CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20221221_t_NL.IMRO.1884.BPTANKSTATIONN207-ONT1

Gemeenteraad 3 juli 2023, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Tankstation N207 Vriezenweg Leimuiden’14.940 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Tankstation N207 Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPTANKSTATIONN207-ONT1

Datum:

21 december 2022

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van den Heuvel | Dhr. H. J. M. van Arendonk

Kenmerk Buro SRO:

SR170190

Opdrachtgever:

Gebr. Van Eijk

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 20 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 20 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.5 Bedrijven & milieuzonering ............................................................................................................................... 24 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 26 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

28 4.8 Water ................................................................................................................................................................ 29 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 32 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 33 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 34 4.12 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 34

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 36 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 36 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 36 5.3 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 37

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 38 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 39 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 39 7.3 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 40 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 40

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om nabij de rotonde N207/Vriezenweg, naast Vriezenweg 8, een onbemand verkooppunt voor brandstoffen te realiseren, met ook laadplaatsen voor elektrische auto's. Het voornemen is vergelijkbaar met het op 12 juli 2017 ingediende principeverzoek waar het college d.d. 29 augustus 2017 een positieve grondhouding over heeft ingenomen. Dat principeverzoek betrof een locatie direct ten zuiden van de nu beoogde locatie, wat werd gezien als een versterking van de wegvoorzieningen. Op 6 september 2022 heeft het college zich opnieuw over een principeverzoek uitgesproken voor de nu beoogde locatie naast Vriezenweg 8. Het college neemt hierbij een positieve grondhouding aan, met enkele voorwaarden ten aanzien van de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing. Tevens dient aandacht te worden besteed aan de (verkeers)ontsluiting, parkeren, water en milieutechnische aspecten, alsmede aan de participatie met omwonenden. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', vastgesteld op 9 april 2020. Op dit moment geldt ter plaatse hoofdzakelijk de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'.

Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken zal een partiële herziening van het bestemmingsplan (postzegelbestemmingsplan) opgesteld moeten worden, rekening houdend met de voorwaarden uit het besluit op het principeverzoek. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hier in.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich in de oksel van de Vriezenweg en de N207 (provinciale weg), nabij de rotonde van beide wegen. De locatie is ten noorden van Rijnsaterwoude en ten zuiden van Leimuiden gelegen. De locatie is kadastraal bekend als kadastrale gemeente Leimuiden, sectie C, perceel 2261 en 2260 (deels). De oppervlakte van het plangebied bedraagt totaal ca. 5.400 m². Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Globale ligging plangebied (rood omcirkeld, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

5

Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft dit bestemmingsplan op 9 april 2020 vastgesteld. Deze gronden hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' 'Verkeer' en 'Groen'. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden in het plangebied zijn in het geldende bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Deze gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf en het hobbymatig houden van vee. Tevens gaat het hier om het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap, dat gevormd wordt door het nagenoeg ontbreken van bebouwing in de polders.

6

Het zuidelijk deel van het plangebied is tevens voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning'. Deze gronden zijn mede bestemd voor een hoogspanningsleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de participatie, het vooroverleg en de ter inzage legging zijn opgenomen.

7

2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als landbouwgrond. Het betreft een weiland dat 2 keer per jaar wordt gemaaid, met in de zuidwesthoek een incidentele boom. Het plangebied wordt grotendeels begrensd door een watergang. Enkele jaren geleden zijn nabij het plangebied een nieuwe rotonde en een parallelweg in zuidelijke richting aangelegd. Het onderhavige perceel heeft een toerit die in het verlengde ligt van die nieuwe parallelweg. Op onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie in het plangebied weergegeven.

Luchtfoto bestaande situatie

Huidige situatie plangebied (bron: Google Streetview, juni 2022)

