20240313_r_NL.IMRO.1884.BPHAZENPADGEESTWEG-VAS1
Tekst van het document
bestemmingsplan
Hazenpad/Geestweg, Roelofarendsveen Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPHAZENPADGEESTWEG-VAS1
Datum:
2024-03-13
Contactpersoon Buro SRO:
R. van der Made
Kenmerk Buro SRO:
SR190261
Opdrachtgever:
Dhr. Akerboom
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 5 Artikel 2 Wijze van meten ....................................................................................................................................... 12
2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 14 Artikel 3 Agrarisch ................................................................................................................................................... 14 Artikel 4 Detailhandel.............................................................................................................................................. 15 Artikel 5 Recreatie ................................................................................................................................................... 16 Artikel 6 Verkeer ..................................................................................................................................................... 17 Artikel 7 Water ........................................................................................................................................................ 18 Artikel 8 Wonen ...................................................................................................................................................... 19
3 Algemene regels .................................................................................................................................... 21 Artikel 9 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................... 21 Artikel 10 Algemene bouwregels ............................................................................................................................ 21 Artikel 11 Algemene gebruiksregels ........................................................................................................................ 21 Artikel 12 Algemene afwijkingsregels ..................................................................................................................... 22 Artikel 13 Algemene wijzigingsregels ...................................................................................................................... 22
4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 23 Artikel 14 Overgangsrecht ....................................................................................................................................... 23 Artikel 15 Slotregel .................................................................................................................................................. 23
3
4
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan Hazenpad/Geestweg, Roelofarendsveen met NL.IMRO.1884.BPHAZENPADGEESTWEG-VAS1 van de Gemeente Kaag en Braassem;
identificatienummer
1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
1.3 aan huis gebonden beroep: de uitoefening van een beroep door de bewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied in een woning of bijgebouw, waarbij de woning overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is;
1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.6 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,0 m van de voorkant, van het hoofdgebouw;
1.7 afhankelijke woonruimte: een onderdeel van het hoofdgebouw, aan- en/of uitbouw of bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning;
1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.9 bebouwingspercentage: de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel;
1.10 bedrijfsmatige activiteiten: handelingen voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep;
5
1.11 bestaande bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan zijn of (mogen) worden gebouwd krachtens een rechtsgeldig verleende omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een bouwvergunning;
1.12 bestaand gebruik: het op het tijdstip van het in werking treden van het plan legaal aanwezige en/of vergunde gebruik;
1.13 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;
1.14 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.15 bijbehorende bouwwerken: hieronder worden begrepen: aanbouw/uitbouw: een aan een hoofgebouw aangebouwd gebouw dat functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw is verbonden en door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt; bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.16 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.17 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
1.18 bouwlaag: een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en ruimte onder de kap;
1.19 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bij woningen betreft dit het gehele perceel inclusief voor- en zijtuinen;
1.20 bouwperceelsgrens: een grens van een bouwperceel;
6
1.21 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.22 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.23 dagrecreatie: activiteiten gericht op ontspanning in de vrije tijd zoals sport en spel, natuurbeleving, amusement en uitstapjes, die uitsluitend plaatsvinden binnen een tijdsbestek van een dag, zonder overnachting;
1.24 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
1.25 escortbedrijf: het bedrijfsmatig, of in een omvang alsof die bedrijfsmatig is, prostitutie aanbieden door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend, zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;
1.26 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.27 hobbymatige agrarische activiteiten: agrarische activiteiten die geen onderdeel uitmaken van een volwaardig agrarisch bedrijf, niet de omvang hebben van een volledige arbeidskracht en uitgeoefend worden door de bewoner(s) van nabijgelegen woning(en);
1.28 hoofdgebouw: een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.29 horeca: een bedrijf dat in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, op het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of op het exploiteren van zaalaccommodatie;
7
1.30 huishouden: een aantal door eerstegraads familie- of vergelijkbare band aan elkaar gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde gemeenschappelijke voorzieningen en de gezamenlijke toegang in één wooneenheid (zoals een gezin of een gezin met inwonende familieleden) die continue een eenheid vormt;
1.31 netto verkoopvloeroppervlakte: oppervlakte van (een gedeelte van) een detailhandelsvestiging dat toegankelijk is voor het publiek en waar de producten voor verkoop en verhuur zijn uitgestald;
1.32 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
1.33 ondergronds bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen beneden maaiveld;
1.34 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van maximaal één wand en een (overwegend) gesloten dak;
1.35 peil: a. b.
