CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20221221_t_NL.IMRO.1884.BPTANKSTATIONN207-ONT1

Gemeenteraad 14 april 2025, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Tankstation N207 Vriezenweg Leimuiden’ (bestuurlijke lus).14.940 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het voorgenomen plan maakt een milieubelastende activiteit mogelijk. Daarom dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. In de VNG-publicatie behoren 'benzineservicestations zonder LPG' tot milieucategorie 2. De relevante richtafstand bedraagt daarbij 30 m. Veehouderij Vriezenweg 1 De veehouderij aan de Vriezenweg 1 wordt niet belemmerd in de bedrijfsvoering, omdat een onbemand tankstation geen geurgevoelig object is volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Tankstation Een tankstation voor motorbrandstoffen heeft een verkeersaantrekkende werking. Er zal sprake zijn van een toename van het verkeer in deze omgeving. Het tankstation zal circa 250 bezoekers en daarmee circa 250 verkeersbewegingen per dag krijgen. Dit is een relatief laag aantal verkeersbewegingen. Bovendien rijden de voertuigen met een lage snelheid op het terrein van het tankstation en van en naar de openbare weg, wat met relatief weinig geluidproductie gepaard zal gaan. Ook zijn dit hoofdzakelijk voertuigen die al op de N207 rijden of onderweg zijn naar de N207 en daarmee deel uitmaken van het verkeer op de N207.

Gelet op de al heersende verhoogde geluidbelasting in deze omgeving vanwege het wegverkeer op de provinciale weg N207 en op de Vriezenweg zal de verkeersaantrekkende werking van het tankstation niet leiden tot een significante toename van de geluidbelasting ter plaatse van de hierboven genoemde woningen. Een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Daarnaast kan het verkeer van en naar het tankstation en op het terrein van het tankstation, zorgen voor enige lichthinder als gevolg van koplampen. Gelet op de omgeving en het al aanwezige verkeer dat over de Vriezenweg en de N207 rijdt, zal dit naar verwachting niet tot een onaanvaardbare toename leiden. Tevens is een aarden wal met een hoogte van maximaal 2 m voorzien tussen de woningen op het perceel Vriezenweg 8 en het onderhavige tankstation om het effect van inschijnende koplampen te voorkomen. Gezien deze maatregelen en de afstand wordt hierdoor geen overlast verwacht. Overigens is de aarden wal niet noodzakelijk voor afscherming van geluid, maar heeft wel als bijkomend voordeel dat deze het geluid in beperkte mate zal afschermen.

25

Verder betreft het een bedrijf waarop de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing is. Voor de oprichting van de inrichting moet een melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan. Dat zal hier geen belemmering vormen. (Bedrijfs-)woningen Vriezenweg Aan de hand van de bestemmingplannen 'Buitengebied Oost' en 'Vriezenweg 8, Leimuiden' is bepaald wat de afstand tot milieugevoelige bestemmingen in de omgeving is. Milieugevoelige bestemmingen in de omgeving zijn de (bedrijfs)woningen aan de Vriezenweg 1, 6 en 10. Deze woningen bevinden zich op minimaal 30 m afstand van het plangebied. Van de nieuwe woningen op Vriezenweg 8 reikt het bouwvlak nagenoeg tot aan het onderhavige plangebied, waarmee in beginsel niet aan de afstandseis wordt voldaan. Het milieubelastende deel van het beoogde tankstation wordt echter op enige afstand tot dit woonperceel gesitueerd, zodanig dat op dat onderdeel voldaan zal worden aan de richtafstand. Ook de verkeersbewegingen vormen, zoals hiervoor onder het kopje 'Tankstation' aangegeven, geen belemmering. Zoals weergegeven wordt in toelichting paragraaf 4.6 is een tankstation zonder lpg geen risicovolle inrichting en zijn er in het kader van externe veiligheid geen risico's voor (bedrijfs)woningen in de omgeving. Derhalve kan gesteld worden dat een goed woon- en leefklimaat niet in het geding zal zijn.

Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect milieuzonering.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen 'kwetsbaar' en 'beperkt kwetsbaar' en 'plaatsgebonden risico' en 'groepsrisico'. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

26

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De provinciale weg N207 is een weg waarover transport van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden.