8

Omgeving De planlocatie is gelegen in de Wassenaarsche Polder, een polder die dateert uit de zeventiende eeuw. Deze polder wordt begrensd door de Leidsche Vaart, Dijksloot (langs de Herenweg/Willem van der Veldenweg), Drecht, Geerpolder Plas en Langeraarse Plassen. Het gebruik van de gronden betreft grotendeels weide en akkerbouw en wordt gekenmerkt door openheid. De N207, waaraan de planlocatie is gelegen, doorkruist de Wassenaarsche Polder. Met name ten oosten van de planlocatie, voorbij de rotonde, bevinden zich enkele woningen en bedrijvigheid. Aan de westzijde, aan de Vriezenweg 8, wordt de huidige bebouwing gesloopt en worden nog twee nieuwe woningen gerealiseerd, op basis van het bestemmingsplan 'Vriezenweg 8, Leimuiden' (vastgesteld d.d. 23 november 2020). In verband hiermee maakt een aangrenzende tapstoelopende zone onderdeel uit van het onderhavige bestemmingsplan. Het betreft gronden die horen bij het aangrenzende woonperceel, maar nog voorzien zijn van een agrarische bestemming. In het voorliggende bestemmingsplan wordt dat hersteld, door deze zone te voorzien van een woonbestemming (zonder bouwvlak).

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied een onbemand verkooppunt voor brandstoffen (TinQ tankstation) zonder lpg te realiseren. In de huidige voorstellen wordt uitgegaan van vier opstelplaatsen en een luifel van circa 130 m². Wanneer er voldoende omzet is kan het tankstation uitgebreid worden naar acht opstelplaatsen en een grotere luifel. In het bestemmingsplan wordt daarom ook de mogelijkheid geboden voor een luifel van 260 m². Daarnaast wordt voorgesteld om in eerste instantie zes snellaadplaatsen voor elektrische auto's te realiseren. Met het oog op de toekomst wordt rekening gehouden met een verdere uitbreiding van het aantal laadpunten, waarbij nu gedacht wordt aan in totaal 26 laadpunten. Tevens zijn er ook ideeën voor een toekomstige uitbreiding met een waterstoftankstation. Hiervoor wordt in het voorliggende bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarbij in dat kader aangetoond moet worden dat dat verantwoord is, met name ten aanzien van het aspect (externe) veiligheid. Het is een onbemand tankstation, dus er wordt niet voorzien in een shop e.d. Er worden diverse bouwwerken, geen gebouwen zijnde voorgesteld, zoals voor de benodigde tankvoorzieningen en servicekasten.

Verder wordt, naast de al genoemde luifel, aan de noordoostzijde van het perceel een reclamezuil geplaatst waarop de brandstofprijzen worden weergegeven. Voorts wordt ten behoeve van deze functie rekening gehouden met een gebouw voor beheer en onderhoud. Woonbestemming Een westelijke zone maakt onderdeel uit van het onderhavige plangebied, maar hoort bij het aangrenzende woonperceel aan de Vriezenweg. De betreffende zone wordt in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van een woonbestemming (zonder bouwvlak). Opzet en ontsluiting tankstation Het perceel ligt in de oksel van de Vriezenweg en de N207 en is deels omgeven door een sloot. Het perceel biedt voldoende ruimte voor een toekomstgerichte opzet, waarbij nu reeds ruimte wordt geboden voor toekomstige aanpassingen met meer laadplekken en bijvoorbeeld met een waterstoftankstation. Het tankstation en de laadplekken worden ontsloten vanaf de Vriezenweg, met een tweetal aansluitingen waardoor er niet gekeerd hoeft te worden op het perceel. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande dam, in het verlengde van de aansluiting van de parallelweg aan de zuidzijde van de Vriezenweg. Deze bestaande aansluiting vormt de ingang van het tankstation. Ten westen hiervan wordt een nieuwe uitrit aangelegd. Door de logische aansluiting op de bestaande infrastructuur en het onbelemmerde zicht, is dit verkeerskundig een aanvaardbare opzet.

Dat sluit aan bij de bevindingen in het kader van het eerdere initiatief direct ten zuiden van de nu voorliggende locatie. Daarover is destijds met de provincie gesproken waarbij toen bleek dat er op die locatie vanuit verkeerstechnisch en stedenbouwkundig oogpunt geen belemmeringen hoeven te zijn voor de realisatie van het tankstation.

9

Inpassing Voor wat betreft de landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de kenmerkende openheid van dit gebied. Om het karakteristieke doorzicht te behouden, worden geen bomen, struiken of riet toegevoegd. Wel worden de sloten om het perceel gehandhaafd, met uitzondering van een beperkte demping in verband met een extra aansluiting op de Vriezenweg. Tevens wordt extra oppervlaktewater voorgesteld in de meest oostelijke punt van het plangebied. Aan de westzijde, tussen de woningen en het tankstation, is een aarden wal van maximaal 2 meter hoog voorzien, zodat er geen zicht is vanuit de nog te bouwen woningen op het perceel Vriezenweg 8 op het tankstation en er geen hinder optreedt van inschijnende koplampen. Vanuit milieuzonering afscherming van geluid niet noodzakelijk maar wel een bijkomend voordeel. De navolgende afbeeldingen geven de beoogde inrichting en een aanzicht voor het tankstation weer.

