20240228_t_NL.IMRO.1884.BPZUIDEINDE24EO-VAS1
Tekst van het document
bestemmingsplan
Zuideinde 24 e.o. Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPZUIDEINDE24EO-VAS1
Datum:
2024-02-28
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. T.B. Wilde | Dhr. J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR210488
Opdrachtgever:
VRP Architecten
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11
3 Beleid ..................................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 22 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 22 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 23 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 25 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Luchthavenindelingbesluit ................................................................................................................................
30 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 31 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 32 4.10 Cultureel erfgoed ............................................................................................................................................ 35 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 36
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 39 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 39 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 39 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 39 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 40
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 41 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 42 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 42 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 42 7.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 42 7.4 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 42
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het voorgenomen plan betreft de herontwikkeling van percelen achter Zuideinde 24 in Roelofarendsveen ten behoeve van het realiseren van twee levensloopbestendige vrije sector woningen. Tevens de splitsing van de bestaande bovenwoning bekend als Zuideinde 26 te Roelofarendsveen in twee startersappartementen. Aanvullend op deze ontwikkeling worden drie openbare parkeerplaatsen ingericht op perceel Zuideinde 18. Dit initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Roelofarendsveen Zuid' (2017), waarin de betreffende gronden zijn bestemd als 'Agrarisch - Glastuinbouw'. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' om te zetten naar de bestemming 'Wonen' aan de zijde van het Zuideinde. Het voorgenomen plan betreft een samenvoeging van drie afzonderlijke initiatieven. Het eerste initiatief betreft de realisatie van twee levensloop bestendige vrije sector woningen achter Zuideinde 24 (perceelnummers 1330). Het tweede initiatief betreft de splitsing van de bestaande bovenwoning bekend als Zuideinde 26 (perceelnummer 4594). Het derde initiatief is het inrichten van drie openbare parkeerplaatsen op perceel Zuideinde 18 (perceelnummer 1913).
De drie initiatieven zijn door middel van een gezamenlijk principeverzoek reeds beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kaag en Braassem, waarbij in beginsel positief is gereageerd op de voorgenomen ontwikkelingen mits wordt voldaan aan enkele voorwaarden. In overleg met de gemeente Kaag en Braassem is besloten om de afzonderlijke initiatieven samen te voegen in één bestemmingsplanprocedure, waarbij de bestaande glastuinbouwbestemming in zijn geheel wordt verwijderd. De bestemming Groen (G) gewijzigd wordt in Verkeer (V), alsmede het splitsen van de bovenwoning in twee woningen. Dit bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat de realisatie van onderhavig initiatief mogelijk maakt. Hierbij wordt voldaan aan de voorwaarden van de gemeente Kaag en Braassem.
5
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de percelen grenzend aan het Zuideinde 24 te Roelofarendsveen. Roelofarendsveen maakt onderdeel uit van de gemeente Kaag en Braassem. Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs het Zuideinde, ten zuiden van de kern van Roelofarendsveen en is kadastraal bekend onder perceelnummers (of delen daarvan) 1330, 1331, 1332, 1333, 1913, 4549, 4550, 4551, 4587, 4591 en 4594, sectie K met een oppervlakte van ca. 2.000 m². Het plangebied wordt voornamelijk omgeven door woningen, recreatiewoningen en enkele glastuinbouwbedrijven. De glastuinbouwbedrijven bevinden zich voornamelijk aan de westzijde van het Zuideinde. Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: maps.google.nl)
Globale begrenzing plangebied, rood omcirkeld (bron:google.nl/maps)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Roelofarendsveen Zuid'. Dit bestemmingsplan is op 3 juli 2017 gewijzigd vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan, globale begrenzing plangebied: rode omkadering (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Deze gronden zijn met name bedoeld voor volwaardige en doelmatige glastuinbouwbedrijven, bollenbroeierijen en vollegrondsteelt. Er is bebouwing toegelaten, zoals kassen en bedrijfsgebouwen met maximale bouwhoogten van resp. 8 en 10 meter. Ter plaatse is geen bedrijfswoning toegelaten. Verder is de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 3' van kracht. Voor het plangebied met de geldende bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' is een gebiedsaanduiding opgenomen, te weten 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1'. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen binnen het wijzigingsgebied 1 (Zuideinde 24) te wijzigen in de bestemmingen Recreatie, Tuin, Verkeer, Water en Wonen ten behoeve van de realisatie van 2 nieuwe woningen. Daarbij geldt als voorwaarde o.a. dat het aantal te realiseren woningen ruimtelijk en stedenbouwkundige verantwoord inpasbaar is en dat alle agrarische activiteiten op locatie volledig beëindigd worden. Op grond hiervan zouden de beoogde twee levensloop bestendige woningen gerealiseerd kunnen worden.