Aan de overzijde van de weg zijn bedrijven aanwezig met propaantanks van meer dan 3.000 liter. De beoogde locatie ligt echter buiten de PR 10-6 contouren van deze propaantanks. Bovendien is een onbemand tankstation geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Een onbemand tankstation wordt, vanuit externe veiligheid, ook niet gezien als risicobron. De provinciale weg N207 en omliggende propaantanks vormen daarmee geen belemmering. Het beoogde onbemande tankstation omvat geen verkooppunt voor lpg. Een tankstation zonder lpg is volgens het Bevi geen risicovolle inrichting. Er zijn daarom in het kader van externe veiligheid geen risico's voor (bedrijfs)woningen in de omgeving. Advies Veiligheidsregio Hollands Midden De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft advies uitgebracht over het bestemmingsplan voor dit tankstation. Indien noodzakelijk kan een bluswatervoorziening worden aangelegd. Wat betreft het plasbrand scenario adviseert de veiligheidsregio dat de vloeistofplas niet richting de N207 en de bebouwing aan de overzijde stroomt. Het tankstation is vanuit de NRB reeds verplicht een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. Het afleveren van motorbrandstoffen gebeurd boven een gecertificeerde (beton)vloer volgens BRL SIKB 7700.

Hierin zijn diverse eisen beschreven waaraan de betonvloer moet voldoen, zoals een afschot naar de afvoergoot/kolk die is aangesloten op een olie-benzine afscheider. Eventueel uitstromende motorbrandstof zal door het verplichte afschot worden afgevoerd naar de (ondergrondse) olie-benzine afscheider en kan niet buiten de vloeistofdichte tankvloer komen. Ook is per tankbeurt is een limiet ingesteld van € 200. Dat is het maximale bedrag wat dan kan uitstromen. Deze hoeveelheid kan ruimschoots worden opgevangen door de olie-benzine afscheider die elk half jaar wordt gecontroleerd. De kans op een vloeistofplas die richting de N207 of de bebouwing aan de overzijde stroomt is door de diverse voorzieningen nihil. De veiligheidsregio stelt dat het plangebied in een polder ligt waar door overstroming tot 3,5 meter water kan komen te staan. Het is echter een grote polder waardoor het water langzaam stijgt en er verblijven geen personen in het tankstation. Er wordt wel geadviseerd na te gaan of het tankstation aanvullend beveiligd moet worden om daarmee (grootschalige) brandstoflekkage te voorkomen (uitsluiten van escalatie / domino-effect bij een overstroming). De tankinstallatie is een (nagenoeg) gesloten systeem. Peilleidingen en vulpunten zijn voorzien van doppen die alleen worden geopend als dat op dat moment nodig is, bijv bij het vullen of peilen van tanks.

Daarna worden deze weer afgesloten. De afleverzuil is voorzien van een voetklep die alleen geopend kan zijn als er getankt wordt. Na het tanken sluit deze automatisch en kunnen er geen vloeistoffen meer doorstromen. De enige open verbinding is de ontluchting. Voor benzines moet de hoogte van de opening echter verplicht minimaal 5 meter-maaiveld zijn. Voor diesel dient deze minimaal 3 metermaaiveld te zijn. Indien noodzakelijk kan als extra voorziening de ontluchting van de diesel ook minimaal 5 meter-maaiveld gemaakt worden. Bij een overstroming met 3,5 meter water wordt daarmee een brandstoflekkage voorkomen.

27

Het voorliggende bestemmingsplan biedt, via een afwijkingsprocedure, de mogelijkheid om hier ook een waterstoftankstation te vestigen. Er is naar verwachting op het terrein voldoende ruimte om het waterstoftankstation op voldoende afstand van bestaande woningen te positioneren. In het kader van de afwijkingsprocedure zal aangetoond moeten worden dat zich geen belemmeringen voordoen op het gebied van (externe) veiligheid. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het realiseren van het plan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Ten behoeve van dit initiatief waarvoor diverse werkzaamheden zijn vereist, zoals graaf- en dempwerkzaamheden. is door Blom Ecologie een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rapport d.d. 14 oktober 2022). Dit rapport is als bijlagen bij toelichting, bijlage 2 bijgevoegd. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Het plangebied ligt op een afstand van bijna 10 km van Natura 2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' en ruim 14 km vanaf Natura 2000-gebied 'Kennemerland-Zuid'. Een Aeriusberekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn volgens de uitgevoerde Quickscan niet noodzakelijk.

