CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-12-04 Ruimtelijke onderbouwing (GoFlo)

Gemeenteraad 2 februari 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Verzwaard adviesrecht BOPA Floraweg 9, Roelofarendsveen14.301 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

22 alinea's met “omgevingsplan”: 2 6 27 28 34 88 89 95 103 110 112 208 225 231 234 244 245 248 256 261 262 337

Gemeente Kaag en Braassem

Floraweg 9 Roelofarendsveen Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

December 2025

Kenmerk 1884-06-T01 Projectnummer 1884-06

Inhoudsopgave 1.

Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Ligging plangebied 1.3. Toetsing aan omgevingsplan 1.4. Leeswijzer

1 1 2 2 2

2.

Planbeschrijving 2.1. Geschiedenis 2.2. Huidige situatie 2.3. Toekomstige situatie 2.3.1. Algemeen 2.3.2. Bebouwing en inrichting 2.3.3. Programma

3 3 4 5 5 5 6

3.

Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2. Provinciaal beleid 3.2.1. Algemeen 3.2.2. Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.2.3. Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1. Omgevingsvisie Kaag en Braassem 3.3.2. Welstandsnota

7 7 7 8 8 8 10 11 11 13

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 4.1. m.e.r.-beoordeling 4.2. Ladder voor duurzame verstedelijking 4.3. Duurzaamheid & gezondheid 4.3.1. Duurzaamheid 4.3.2. Gezondheid 4.3.3. Conclusie 4.4. Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren 4.5. Flora & Fauna 4.5.1. Algemeen 4.5.2. Gebiedsbescherming 4.5.3. Soortenbescherming 4.5.4. Conclusie 4.6. Luchtkwaliteit 4.7. Geluid 4.8. Geur

14 14 14 16 16 17 17 17 19 19 20 21 22 22 23 25

5.

4.9. Milieuzonering 4.10. Omgevingsveiligheid 4.11. Trilling 4.12. Welstand 4.13. Archeologie, cultuurhistorie en landschap 4.13.1. Algemeen 4.13.2. Archeologie 4.13.3. Cultuurhistorie 4.14. Bodem 4.15. Weging van het waterbelang

26 28 30 30 31 31 31 32 32 35

Uitvoerbaarheid 5.1. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1.1. Bestuurlijk vooroverleg 5.1.2. Participatie omgeving 5.2. Financiële haalbaarheid 5.3. Belangenafweging

39 39 39 39 39 39

Bijlagen 1. Dresmé&vanderValk, Quickscan natuurwetgeving Floraweg 9 te Roelofarendsveen, Versienummer: 1.0, IJmuiden, 5 juli 2024 2. SoundForceOne, Stikstofdepositieonderzoek ontwikkeling 40 woningen aan de Floraweg 9 in Roelofarendsveen, Roel202460 v1.0, Deventer, 22 juli 2024 3. Munsterhuis Geluidsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeer Plan project Plan woningen Floraweg / Braassemdreef, Roelofarendsveen, B03.24.090-RM, Borne, 31 mei 2024 4. Adviesgroep AVIV BV, Quick scan externe veiligheid / Woningontwikkeling Floraweg 9 in Roelofarendsveen, 245825, Enschede, 20 juni 2024 5. Grondslag, Verkennend, aanvullend en nader (water)bodemonderzoek Floraweg 9 te Roelofarendsveen, project 39666, Kamerik, 22 augustus 2024

1

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding De eigenaar van de kwekerij aan de Floraweg 9 in Roelofarendsveen heeft geen bedrijfsopvolging. Een bedrijfsovername is niet reëel omdat het perceel waarop de kwekerij is gevestigd, te klein is om in bedrijfseconomisch opzicht het bedrijf op een rendabele manier voort te zetten door een (jonge) kweker, die een eigen bedrijf zou willen starten. De huidige eigenaar heeft daarom zijn perceel verkocht aan een ontwikkelaar, die een plan ontwikkeld heeft voor de bouw van 40 grondgebonden woningen voor uiteenlopende doelgroepen. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bestemmingsplan Geestweg en Floraweg) van de gemeente Kaag en Braassem is het gebruik ten behoeve van woningen binnen de vigerende agrarische bestemming niet toegestaan. Afbeelding 1: Ligging plangebied.

Om de bouw van de 40 woningen mogelijk te maken wordt gebruikgemaakt van een zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies en als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies wordt met dit document aangetoond.

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

2

1.2.

Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de zuidkant van Roelofarendsveen en vormt de noordrand van het glastuinbouwgebied. Het perceel wordt aan de westkant begrensd door de Floraweg en aan de andere zijden door kavelsloten.

1.3.

Toetsing aan omgevingsplan Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vormen alle vigerende bestemmingsplannen van rechtswege het tijdelijk omgevingsplan. Voor het plangebied betreft dit het bestemmingsplan Geestweg en Floraweg, dat op 13 mei 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Roelofarendsveen is vastgesteld. De gronden hebben daarin de bestemmingen "Agrarisch – Glastuinbouw". Binnen de bestemmingen zijn het woningbouwplan en de aanleg van groen en infrastructuur niet toegestaan. De gronden hebben geen archeologische dubbelbestemming. Derhalve is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Afbeelding 2: Fragment vigerend bestemmingsplan

1.4.

