betonvloeren)

pagina 10 van 44

5 Toetsing aan omgevingsplan 5.1 Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Alle voorheen geldende bestemmingsplannen in de gemeente maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Voor de planlocatie gold voorheen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost'. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', plangebied rood omkaderd (bron: Omgevingsloket)

In het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' beschikt de planlocatie over de bestemming 'Bedrijf'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse van de bedrijfsgebouw is een bouwvlak opgenomen. Hier mag ten hoogste een gebouw met een oppervlakte van 160 m² worden gebouwd. Het wonen is op deze locatie uitgesloten. Het overgrote deel van het plangebied beschikt in het bestemmingsplan tevens over de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Bij graafwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 150 m² of die dieper reiken dan 30 cm onder het maaiveld dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. Het voornemen past niet binnen de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost. Omdat de gemeente Kaag en Braassem het wenselijk vindt dat de onderliggende bestemming 'Bedrijf' wordt weggenomen dient een nieuw (tijdelijk) omgevingsplan opgesteld te worden.

pagina 11 van 44

5.2 Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is wonen niet toegestaan. Derhalve is het gebruiken van de gronden ten behoeve van wonen in strijd met de bestemming 'Bedrijf'.

pagina 12 van 44

6 Beleid 6.1 Rijksbeleid 6.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

2.

duurzaam economisch groeipotentieel;

3.

sterke en gezonde steden en regio's;

4.

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Planspecifiek Het plan is lokaal van aard, waardoor het geen landelijke impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambities die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot duurzame ontwikkeling en een goede fysieke leefomgeving, doordat de woningen duurzaam van aard worden. Daarnaast voorziet de woning in een behoefte, wat in lijn is met de ambitie van het Rijk te voorzien in een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Het plan is in lijn met de ambities die geformuleerd zijn in de NOVI.

6.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

pagina 13 van 44

Planspecifiek Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden drie woningen toegevoegd. Derhalve worden de ondergrenzen voor wat wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling niet overschreden. Het doorlopen van de treden van de ladder wordt voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht. Desalniettemin dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de behoefte aan de ontwikkeling te worden beschouwd. Uit paragraaf 6.3.1 en paragraaf 6.4.1 blijkt dat er zowel regionaal als gemeentelijk ruimte is voor extra woningen voor de lokale behoefte. Voorliggend plan komt aan deze behoefte tegemoet. Geconcludeerd kan worden dat er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

6.2 Provinciaal beleid 6.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 mei 2024. Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon. 1.

Samen werken aan Zuid-Holland

2.

Bereikbaar Zuid‐Holland

3.

Schone energie voor iedereen

4.

Een concurrerend Zuid‐Holland.

5.

Versterken natuur in Zuid‐Holland

6.

Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland

7.

Gezond en veilig Zuid‐Holland

Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’). Gebiedsprofielen en ruimtelijke kwaliteit Het landschap in de provincie Zuid-Holland is gevarieerd. Voor 16 deelgebieden zijn in 2014 gebiedsprofielen gemaakt als uitwerking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Deze gebiedsprofielen zijn samen met de regio ontwikkeld. Elk gebied heeft eigen gebiedskenmerken die de provincie van provinciaal belang vindt. De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen.

pagina 14 van 44

De gebiedsidentiteit is de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Deze identiteit is ontstaan door eeuwenlange ingrepen in de ruimte. Daarbij is een aantal lagen te onderscheiden. De bodem, de ondergrond, gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. Daarop ligt de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. In deze laag vind je het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut. Deze laag is gevormd door eeuwenlang (vaak agrarisch) gebruik door de mens. De derde laag die onderscheiden wordt is de laag van stedelijke occupatie, bestaand uit steden, dorpen en hun onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de beleving over identiteit, met als belangrijke dragers cultuurhistorie en (recreatieve) beleving. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol.

De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. De provincie maakt onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau in wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening.

Planspecifiek Kwaliteitskaart Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. - Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'Bijzonder reliëf en aardkundige waarden'. Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land zijn nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Bij ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en het herkenbaar maken van de archeologische waarden van deze structuren. Omdat de voorgenomen ontwikkeling enkel toeziet op de realisatie van de verbouwing van een bestaand gebouw is er geen sprake van een invloed op de patronen of de structuren van het landschap. Op de kaart van de 'Laag van ondergrond' is het plangebied tevens aangekaart als 'Veencomplex - Oude zeeklei'. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe

pagina 15 van 44

draagkracht. Daarnaast vinden we hier een aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Bij ontwikkelingen in droogmakerijen heeft de provincie als richtpunt dat er bijdrage wordt geleverd aan de duurzame waterhuishouding. Omdat het initiatief enkel toeziet op de verbouwing van het bestaande pan kan gesteld worden er geen sprake is van invloed is op de veengronden en de ambities van de provincie hiervan. - Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een 'droogmakerijenlandschap (klei en veen)'. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een

regelmatige

basisverkaveling.