Stikstofdepositie In principe moet bij elke ontwikkeling de mogelijke effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt worden.Op verzoek van Omgevingsdienst West-Holland is een Aeriusberekening uitgevoerd (Buro SRO, 21 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Dit betreft de gebruiksfase, waarbij hier alleen de (beperkte) toename van het aantal verkeersbewegingen relevant is en de bouwfase. Bij de berekening is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij een volledige verkeersgeneratie is berekend. Uit die AERIUS-berekening blijken voor verschillende rekenpunten rekenresultaten van 0,00 mol/ha/j. Met de ontwikkeling worden de kritische depositiewaarden op omliggende Natura 2000-gebieden niet overschreden. Gelet op de bevindingen uit de eerdere Aeriusberekening kan gesteld worden dat ook het onderhavige initiatief uitvoerbaar is voor wat betreft

28

stikstofdepositie. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden en er is geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Houtopstanden In het plangebied zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie De realisatie van een tankstation is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Dat betreft de volgende te treffen maatregelen:

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

•

De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijk mogelijkheden te bieden.

•

De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

4.8 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterprogramma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

29

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. 2. 3. 4.

5. 6. 7.

Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.

Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt.

30

Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15 % van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen.

Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

31

• • •

duurzaam bouwen;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);

• •

het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

•

het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

het toepassen berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het Gemeentelijk rioleringsplan. Planspecifiek Volgens de Keur geldt bij een verhardingstoename van meer dan 500 m² een verplichting tot het treffen van compenserende maatregelen. Deze maatregelen betreffen de aanleg van 15% van het aan te leggen verhard oppervlak in de vorm van extra open water. Voorliggend bestemmingsplan maakt een tankstation en bijhorende terreinverhardingen mogelijk. Dit resulteert in een verhardingstoename van circa 1.600 m². Volgens de Keur dient hiervan 15% gecompenseerd te worden, wat neer komt op 240 m². Daarnaast moet voor de nieuwe uitrit een dam gemaakt worden, waardoor maximaal zo'n 15 m² van de bestaande sloot gedempt zal worden. Dit dient 1-op-1 te worden gecompenseerd. In totaal dient derhalve voorzien te worden in (240 + 15 =) 255 m² nieuw open water.

In de oostelijke punt van het plangebied wordt een waterpartij met die benodigde omvang toegevoegd. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden vanuit het hoogheemraadschap. Het hemelwater zal worden afgevoerd naar de bestaande watergangen. De olie-benzine afscheider wordt bij voorkeur aangesloten op het vuilwaterriool. Wanneer dit niet mogelijk blijkt te zijn zal deze op de sloot worden aangesloten met een speciaal filter. Dit geldt voor de waterafvoer de tankplaatsen. Rondom het plangebied zijn enkele watergangen gelegen. In en nabij het plangebied bevinden zich geen waterkeringen. De ontwikkeling brengt wijzigingen aan ten aanzien van de watergangen. Ingrepen waardoor het waterstaatsbelang wordt geschaad zijn daarom niet uitgesloten. Bij de nieuwe uitrit zal een dam worden aangelegd welke van een duiker wordt voorzien. Dit wordt tijdig afgestemd met het hoogheemraadschap van Rijnland. De inrit is op de bestaande dam voorzien, deze zal verbreed worden zonder dat daar demping voor nodig is. Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het

32

verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 23 mei 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld, dat in 2013 geactualiseerd is. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. Planspecifiek De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem:

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (plangebied: zwart omcirkeld)

Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. In gebieden met een lage archeologische verwachting is in geen geval een archeologisch onderzoek vereist. In het geldende bestemmingsplan N207 worden tevens geen beperkingen gesteld aan bodemingrepen die archeologische waarden zou kunnen aantasten. Wanneer er tijdens de werkzaamheden toch archeologische vondsten worden aangetroffen geldt hiervoor de zorgplicht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

33

Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Zoals blijkt uit de gemeentelijke Welstandsnota (toelichting paragraaf 3.3.2) zijn er in de directe omgeving eveneens geen monumenten aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast.