Leeswijzer Dit document bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een planbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid, waarna in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieu. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid en is een samenvatting gegeven waaruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

3

2.

Planbeschrijving

2.1.

Geschiedenis Het plangebied ligt in de Veender- en Lijkerpolder buiten de bedijking. De Veender- en Lijkerpolder buiten de bedijking staat al sinds mensenheugenis bekend als 'een vroege polder' oftewel een polder waar de gewassen goed en snel groeien. De (sluis)verbinding met het Braassemermeer zorgt ervoor dat de grond hier vochtig is, maar ook warmer dan de grond in omliggende polders. Het water van het meer warmt gedurende de zomer op en geeft tot zeker december warmte af. De zwarte veengrond in deze polder trekt daarnaast meer zonlicht aan dan bijvoorbeeld zandgrond dat lichter van kleur is. Afbeelding 3: Historische topografie.

Vanwege de groeizame grond werd er in deze polder al sinds de late middeleeuwen getuind en ontstond hier als vanzelfsprekend het centrum van het dorp Roelofarendsveen. De tuinders bouwden aan de kopse kant van de akkers woningen in lintbebouwing. Langs deze lintbebouwing ontstonden de dorpswegen het Noord- en Zuideinde. De kwekers woonden dus voor hun werk: ze hoefden met hun pramen niet ver te varen. Het was daarom veel logischer om turf te winnen in de omliggende, dunbevolkte polders. Rond 1715 werd de Googerpolder uitgeveend en drooggemaakt en rond 1744 de Veender- en Lijkerpolder binnen de bedijking. Uit deze drie polders kwam voldoende turf voor eigen gebruik en voor verkoop aan derden. De polders konden door hun lage ligging niet op voorhand ontwaterd worden en werden nat verveend. Het veen werd tot ver onder de waterspiegel gedolven, gebruikmakend van pramen, baggerbeugels en boezemschoppen. Het opgebaggerde veen werd te drogen gelegd en in turven gesneden op

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

4

legakkers, smalle stroken land die niet ontveend werden. Eenmaal droog, werden de turven naar het dorp of naar afnemers in de stad vervoerd. Om te voorkomen dat het water tijdens het uitvenen wateroverlast veroorzaakte in omliggende polders, werd er om de polder die ontveend werd een veendijk aangelegd. Na de vervening werden de polders drooggemalen met hulp van windmolens. Vanwege de ligging aan de oevers van het Braassemermeer was het aanleggen van een stevige veendijk om de Veender- en Lijkerpolder buiten de bedijking een onbetaalbare en schier onmogelijke klus. De Floraweg is in de 50'er jaren van de vorige eeuw aangelegd. Langs de weg zijn geleidelijk een aantal tuinbouwbedrijven gevestigd. In het plangebied is achter op het perceel de eerste bebouwing zichtbaar op de topografische kaart uit 1959. De bedrijfswoning dateert uit datzelfde jaar (bron: BAG-viewer). In het afgelopen decennium is de Braassemdreef aangelegd als nieuwe ontsluiting van Roelofarendsveen vanaf de A4 en is de woningbouwlocatie Braassemerland ten noorden en ten oosten van het plangebied gerealiseerd.

2.2.

Huidige situatie De Floraweg is een bebouwingslint in het slagenlandschap van de Veender- en Lijkerpolder. Aan de Floraweg staan vooral glastuinbedrijven en vrijstaande woningen op de opgestrekte percelen aan weerszijden van die weg. Deze woningen staan op grote kavels, die afgewisseld worden met watergangen en open weides en glastuinbouw. In het plangebied is een glastuinbouwbedrijf aanwezig. Het plangebied bestaat uit twee kadastrale percelen (Alkemade K72 en K73) met een totale oppervlakte van 10.700 m². Het perceel wordt aan drie zijden omzoomd door watergangen. De bedrijfswoning staat aan de Floraweg. Daarachter staan kassen en bedrijfsopstallen. Voor een deel vindt de teelt plaats op open grond. Afbeelding 4: Huidige situatie plangebied

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

5

2.3.

Toekomstige situatie

2.3.1. Algemeen Alle bedrijfsbebouwing waaronder circa 3.000 m² aan kassen wordt gesloopt. In plaats daarvan worden er 40 nieuwe woningen gebouwd in een groenblauwe omgeving. Deze ingreep leidt tot een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst. Het plangebied ligt aan de grens het deelgebied de Akkers van de woningbouwlocatie Braassemerland. Door de ligging van het plangebied langs de Braassemdreef, een van de hoofdontsluitingswegen van Roelofarendsveen, wordt de ruimtelijke kwaliteit van deze entree aanzienlijk opgewaardeerd. Het stedenbouwkundig ontwerp past in het slagenlandschap, respecteert de schaal van de kavels en de beeldvorming past in de hedendaagse tijdgeest. Positief punt is verder dat de grondslag leidend is in de stedenbouwkundige opzet (water en bodem sturend) en dat de bodem zo min mogelijk wordt aangetast. Met een extra woning aan de weg naast Floraweg 9 wordt het bestaande lint geaccentueerd. Ten slotte kan gesteld worden dat het benutten van deze kavel langs de Braassemdreef voor woningbouw voor een overgang zorgt tussen de woningbouw en het duurzame glastuinbouwgebied, zeker ook met de potentiële ontwikkelingen van de percelen aan de overkant van de Floraweg in het achterhoofd (o.a. jongerenhuisvesting). Door de transparante opzet van de planontwikkeling blijft het kassengebied vanaf de Braassemdreef zichtbaar.