ten opzichte van gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdingang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;
1.36 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang als zij het bedrijfsmatig, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische- of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt tevens verstaan een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.37 tuincentrum: detailhandelsvestiging met een omvang van minimaal 1.000 m² vloeroppervlakte met een assortiment van boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, attributen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, balkons en terrassen, waaronder tuinmeubilair, alsmede de daarbij benodigde hulpmaterialen;
1.38 verblijfsrecreatie: het nachtverblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht;
8
1.39 voorgevel: de gevel van een hoofdgebouw zoals weergegeven op de verbeelding, indien niet weergegeven op de verbeelding zoals hieronder weergegeven:
9
10
1.40 voorgevellijn: een denkbeeldige, dan wel op de verbeelding middels een gevellijn aangegeven, lijn die direct langs een voorgevel van een gebouw of in het verlengde ervan is gelegen;
1.41 woning: een gebouw of gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor huisvesting van niet meer dan één huishouden.
11
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten:
2.1 De afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsscheiding van het bouwperceel, met daarin geen onderscheid tussen bodem of water.
2.2 De afstand tussen gebouwen De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen zowel haaks als evenwijdig gepositioneerd.
2.3 Het bebouwingspercentage Een in de regels aangegeven percentage dat de grootte van het deel van een bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden gebouwd. Hierbij worden ondergrondse bouwwerken die zichtbaar zijn boven peil meegerekend, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen.
2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde Bij een bouwwerk op vlak maaiveld:
•
tussen de bovenkant van het bouwwerk (bij beweegbare delen te meten in de uiterste stand) en het peil.
Bij bouwwerken op een talud of een dijk:
•
de bovenkant van het bouwwerk (bij beweegbare delen te meten in de uiterste stand) en het gemiddelde maaiveldpeil van het aansluitend afgewerkt terrein.
2.5 De bouwhoogte van een gebouw Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.6 De dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
2.7 De goothoogte van een bouwwerk Bij een bouwwerk op vlak maaiveld:
•
de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het peil.
12
Bij bouwwerken op een talud of een dijk:
•
de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot het gemiddelde maaiveldpeil van het aansluitend afgewerkt terrein.
2.8 De inhoud van een bouwwerk, geen gebouw zijnde Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde aan de gevels en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.9 De inhoud van een gebouw Boven peil tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, buitenzijde van de gevels en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren en de buitenzijde van daken dit met inbegrip van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en dakkapellen.
2.10 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of hart van scheidsmuren, gemeten 1 m boven peil.
2.11 De oppervlakte van een gebouw Tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren op 1 m boven peil.
2.12 De oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk, met inbegrip van de buitenste verticale projecties van overkappingen.
2.13 De vloeroppervlakte van een gebouw Gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw.
13
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
hobbymatige agrarische activiteiten; bij deze bestemming behorende voorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen.
zoals
groen,
parkeervoorzieningen,
3.2 Bouwregels Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b. c.
er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; in afwijking van het bepaalde onder a mag een kas worden gebouwd, met dien verstande dat de oppervlakte maximaal 50 m² en de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen; overigens geldt het volgende: max. goothoogte
erf- en terreinafscheidingen: - voor de voorgevelrooilijn - elders overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
max. bouwhoogte 1m 2m 3m
14
Artikel 4 Detailhandel 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
een tuincentrum met een maximum vloeroppervlakte van 2.510 m²; detailhandel in een nevenassortiment, met inachtneming van het gestelde in artikel 4 lid 3.1; ondergeschikte horeca met een maximum vloeroppervlakte van 150 m², met inachtneming van het gestelde in artikel 4 lid 3.2; tuincentrum ondersteunende teelt; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, toegangswegen en windturbines.
4.2 Bouwregels Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; overigens geldt het volgende:
bedrijfsgebouwen erf- en terreinafscheidingen: - voor de voorgevelrooilijn - elders overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
max. goothoogte 8m
max. bouwhoogte 10 m 1m 2m 3m
4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Detailhandel in een nevenassortiment Voor detailhandel in een nevenassortiment gelden de volgende regels: a. b. c.
ten hoogste 20% van de netto verkoopvloeroppervlakte voor de verkoop van het nevenassortiment wordt gebruikt; het nevenassortiment moet passen bij het hoofdassortiment voor een tuincentrum; er moet op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien worden; hierbij dient voldaan te worden aan de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 of rechtsopvolger(s) daarvan.
4.3.2 Ondergeschikte horeca Horeca is toegestaan in ten hoogste categorie 1 zoals opgenomen in de Staat van horeca-activiteiten.
15
Artikel 5 Recreatie 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaatsen' tevens voor verblijfsrecreatie in de vorm van maximaal 31 camperplaatsen;
met daaraan ondergeschikt: c. d. e. f. g. h. i.
evenementen; tuinen, erven en terreinen; nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; wegen, paden en bermen; waterlopen en waterpartijen; groenvoorzieningen.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c.
