20240514 t_NL.IMRO.1884.BPVENNEMEER3EN5-VAS1
Tekst van het document
Voor wat betreft de bereikbaarheid voor hulpdiensten geldt dat Vennemeer weliswaar doodlopend is, maar er zijn op deze weg voldoende keermogelijkheden aanwezig. Ook op het onderhavige perceel zal de weg voldoen aan de eisen uit het beleidsdocument 'Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden' (minimale breedte verharding 3,25 meter, vrije hoogte van 4,2 meter). Ook wordt voldaan aan de voorwaarde dat elk perceel binnen twee minuten vanaf een verkeersader bereikt kan worden. Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor of door buisleidingen plaatsvindt. Verder komen er geen risicovolle inrichtingen in of in de directe nabijheid van het plangebied voor. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
•
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
22
• •
verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek In het kader van voorliggend bestemmingsplan en de beoogde ontwikkeling is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 8 juni 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling brengt bouwwerkzaamheden met zich mee. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Wel dient er rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Bezette nesten zijn altijd beschermd, ook buiten het broedseizoen. Het is verboden bezette nesten weg te nemen of te verstoren. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, een weidevogelgebied of de strategische reservering natuur. Er liggen ook geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De planlocatie is onderdeel van de Groene buffer, maar de beoogde ontwikkeling resulteert niet in aantasting van de Groene buffer.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUSberekening is niet noodzakelijk. Houtopstanden In de beoogde ruimtelijke ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van de Wnb is niet noodzakelijk. Conclusie Het plan is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming, mits er rekening wordt gehouden met de Algemene zorgplicht (zie Te treffen maatregelen). Te treffen maatregelen
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
23
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
4.8 Cultureel erfgoed 4.8.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast regelt de wet dat bij verstoring van de ondergrond archeologisch onderzoek noodzakelijk kan zijn voor het bepalen van de aanwezigheid van archeologische resten/monumenten. Hierbij kunnen beschermingsmaatregelen opgelegd worden zoals behoud in situ of een opgraving voor documentatie en berging van de resten. Gemeenten kunnen middels eigen beleid invulling geven aan bescherming van archeologisch erfgoed.
Planspecifiek De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 23 mei 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. Op 13 mei 2013 is het geactualiseerde gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
24
Uitsnede archeologische beleidskaart, plangebied rood omcirkeld
Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met een Middelhoge archeologische verwachting. Voor dergelijke gebieden is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² of dieper dan 30 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden. De werken en werkzaamheden zullen beneden de oppervlaktegrens blijven, waardoor het niet vereist is om archeologisch onderzoek uit te voeren. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Zoals blijkt uit de gemeentelijke Welstandsnota (toelichting paragraaf 3.4.3) zijn er in de directe omgeving eveneens geen monumenten aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast.
4.9 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
25
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid en bevoegdheden hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn:
• • •
veiligheid tegen overstromingen; voldoende water; gezond water.
Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de
26
Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft het hoogheemraadschap een adviserende rol en in de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen een regelgevende rol. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
Onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding.
Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Planspecifiek Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onverhard, met uitzondering van de bestaande schuur van 47 m². Met de voorgenomen ontwikkeling zullen een drietal verblijfsrecreatieve onderkomens gerealiseerd van maximaal 60 m² per stuk, inclusief bijbehorende bouwwerken, met daaromheen bescheiden terrassen en een bijgebouw met een maximale omvang van 50 m². Het terrein zal worden ontsloten middels een halfverhard pad vanaf de weg Vennemeer, met daaraan de benodigde
27
parkeerplaatsen en toegangspaden tot de recreatieve onderkomens. Verder zal het terrein vooral het groene karakter behouden. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe met circa 483 m² (zie hiervoor ook onderstaande tabel).
Dakoppervlak Ontsluiting, parkeren, terrassen en paden Toename verharding
Huidige situatie
Toekomstige situatie
47 m² 0 m²
230 m² 300 m²
Toe/afname + 183 m² + 300 m² + 483 m²
In de nieuwe situatie vindt geen toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² plaats. Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk. Daarbij is nog relevant dat de ontsluiting en het parkeren zoveel als mogelijk in halfopen bestrating worden uitgevoerd (er wordt geen asfalt toegepast), wat een gunstig effect heeft op de waterhuishouding. Waterafvoer Voor wat betreft de afvoer van afvalwater wordt aangesloten op het aanwezige rioolstelsel. Voor het hemelwater wordt uitgegaan van infiltratie in de bodem en van een vertraagde afvoer naar het aangrenzende oppervlaktewater. Hiervoor is van belang dat geen gebruik gemaakt wordt van uitlogende bouwmaterialen. Waterkering Het onderhavige plangebied ligt voor een klein gedeelte binnen de beschermingszone van een waterkering, zoals aangegeven op de Legger Regionale Keringen van het hoogheemraadschap van Rijnland. Voor dat perceelsgedeelte wordt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering gehanteerd.