Ontginningsboerderijen

liggen

op

regelmatige

afstand

langs

de

ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedteverhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. In sommige gebieden is de (historische) relatie tussen droogmakerij en molengang (toentertijd om diepere plassen droog te malen) nog herkenbaar. Dit zijn bijzondere elementen in het Zuid-Hollandse landschap. Omdat er enkel sprake is van een verbouwing van een bestaand gebouw kan aangenomen worden dat er geen sprake is van invloed op de kwaliteiten van het landschap. De voorgenomen ontwikkeling is niet van invloed op de ambities van de gemeenten op het droogmakerijenlandschap. Beleidskeuzes De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. De planlocatie valt niet binnen één van de kaarten van het gebiedsprofiel. Verdere toetsing aan de gebiedsprofielen is derhalve niet benodigd.

Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie, en is in lijn met de provinciale ambities.

6.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Op 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit

pagina 16 van 44

Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Bij ontwikkeling dient voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening te worden gehouden met de beschermingscategorie en het gebiedstype, de soorten en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling en de relevante richtpunten ter plaatse van de planlocatie. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn reeds in paragraaf 6.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Het soort ruimtelijke ontwikkeling en mate van ingrijpendheid wordt navolgend besproken, ook wordt ingegaan op de beschermingscategorie die ter plaatse van de planlocatie geldt. - Randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Onder de volgende voorwaarden kan ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit worden voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

b.

Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

c.

Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van inpassen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het bestaande bedrijfsgebouw omgebouwd ten behoeve van drie appartementen. Dit wordt passend geacht bij het karakter van de omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een nieuw ruimtebeslag. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving van de planlocatie reeds woningen. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen zijn in paragraaf 6.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan niet in strijd is met de richtpunten. - Beschermingscategorie 3 Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. Een ontwikkeling voor een locatie in het buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin;

b.

de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;

c.

het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;

d.

de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

pagina 17 van 44

De voorgenomen ontwikkeling betreft de verbouwing van het bestaande bedrijfsgebouw naar drie appartementen. Ook zal het terrein rondom de woningen worden aangepast zodat dit beter past bij de beoogde woonfunctie van het terrein. Er is geen sprake van de realisatie van nieuwe bebouwing. Derhalve is er geen sprake van invloed op de kwaliteiten van het landschap. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de openheid en de structuur, het groene karakter en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap. Het bedrijfsgebouw is gebouwd in 2018 en is niet van historische waarde. De relatie tussen de stad en buitengebied wordt met de voorgenomen ontwikkeling versterkt. Aan het lint van de Willem van der Veldenweg en het cluster bebouwing waar het plangebied onderdeel van uitmaakt bestaat alleen uit woningen. Met het omzetten van het terrein naar een woonfunctie wordt aangesloten met directe omgeving van het plangebied. Gesteld kan worden dat er voldoende rekening wordt gehouden met de kwaliteiten van het buitengebied. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 7.45 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: 'Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving’.

Voor het voorgenomen plan is eerder, in paragraaf 6.1.2, ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Omdat er slechts drie appartementen worden gerealiseerd is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee wordt voldaan aan artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.45 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 7.23 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a.

wateroverlast door overvloedige neerslag;

b.

overstroming;

c.

hitte;

d.

droogte;

alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. - Wateroverlast Uit de Klimaatatlas blijkt dat het plangebied niet gevoelig is voor extreme neerslag. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de waterhuishouding en zullen de richtlijnen vanuit het waterschap in acht genomen worden. - Overstroming Volgens de overstromingskaart van de klimaateffectatlas blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een zeer kleine kans op overstroming. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang.

