20241029 Vooraf gestelde vragen fractie D66 inzake Zienswijziging Gemeenschappelijke Regeling Holland Rijnland
Tekst van het document
Vooraf gestelde vragen Vergadering d.d. Soort vergadering Nummer agendapunt Titel agendapunt
: maandag 4 november 2024 : Visie en Advies :7 : Zienswijze Wijziging Gemeenschappelijke Regeling Holland Rijnland.
Datum: Fractie: Vraag 1: 29 D66 Artikel 5 van de nieuwe regeling geeft een opsomming van de door raden en oktober colleges aan Holland-Rijnland overgedragen bevoegdheden. Voor leden 1 t/m 2024 5 zijn dat duidelijk bevoegdheden die daarmee exclusief op regioniveau afgehandeld dienen te worden. Bij lid 6 staat de co-creatie en het gezamenlijke van regio en gemeenten voor de RIA nadrukkelijk benoemd. Maar het noemen van ‘het beheren van fondsen en subsidies’ (lid 9) als overgedragen bevoegdheid (en vervolgens pas met een ‘waaronder’ nader duiden van om welke fondsen het gaat) betekent bij letterlijke lezing dat de gemeenten het gehele domein van beheren van fondsen en subsidies delegeren en daar dus niet meer zelfstandig toe bevoegd zijn. Ook contextueel kan men tot die conclusie komen, omdat bij leden 6 en 7 genuanceerder het onderscheid gemaakt wordt tussen gemeentelijke en regionale taken c.q. bevoegdheden. Waarom is voor de voorgestelde formulering gekozen? En op welke wijze wordt genoemde interpretatie sluitend uitgesloten? Antwoord:
Datum: Fractie: Vraag 2: 29 D66 Waarom is in artikel 5 bij leden 1 en 2 er wel voor gekozen expliciet te oktober benoemen dat de grondslagen blijven voortbestaan ook als de relevante 2024 wetgeving van naam verandert (‘zoals deze van tijd tot tijd luidt’), maar niet bij titel 4.2 Awb? Werd dat niet nodig geacht omdat die wetgeving bestendiger is, of zit hier een inhoudelijke keuze achter? Antwoord:
Datum: Fractie: Vraag 3: 29 D66 Artikel 9, zesde lid, stelt dat een lid dat de hoedanigheid als lid van de raad of oktober het college verliest ook ophoudt lid te zijn van het AB. Zou hierop geen 2024 uitzondering dienen te bestaan voor de situatie dat na het opstappen van meerdere wethouders er nog slechts 1 wethouder overblijft en als gevolg van artikel 42-2 Gemeentewet de burgemeester in plaats van het college treedt. Op grond van de Wgr is er geen noodzaak betreffende wethouder dan diens AB-lidmaatschap te ontzeggen, die persoon is immers nog wel wethouder waarmee er geen van rechtswege verval van lidmaatschap is (artikel 13-2 1
Wgr). Welk belang dient het voorgestelde uitsluiten in de concept-GR? Het belang dat betreffende wethouder ook als niet-collegelid de burgemeester kan ontzorgen en zo het blijven functioneren van het openbaar bestuur in de gemeente kan bevorderen, lijkt ons evident. Antwoord:
Datum: Fractie: Vraag 4: 29 D66 Op welke wijze wil Holland Rijnland blijven innoveren en verbeteren in het oktober betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de participatie rondom het 2024 collectief vraagafhankelijk vervoer en de uitvoering van Huisvestingswet? Zie het college kans het recent vastgestelde gemeentelijke participatiebeleid daarbij door te trekken naar Holland Rijnland? Antwoord:
2