4.11 Duurzaamheid Zoals aangegeven in de nieuwe Omgevingsvisie Kaag en Braasem wordt gewerkt aan een duurzame gemeente. Dat gebeurt in de vorm van het besparen van energie, het zelf opwekken van groene stroom, het verminderen van afval en het recyclen en duurzaam gebruik van grondstoffen en materialen. Het doel is om zo op den duur een kringloopeconomie te realiseren, waardoor een begrip als afval uiteindelijk tot het verleden behoort. Planspecifiek Het tankstation wordt volledig voorzien van LED-verlichting, energiezuinige pompen en zonnepanelen op de luifel. Daarnaast worden er laadplekken gecreëerd en wordt voldoende tankcapaciteit aangehouden om op den duur ook duurzame alternatieven aan te kunnen bieden (bio- of synthetische brandstoffen). Het tankstation gebruikt geen gas en klanten krijgen geen bonnetje tenzij de klant daar specifiek om vraagt. Er wordt daarmee dus geen extra afval gegenereerd. De ontwikkelingen/innovaties in de mobiliteitstransitie worden op de voet gevolgd en de initiatiefnemer is flexibel ingesteld zodat er alternatieven kunnen worden geboden zodra de markt daar om vraagt. Zo kunnen meer laadplekken aangelegd worden en wordt gedacht aan een waterstoftankstation.

4.12 Verkeer en parkeren 4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Zoals beargumenteerd in toelichting paragraaf 4.4 voorziet de beoogde ontwikkeling in de realisatie van een onbemand tankstation, waarbij naar verwachting een zeer beperkte toename van de verkeersgeneratie optreedt. De bestaande wegen beschikken over voldoende capaciteit om deze beperkte toename aan verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Het aspect verkeer zal geen belemmering vormen voor het initiatief.

4.12.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste

34

parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek Het onbemande tankstation zonder voorzieningen zoals vrachtwagenparkeerplaatsen of een winkel, heeft geen parkeerbehoefte, behoudens een enkele parkeerplaats voor de beheerder. Er is voldoende ruimte voor de realisatie van deze parkeerplaatsen binnen het plangebied. De opstelplaatsen voor motorvoertuigen om te kunnen tanken of te laden en de losplaats voor een vrachtwagen worden voldoende geacht om motorvoertuigen tijdelijk op te stellen (geen parkeren). Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het initiatief.

35

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Plansystematiek Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis. Regels Inleidende regels Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen. Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.

Bestemmingsregels Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen te onderscheiden:

• • • • •

bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels;

36

• •

afwijken van de specifieke gebruiksregels;

•

wijzigingsbevoegdheden.

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden;

5.3 Wijze van bestemmen Het voorliggende bestemmingsplan omvat de volgende (dubbel-)bestemmingen: Bedrijf Het grootste deel van het plangebied is voorzien van de bestemming 'Bedrijf', met de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG'. Hiertoe behoren ook de ontsluitingen van het tankstation. Binnen de bestemming 'Bedrijf' zijn tevens een laadpunt voor elektrische voertuigen, alsmede ontsluitingswegen, paden en bermen, parkeervoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en groenvoorzieningen toegestaan. Er is een gebouw voor beheer en onderhoud toegelaten, waarvan de oppervlakte maximaal 25 m² mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 3 m. Tevens zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten waaronder een luifel. Hiervoor is een maximum bouwhoogte van 5,5 m en een maximum oppervlakte van 130 m² opgenomen. Middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan de maximum oppervlakte van de luifel vergroot worden tot 260 m². Tevens zijn er mogelijkheden voor de realisering van een aarden wal, erfafscheidingen, lichtmasten en voor één reclamezuil. De bouwhoogte van de reclamezuil mag maximaal 5 m bedragen. Via een omgevingsvergunning kan een waterstoftankstation worden toegestaan met de bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bijbehorende gebouwen en voorzieningen.