In het bestemmingsplan wordt gewezen op de analyse uit de gebiedsvisie Roelofarendsveen-Zuid, waarin de mogelijkheid wordt gesignaleerd om groencompensatie vanuit projecten binnen de gemeente Kaag en Braassem in te zetten bij de herontwikkeling van Roelofarendsveen-Zuid. Met een dergelijke investering kan het groenblauwe raamwerk van het plangebied worden versterkt, waardoor de landschappelijke en ecologische kwaliteit in aansluiting op nieuwe recreatieve functies verder kan toenemen. Het voorliggende initiatief sluit aan op die ambities, waarbij een voor glastuinbouw bestemd gebied plaats maakt voor een aantrekkelijke locatie.
7
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. De juridische planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern van Roelofarendsveen en maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs het Zuideinde. Kenmerkend voor het Zuideinde is dat het door een niet-afgegraven veengebied loopt. Het lint en het achterliggende landschap liggen dan ook een stuk hoger dan het omliggende land. Het deel van het plangebied waar de twee levensloop bestendige woningen worden voorzien sluit aan op de naastgelegen ontwikkeling - waarvoor inmiddels een wijzigingsbevoegdheid (wijzigingsgebied 1) is uitgevoerd - van een woonlint, waarbij deze twee woningen het stedenbouwkundig sluitstuk vormen. In de huidige situatie staan er geen opstallen meer op het perceel van Zuideinde 24. Onderstaande afbeeldingen tonen een impressie van de huidige situatie nog zonder de realisatie van Zuideinde 24 en een ontwerp van deze ontwikkeling.
Huidige situatie Zuideinde (bron: maps.google.nl)
Ontwerp ontwikkeling Zuideinde 24, bestaande situatie (bron: Principeverzoek, VRP architecten, 26-05-2021)
9
Het deel van het plangebied Zuideinde 26 betreft een gebouw met meerdere woningen, grenzend aan de doorgang die toegang geeft tot achter Zuideinde 24. Het onderdeel Zuideinde 18 heeft de bestemming 'Groen', in de huidige situatie is dit gedeelte bestraat, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding. Onderstaande afbeelding tonen impressies van de huidige situatie.
Huidige situatie plangebied vanaf het Zuideinde, gericht op Zuideinde 24 (bron: Principeverzoek, VRP Architecten, 13-07-2021)
Huidige situatie plangebied vanaf het Zuideinde, gericht op Zuideinde 18 (bron: Principeverzoek, VRP Architecten, 13-07-2021)
10
2.2 Toekomstige situatie Het voorgenomen plan betreft een samenvoeging van een drietal initiatieven aan het Zuideinde. In totaal voorziet het voorgenomen plan in twee burgerwoningen achter Zuideinde 24 aansluitend op het woonlint dat daar ontwikkeld wordt. Daarnaast twee starterswoningen aan het Zuideinde 26 en drie openbare parkeerplaatsen op perceel Zuideinde 18. Navolgend worden de afzonderlijke initiatieven beschreven. Achter Zuideinde 24 Roelofarendsveen: Door op de locatie Zuideinde 24 te Roelofarendsveen twee levensloopbestendige woningen te realiseren wordt aangesloten op het naastgelegen - en inmiddels uitgevoerde wijzigingsbevoegdheid (wijzigingsbeleid 1) - woonlint en fungeren de twee te realiseren woningen als stedenbouwkundig sluitstuk van het naastgelegen woonlint. De inpassing binnen de BSD-contour van de twee woningen brengt tevens een ruimtelijke kwaliteitsverbetering met zich mee en sluit aan op de bestaande identiteit en structuur van de omgeving. Zichtlijnen en doorzichten blijven behouden en de beoogde bouwstijl is niet conflicterend met de omliggende bebouwing. Zuideinde 26 Roelofarendsveen: Het bestemmingsplan Roelofarendsveen Zuid staat ter plaatse vijf wooneenheden toe. In de huidige situatie zijn er drie eengezinswoningen in het middensegment en twee beneden-bovenwoningen.