Zodoende heeft het plangebied een inpasbare stedenbouwkundige opzet. Afbeelding 5: Indicatieve toekomstige situatie.

2.3.2. Bebouwing en inrichting In het plangebied wordt met uitzondering van de huidige bedrijfswoning alle bebouwing gesloopt. Daarna worden er in totaal 40 woningen gebouwd. Centraal over het perceel wordt de ontsluiting van het perceel aangelegd in de lengterichting van het landschap. De huidige eigenaar heeft het voornemen op het perceel te blijven wonen. Voor hem en voor zijn broer zullen

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

6

twee vrijstaande woningen worden gebouwd aan de westzijde van het perceel ten noorden van die ontsluiting. Een van deze woningen zal onderdeel gaan vormen van het bebouwingslint langs de Floraweg, dat andere woning wordt daarachter gebouwd. Ten zuiden van die ontsluiting wordt, achter de huidige bedrijfswoning, een gezamenlijke parkeerplaats aangelegd. Op die parkeerplaatsen worden laadplekken voor elektrische voertuigen aangelegd en ondergrondse vuilcontainers geplaatst. Deze ontsluiting zal vanaf die parkeerplaats naar de woningen worden uitgevoerd door middel van een vlonder en niet toegankelijk zijn voor auto's. Zodoende ontstaat een gemeenschappelijk verkeersluw binnenterrein met een aantal gedeelde buitenruimtes. Het bouwplan aan de oostkant van het perceel bestaat uit compacte bouwblokken en omvat 38 twee- en drie-aaneengebouwde woningen en rug-aan-rugwoningen. Net als het binnenterrein zijn de woningen opgetild van het maaiveld, waardoor het groen als het ware onder de woningen doorloopt. De woningen bestaan uit 2 of 3 bouwlagen en worden voorzien van een plat dak. Met uitzondering van de rug-aan-rugwoningen hebben alle bouwblokken een verspringende voorgevelrooilijn. Door dit te combineren met een strakke detaillering ontstaat een gevarieerd bebouwingsbeeld aan het binnenterrein. 2.3.3. Programma De 40 woningen worden gerealiseerd in diverse categorieën.

In afbeelding 6 is het woningbouwprogramma (inclusief de twee woningen voor de huidige eigenaar en zijn broer) weergegeven. Afbeelding 6: Woningbouwprogramma. Financieringscategorie vrije sector middensegment sociaal Totaal

Typologie vrijstaand twee-aaneen twee-aaneen drie-aaneen rug-aan-rug

Aantal

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

2 10 4 12 12

12 (30%) 16 (40%) 12 (30%) 40

7

3.

Beleidskader

3.1.

Rijksbeleid

3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden.

De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen.

Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving cen-

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

8

traal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: ▪ combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; ▪ kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; ▪ afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Planspecifiek Vanuit de vier prioriteiten is een duurzame ontwikkeling (met name energievoorziening en natuurinclusief bouwen) het belangrijkste uitgangspunt. De woningbouw in het plangebied zal aan de hedendaagse duurzaamheidseisen voldoen. Geen van de 21 nationale belangen heeft specifiek betrekking op de ontwikkeling van een woonwijk aan de rand van de bebouwde kom van Roelofarendsveen. De planontwikkeling is niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI.

3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1. Algemeen Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in de Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. 3.2.2. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Zuid-Holland biedt daarom ruimte en vertrouwen aan maatschappelijke initiatieven. Maar ruimte en vrijheid gedijen alleen binnen grenzen.

Daarom werkt de provincie Zuid-Holland vanuit een aantal principes en kaders, voor haarzelf én haar partners, als waarborg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie geeft in dat kader onder meer richting aan een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Dit

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

9

doet zij vanuit haar provinciale belangen. Provinciale belangen komen voort uit wettelijke taken rijkstaken en Europese verplichtingen en uit de provinciale ambities. In de verschillende onderdelen van het Omgevingsbeleid worden de specifieke belangen nader uitgewerkt. De belangen zijn de basis voor provinciale meervoudige sturing, die gericht is op het leveren van toegevoegde waarde. De sturing kan variëren van het bieden van ruimte tot samenwerken, van het maken van afspraken tot afdwingen. De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. Voor de bebouwde ruimte streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit.

In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als 'Veencomplex – Veen'. Richtpunt is dat ontwikkelingen zorgdragen voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. De realisatie van woningbouw in het plangebied heeft geen effect op bodemdaling. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als 'Onverveende bovenlanden'. Hiervoor is het richtpunt dat ontwikkelingen bijdragen aan de contrasten tussen het (oude) bovenland (hooggelegen, besloten, kleinschalig karakter) en de aangrenzende droogmakerijen (laaggelegen, grootschalig, weids). Van dergelijke contrasten tussen bovenland en droogmakerijen is in de huidige situatie in het plangebied geen sprake door het gebruik als tuinbouwgrond aan de dorpsrand van Roelofarendsveen.