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.
b.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 m mag bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
5.2.3 Overkappingen Voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen: a. b.
overkappingen mogen, binnen het bouwvlak worden gebouwd; de maximale bouwhoogte van een overkapping bedraagt 3 m.
16
Artikel 6 Verkeer 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie of verblijfsfunctie; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, oeververbindingen, in- en uitritten, nutsvoorzieningen en water.
6.2 Bouwregels 6.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c.
op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3 m; de maximale oppervlakte van gebouwen bedraagt 15 m².
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3 m bedragen; overkappingen zijn niet toegestaan.
6.3 Specifieke gebruiksregels 6.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a.
b.
het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
17
Artikel 7 Water 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.
waterberging; waterhuishouding; waterlopen en waterpartijen; groenvoorzieningen; infiltratievoorzieningen; kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden; steigers.
7.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e.
op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 m bedragen; voor het bouwen van steigers gelden volgende regels: de maximum breedte van de steiger bedraagt 1,2 m; de maximum lengte van de steiger bedraagt 15 m.
7.3 Specifieke gebruiksregels 7.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a.
b.
het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
18
Artikel 8 Wonen 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
wonen; de uitoefening van een aan huis gebonden beroep;
met de daarbij behorende: c. d. e. f. g.
tuinen en erven; parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen; groenvoorzieningen.
8.2 Bouwregels 8.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e.
het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden; per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan; de goothoogte van het hoofdgebouw mag maximaal 6 m bedragen; de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag maximaal 10 m bedragen; de inhoud van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 650 m³.
8.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van aan-, uit- en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f.
aan-, uit- en bijgebouwen mogen uitsluitend aan de achtergevel of zijgevel worden gebouwd; de voorgevel van een aan-, uit- of bijgebouw aan de zijkant van een hoofdgebouw moet ten minste 3 m naar achteren liggen ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw; de goothoogte van aan-, uit- en bijgebouwen mag niet meer dan 3 m dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m bedragen; de bouwhoogte van aan-, uit- en bijgebouwen mag niet meer dan 6 m bedragen; de oppervlakte van aan-, uit- en bijgebouwen mag per woning niet meer bedragen dan 50% van het achtererfgebied met een maximum van 50 m²; de maximale afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de woning bedraagt 15 m.
8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.
b.
de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan en buiten het bouwvlak, niet meer dan 1 m mag bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 2 m bedragen.
19
8.3 Specifieke gebruiksregels 8.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. b. c.
permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft; bewoning als afhankelijke woonruimte; seksinrichtingen.
8.3.2 Mechanische ventilatie Het gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 8 lid 1 sub a is uitsluitend toegestaan, indien een woning een mechanisch ventilatiesysteem heeft met een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.
20
3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene bouwregels 10.1 Toegelaten bouwwerk met afwijkende maten a.
b. c. d. e.
voor een bouwwerk, dat krachtens een bouwvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhoudsen oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden; ingeval van herbouw is sub a uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.
10.2 Ondergronds bouwen Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen: a. b. c.
ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing; de onderkant van het bouwwerk (inclusief fundering) bedraagt ten hoogste 3,0 m onder het peil; burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in sub b indien het hydrologisch belang niet wordt geschaad; alvorens ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies in bij het waterschap en de provincie omtrent de vraag of het hydrologisch belang niet wordt geschaad.
Artikel 11 Algemene gebruiksregels 11.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend: a. b.
c.
het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;
21
d. e. f. g.
het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen op de niet daarvoor aangegeven percelen; het gebruik van grond en bouwwerken voor de uitoefening van een seksinrichting of escortbedrijf; het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor zelfstandige bewoning; het gebruik van recreatieve middelen voor permanente woondoeleinden.
11.2 Specifieke gebruiksregels 11.2.1 Gebruik Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming. 11.2.2 Doelmatig gebruik Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verlenen van het bepaalde in artikel 11 lid 2.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. 11.3 Parkeernormen Indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet volgens de gemeentelijke parkeernormen of op andere wijze zoals beschreven in de gemeentelijke parkeernormen parkeerruimte zijn aangebracht en in stand gehouden in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein bij dat gebouw.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels 12.1 Algemene afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van geringe afwijkingen Burgemeester en wethouders kunnen - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afgeweken is- met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. b.
afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10 %; overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10 % worden vergroot.
De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels 13.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3,0 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 15 % worden vergroot.
22
4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
b. c.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid a met maximaal 10 %. Lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik a. b.
c.
d.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 15 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Hazenpad/Geestweg, Roelofarendsveen' van de Gemeente Kaag en Braassem.
23