Onderhavig plan maakt het realiseren van twee startersappartementen in het middensegment van ieder ca. 75 meter woonoppervlak mogelijk door het splitsen van een van de aanwezige bovenwoningen. De benodigde parkeerruimte voor de twee door splitsing gecreëerde startersappartementen wordt gerealiseerd op eigen terrein. Zuideinde 18 drie openbare parkeerplaatsen: Ter plaatse van de bestemming 'Groen' op het perceel van Zuideinde 18 worden drie openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit zorgt voor een toevoeging van drie openbare parkeerplaatsen binnen het plangebied van Roelofarendsveen Zuid. Met dit initiatief wordt er een positieve bijdrage geleverd aan de parkeerproblematiek in het gebied Roelofarendsveen Zuid. 2.2.1 Voorwaarden gemeente Kaag en Braassem De gemeente Kaag en Braassem stelt bepaalde voorwaarden aan het initiatief. Door twee levensloopbestendige woningen te realiseren moet initiatiefnemer voldoen aan de daarvoor vastgestelde gemeentelijke beleidsregel inzake 'definitie levensloopbestendige woningen'. Het voornemen te bouwen voor doelgroep(en) wordt in het kader van de nadere uitwerking vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
11
3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke gevolgen heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambities die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot ruimte voor klimaatadaptatie en een goede fysieke leefomgeving. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
12
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van vier burgerwoning en drie openbare parkeerplaatsen. Verder wordt een mogelijk agrarisch glastuinbouwbedrijf 'wegbestemd'. Dit alles betreft geen stedelijke ontwikkeling. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
13
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, die deel uit maken van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mitsbeleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5.
6.
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Planspecifiek De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Onderstaand wordt de beleidskeuze nader toegelicht. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart. Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleggen mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.
Onderstaand zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. - Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van twee burgerwoningen twee startersappartementen in een bestaand bouwwerk. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling.
14
- Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in de onverveende bovenlanden. Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen. Als het ware een herinnering aan het oude veenlandschap te midden van het nieuwere landschap. De bovenlanden kennen een kleinschalig en relatief besloten en groen karakter. Bebouwing en erfbeplanting bepalen het beeld net als menging van veel verschillende functies. Verder is het plangebied gelegen binnen de lintbebouwing aan het Zuideinde. Hiervoor geldt dat Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Met het voorgenomen plan worden er geen aanpassingen gedaan aan de vorm van de huidige bebouwing en blijft er dus aangesloten bij de omgeving. Daarnaast wordt het plangebied begrensd door een droogmakerijlandschap. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open en kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling.
richtinggevend is dat de droogmakerij als eenheid herkenbaar blijft door het beleefbaar houden van de randen en het hoogte verschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land. Ook het behoud van de ring(dijk) en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders is richtinggevend. Het voorliggende plan behoud de structuur en de ruime doorzichten van de droogmakerij. - Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen de stads- en dorpsrand. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden: het front, het contact en de overlap. In dit geval is er sprake van contact. Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen.
De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de genoemde beleidskeuze. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.
15
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Voor het voorgenomen plan is in subparagraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, derhalve hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in subparagraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
16
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: a. b. c. d. e. f. g.
Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Voorliggend ruimtelijk plan is gerelateerd aan de punten a, c en d en past binnen deze kernbeslissingen. Met de ontwikkeling wordt een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit van het woningaanbod in het gebied. Op het perceel Zuideinde 24 worden twee vrijstaande woning gerealiseerd. Dit is passend binnen de afspraken met Holland Rijnland om op geringe schaal binnen de kernen woningbouw mogelijk te maken. 3.3.2 Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
17
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisering van twee levensloopbestendige woningen en twee startersappartementen mogelijk. Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op:
• •
keuze 2: het betreft hier een inbreidingsmogelijkheid, waarmee de druk op het landschap afneemt. keuze 4: het initiatief komt tegemoet aan de vraag vanuit Roelofarendsveen. Dat houdt ook in dat het plan mogelijkheden biedt voor doorstroming.
•
keuze 5: het gaat om twee vrijstaande levensloopbestendige woningen en om twee startersappartementen, wat een prima aanvulling vormt op het huidige woningaanbod.
In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017 - 2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022 - 2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. De totale behoefte van extra 940 woningen in de periode 2017 - 2030 is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps'. Het voorliggende initiatief betreft een 'dorps' woonmilieu, aan een lint in Roelofarendsveen. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften in de gemeente Kaag en Braassem.