Op de kaart van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als 'Dorpsrand'. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheidt de kwaliteitskaart drie typen 'overgangskwaliteiten': Het front, het contact en de overlap. In dit geval is met name sprake van Contactkwaliteit: "Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

10

structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)-patroon." Het slagenlandschap vormt in dit geval de kaders voor de begrenzing van het stedenbouwkundig plan. Door doorzichten tussen de bouwblokken wordt een geleidelijke overgang tussen dorp en landelijk gebied gecreëerd. De planontwikkeling draagt zodoende bij aan het creëren van een geleidelijke overgang tussen stad en platteland. De bouwplannen leveren daarmee een bijdrage aan de doelstellingen van de Omgevingsvisie. 3.2.3. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn regels opgenomen over onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang. In de verordening zijn voor voorliggend plan met name artikel 7.43 c.a. en 7.45 van belang. Artikel 7.43 heeft betrekking op ruimtelijke kwaliteit.

Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. Ruimtelijke ontwikkelingen worden in de verordening gedefinieerd als: bebouwing of gebruik van bebouwing of grond. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: ▪ Inpassing: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; ▪ Aanpassing: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. ▪ Transformatie. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Omdat het plangebied grenst aan de recente ontwikkeling van het nieuwe woongebied Braassemerland is in dit geval sprake van aanpassing. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h.

Op grond van artikel 7.43h kan een omgevingsplan voorzien in kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: ▪ de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; ▪ de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

11

▪ het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; ▪ de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het plangebied maakt deel uit van een glastuinbouwgebied en wordt aan de twee zijden omgeven door het woongebied Braassemerland en de daarbij behorende infrastructuur. Door het agrarisch gebruik met de daarbij behorende (kassen)bebouwing zijn de openheid en de vergezichten nauwelijks aanwezig. Het plangebied ligt aan de dorpsrand. Door de planontwikkeling, waarbij de woningen worden opgetild ten opzichte van het maaiveld en boven het groen worden gerealiseerd, wordt het groene karakter versterkt. Door gebruik te maken van het slagenlandschap en de sloten aan weerszijden van het opgestrekte perceel te handhaven blijft de oorspronkelijke landschappelijke context herkenbaar. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen zijn op basis van artikel 7.45 van de verordening pas mogelijk als na toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 4.2. De planontwikkeling past derhalve binnen de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

3.3.

Gemeentelijk beleid

3.3.1. Omgevingsvisie Kaag en Braassem De geactualiseerde Omgevingsvisie Kaag en Braassem versie 2024 is op 5 februari 2024 door de gemeenteraad van Kaag en Braassem vastgesteld. De Omgevingsvisie is een dynamisch document. Dat betekent dat dit document mee dient te bewegen met de veranderingen en ontwikkelingen die spelen binnen de gemeente en de samenleving. De Omgevingsvisie wordt daarom periodiek bijgesteld. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuwing en ontwikkeling waar dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld, met bijbehorende kenmerken en waarden. Op basis daarvan is per gebied een beknopt perspectief voor de toekomst geschetst. Aan de hand van gebiedsgerichte programma's zijn de gebiedstypen uit de omgevingsvisie nader uitgewerkt, met name bedoeld om richting te geven aan het op te stellen omgevingsplan. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype Kernen en is aangeduid als 'bestaand stedelijk gebied'. Kernen zijn de gebieden waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken.

Deze zijn per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven. Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in 'centrum dorps' en 'landelijk dorps'. Roelofarendsveen is 'centrum dorps'. Voor het gebiedstype Kernen zijn de volgende doelen geformuleerd:

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

12

▪ een passende woning voor iedereen. ▪ een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving. Specifiek uitgangspunt hierbij is dat het wordt wenselijk geacht om (agrarische) bedrijfsbestemmingen in en rondom de kern te wijzigen naar bijvoorbeeld woningbouw, om zo bedrijfsbestemmingen te clusteren op de bedrijventerreinen en het woon- en leefklimaat in de kernen te verbeteren. Afbeelding 7: Gebiedstype Kernen.

De druk op de woningmarkt in Kaag en Braassem is groot. Er is een grote wachtlijst voor de sociale huursector, er is behoefte aan meer huur- en koopwoningen in het (betaalbare) middensegment. Het gemeentebestuur zet daarom in op het sneller realiseren van woningen, met de focus op het sociale en betaalbare segment, maar is daarbij van mening dat alle doelgroepen evenredig aan de behoefte aan bod moeten komen op de woningmarkt. Er is dan ook aandacht voor (het realiseren van) een grote mate aan diversiteit in woningtypes om betaalbaar en geschikt wonen mogelijk te kunnen maken voor iedereen. Bij elke ontwikkeling dient wel rekening te worden gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, met de focus op 'passend in de omgeving'. Plannen die aan deze criteria voldoen kunnen dan ook op de volle steun rekenen van de gemeente, ook als deze op gespannen voet staan met het contourenbeleid van de provincie ZuidHolland. Het woningbouwprogramma in Kaag en Braassem is kwantitatief voldoende om bij te dragen aan zowel het oplossen van het actuele tekort als de toekomstige huisvestingsopgave (vanuit de regio). Volgens het woningmarktonderzoek zijn de huidige plannen echter niet voldoende om te voldoen aan het Rijksbeleid en de lokale kwalitatieve behoefte. Om te voldoen aan het Rijksen regionale beleid zal 30% van de programmering moeten bestaan uit sociale huur en ook nog

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

13

een aandeel van 40% uit betaalbare koop of middeldure huur. Uit paragraaf 2.3.3 blijkt dat aan deze programmeringseis wordt voldaan. De planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. 3.3.2. Welstandsnota In artikel 4.19 van de Omgevingswet is aangegeven dat 'als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, (…) de gemeenteraad beleidsregels vast[stelt] voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.' Via dit artikel is vastgelegd dat het welstandstoezicht onder de Omgevingswet loopt via het omgevingsplan. In artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen waarin een welstandsnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelijkgesteld wordt aan een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet. De Welstandsnota van de gemeente Kaag en Braassem is op 6 september 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden.

