2025-12-04 Ruimtelijke onderbouwing (GoFlo)
Tekst van het document
Het beperken van het aantal voertuigen is niet mogelijk. De snelheid op alle wegen kan eveneens niet verlaagd worden. Ook kan het type wegdek niet worden aangepast door de initiatiefnemer. Bij maatregelen in de overdracht moet gedacht worden aan een scherm. Deze maatregel stuit naar verwachting op stedenbouwkundige en financiële bezwaren omdat de kosten aanzienlijk zijn. De woningen kunnen wel verder van de weg af worden gesitueerd, maar niet dusdanig dat er sprake is van het voldoen aan de standaardwaarde van 53 dB (gemeentelijke wegen) of 50 dB (Rijksweg A4). Overdrachtsmaatregelen zijn dan ook verder uitgesloten. Daarom dient een hogere waarde dan de standaardwaarde te worden verleend voor de woningen. Ten behoeve van de bepaling van eventuele geluidwerende voorzieningen, dient gerekend te worden met het gezamenlijke geluid van alle wegen. Extra geluidwerende voorzieningen kunnen noodzakelijk zijn om het maximale binnenniveau niet te overschrijden. Het maximaal toelaatbare binnenniveau bedraagt 33 dB in de woning. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt als uitgangspunt genomen dat een gevel van een gebouw een minimale gevelwering heeft van 20 dB. Derhalve dient bij een geluidbelasting vanaf 53 dB geluidwerende voorzieningen bepaald te worden. Uit de berekeningen blijkt dat de gezamenlijke geluidbelasting de 53 dB overschrijdt op alle woningen.
Daarmee wordt voor de woningen in het plangebied niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Extra geluidwerende voorzieningen ten gevolge van wegverkeerslawaai zijn voor de woningen noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond. Conclusie
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
25
Het aspect geluid levert -indien de benodigde hogere waarden worden verleend en de benodigde gevelmaatregelen worden genomen- geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8.
Geur Algemeen Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Conform de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat (BS) bevat regels over: ▪ geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); ▪ geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); ▪ geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); ▪ geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
26
Toetsing In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd met een geuremissie die tot het plangebied reikt. Conclusie Het aspect geur levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9.
Milieuzonering In planologische procedures waarin de vestiging van woningen in de nabijheid van bedrijven (of andersom) mogelijk wordt gemaakt, moet rekening worden gehouden met ruimtelijk relevante milieuhygiënische aspecten van die bedrijven. Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in H3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De gemeente Kaag en Braassem heeft in H22, afdeling 22.3 regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk.
Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in de brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) een handreiking4 gedaan ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende
4
In oktober 2024 is de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Deze handreiking is in hoofdzaak is bedoeld voor de inrichting van het nieuwe omgevingsplan en niet om te onderzoeken of er bij milieugevoelige functies (zoals woningen) nabij milieubelastende functies een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden. De handreiking ziet vooral op het inrichten van een omgevingsplan met milieubelastende functies. Om aan te tonen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen is de handreiking uit 2009 nog steeds bruikbaar is.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
27
richtafstanden tot gevoelige functies, zoals woningen. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de grond die is aangewezen voor de functie bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG-handreiking hanteert twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Het uitgangspunt van de VNG-handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan.
Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. Afbeelding 13: Omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonRichtafstand tot omgevingstype gemengd wijk en rustig buitengebied gebied 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter 200 meter 100 meter 300 meter 200 meter
Toetsing De gronden aan de zuidzijde van het plangebied behouden de bestemming "Agrarisch – Glastuinbouw". Glastuinbouwbedrijven behoren op grond van de VNG-handreiking tot milieucategorie 2. Het plangebied is door de ligging langs de Braassemdreef aan de rand van het glastuinbouwgebied aan te merken als 'gemengd gebied'. Dat betekent dat uitgegaan mag worden van een richtafstand van 10 meter vanaf de bestemmingsgrens van het glastuinbouwbedrijf tot aan de te realiseren woningen. Omdat in dit geval de gronden van het plangebied en van het aangrenzende tuinbouwbedrijf in één bestemmingsvlak liggen is er geen bestemmingsgrens aan te wijzen. Feitelijk gezien is de oever van de watergang aan de zijde van het tuinbouwbedrijf de bepalende grens. De woningen in het plangebied worden op meer dan 10 meter van die oever gerealiseerd.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
28
Voor de overige milieubelastende functies in de directe omgeving wordt aan de richtafstanden voldaan. Conclusie Uit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
4.10. Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). ▪ buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege, en is een gebied rond activiteiten met gevaarlijke stoffen dat zichtbaar maakt waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met ge-
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
29
vaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Uit de risicokaart blijkt dat het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief.