Beoogde inrichting (bron: Fase Facility Services BV, 2 september 2022)

Beoogde aanzicht tankstation (bron: Fase Facility Services BV, 7 december 2022)

10

Haalbaarheid PostMenBalm, een adviesbureau in de tankstationbranche, heeft in 2018 een marktonderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat er voldoende potentieel is voor een onbemand tankstation. Gelet op de veranderende omstandigheden is een nieuw haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd door PostMenBalm: 'Haalbaarheidsonderzoek Vriezenweg 8', d.d. 6 oktober 2022: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1. Er is op basis van een analyse van omliggende tankstations en op basis van ervaringen elders in het land bij soortgelijke locaties, een potentieel schatting opgesteld. Op basis hiervan is de waarde van de locatie inzichtelijk gemaakt, bij eigen exploitatie en in verhuurde staat. In het haalbaarheidsonderzoek wordt geconcludeerd dat de uiteindelijke waarde van de onderhavige tanklocatie beduidend hoger is dan de grondwaarde, waarmee de haalbaarheid van dit investeringsproject voldoende is aangetoond.

11

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing.

Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

12

2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het voorgenomen plan om een tankstation te realiseren brengt een bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' naar 'Bedrijf' en een verruiming van de bouwmogelijkheden met zich mee. Er is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling ten behoeve van stedelijke voorzieningen en daarmee van een stedelijke ontwikkeling. Derhalve dient de behoefte nader onderbouwd te worden. Behoefte In paragraaf 2.2 is uiteengezet dat er sprake is van een reële behoefte aan een tankstation op deze locatie. Dat blijkt ook uit het onlangs uitgevoerde haalbaarheidsonderzoek van PostMenBalm: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1. Daarbij zijn er aan de westzijde van de N207 (lengte van 30 km) geen tankstations gevestigd. Omdat het tankstation onbemand is, is het 365 dagen per jaar en 24 uur per dag geopend en kan het zichzelf positioneren in het lage prijssegment. Tevens bieden de laadplaatsen voor elektrische auto's een aanvullende service. Daarmee is het een kwalitatieve aanvulling op de bestaande tankstations in de omgeving.

Bestaand stedelijk gebied De stedelijke ontwikkeling vindt plaats buiten het bestaand stedelijk gebied. De eerste reden hiervoor is dat in de kernen in de omgeving geen gronden beschikbaar zijn voor een tankstation. Ten tweede is een tankstation, ruimtelijk en milieuhygiënisch gezien beter inpasbaar in het buitengebied. Tenslotte gaat het om een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een behoefte die nadrukkelijk gekoppeld is aan de N207 en daarmee per definitie een relatie heeft met het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied. Daarbij betreft het een versterking van de wegvoorzieningen aan de N207.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 15 maart 2022. De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

13

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

• • • • • • •

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

•

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).

14

Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond De kaartlaag 'laag van de ondergrond' toont dat het plangebied is gelegen in 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. Zuid-Holland is met uitzondering van de duinen en de dijken relatief plat. Op dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Dit betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Daarnaast is de planlocatie gelegen in een 'veencomplex - oude zeeklei'. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast zijn hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen gelegen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Bij deze droogmakerijen treedt (in de toekomst) mogelijk verzilting op en wordt het waterbeheer steeds lastiger. De relevante richtpunten bij de 'laag van de ondergrond' zijn:

•

Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.

•

Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

•

Ontwikkelingen in droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding.