Het plangebied maakt onderdeel uit van een welstandsluw gebied. In het plangebied en daaromheen zijn geen monumenten aanwezig en het plangebied ligt ook niet in een beschermd dorpsgezicht. Daarom worden er geen welstandseisen gesteld.

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

14

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1.

m.e.r.-beoordeling Algemeen De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn. Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan: een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er hoeft niet (meer) getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid (meer) gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Toetsing Uit de samenvatting van de onderzoeken in dit hoofdstuk, volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten. Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.

Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen Om de ruimte zorgvuldig te benutten en overprogrammering te voorkomen is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling (trede 1) worden aangetoond. Indien die stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (trede 2). Het begrip stedelijke ontwikkeling wordt daarbij als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".

Toetsing Op 26 september 2023 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland op basis van de Woningbehoefteraming 2023 de gewenste voorraadtoename voor de woondealregio Holland-Rijnland vastgesteld voor de periode 2023 tot en met 2032. Voor Holland-Rijnland be-

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

15

draagt deze 27.150 woningen op basis van de hoogste uitkomst van de twee scenarioramingen binnenlands migratiesaldo 'nul' en 'trendmatig'. Kaag en Braassem heeft binnen de regio Holland Rijnland als taakstelling de bouw van 1.740 woningen tot en met 2030, waarvan 840 in de periode 2020-2025. De procentuele groei van de gewenste woningvoorraad (GWV) van de gemeente Kaag en Braassem bedraagt tot 2040 meer dan 15%. De bouw van 40 woningen draagt bij aan het realiseren van deze taakststelling. De provincie Zuid-Holland en de gemeenten Kaag en Braassem hebben een verschillend standpunt over de ligging van het plangebied. De provincie heeft het plangebied in haar omgevingsverordening aangeduid als 'gebied met beschermingscategorie 3, buitengebied'. Uit de Omgevingsvisie Kaag en Braassem blijkt dat het plangebied onderdeel vormt van het bestaand stedelijk gebied van Roelofarendsveen. Gelet op het standpunt van de provincie wordt ingegaan op trede 2 van de ladder, waarin onderbouwd moet worden dat er binnen het bestaand stedelijk gebied geen ruimte is voor de onderhavige ontwikkeling. Voor een woningbouwplan van 40 woningen is binnen het bestaand stedelijk gebied van Roelofarendsveen geen locatie beschikbaar.

De gemeente Kaag en Braassem heeft hierover in haar omgevingsvisie aangegeven dat bij voorkeur binnen het bestaand stads- en dorpsgebied ('inbreiden') en in de nabijheid van openbaar vervoer wordt gebouwd. Daarbij wordt aangegeven dat de definitie van bestaand stads- en dorpsgebied van de provincie Zuid-Holland leidend is. Het aantal geschikte en overgebleven inbreidingslocaties is echter te beperkt. Bovendien zijn inbreidingslocaties relatief duur, wat de doelstellingen van onze gemeente maar ook van het Rijk en de provincie om meer sociaal en betaalbaar te bouwen, onder druk zet. De gemeente zet daarom eveneens in op het kunnen bouwen van woningen buiten de BSD-contour. Daarvoor is in de omgevingsvisie gezocht naar gebieden aansluitend aan het bestaand stedelijk, gebied die in de (nabije) toekomst ontwikkeld kunnen worden en dan deel gaan uitmaken van het bestaand stedelijk gebied. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan vrijkomende locaties in glastuinbouwgebieden waar mogelijk in eerste instantie ingezet zouden moeten worden ten behoeve van woningbouw en pas daarna voor de inpassing van groen of duurzame energieopwekking. Floraweg 9 is één van die locaties. De locatie ligt buiten het door de provincie aangegeven bestaand stedelijk gebied, maar binnen het door de gemeente aangewezen gebied 'kernen'.

Het perceel maakt geen onderdeel uit van de bestaande duurzame glastuinbouwgebieden en bedrijventerreinen en grenst aan het op stapel staande woningbouwproject aan de noordzijde. Het ligt langs de Braassemdreef die de ontsluiting vormt tussen Roelofarendsveen en de Rijksweg A4 en waarlangs de afgelopen jaren veel woningbouw is gerealiseerd. Hiermee wordt een logische aansluiting bij de gerealiseerde en vergunde woningbouwstrook gevonden. Het beoogde perceel sluit aan op het bestaand stedelijk gebied en zorgt indirect dus voor het openhouden van het open landschap. Met het invullen van voorliggend perceel met woningbouw hoeft dan

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

16

immers niet aan de rand van het dorp in het buitengebied gebouwd te worden op nu nog onbebouwde gronden. Conclusie Getalsmatig is er behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Kaag en Braassem. Op basis van beleid blijkt dat er behoefte is aan de voorliggende ontwikkeling, zowel kwalitatief als kwantitatief. Daarnaast is gemotiveerd waarom dit plan buitenstedelijk, maar wel aansluitend op het bestaand stedelijk gebied ontwikkeld kan worden. De planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.3.