Uitsnede Legger Regionale Keringen (bron: hoogheemraadschap van Rijnland) Conclusie De wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
28
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft de realisatie van een drietal recreatieverblijven. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruikgemaakt van de kengetallen uit publicatie 381 van het CROW (zie tabel).
Ontwikkeling Recreatieverblijf m²
60
Aantal
CROW aansluiting
3
bungalowpark (huisjescomplex)
Verkeersbewegingen per bungalow (buitengebied) 2,8
Totaal 8,4
Voor het totale plangebied geldt een verkeersgeneratie van 8,4 motorvoertuigen per etmaal. Ontsluiting van het plangebied geschiedt via de weg Vennemeer. Het verkeer komt vanuit daar direct op de Leidseweg. Raadpleging van het gemeentelijk verkeersmodel leert dat de intensiteit/capaciteitverhouding van deze weg er plaatse nog een forse stijging van het aantal verkeersbewegingen toe laat. Er vinden momenteel ruim 1.000 verkeersbewegingen plaats, terwijl het profiel ruimte biedt voor 5.000 bewegingen. De beperkte toename aan verkeersbewegingen als gevolg van het voorliggende plan zal derhalve geen verkeersproblemen veroorzaken.
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de 'Nota parkeernormen 2018' (gepubliceerd op 15 maart 2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente.
29
Planspecifiek In de volgende tabel is weergeven hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden in de toekomstige situatie. Aangesloten wordt bij de categorie 'bungalowpark (huisjescomplex)' van de Nota Parkeernormen 2018. Uitgegaan wordt van de categorie buitengebied en van het gemiddelde van de bandbreedte van de parkeernorm. Ontwikkeling
Recreatieverblijf m²
60
Aantal
CROW aansluiting
3
bungalowpark (huisjescomplex)
Parkeerplaatsen bungalow (buitengebied) 2,1
per
Totaal
6,3
Voor de totale ontwikkeling geldt een totaal aantal benodigde parkeerplaatsen van (afgerond) 7 parkeerplaatsen. Dit wordt volledig op het terrein opgevangen. De ontwikkeling leidt hiermee niet tot een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Hiermee wordt aan de eisen voldaan. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief.
30
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in Hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
31
• • •
specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Recreatie - Verblijfsrecreatie Het gehele plangebied is voorzien van de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Er zijn hier ten hoogste drie recreatieve onderkomens uit categorie 3 toegestaan. Dat betreft verblijfsrecreatieve gebouwen tot 60 m², inclusief bijbehorende bouwwerken. Er zijn, rekening houden met het feit dat het hier om twee afzonderlijk initiatieven gaat, twee bouwvlakken aangeduid, waarbij het maximum aantal recreatieve onderkomens per bouwvlak is aangeduid. Het beleid van de gemeente is gericht op het handhaven van het recreatieve karakter van verblijfsrecreatie. Permanente bewoning van de woningen is dan ook niet toegestaan. Verder is ten behoeve van een eventuele vernieuwing van een bestaand schuurtje, waarbij ook gedacht wordt aan een andere positionering, een regeling opgenomen dat binnen het plangebied een bijgebouw is toegestaan. Daarbij is geregeld dat het bijgebouw een maximale oppervlakte van 50 m² en maximale gooten bouwhoogten van resp. 2,5 en 3,5 meter mag hebben. In de Overige regels is een bepaling opgenomen die toeziet op het realiseren van voldoende parkeergelegenheid.
Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' beschermt de archeologische waarden in het plangebied, conform van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een omgevingsvergunning nodig. Er geldt een vrijstelling voor een bouwplan en werken en werkzaamheden met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m² en voor een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' ziet toe op het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.
32
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemers. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
33
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een voorontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Omwonenden zijn met betrekking tot het initiatief voor de twee recreatiewoningen achter nr. 5 persoonlijk benaderd. Vanuit de bevindingen is gebleken dat één van de omwonenden niet blij is met de beoogde ontwikkeling, vanwege het effect op het landelijk uitzicht. Voor de rest zijn er geen bezwaren geuit.
7.3 Overleg artikel 3.1.1 Bro Het (voor)ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro op 12 december 2023 gestuurd naar de volgende overlegpartners: provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Rijnland, Tennet en Veiligheidsregio Hollands Midden. Hieronder zijn de ingekomen vooroverlegreacties samengevat, met - waar nodig - een gemeentelijke reactie in cursief. Daarnaast is in het bestemmingsplan rekening gehouden met het advies van Omgevingsdienst WestHolland (advies d.d. 30 oktober 2023). Veiligheidsregio Holland Midden De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. VRHM heeft een advies uitgebracht ten aanzien van de fysieke veiligheid. a.
