CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20240216_t_NL.IMRO.1884.BPFLORAWEG118-VAS1

Gemeenteraad 18 maart 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Floraweg 118, Roelofarendsveen’.12.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Omdat de huidige bedrijfswoning als plattelandswoning wordt bestemd, is de milieuhinder van het bedrijf waar het vanaf gesplitst wordt niet relevant. Als plattelandswoning blijft het immers onderdeel van de milieutechnische inrichting. Doordat de woning direct aan de Floraweg is gesitueerd, de ontsluiting van de woning aan de linkerzijde van het huis is gesitueerd, en de ontsluiting van het achterliggende bedrijf voldoende breed is, vormt de ligging van de woning tevens geen belemmering voor toekomstige reconstructies. Het ligt daarmee namelijk op enige afstand van de agrarische activiteiten. De bedrijfsactiviteiten van het bijbehorende bedrijf hebben naar verwachting slechts beperkte gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de woning. In de kassen achter de woning worden bedrijfsactiviteiten uitgevoerd, echter gaat het hierbij om de broei/teelt van tulpen waarbij geen sprake is van geluidshinder. In de kassen zijn rolcontainers/tafels geplaatst waarop de tulpen op water geteeld worden. Door de rolcontainers is er efficiënt transport van het tulpengewas in de kas en door een geautomatiseerde bosmachine kan er met relatief weinig personeel gewerkt worden. Daarbij bedraagt de afstand tot de bedrijfskassen ca.

25 m vanaf het woonhuis, de tussen het huis en de kassen geplaatste koelcel niet meegerekend (deze ligt op 15 m afstand), waarmee aan de richtafstand in gemengd gebied voldaan wordt. Bovendien dient het schuurtje dat tussen het woonhuis en de bedrijfskassen is gesitueerd als geluidsbuffer. Deze schuur wordt gebruikt als garage en niet als woonruimte. De koelcel is onderdeel van het bedrijf. Er is geen sprake van overlast van eventuele koelmotoren. De gronden rondom de schuur zijn omringd door bamboe waarmee het woongedeelte ruimtelijk is afgescheiden van de bedrijfskassen. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het bedrijf wordt er nog gedeeltelijk in de volle grond geteeld, maar het drainagewater wordt opgevangen in een reservoir, gemengd met regenwater en opnieuw gebruikt. Dit betekent dat er geen uitstoot is naar de omgeving van meststoffen en stikstof in de vorm van nitraat en ammonia. Ook het condenswater van het glasdek komt in de wateropvang en niet in de omgeving terecht. Vanwege de strenge eisen van de overheid op het gebied van bestrijdingsmiddelen is het tegenwoordig veilig om in de nabije omgeving van kassen te wonen. Wat bestrijdingsmiddelen betreft heeft de overheid gevaarlijke middelen zoals methylbromide en slecht afbreekbare middelen zoals gechloreerde koolwaterstoffen al een aantal jaren geleden verboden.

De bestrijdingsmiddelen die nu nog worden toegestaan zijn minder toxisch en goed afbreekbaar. In de omgeving worden weer ooievaars, roofvogels, kikkers etc. aangetroffen die in het verleden schaars waren geworden door overvloedig gebruik van slecht afbreekbare chemische middelen. Voor de kas achter Floraweg 118 zijn vanwege grote temperatuurverschillen en de snelle teelt van de tulpen geen problemen met ziekten en plagen en worden er derhalve geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. Ook worden er geen meststoffen gebruikt.

24

Er worden bloemen naar de Floraweg 116 gebracht en vanaf deze locatie worden gekweekte bloemen vervoerd. Dit gebeurt in de drukste periode met 3 - 5 vrachtwagens per dag doordeweeks en 3 keer op zondag, afwisselend over de middag en avond. Ook in de rustige periode vinden er enkele verkeersbewegingen per dag op de inrit plaats. Gelet op de breedte van de inrit zullen vrachtwagens achteruit rijden wat mogelijk gepaard gaat met het gebruik van een achteruitrijdsignaal. Door de beperkte breedte van de inrit worden vrachtwagens gedwongen rustig te rijden. De woning is voorzien van dubbelglas en er wordt geen overlast ervaren van dit achteruitrijdsignaal. Gezien de aanzienlijke afstand tussen woning en inrit het geringe aantal verkeersbewegingen levert dit geen hinder op voor de woning. Het voorliggende bestemmingsplan maakt een gevoelige bestemming, namelijk een plattelandswoning, mogelijk. Daarom is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg' bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel. Naam

Adres

SBIcode

Milieucategorie

2

Richtafstand in gemengd gebied (m) 10

Afstand tot plangebied (m) 34

(glas)tuinbouwbedrijf

Floraweg 117

(glas)tuinbouwbedrijf

Floraweg 113

(glas)tuinbouwbedrijf

Floraweg 114

011, 012, 013 011, 012, 013 011, 012, 013

2

10

37

2

10

44

Uit de tabel blijkt dat voor alle omliggende glastuinbouwbedrijven aan de relevante richtafstanden wordt voldaan. Aan de Floraweg 120, op 26 m afstand, vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats. In aanvulling op het voorgaande is de aanwezigheid van de burgerwoningen aan de Floraweg 111, 113, 114, 114a, 117 en 120 een teken dat er in het gebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast beperken deze burgerwoningen de (glas)tuinbouwbedrijven in het gebied reeds in hun mogelijkheden. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de planologische wijziging.