Duurzaamheid & gezondheid

4.3.1. Duurzaamheid De eisen met betrekking tot de milieuprestatie en energiezuinigheid van gebouwen zijn opgenomen in artikel 4.148-4.160 (Duurzaamheid) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin is onder meer aangegeven dat een bouwwerk bijna energie neutraal (BENG) dient te zijn. In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: ▪ BENG 1 Energiebehoefte: de hoeveelheid energie die een gebouw nodig heeft voor verwarming en koeling uitgedrukt in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar. Deze indicator gaat over het beperken van de energievraag van het gebouw zelf. Aandachtspunten: stedenbouwkundig ontwerp, oriëntatie, compact ontwerp, schilisolatie, luchtdichtheid, zomernachtventilatie, ventilatiesysteem en zonwering. ▪ BENG 2 Primair energiegebruik: de hoeveelheid fossiele brandstof in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar die nodig is voor verwarming, koeling, warm water en installaties. Let op: voor netstroom wordt het rendement van elektriciteitsproductie verrekend. Aandachtspunten: efficiënte installaties, warmteafgifte op lage temperatuur, warmwater met korte leidingen en warmteterugwinning en toepassing van hernieuwbare energie (ook BENG 3). ▪ BENG 3 Aandeel hernieuwbare energie: het percentage (in procenten) hernieuwbare energie van het totale energiegebruik.

Aandachtspunten: toepassing van PV, zonneboiler, bodemenergie, omgevingswarmte, biomassa en externe warmtelevering (mits hernieuwbaar). Toetsing duurzaamheid De planontwikkeling is erop gericht een duurzame verbinding tussen natuur en bebouwing te realiseren. Door de woningen vrij van de ondergrond boven het groen te bouwen, wordt een bebouwde omgeving gecreëerd, die harmonieus samengaat met de natuur en biodiversiteit bevordert. De woningen worden gasloos en voorzien van zonnepanelen in een groen dak. Er wordt gebruikgemaakt van energiezuinige verlichting, hoogwaardige isolatie en natuurlijke ventilatie. Waar mogelijk zal bij de materialisering gebruik worden gemaakt van hergebruikte en/of herbruikbare materialen.

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

17

4.3.2. Gezondheid Ook de bevordering van gezondheid is een afwegingscriterium bij ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk komt een aantal (milieu)aspecten, zoals geluidsoverlast, bodemverontreiniging, externe veiligheid, enzovoort, aan de orde waarbij de gezondheid van de toekomstige bewoners een rol speelt. Uit de uitgevoerde onderzoeken zijn geen belemmeringen naar voren gekomen ten aanzien van gezondheid. Daarnaast kan bij grotere planontwikkelingen ook gezondheidsbevordering gestimuleerd worden. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Voor de bouw van 40 woningen op één perceel, is het onderdeel van het bevorderen van de gezondheid minder relevant, omdat er geen leefomgeving op een groter schaalniveau wordt ingericht. Toetsing Het onderdeel van het bevorderen van de gezondheid is minder relevant, omdat er geen leefomgeving op een groter schaalniveau wordt ingericht. 4.3.3. Conclusie Het aspect duurzaamheid en gezondheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4.

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met verkeersgeneratie en -afwikkeling en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Toetsing Het plangebied zal vanaf de A4 worden ontsloten via de Braassemdreef en de Floraweg. Op basis van de verkeersgeneratiecijfers uit de ASVV2021 blijkt dat wanneer wordt uitgegaan van het gemiddelde er door het plangebied 280 motorvoertuigbewegingen per etmaal worden gegenereerd. Bij een spitsuurintensiteit van 10% betekent dit 28 auto's op het drukste uur van de dag, of te wel één auto per ruim 2 minuten. Het omliggende wegennet kan deze extra verkeersgeneratie verwerken. Afbeelding 8: Verkeersgeneratie. Woningtypologie Norm* Gemiddeld Aantal Verkeersgeneratie Vrijstaand 7,8-8,6 8,2 2 Twee-onder-een-kap 7,4-8,2 7,8 10 Tussenwoning/hoekwoning 7,0-7,8 7,4 16 Huurwoning (sociale huur) Rug-aan-rug 5,2-6,0 5,6 12 Totaal 40

16,4 78,0 118,4 67,2 280

Bij nieuwbouw en/of een functiewijziging moet de initiatiefnemer zorg dragen voor de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid. Voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen is

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

18

uitgegaan van de Nota Parkeernormen van de gemeente Kaag en Braassem uit 2018. De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in deze nota. Het plangebied maakt volgens de kaart met de gebiedsindeling onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom'. Vanwege het duurzame en ecologische karakter van het plan is ervan uitgegaan dat het autobezit van de bewoners lager is dan gemiddeld. Derhalve is uitgegaan van het minimum van de parkeernormen van de CROW-normering. Afbeelding 9: Parkeernormen. Woningtypologie Norm* Gehanteerde minimumnorm** Aantal Benodigd Vrijstaand 1,9-2,7 1,6 2 3,2 Twee-onder-een-kap 1,8-2,6 1,5 10 15,0 Tussenwoning/hoekwoning 1,6-2,4 1,3 16 20,8 Huurwoning (sociale huur) Rug-aan-rug 1,2-2,0 0,9 12 10,8 Bezoekers 0,3 0,3 40 12,0 Totaal 40 61,8 * De norm is inclusief bezoekers ** Op gehanteerde parkeernorm is het bezoekersaandeel in mindering gebracht.