18
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'kernen'. De gemeente Kaag en Braassem geeft de voorkeur aan inbreiding, maar dit betekent niet dat uitbreiden geen mogelijkheid is. In de omgevingsvisie is met de lichtere arcering 'kernen' aangegeven waar het volgens de gemeente logische uitbreidingsruimte betreft. Dit geldt voor het plangebied. De gemeente wil binnen dit gebiedstype een passende woning voor iedereen en een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving. Met de beoogde plan wordt er een beperkte verandering in de ruimte aangebracht.
De ontwikkeling betreft de realisatie van twee vrij staande levensloopbestendige woningen en twee startersappartementen door middel van splitsing van een bestaande bovenwoning. Deze ontwikkeling kan gezien worden als een kleinschalige herstructurering binnen de bestaande woonomgeving. De herstructurering zorgt voor een beter en passend gebruik van de ruimte. Daarnaast wordt met de realisatie van twee levensloopbestendige woningen en twee startersappartementen gebouwd voor een specifieke doelgroep. Uit subparagraaf 3.3.2 blijkt dat er behoefte is aan een levensloopbestendige woning doordat hiermee de doorstroming wordt bevorderd.
19
Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. 3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die er aan bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek De volgende afbeelding toont een uitsnede van de welstandskaart.
Uitsnede welstandskaart (globale plangebied: zwarte omkadering)
Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.
20
3.4.3 Duurzaamheidsagenda 2016-2020 In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal. Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met andere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem. Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem. Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie.
Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven. Planspecifiek In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 wordt gestuurd op 'energiebewust gedrag' bij zowel grote als kleinschalige ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van twee levensloopbestendige woningen achter Zuideinde 24 in combinatie met het inrichten van drie openbare parkeerplaatsen op perceel Zuideinde 18. Daarnaast ook de splitsing van de bestaande bovenwoning Zuideinde 26 in twee startersappartementen. De gemeente Kaag en Braassem streeft naar duurzame ontwikkelingen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij dit streven. Qua duurzaamheid zal het plan voldoen aan de geldende normen en worden de woningen onder andere gasloos gebouwd.
21
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het voorgenomen initiatief valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare of meer. Omdat met de ontwikkeling slechts sprake is van de realisatie van vier woningen is het Besluit MER hier niet van toepassing. Er hoeft geen (vormvrij) m.e.r. beoordelingsbesluit te worden genomen.
22
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Voor de vaststelling van het bestemmingsplan 'Zuideinde 24' is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door milieuadviesbureau Inventerra (zie bijlage). Dit onderzoek is uitgevoerd voor de kadastrale percelen 2599, 1330, 1331, 1332 en 1333. Onderhavig plan heeft betrekking op perceel 1330, dit bodemonderzoek kan gebruikt worden om de kwaliteit van de bodem ter plaatse te onderbouwen.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese 'onverdachte locatie' (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten met zware metalen, bestrijdingsmiddelen en PAK (in MM2) in de grond en zware metalen in het grondwater. De lichte verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen staan in verband met de vroegere tuinbouwactiviteiten. De lichte verontreinigingen met zware metalen in de grond zijn toe te schrijven aan een diffuse historische bodembelasting, mogelijk in combinatie met toevoeging van meststoffen (sporenelementen). De licht verhoogde concentratie van barium in het grondwater wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie. De lichte verontreinigingen met nikkel en zink in het grondwater staan naar verwachting in verband met vermesting. Door de toevoeging van meststoffen kunnen metalen die van nature in de grond voorkomen door verstoring van het bodemevenwicht in oplossing raken. Dergelijke concentraties worden vaker aangetroffen in tuinbouwgebieden. De aangetoonde licht verhoogde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en toekomstige bestemming.
Op de overige percelen die tot het onderhavige plan behoren 4594 & 4595 (Zuideinde 26) en perceel 1913 beoogde nieuwe parkeerplaatsen is geen verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor Zuideinde 26 wijzigt de bestemming niet en daarmee het gebruik van het perceel ook niet. Daarmee kan gezien de huidige woonbestemming geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Wat betreft de locatie waar de parkeerplaatsen voorzien zijn, heeft in de huidige situatie een tuinbestemming. Het nieuwe gebruik als parkeerplaatsen is daarmee een minder streng gebruik. Zodoende kan er aangenomen worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmering in het kader van het bestemmingsplan.
23
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Roelofarendsveen binnen de geluidzone van het Zuideinde, op ca. 7 m uit de as van de weg.
Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient de geluidsbelastingen op de gevel van de beoogde woning te worden onderzocht en getoetst. Door Adviesburo van der Boom is op 15 februari 2022 een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de beoogde woningen uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. De geluidbelasting door wegverkeer op het Zuideinde bedraagt ten hoogste 55 dB op de westgevels van de startersappartementen (rekenpunt 1). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op beide woningen overschreden. Een hogere waarde voor wegverkeer op deze locatie is daardoor nodig. De geluidbelasting door wegverkeer op het Noordeinde bedraagt ten hoogste 42 dB op de westgevel van de startersappartementen (rekenpunt 1). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Voor de gevels van de twee startersappartementen dient een hogere waarde van ten hoogste 55 dB (rekenpunt 1) te worden aangevraagd conform tabel III.2. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. De geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt ten hoogste 60 dB op de westgevels van de woningen.
Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voldaan wordt aan de eisen voor het verlenen van een hogere waarde en als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Indien uitgegaan kan worden van het verbouwen van een bestaande situatie kan conform het Bouwbesluit art 3.18 worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Er zijn dan geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Indien uitgegaan dient te worden van nieuwbouw bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 27 dB voor de hoogst geluidbelaste gevels. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
24
4.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van twee levensloopbestendige woningen achter Zuideinde 24, het splitsen van een bestaande bovenwoning in twee appartementen en het realiseren van 3 parkeerplaatsen. Deze worden in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Roelofarendsveen Zuid' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. In de navolgende tabel is hiervan een overzicht weergegeven. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint Zuideinde en kan worden beschouwd als een gemengd gebied. te meer omdat binnen het plangebied sprake is van een diversiteit aan functies, waaronder, groen, water, recreatie en wonen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele bedrijven. Navolgend worden deze toegelicht. Aannemersbedrijf Wesselman Ten oosten van het plangebied bevindt zich aannemersbedrijf Wesselman aan het Zuideinde 25. Een aannemersbedrijf met minder dan 1000 m2 bvo valt onder categorie 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten (SBI: 41, 42, 43). In een gemengd gebied geldt daarvoor een richtafstand van 10 m.
de werkelijke afstand tussen het aannemersbedrijf en het plangebied is minimaal 30 meter. De ligging van het plangebied tot het aannemersbedrijf vormt derhalve geen belemmering.
25
Volwater caravan- en botenopslag Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich Volwater caravan- en botenopslag valt onder categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (SBI: 52109). Hierbij geldt een richtafstand van 10 m in gemengd gebied. De werkelijke afstand tussen de caravan- en botenopslag en het plangebied is minimaal 80 m. Deze afstand is ruim voldoende. De ontwikkeling staat de bedrijfsvoering niet in de weg, en andersom zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het woon- en leefklimaat. Agrarische percelen Het plangebied wordt aan het noorden, zuiden en westen omringd door diverse agrarische bedrijven. Al deze percelen kennen de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Op deze percelen is bedrijvigheid uit milieucategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. In een gemengd gebied geldt een richtafstand van 10 m. Algemeen geldt dat bedrijvigheid in deze categorie goed inpasbaar is in de woonomgeving en dat hinder van en naar omringende woningen relatief eenvoudig is te voorkomen. De woningen zijn op minimaal 10 m afstand tot de agrarische percelen gesitueerd. Tevens vallen glastuinbouwbedrijven onder het Activiteitenbesluit milieubeheer en dienen te voldoen aan de geluideisen in dit besluit (artikel 2.17 lid 4 van het Activiteitenbesluit).
In tabel 2.17e en 2.17f van het Activiteitenbesluit zijn toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en maximale geluidniveaus opgenomen waar inrichtingen met agrarische activiteiten aan moeten voldoen. Laden en lossen in de avond- en nacht periode is eveneens gereguleerd. Er wordt voldaan aan de richtafstand en kan er aangenomen worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. Gezien de afstand van de nieuwe woningen ten opzichte van de (agrarische)bedrijven in de omgeving, op een grotere afstand dan de minimale richtafstand, kan er vanuit gegaan worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperkingen oplevert voor de bedrijfsvoering van deze bedrijven. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat de beoogde ontwikkeling geen milieubelastende activiteiten omvat. In het geval van onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van een woonfunctie. Hierbij kan worden uitgegaan van geen milieubelastende activiteiten. De ontwikkeling past in de omgeving. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).