4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water

25

•

tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.

Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016-2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden.

Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

26

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een "ja, tenzij" benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater.

Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Planspecifiek Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen verharding aangelegd of verwijderd, waarmee het verhardingsoppervlak in het plangebied niet wijzigt. Derhalve is er sprake van het 'stand still beginsel' en is watercompensatie niet aan de orde. Tevens is het plangebied niet gelegen in de nabijheid van een waterkering. Daarnaast zal de afvoer van hemel- en afvalwater van de woning gelijk zijn aan de bestaande situatie.

Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect water.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt

27

namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Kaag en Braassem blijkt dat het plangebied een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten heeft. In dit gebied worden geen eisen gesteld ten aanzien van archeologie. Gelijk aan het geldende bestemmingsplan is het in het voorliggende postzegel bestemmingsplan dan ook geen regeling ter bescherming van archeologische waarden opgenomen. Conclusie In het voorgenomen plan worden geen bodemingrepen uitgevoerd. Er dient dan ook geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect archeologie.

4.8.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Verder worden er geen fysieke ingrepen uitgevoerd. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect cultuurhistorie.

4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. De afstand tot het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied De Wilck bedraagt ca. 8,8 km. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot

28

de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Er zijn dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de provinciaal beschermde gebieden. Ook karakteristieke landschapselementen zijn in het plangebied niet aanwezig. Aangezien er geen fysieke ingrepen worden uitgevoerd bij de beoogde ontwikkeling is het uitgesloten dat rust- en/of verblijfplaatsen van beschermde soorten van de Wet natuurbescherming geschaad worden. Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht van artikel 1.11 Wnb. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect ecologie.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Verkeer Omdat er op de planlocatie reeds een bedrijfswoning is toegestaan, treedt er geen toename van het aantal verkeersbewegingen op. De betreffende woning zal in de toekomstige situatie, gelijk aan de huidige situatie, ontsloten worden via de inrit die aansluit op de Floraweg. Dit betekent dat zowel het woonhuis als het achterliggende tuinbouwbedrijf ieder hun eigen uitrit behouden. Dit draagt bij aan een veilige situatie voor kinderen. Daarmee is er geen sprake van een verslechtering en zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid vanuit het aspect verkeer. Parkeren Doordat met de wijziging naar plattelandswoning de parkeerbehoefte niet wijzigt kan beschouwing van deze aspecten achterwege blijven. Desalniettemin is alsnog getoetst aan de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braasem 2018 (gepubliceerd op 15 maart 2018). De gemiddelde parkeernorm bedraagt voor een vrijstaande woning in het gebied 'rest bebouwde kom' 2,3 parkeerplaatsen per woning. Echter betreft het plangebied in de huidige situatie een woning en verandert dit niet in de nieuwe situatie. Daarmee zijn er geen belemmeringen wat betreft parkeren.

Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor de aspecten verkeer en parkeren.

29

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

30

5.4 Wijze van bestemmen Het voorliggende bestemmingsplan bevat de volgende bestemming: Agrarisch - Glastuinbouw Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. De gronden ter plaatse van en rondom de woning en bijbehorende schuur zijn bestemd als 'Agrarisch - Glastuinbouw' met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - plattelandswoning'. Deze gronden zijn mede bestemd voor een plattelandswoning. In de regels is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg'. Echter is de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' in voorliggend bestemmingsplan afgestemd op het beoogde woongebruik. Zo is het uitoefenen van een glastuinbouwbedrijf hier niet toegestaan. Voor wat betreft de bouwregels zijn de bepalingen voor een bedrijfswoning van overeenkomstige toepassing, wat betekent dat de goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 6 m en 10 m mag bedragen, terwijl de inhoud gemaximeerd is op 650 m³.

31

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het voorgenomen plan is geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Daarmee is het niet vereist een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins te verzekeren. Het project wordt op particulier initiatief mogelijk gemaakt. Er wordt een planschadeovereenkomst gesloten waar de planschade in wordt geregeld. De overige gemeentelijke kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald.

32

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Participatie Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Omdat het plan geen fysieke wijzigingen met zich meebrengt of anderszins effecten heeft op de omgeving kan participatie achterwege blijven. Desalniettemin heeft de initiatiefnemer de omwonenden geraadpleegd. De eigenaar van het perceel en de kassen achter de woning heeft geen bezwaar als de bedrijfswoning Floraweg 118 omgezet wordt naar een plattelandswoning. De buren en agrariërs reageerden positief op het initiatief, de omgeving kan zich inleven in de situatie. Er zijn geen bezwaren geuit.

7.2 Vooroverleg Het overleg ex artikel 3.1.1 Bro heeft niet geleid tot aanpassingen aan het bestemmingsplan.

7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=dbcfb129-f0b7-4543-b86e-a1f214061df7