Het plangebied maakt evenmin onderdeel uit van een aandachtsgebied. Afbeelding 14: Fragment risicokaart
Uit een quickscan externe veiligheid5 blijkt dat op circa 660 meter ten zuidwesten van het plangebied de Seveso-inrichting Dobbe Transport BV ligt. Uit de EV Signaleringskaart.nl ten tijde van het onderzoek blijkt dat het plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van deze inrichting ligt. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met de kans op het overlijden van 10 of meer personen. Het is echter niet nodig aanvullende maatregelen te treffen tegen de ef-
5
Adviesgroep AVIV BV, Quick scan externe veiligheid / Woningontwikkeling Floraweg 9 in Roelofarendsveen, 245825, Enschede, 20 juni 2024
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
30
fecten van een gifwolk aangezien het afsluitbaar maken van automatische ventilatie een standaard bouwkundige eis is in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11. Trilling Algemeen Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn er geen activiteiten die trillingshinder veroorzaken. Conclusie Het aspect trilling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12. Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot: ▪ repressief welstand (artikel 22.7), oftewel de excessenregeling, en ▪ beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29). Als een gemeente geen welstandsnota en ook een beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken heeft, dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De bruidsschat geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Toetsing De Welstandsnota van de gemeente Kaag en Braassem 2017 is op 6 september 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
31
Het plangebied maakt onderdeel uit van een welstandsluw gebied. In het plangebied en daaromheen zijn geen monumenten aanwezig en het plangebied ligt ook niet in een beschermd dorpsgezicht. Conclusie Omdat het plangebied welstandsluw is, worden er geen welstandseisen gesteld.
4.13. Archeologie, cultuurhistorie en landschap 4.13.1. Algemeen In de Omgevingswet wordt onder cultuur erfgoed verstaan monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. In artikel 5.130 Bkl zijn bepalingen opgenomen om in het omgevingsplan cultureel erfgoed te beschermen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.13.2. Archeologie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Artikel 5.130, lid 3 Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over de uitvoering van onderzoek bij activiteiten die een te verwachten archeologisch monument kunnen verstoren. Voor projecten kleiner dan 100 m² mag geen archeologisch onderzoek gevraagd worden, tenzij in het omgevingsplan anders is bepaald. Toetsing Uit het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3) blijkt dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft en dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Indien tijdens de werkzaamheden resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze resten van cultuurhistorische waarde zijn, geldt een wettelijke meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
32
Conclusie Het aspect archeologie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.13.3. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook anderszins is het perceel in cultuurhistorisch opzicht niet waardevol. Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14. Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor het aspect bodem instructieregels in het opgenomen. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: ▪ het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); ▪ het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); ▪ het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing Om de milieukundige bodemkwaliteit te bepalen is bodemonderzoek 6 uitgevoerd.
Voor verschillende deellocaties in het plangebied zijn verschillende onderzoekshypotheses als uitgangspunt gehanteerd. Een van de deellocaties is een gedempte sloot nabij de Floraweg. De gestelde hypothese dat ter plaatse van deze gedempte sloot verhogingen aan zware metalen, PAK, PCB's, minerale olie en/of bestrijdingsmiddelen (OCB's) kunnen worden verwacht, is niet bevestigd. De bodem ter plaatse van slootdemping is beoordeeld als kwaliteitsklasse landbouw/natuur.