Bij de berekening van de parkeerplaatsverplichting wordt uitsluitend voor het openbaar gebied gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages. Parkeerplaatsen op een eigen oprit zijn uitsluitend te gebruiken door de bewoners van de bijbehorende woning en zijn niet vrij beschikbaar voor bezoekers van andere omwonenden. Voor het openbaar gebied geldt wel dat bij meerdere functies er namelijk sprake kan zijn van een verschillend patroon van tijden waarop bewoners en bezoekers aanwezig zijn. Bewoners en bezoekers zijn als van elkaar te onderscheiden functies aangemerkt conform de CROW. Zo is de parkeerdruk bij woningen bijvoorbeeld 's nachts groot, terwijl er dan geen bezoek is. Op zaterdagavond is er het meeste bezoek, terwijl dan een deel van de bewoners niet thuis is. Dit biedt mogelijkheden om op dat moment het bezoek deze ruimte te laten benutten. Zo kan dubbelgebruik van parkeerplaatsen plaatsvinden. De aanwezigheidspercentages zijn ontleend aan de CROW-publicatie 381. De parkeereis wordt in dergelijke gevallen gebaseerd op de berekende parkeerbehoefte van verschillende functies op het geldende maatgevende (drukste) moment zoals deze gedurende een dagdeel in de week optreedt. Afbeelding 10: Te hanteren aanwezigheidspercentages conform CROW-publicatie 381.

Voor het berekenen van het benodigd aantal parkeerplaatsen is de behoefte aan parkeerplaatsen zonder dubbelgebruik berekend. Wanneer wordt uitgegaan van de gehanteerde parkeernorm zijn er zonder dubbelgebruik 62 parkeerplaatsen (zie afbeelding 9) noodzakelijk.

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

19

Bij beide vrijstaande woningen worden twee parkeerplaatsen op eigen erf aangebracht. Voor de overige woningen wordt een parkeerplaats in het openbaar gebied aangelegd. Hiervoor zijn 59 (61,8-3,2) parkeerplaatsen noodzakelijk zonder dubbelgebruik. Omdat uit het onderzoek blijkt dat werkdagavond maatgevend is, mag voor het benodigde aantal parkeerplaatsen worden uitgegaan van een factor van 90% voor bewoners en 80% voor bezoekers. Afbeelding 11: Parkeerbehoefte op basis van aanwezigheidspercentages.

Twee-onder-eenkap Tussenwoning/hoekwoning Huurwoning (sociale huur) bezoekers woningen Totaal

werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

koopavond

werkdag nacht

zaterzaterzondagdagmid- dagmiddag dag avond 15 9 12 10,5

7,5

7,5

13,5

12

10,4

10,4

18,72

16,64

20,8

12,48

16,64

14,56

5,4

5,4

9,72

8,64

10,8

6,48

8,64

7,56

1,2

2,4

9,6

8,4

0

7,2

12

8,4

24,5

25,7

51,54

45,68

46,6

35,16

49,28

41,02

Op basis van die berekening zijn 52 openbare parkeerplaatsen noodzakelijk. In het plangebied worden 58 openbare parkeerplaatsen aangelegd in het mandelige gebied, en een reservering van 12 extra parkeerplekken. Derhalve worden er voldoende parkeerplaatsen aangelegd. Conclusie Het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5.

Flora & Fauna

4.5.1. Algemeen De natuur in Nederland wordt beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG). Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het Natuurbeschermingsrecht is ongewijzigd ten opzichte van de Wnb. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

20

het 'beschermingsregime andere soorten' een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In verband met de planontwikkeling is daarom voor een ecologisch onderzoek1 verricht in het plangebied. 4.5.2. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en wordt in Nederland beschermd door middel van de Omgevingswet. Deze wet biedt een beschermingskader voor de aangewezen beschermde gebieden. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden planologisch vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur(gebieden). Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden.

De bescherming van het NNN bestaat hieruit (artikel 7.8, lid 2, Bkl): dat geen activiteiten worden mogelijk gemaakt die leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte of samenhang van het NNN. Toetsing gebiedsbescherming De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn De Wilck op circa 10 kilometer afstand van het plangebied, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck op circa 12 kilometer afstand, Kennemerland-Zuid op circa 13 kilometer afstand, Coepelduynen op circa 14 kilometer afstand en Meijendel & Berkheide op circa 14,5 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de afstand tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, alsmede de inrichting van het tussengelegen gebied, waaronder bebouwde gebieden, kunnen mechanische en optische effecten en geluidsverstoring uitgesloten worden. Wel is het mogelijk dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek2 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er in de bouw- en de gebruiksfase geen stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.