Voorwaarde hierbij is dat aangetoond moet worden dat het op het gebied van (externe) veiligheid geen belemmering vormt voor de omgeving en er voldoende watercompensatie plaats vindt. Water De oostelijke punt van het plangebied is voorzien van de bestemming 'Water'. Dit betreft het open water dat nodig is voor de benodigde watercompensatie. In navolging van het onderliggende geldende bestemmingsplan en de andere bestemmingsplannen in dit deel van de gemeente Kaag en Braassem, zijnde bestaande watergangen niet als zodanig bestemd. Wonen Het noordwestelijk deel van het plangebied is voorzien van de bestemming 'Wonen'. Wat betreft het gebruik horen deze gronden bij de woningen ten westen van het plangebied. Het betreffende deel is niet voorzien van een bouwvlak. Er zijn hier uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Leiding - Hoogspanning Een zuidelijk deel van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning'. Deze gronden zijn mede bestemd voor een hoogspanningsleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

37

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

38

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie Participatie tot en met 2021 De initiatiefnemer heeft in periode tot en met eind 2021 de omgeving geïnformeerd over een vergelijkbaar plan voor een onbemand tankstation, dat toen op de locatie direct ten zuiden van de onderhavige locatie was geprojecteerd. Er is toen contact geweest met de provincie Zuid-Holland, Dorpsraad Rijnsaterwoude, Ondernemersvereniging Kaag en Braassem Oost en omwonenden:

•

De provincie Zuid-Holland gaf te kennen dat vanuit verkeerstechnisch en stedenbouwkundig oogpunt geen belemmeringen hoeven te zijn voor de realisatie van het tankstation.

• • •

De Dorpsraad Rijnsaterwoude heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de locatie. De Ondernemersvereniging Kaag en Braassem Oost heeft niet gereageerd op het initiatief. Gesprekken met omwonenden hebben geleid tot uiteenlopende reacties. Een omwonende heeft aangegeven tegen de plannen te zijn. Deze negatieve houding komt voort uit de eerdere uitbreiding van de N207 en de negatieve ervaringen die daar voor deze omwonende mee samen hingen. Een omwonende vreest voor waardevermindering van hun bezittingen door de komst van het tankstation. De eigenaar van een nabijgelegen bedrijf heeft geen bewaren tegen het plan.

Participatie 2022 Het project heeft een lange geschiedenis maar tussentijds is de gemeenteraad op de hoogte gehouden. Zo is er een raadsbrief geweest met een schets over de stand van zaken. Initiatiefnemer heeft in september 2022 de direct omwonenden opnieuw geïnformeerd. Een omwonende is niet enthousiast over de plannen en is van mening dat iets wat agrarisch is ook agrarisch moet blijven. Twee andere omwonenden hebben geen problemen met het onderhavige initiatief. Het aangrenzende perceel Vriezenweg 8 is inmiddels eigendom van de initiatiefnemer, waarbij de toekomstige bewoners door de initiatiefnemer zullen worden gewezen op het onderhavige initiatief.

39

7.3 Vooroverleg Ter voldoening van het bepaalde in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zal het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden worden aan diverse instanties, in dit geval de Veiligheidsregio Hollands Midden en het hoogheemraadschap van Rijnland. De instanties zijn in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een reactie in te dienen tegen het plan. 1. Veiligheidsregio Hollands Midden (26 oktober 2022) De veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) heeft over het plan geadviseerd. Naar aanleiding van het advies van de VRHM zijn enkele aanvullingen toegevoegd in paragraaf 4.6 externe veiligheid. 2. Hoogheemraadschap van Rijnland Vanuit het hoogheemraadschap is geen vooroverlegreactie ontvangen. 3. Provincie Zuid-Holland Ten tijde van de ter inzage legging van onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt de provincie ZuidHolland in de gelegenheid gesteld op het plan te reageren.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter visie worden gelegd. Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen hier, of in een separate bijlage, van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=6f18d215-933e-470e-a626-429ae1feef08