6
Grondslag, Verkennend, aanvullend en nader (water)bodemonderzoek Floraweg 9 te Roelofarendsveen, project 39666, Kamerik, 22 augustus 2024
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
33
Ook aan de achterzijde van het perceel is een sloot gedempt. Verder is aan deze zijde een verlaging in het land gedempt met afval. De gestelde hypothese dat ter plaatse van deze gedempte sloot en het stuk land dat is gedempt met afval verhogingen aan zware metalen, PAK, PCB's, minerale olie en/of bestrijdingsmiddelen (OCB's) kunnen worden verwacht, is bevestigd. Tijdens de verkennende fase is ter plaatse van slootdemping (grenzend aan het land gedempt met afval) de afvalhoudende ondergrond bij één boring als kwaliteitsklasse sterk verontreinigd beoordeeld. Dit wordt veroorzaakt door een verhoging aan zink boven de interventiewaarde. Hiernaar is aanvullend onderzoek uitgevoerd om de omvang van de aangetroffen zinkverhoging te bepalen. Hieruit blijkt dat er geen aanleiding is voor een nader chemisch onderzoek naar deze zinkverontreiniging. Daarnaast is een T-waarde overschrijding aan lood aangetoond in dit monster. De verhogingen aan lood en zink zijn aanvullend onderzocht om vast te stellen of er al dan niet sprake is van minimaal 25 m³ grond dat de interventiewaarde overschrijdt. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden met behulp van een kraan. Tijdens de aanvullende fase is vastgesteld dat de afvalhoudende bodemlaag meer dan 50% bodemvreemd materiaal bevat waardoor deze formeel niet als bodem kan worden aangemerkt.
Naar aanleiding van het aantreffen van een interventiewaarde en T-waarde overschrijding aan respectievelijk zink en lood in het afvalhoudend dempingsmateriaal zijn de bodemlagen rondom deze afvallaag aanvullend onderzocht op het voorkomen van een mogelijk verontreiniging aan lood en zink. Uit de resultaten blijkt dat de bodemlagen rondom de afvallaag beoordeeld worden als maximaal kwaliteitsklasse industrie. Er is derhalve geen sprake van een interventiewaardeoverschrijding in de grond. Voor de locatie waar meststoffen en bestrijdingsmiddelen worden aangemaakt en opgeslagen is een hypothese gesteld dat in dit deelgebied verhogingen aan zware metalen en/of bestrijdingsmiddelen kunnen worden verwacht. Deze hypothese is bevestigd. De bovengrond is beoordeeld als kwaliteitsklasse industrie. De gestelde hypothese dat ter plaatse van het overige terrein door het langdurig gebruik van de locatie voor tuinbouwactiviteiten verhogingen aan zware metalen en OCB (bestrijdingsmiddelen) is bevestigd. De boven- en ondergrond is beoordeeld als kwaliteitsklasse industrie. In het grondwater is geen overschrijding van de signaleringsparameter gemeten. De grond is aanvullend onderzocht op PFAS. Hieruit blijkt dat de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur bij toepassing op de landbodem. De grond is niet toepasbaar in regionale wateren en rijkswateren.
▪ Asbestresultaten grond De hypothese dat de contactzone aan de oostzijde van de veldschuur verdacht is op het voorkomen van een verontreiniging met asbest, omdat er een asbestdak aanwezig is zonder regengoot, is niet bevestigd. Met het uitgevoerde nader onderzoek is het gemiddelde gehalte aan asbest van de ruimtelijke eenheid bepaald. In de verdachte contactzone, met bijmenging, is een asbestgehalte aangetoond dat niet de interventiewaarde overschrijdt. En wordt hiermee aangemerkt als zijnde niet verontreinigd met asbest.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
34
De gestelde hypothese dat het aangevulde landdeel met afval en de bovengrond ter plaatse van de (voormalige) kassen verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond, is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. ▪ Waterbodem De waterbodem bestaat uit matig stevig matig humeus donker bruingrijs slib. De dikte van de sliblaag varieert tussen de 0,21 en 0,61 meter. Visueel is geen asbestverdacht materiaal in de waterbodem waargenomen. De sliblaag is geanalyseerd op het standaardpakket voor regionale waterbodems aangevuld met arseen, chroom, OCB's en op PFAS. Op basis van de resultaten is het slib beoordeeld als 'klasse Industrie' voor toepassing op landbodem en licht verontreinigd voor toepassing in oppervlaktewater. Het slib is niet verspreidbaar op aangrenzend perceel. De gehaltes PFAS voldoen aan klasse landbouw/natuur bij toepassing op de landbodem. Het slib is daarnaast voor PFAS onder voorwaarden toepasbaar in oppervlaktewater en verspreidbaar op aangrenzend perceel.