- Hitte

pagina 18 van 44

De planlocatie bevindt zich in het buitengebied, waar het koeler is dan in het stedelijk gebied. Dit beeld wordt bevestigd bij het raadplegen van de klimaateffectatlas. Ter plaatse van de planlocatie is geen sprake van het stedelijk hitte-eiland effect. Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van nieuwe bebouwing of een toename in verharding. Derhalve zal er met de beoogde ontwikkeling ook geen sprake zijn van een toename in hitte. De planlocatie is daarnaast gelegen in een groen-blauwe omgeving, het nemen van specifieke maatregelingen om hittestress tegen te gaan wordt niet nodig geacht. - Droogte In het plangebied lijkt op basis van de Klimaatatlas droogte geen probleem te vormen. Specifieke maatregelen met betrekking tot droogte worden voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht. - Bodemdaling Op basis van het gegeven van de Klimaatatlas blijkt dat de planlocatie is gelegen op een plek die bodemdalinggevoelig is. Vanwege de kleinschaligheid van het initiatief draagt het niet bij aan de 'zetting' van het veen. Omdat de voorgenomen ontwikkeling verder niet voorziet in nieuwe bebouwing wordt het nemen van maatregelingen in het kader van bodemdaling niet nodig geacht. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

6.3 Regionaal beleid 6.3.1 Regionale Omgevingsagenda 2040 Op 11 juni 2021 hebben de gemeenten Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Voorschoten, Teylingen en Zoeterwoude gezamenlijk de eindversie van de Regionale Omgevingsagenda gepresenteerd. De omgevingsagenda van de regio HollandRijnland bespreekt hoe op integrale wijze alle ruimte-vragende functies een plek kunnen krijgen in de regio of waar keuzes gemaakt moeten worden. Dat leidt tot de integrale hoofdopgave: zoeken naar balans. Deze omgevingsagenda helpt bij het maken van richtinggevende keuzes voor de toekomst. In ieder geval stelt de regio zichzelf de volgende doelen: 1.

versterken kenniseconomie en complementaire bedrijvigheid;

2.

realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting;

3.

investeren in infrastructuur voor mobiliteit en energievoorziening;

4.

creëren van voldoende plekken voor het opwekken van duurzame energie;

5.

bieden van een toekomstperspectief voor het landschap.

Met de Regionale Omgevingsagenda zet de regio een stip op de horizon. Zo levert Holland Rijnland een bijdrage aan nationaal en provinciaal beleid en bestaande afspraken over verstedelijking, economie en mobiliteit.

Planspecifiek

pagina 19 van 44

Met het initiatief worden drie nieuwe appartementen gerealiseerd ten zuiden van de kern Leimuiden. Hiermee wordt aangesloten op de tweede doelstelling 'realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting'. Primair zet de regio in op beperkte extra woningbouw voor de lokale behoefte in of nabij de kernen. Voorliggend plan is aan te merken als een dergelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de Regionale Omgevingsagenda 2040.

6.3.2 Regionale woonagenda Holland Rijnland 2023 Sinds de woonagenda uit 2017 zijn goede stappen gezet in de woningproductie. In de periode van 2015 tot 2020 zijn 14.384 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad (inclusief sloop). De provinciale Woningbehoefteraming uit 2021 valt echter aanzienlijk hoger uit dan de laatste raming uit 2019. Dit betekent dat verder versneld dient te worden. De woningbehoefte komt uit op 30.500 nieuwe woningen vergeleken met 22.800 in de vorige prognose. Voor de periode 2021-2030 zijn er plannen voor circa 36.500 woningen (direct uitvoerbaar, passende kansen en plannen op basis van afspraken). Rekening houdend met planuitval en -vertraging (30%), is de ruimte om plannen te programmeren 39.650 woningen. Daarbij wordt de woningbouwopgave als vertrekpunt van de programmering gezien en nadrukkelijk niet als contingent. Het is een richtsnoer voor het ontwikkelen en realiseren van plannen, met focus op de juiste kwaliteiten en de juiste locaties. Uit het woningmarktonderzoek komt een duidelijke opgave naar voren om sterker in te zetten op betaalbaarheid. Het wordt van belang geacht om doelgroepen met lage- en middeninkomens die in de huidige woningmarkt nauwelijks aan bod komen perspectief te bieden. Naast een groeiende behoefte aan sociale huur wordt een tekort aan woningen voor middeninkomens gesignaleerd.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling van de drie appartementen draagt bij aan de kwantitatieve behoefte aan woningen in de regio. Specifiek voor de subregio Oost waar de gemeente Kaag en Braassem deel van uitmaakt. Het aantal te bouwen woningen in de gehele regio is verdeeld onder de drie subregio's. Voor subregio Oost, waar de planlocatie onderdeel van uitmaakt, is uitgegaan van 9.500 tot 11.000 woningen tot 2030. Uit het woningmarktonderzoek komt een duidelijke opgave naar voren om sterker in te zetten op betaalbaarheid. De regio vindt het daarmee van belang om doelgroepen met lage- en middeninkomens die in de huidige woningmarkt nauwelijks aan bod komen perspectief te bieden. De voorgenomen ontwikkeling van drie appartementen vallen onder de betaalbare segment. Daarmee is sprake van een aansluiting met de regionale woonagenda Holland Rijnland 2023.