VRHM merkt op dat het plangebied ontsloten is aan de Leidseweg en dat de Vennemeer doodlopend is. Dit betekent dat de planlocatie niet bereikbaar is via twee onafhankelijke toegangswegen en dat de bereikbaarheid van het plangebied niet voldoet aan de eisen uit het beleidsdocument Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden. Geadviseerd wordt om te kijken naar de opties voor een tweede ontsluitingsweg of de bestaande situatie aan te passen met opties die gegeven worden dat beleidsdocument.
34
Het betreft hier een initiatief in een bestaande situatie, aan een doodlopende weg (Vennemeer). Er zijn hier geen reële mogelijkheden aanwezig om een tweede ontsluitingsweg te realiseren. Er is evenwel sprake van een acceptabele situatie voor hulpdiensten, met voldoende keermogelijkheden en met een voldoende brede weg. Bovendien is sprake van een korte afstand tot een verkeersader (Leidseweg), waarmee voldaan wordt aan een voorwaarde uit het beleidsdocument. Naar aanleiding van deze reactie is in paragraaf 4.6 een alinea toegevoegd over de bereikbaarheid voor hulpdiensten. b.
VRHM merkt op dat er geen offensieve bluswatervoorziening aanwezig is nabij het plangebied. Dit is acceptabel, aangezien het open water bruikbaar is bij een offensieve inzet. Daarnaast is de defensieve bluswatervoorziening in orde. Het water uit het Vennemeer en het water naast de Leidseweg kunnen dienen als open water.
Deze reactie leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. c.
Voor wat betreft de opkomsttijd wordt in de voorliggende situatie uitgegaan van maximaal 15 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd (prognosetijd) bedraagt 8 minuten. Daarmee scoort het nieuwe initiatief ‘Goed’. Er zijn in het kader van het Regionale dekkingsplan geen aanvullende voorzieningen nodig.
Deze reactie leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. d.
Voor wat betreft het aspect 'Externe veiligheid' heeft VRMH geen opmerkingen op de uitwerking hiervan in de toelichting. Bij een brand in de omgeving (of een toxische wolk) is het handelingsperspectief voor de aanwezigen: schuilen binnen een bouwwerk. Bouwwerken kunnen hiervoor enige tijd bescherming bieden, mits de ramen en deuren gesloten kunnen worden en de (mechanische) ventilatie afgeschakeld kan worden. Er wordt dan ook geadviseerd om de bouwwerken te voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen. In het toekomstige Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) is in artikel 4.124, lid 4 geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld.
Deze reactie leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Tennet Tennet geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan en geeft een positief advies. Deze reactie leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Hoogheemraadschap van Rijnland a.
b.
Het Hoogheemraadschap geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding als onderstaande punten worden meegenomen. Het hoogheemraadschap geeft daarom een positief wateradvies. Voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig. Verzocht wordt om rekening te houden met de volgende informatie/advies:
•
De zones van de waterkering zijn niet volledig aangegeven op de verbeelding. Geadviseerd wordt om in het vervolg zowel de kern- als de beschermingszone op te nemen.
•
Voor wat betreft de zuidelijke watergang in het plangebied wordt opgemerkt dat dit een 'overige watergang' is. De onderhoudsverplichtingen en de minimale breedte van de watergang(en) zijn te vinden via de Legger oppervlaktewater.
•
Gewezen wordt op het belang om het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel op te vangen en om wateroverlast te voorkomen (zorgplicht) en om klimaatadaptief te bouwen (zoals regenwaterinfiltratie, een regenwatervijver, minder (terras)verharding en meer beplanting).
35
•
Tevens wordt er op gewezen dat het onttrekken van grondwater altijd moet worden gemeld (of valt mogelijk onder de vergunningsplicht
•
In paragraaf 4.9 wordt verwezen naar de Keur. Op 1 januari 2024 is deze vervangen door de Waterschapsverordening (WSV). Verzocht wordt om dit aan te passen.
We constateren dat de begrenzing van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' correct is opgenomen (kern- en beschermingszone). De verbeelding is dan ook niet aangepast. Voor wat betreft de opmerkingen ten aanzien van de toelichting: bij de verdere uitwerkingen zal rekening worden gehouden met de gemaakte opmerkingen. Er zal melding gemaakt worden van het feit dat de Keur per 1 januari 2024 vervangen is door de Waterschapsverordening. Deze reactie geeft verder geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland heeft in dit verband geen reactie gegeven.
7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 28 december 2023 tot en met woensdag 7 februari 2024 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn zes zienswijzen ingediend. De zienswijzen en de gemeentelijk reactie daarop zijn weergegeven in de als bijlagen bij toelichting, bijlage 3 bijgevoegde 'Nota van beantwoording zienswijzen'.
36