▪ Asbest in een afvalhoudende dempingslaag Ter plaatse van de afvalhoudend dempingsmateriaal in de oostzijde van de slootdemping A en in de aangrenzende aanvulling met afval van land is een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbest. In de afvallaag die aanwezig is op een diepte van circa 0,2 m-mv tot maximaal 1,0 m-mv is asbest aangetroffen. De gemiddelde dikte van de afvallaag bedraagt circa 0,5 meter. Het asbestgehalte overschrijdt de grenswaarde van 100 mg/kg ds. De afvallaag is asbestverontreinigd en wordt hiermee aangemerkt als 'asbesthoudend afval'. De afvallaag met asbest is aangetroffen over een oppervlak van circa 100 m². Uit de beoordeling van de risico's van de asbestverontreiniging blijkt de asbestverontreiniging bij het huidige gebruik geen risico's oplevert. De asbestverontreiniging is afgedekt met een laagje grond. ▪ Aanbevelingen bodem Volgens de Omgevingswet geldt voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dat de bodem moet voldoen aan de toelaatbare kwaliteit. Vooralsnog heeft de gemeente Kaag en Braassem geen regels opgesteld voor de toelaatbare kwaliteit waardoor de Rijksregel geldt dat de toelaatbare kwaliteit gelijk is aan maximaal de interventiewaarde. Geadviseerd wordt om grond die vrijkomt bij graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het project.
Hierbij dienen de verschillende vrijkomende kwaliteitsklassen (natuur/landbouw tot en met matig verontreinigd) bij hergebruik binnen de ontwikkelingslocatie toegepast te worden ter plaatse van bodem met dezelfde kwaliteitsklasse. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
35
▪ Aanbevelingen asbesthoudende afvallaag Indien in de toekomst ter plaatse van de asbesthoudende afvallaag gegraven gaat worden, dient een Plan van aanpak opgesteld te worden en de gemeente moet geïnformeerd worden. De gemeente is echter geen bevoegd gezag. BRL 6000 en 7000 zijn niet van toepassing, echter er wordt wel geadviseerd om een BRL 7000 gecertificeerde aannemer in te schakelen en een BRL 6000 gecertificeerde milieukundig begeleider. Het werk valt onder veiligheidsklasse "zwart niet vluchtig” van de CROW 400. NB: De aannemer dient altijd een melding te doen bij de Inspectie SZW in geval hij werkzaamheden uitvoert met asbesthoudende materialen. Conclusie Indien bovenstaande aanbevelingen worden opgevolgd, zijn er met het oog op de milieuhygienische bodemsituatie geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
4.15. Weging van het waterbelang Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op grond van artikel 5.37 Bkl rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken. Dit betekent dat een zogenaamde 'weging van het waterbelang' (voorheen: watertoets) dient plaats te vinden. Het plangebied ligt in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR). Dit hoogheemraadschap is in dit gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteits- en -kwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Het beleid van HHR is er daarbij op gericht dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Het is daarbij cruciaal voor de veiligheid dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn. De taken en bevoegdheden van het HHR op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: ▪ waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); ▪ watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); ▪ andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); ▪ de bodem van kwelgevoelige gebieden; ▪ onttrekken en lozen van grondwater; ▪ het aanbrengen van verhard oppervlak.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
36
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (tot en met 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Per 1 januari 2024 zijn de nieuwe klimaatregels van HHR in werking getreden: ▪ de 20 millimeter-regel: om ervoor te zorgen dat een gebied droogte aankan, moet de bodem in een gebied een normale bui van 20 mm in 24 uur op kunnen nemen en kunnen vasthouden voor droge periodes; ▪ de 90 millimeter-regel: om ervoor te zorgen dat een gebied extreme neerslag aankan, moet een gebied een regenbui van 90 millimeter in 24 uur op kunnen vangen.