6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 5 februari 2024 de meest recente versie van de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie

pagina 20 van 44

en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:

▪

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem;

▪

natuur, water en lucht in Kaag en Braassem;

▪

wonen in Kaag en Braassem;

▪

gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem;

▪

sociaal Kaag en Braassem;

▪

veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Dorpsperspectief Roelofarendsveen/Oude Wetering Tevens is er voor Roelofarendsveen en Oude Wetering een dorpsperspectief opgenomen. Deze twee kernen zijn feitelijk aan elkaar gegroeid en vormen samen het meest verstedelijkte gebied van de gemeente. Er is ruimte voor gemeentelijke

voorzieningen,

detailhandel

en

horeca.

De

komende

jaren

vinden

er

verschillende

inbreidingsinitiatieven en herontwikkelingen binnen deze kernen plaats, waarvan de meest ingrijpende ontwikkeling het woningbouwproject Braassemerland is.

Planspecifiek De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'agrarische linten'. Het gaat hierbij om linten die door de jaren heen zijn ontstaan en zich onderscheiden van het open landschap door een hogere bebouwingsdichtheid. Naast de agrarische activiteiten kennen ze ook woon-, bedrijfs- en recreatieve bestemmingen. Het beleid is hier gericht op het behouden van de agrarische linten. Hierbij geldt als uitgangspunt dat er ruimte is voor het incidenteel toevoegen van een woning, mits sprake is van een ruimtelijke kwaliteitswinst en/of er gebouwd wordt voor

de

doelgroepen

waar

behoefte

naar

is

volgens

de

Regionale

Woonagenda.

versterking/verbetering van de biodiversiteit ook gezien als ruimtelijke kwaliteitswinst.

pagina 21 van 44

Hierbij

wordt

Het

voorliggende

initiatief

maakt

drie appartementen

mogelijk

in

een bestaand

bedrijfsgebouw.

De

bedrijfsbestemming die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor de planlocatie geldt komt met de beoogde ontwikkeling te vervallen. Er worden woningen gerealiseerd op een locatie waar overwegend wordt gewoond. Binnen ieder dorp van de gemeente Kaag en Braassem zijn woningbouwinitiatieven mogelijk, waarbij grootschalige woningbouw (meer dan elf woningen) zich focust op de kernen. Bij voorkeur wordt gekozen voor het inbreiden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het plangebied ligt hier echter buiten. Toch biedt de gemeente ruimte voor plannen die buiten dit gebied liggen, mits deze 'passend' zijn in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende woningen aanwezig. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.

pagina 22 van 44

7 Aspecten fysieke leefomgeving 7.1 Verkeer en parkeren 7.1.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek Om het aantal verkeersbewegingen inzichtelijk te maken is de CROW-publicatie 744 geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in het 'buitengebied' en in een ‘weinig stedelijk’ gebied. Met de beoogde ontwikkeling worden drie appartementen gerealiseerd in het bestaande bedrijfsgebouw. De navolgende tabel toont de verkeersgeneratie in de beoogde situatie.

typefunctie

aantal

CROW verkeersgeneratie

totale verkeersgeneratie

(gemiddelde) koop, appartement, > 100 m² bvo 1

7.4

14,8

koop, appartement, 75-100 m²

2

6,0

6,0

-

-

20,8

bvo totaal

in de beoogde situatie is sprake van een verkeersgeneratie van ongeveer 20,8 voertuigbewegingen per etmaal. Naar verwachting kan de huidige verkeersstructuur deze toename opvangen. Deze inschatting is gebaseerd op het feit dat er ook in de huidige situatie reeds sprake is van voertuigbewegingen. In de huidige situatie is er een bedrijf

actief

die

ook

beschikt

over

een

verkeersgeneratie.

Uitgaande

van

de

categorie

'Bedrijf

arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)' en een bvo van ongeveer 150 m² is er in de huidige situatie sprake van een verkeersgeneratie van ongeveer 15 voertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent dat er in de beoogde situatie sprake is van een toename van ongeveer 6 voertuigbewegingen per etmaal. Extra maatregelen ten behoeve van het aspect voor de verkeersveiligheid worden voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht. De woningen zullen via de bestaande oprit met de Heiligegeestlaan te bereiken zijn. Geconcludeerd dat het verkeer in de toekomstige situatie goed verwerkt kan worden.

pagina 23 van 44

7.1.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Gemeentelijk parkeerbeleid De gemeente Kaag en Braassem heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW-kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen.

Planspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de 'Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018'. Bij de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan van een 'weinig stedelijk' woonmilieu in het 'buitengebied'. De navolgende tabel toont de parkeernorm voor de beoogde ontwikkeling.

typefunctie

aantal

parkeernorm

totale parkeerbehoefte

etage, duur (> 120 m²)

1

2,1

2,1

etage, middelduur (65 – 120 m²)

2

1,9

3,8

totaal

-

-

5,9

Uit de gegevens van de tabel volgt dat er voor de beoogde ontwikkeling afgerond zes parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Er is voldoende ruimte op het perceel om de zes parkeerplaatsen te realiseren. Dit zal in de toekomst nader uitgewerkt worden. Naar verwachting vormt dit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.2 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid

pagina 24 van 44

op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.

Planspecifiek De beoogde woning wordt gasloos en volgens de BENG-methode gebouwd. De gemeente Kaag en Braassem heeft geen extra duurzaamheidseisen gesteld. Dit betekent dat het voldoende is dat er voldaan wordt aan de nationale duurzaamheidsvereisten. In de ‘Zuid-Hollandse Omgevingsverordening’ is ingegaan op de risico's van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen is. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. De planlocatie bevindt zich in een omgeving met veel groen-blauwe kwaliteit, op korte afstand van het Braassemermeer. Dit nodigt uit tot recreatie en buitenleven, wat positief bijdraagt aan een goede gezondheid. Uit paragraaf 7.3 (geluid) en paragraaf 7.6 (luchtkwaliteit) blijkt dat er voldaan wordt aan de wettelijke normen. Er wordt tevens voldaan aan het advies van de GGD minstens 25 m tot provinciale wegen aan te houden. Daarnaast wordt de woning conform wettelijke vereisten voorzien van mechanische ventilatie met ventilatiefilters. De inlaten van de ventilatiesystemen worden zover mogelijk van de weg geplaatst. Dit zorgt voor een goede luchtkwaliteit binnenshuis.

7.3 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

pagina 25 van 44

Het

beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een geluidsgevoelig gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gerealiseerd. De planlocatie is gelegen binnen het geluidsaandachtsgebied van de Heiligegeestlaan en de Willem van der Veldenweg. Met behulp van de geluidskaart van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de beoogde woning. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de kaart van Atlas Leefomgeving met de geluidsbelasting ter plaatse van de planlocatie.

Uitsnede geluidskaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)

Het Bkl bevat standaardwaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De standaardwaarde voor een gemeenteweg bedraagt 53 L den bij de gevel van een geluidsgevoelig gebouw. Ter plaatse van de gevel van de beoogde woning is volgens de Atlas Leefomgeving sprake van een geluidsbelasting van minder dan 45 dB. De standaardwaarden worden daarmee niet overschreden, waardoor het treffen van geluidwerende maatregelen niet vereist is. Geconcludeerd kan worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van het aspect geluid.

pagina 26 van 44

7.4 Activiteiten en milieuzonering Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’.

Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

▪

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

▪

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

▪

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een milieugevoelige activiteit (woning). Er dient in beeld te worden gebracht of bedrijfsactiviteiten in de omgeving van de planlocatie als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsuitvoering en of ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten. Derhalve is bij het beoordelen van de milieubelastende activiteiten gebruik gemaakt van de richtafstanden van de Lijst voor bedrijfsactiviteiten. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat zich in een bebouwingslint bevindt. De omgeving beschikt over verschillende functies. De Willem van der

pagina 27 van 44

Veldenweg betreft een bebouwingslint. Dit betekent dat de omgeving beschouwd worden als ‘gemengd ‘gebied’. De richtafstanden van de VNG lijst kunnen met één stap verminderd kunnen worden. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich één relevante milieubelastende activiteit. Achter de woningen aan de Willem van der Veldenweg 73 is volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', dat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem, is de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. De bestemming beschikt in dit bestemmingsplan over de aanduiding 'nutsvoorziening'. Er is hier uitsluitend een nutsvoorziening toegestaan. De afstand van de nutsvoorziening tot aan de planlocatie bedraagt ongeveer 40 meter. Aangezien er ook woningen tussen de planlocatie en de nutsvoorziening staan voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in een nieuwe belemmering voor de bedrijfsactiviteiten. De afstand van de planlocatie tot aan de nutsvoorziening wordt voldoende geacht om te kunnen spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde appartementen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen andere relevante milieubelastende activiteiten die een belemmering kunnen vormen voor de beoogde ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=a469a99d-2e39-4ee4-93c6-0d3f98de391b