1

2

Dresmé&vanderValk, Quickscan natuurwetgeving Floraweg 9 te Roelofarendsveen, Versienummer: 1.0, IJmuiden, 5 juli 2024 SoundForceOne, Stikstofdepositieonderzoek ontwikkeling 40 woningen aan de Floraweg 9 in Roelofarendsveen, Roel202460 v1.0, Deventer, 22 juli 2024

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

21

Het meest nabijgelegen NNN gebied is een deel van het Braassemerland en Braassemermeer op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied. Externe werking op beschermde NNNgebieden is niet van toepassing. Er zijn in het kader van de NNN geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft deze gebiedsbescherming. Uit het oogpunt van de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling. 4.5.3. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing soortenbescherming Uit de quickscan blijkt dat verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. In de bebouwing binnen het plangebied ontbreken geschikte holtes of invliegopeningen voor vleermuizen.

Binnen de bebouwing van het plangebied of net buiten het plangebied zijn geen geschikte ruimtes of holtes aanwezig voor jaarrond beschermde vogelnesten van de huismus en gierzwaluw. Tegenover het plangebied in de oever van een onbeschoeid deel van de zuidelijk gelegen watergang is een nest van meerkoet met kuikens waargenomen. Deze soort en andere algemene soorten zoals eend en fuut maken echter elk jaar een nieuw nest, waardoor een nest alleen in het broedseizoen (globaal van 15 maart tot en met eind augustus) beschermd is. Op basis van verspreidingsgegevens binnen het bestemmingsplangebied worden, behalve de rugstreeppad, geen beschermde reptielen of amfibieën verwacht. De biotoop van het plangebied is op dit moment ongeschikt voor de rugstreeppad. Nader onderzoek naar deze soort of ontheffing van de natuurwetgeving is niet nodig Op basis van de ongeschikte biotoop van het plangebied en de directe omgeving, kan de aanwezigheid van kleine marterachtigen of andere beschermde zoogdiersoorten zoals noordse woelmuis in het plangebied worden uitgesloten. Een nader onderzoek naar deze soorten of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet nodig. In het kader van de Zorgplicht worden de volgende maatregelen tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden aanbevolen:

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

22

▪ de vorming van ondiepe plassen tijdens en direct na het bouwrijp maken van het plangebied dient te worden voorkomen, zodat de rugstreeppad deze wateren niet als voortplantingswater in gebruik neemt; ▪ werkzaamheden die aangrenzende oevers met nesten van algemene soorten zoals meerkoet of eend kunnen verstoren worden ruim buiten het broedseizoen uitgevoerd, voor medio februari en na eind september; ▪ behoud te allen tijde een vluchtweg voor dieren, bijvoorbeeld door altijd in één richting te werken. Uit het oogpunt van de soortenbescherming zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling. 4.5.4. Conclusie De planontwikkeling heeft geen wezenlijke invloed op de gunstige instandhouding van beschermde soorten en/of gebieden. Het aspect flora en fauna levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

4.6.

Luchtkwaliteit Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ▪ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Toetsing Omdat in het plangebied het aantal woningen met 40 toeneemt, kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2023, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (15,2 microgram per m³) en fijn stof (15,5 microgram per

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

23

m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (7,9 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7.

Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Een gemeente legt in het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vast. In afdeling 3.5 van het Bkl zijn regels voor belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen opgenomen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (voor functies zoals wonen, onderwijs of zorg) en locaties nabij een geluidsbron. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) (lokale spoorwegen die zijn aangewezen bij omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor lokale wegen (een verharde gemeente- of waterschapsweg met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen (een spoorweg die niet is aangewezen bij omgevingsverordening). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.

Binnen het geluidaandachtsgebied is akoestisch onderzoek nodig om een geluidgevoelig gebouw toe te laten. Afbeelding 12: Standaardwaarden en grenswaarden. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarde

Grenswaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight

60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden 45 Lnight

Toetsing De geplande woningen worden gebouwd in het geluidaandachtsgebied van de Floraweg, de Braassemdreef en de Rijksweg A4. Daarom is akoestisch onderzoek3 uitgevoerd.

3

Munsterhuis Geluidsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeer Plan project Plan woningen Floraweg / Braassemdreef, Roelofarendsveen, B03.24.090-RM, Borne, 31 mei 2024

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen

24

De Floraweg en de Braassemdreef zijn gemeentelijke wegen. Derhalve is een grenswaarde van 70 dB van toepassing. De standaardwaarde voor deze weg bedraagt 53 dB. De Rijksweg A4 kent een standaardwaarde van 50 dB en een grenswaarde van 60 dB. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de Braassemdreef en van de Floraweg de standaardwaarde van 53 dB op verschillende woningen wordt overschreden, waarbij de hoogste geluidbelasting respectievelijk 60 en 61 dB bedraagt. Voor de A4 wordt de standaardwaarde van 50 dB wordt overschreden op meerdere woningen. De hoogste geluidbelasting als gevolg van de A4 bedraagt 56 dB. Het college kan een hogere waarde dan de standaardwaarde verlenen in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting (vanwege de weg) van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen: ▪ onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel ▪ overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. De voorkeursvolgorde voor het treffen van maatregelen ter beperking van de geluidbelasting is op de eerste plaats bronmaatregelen (bijvoorbeeld beperken aantal voertuigen, toepassen ander wegdek of verlagen rijsnelheid), vervolgens overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidschermen) en tot slot gevelmaatregelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=13b749ba-0ffb-47d8-b13e-45d6abe86313