Dat opvangen kan in de bodem, sloten, open water of andere vormen van wateropslag; ▪ natuurinclusieve regels: om de waterkwaliteit en de biodiversiteit te versterken en te ondersteunen, moeten brede sloten en ander water van voldoende en afwisselende diepte en een schuine kant worden aangelegd in plaats van ondiepe, smalle slootjes. De oevers moeten natuurvriendelijk zijn (schuine kant, beplanting). Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met HHR afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat HHR uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Toetsing In verband met de planontwikkeling is een waterbalans gemaakt op basis van de indicatieve verkaveling.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
37
Door de planontwikkeling neemt het areaal bebouwd en verhard oppervlak af. Derhalve is geen compensatie noodzakelijk. Afbeelding 15: Waterbalans.
Bestaand
Toekomstig
Onverhard
▪ Onverhard (tuin/groen) ▪ vlonders (waterdoorlatend) ▪ halfverhard (50%)
5.125 m²
3.169 m² 1.653 m² 440 m²
Subtotaal
5.125 m²
5.262 m²
Verharding
▪ ▪ ▪ ▪
bebouwing verharding waterbassin halfverhard (50%)
2.575 m²
2.075 m²
555 m²
754 m²
276 m² 440 m²
Subtotaal
3.406 m²
3.269 m²
Water
▪ water
2.169 m²
2.169 m²
Subtotaal
2.169 m²
2.169 m²
Totaal
10.700 m²
10.700 m²
Om schoon water schoon te houden en gescheiden af te voeren zal voor dit bouwplan het schone hemelwater afgevoerd worden naar bodem of oppervlaktewater. Voor afvoer naar oppervlaktewater is het van belang dat geen uitlogende materialen (als zink, lood, koper en bitu-
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
38
men zonder KOMO-keurmerk) worden toegepast op plaatsen waar deze materialen in contact komen met het hemelwater. Dergelijke materialen zullen niet worden toegepast. Voor zover de oevers in eigendom zijn van bewoners zijn zij verantwoordelijk voor het onderhoud hiervan. Mandelige oevers worden onderhouden door de vereniging van eigenaren en de openbare oevers zullen door de gemeente worden onderhouden. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen
39
5.
Uitvoerbaarheid
5.1.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1. Bestuurlijk vooroverleg P.M. 5.1.2. Participatie omgeving Initiatiefnemer heeft omwonenden aan de Floraweg 10, 11 en 12 geïnformeerd over de planontwikkeling. Ook voor Floraweg 10 en 12 is een bouwplan in ontwikkeling. Met de initiatiefnemers hiervan is regelmatig contact geweest. Dit heeft ervoor gezorgd dat beide planontwikkeling op elkaar zijn afgestemd. Ook de agrarische ondernemer aan de Floraweg 11 heeft het voornemen zijn activiteiten als tuinder te staken en heeft ook een principeverzoek voor een woningbouwplan ingediend. Voor andere omwonenden wordt op korte termijn nog een informatieavond georganiseerd. Het resultaat hiervan zal te zijner tijd in deze paragraaf worden verwerkt.
5.2.
Financiële haalbaarheid Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening en risico ontwikkeld door de initiatiefnemers. Deze initiatiefnemers zijn ook de eigenaar van de gronden. De financiering van alle kosten die samenhangen met de ontwikkeling van de bebouwing komt voor rekening van de initiatiefnemers. Er zijn derhalve geen kosten voor de gemeente aan het bouwplan verbonden. Dit zal tussen de gemeente en initiatiefnemer met een anterieure overeenkomst worden vastgelegd.
5.3.
Belangenafweging Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In Hoofdstuk 3 Beleidskader en Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven. Conclusie beleid Uit een analyse van het Rijks- en provinciaal beleid zijn geen belemmeringen voor de planontwikkeling naar voren gekomen. In het gemeentelijk beleid verzet uitsluitend het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem zich tegen woningbouw in het plangebied. Conclusie omgevingsaspecten Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu en andere relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving zijn.
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Gemeente Kaag en Braassem – Floraweg 9 Roelofarendsveen