In en nabij het plangebied is geen sprake van onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap. Het enige hoogteverschil dat ervaren wordt is de N207, die ten opzichte van het landschap wat hoger is gelegen. Vanwege de aanleg van de N207 en de parallelweg is uitgesloten dat er structuren met archeologische waarden aanwezig zijn. Het is dan ook niet mogelijk hier rekening mee te houden. Bij de aanleg van de parallelweg is reeds rekening gehouden met een duurzame waterhuishouding. Daarmee zal de veenbodem geen hinder ondervinden van het plan. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De kaartlaag 'laag van de ondergrond' geeft weer dat het plangebied is gelegen in een 'droogmakerij (klei)'. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. Een relevant richtpunt is dat nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. Aangezien het tankstation

15

wordt ingepast op een bestaande kavel in de oksel tussen N207 en de Vriezenweg wordt het verkavelingspatroon van de polder niet verder aangetast. De rotonde N207/Vriezenweg met aanliggende bebouwing vormt een kleinschalig bebouwingscluster in het landschap, waar verder aan de Vriezenweg verspreidt nog enkele boererven voorkomen. Omdat de sprake is van enige clustering van bebouwing rondom de rotonde blijven de doorzichten in de polder vrijwel intact. Laag van de stedelijke occupatie Op de kaartlaag 'laag van de stedelijke occupatie' is de N207 aangeduid als 'provinciale weg'. Buiten het stedelijk gebied worden rijks- en provinciale wegen niet als verstedelijkingsas benut. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen die een relatie hebben met de weg concentreren zich bij de op- en afritten van de weg. Ondanks dat het plangebied niet tot de provinciale weg behoort, heeft het er in functioneel opzicht wel een sterke relatie mee. Daar de ontwikkeling plaatsvindt nabij de rotonde en het bestaande bebouwingscluster, fungeert de N207 niet als verstedelijkingsas.

4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Passengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Droogmakerij als herkenbare eenheid Het plangebied bevindt zich in een droogmakerij. De droogmakerij is ter plaatse van het plangebied reeds niet meer herkenbaar. De beoogde ontwikkeling verslechtert deze situatie niet. Weg door stad en land Op sommige delen van de snelwegen en N-wegen heeft men vanaf de weg een goed zicht op het landschap. Daar waar sprake is van grotere doorzichten spreekt men van een panorama: een plek waar sprake is van een hoogwaardige Zuid-Hollandse reis ervaring, een beleefbaar en zichtbaar landschap dat typisch is voor Zuid-Holland. De bijbehorende ambities richten zich op het in stand houden van de panorama's en waar mogelijk nieuwe zichten maken op het landschap.

Bij wegontwerpen wordt rekening gehouden met landschappelijke oriëntatiepunten en hoogteverschillen. Met de voorgenomen ontwikkeling worden de panorama's zo min mogelijk aangetast. De bebouwing ten westen van het plangebied beperkt reeds het zicht. Ook de ligging nabij een rotonde en naast een woonperceel waar twee woningen zijn toegelaten, betekent dat het zicht op het landschap hier al beperkt is en minder aan de orde is. Linten blijven linten Het plangebied bevindt zich aan het boerenervenlint van de Vriezenweg en de N207. Het lint is hier door de ontwikkeling van de rotonde niet herkenbaar als lint maar er zijn nog wel doorzichten naar het ommeland. De manier waarop de bebouwing is georiënteerd zorgt ervoor dat de doorzichten zo min mogelijk worden aangetast. Daarnaast vindt de ontwikkeling dicht bij de rotonde plaats. Hiermee is de ontwikkeling passend binnen het lint. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

16

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 15 maart 2022 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a). De ontwikkeling van het tankstation brengt op structuurniveau geen wijzigingen aan. Het bestemmingsplan 'N207' en de aanleg van de parallelweg hebben reeds geresulteerd in wijzigingen op structuurniveau. De realisatie van een tankstation nabij deze infrastructurele ontwikkelingen en naast een locatie waar twee woningen mogen worden gerealiseerd, leidt op zichzelf nauwelijks tot een verandering van bestaande structuren en kwaliteiten. Daarmee past de ontwikkeling bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Hieruit is gebleken dat de beoogde ontwikkeling wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat bij onderhavig initiatief sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is sub b van toepassing. De stedelijke ontwikkeling betreft een kleiner oppervlak dan 3 ha, waardoor het niet nodig is dat

17

het project is opgenomen in het Programma ruimte. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.35a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

Gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling zijn niet alle risico's aan de orde. Uit de Klimaatatlas blijkt dat er in de huidige situatie kans is op wateroverlast door overvloedige neerslag. In de toekomstige situatie zal het plangebied voorzien worden van waterafvoer waardoor deze problemen waarschijnlijk zullen afnemen. Uit de Klimaatatlas blijkt dat er een kleine overstromingskans is ter plaatse van het plangebied. Vanwege de ligging in groen en open gebied zal hitte waarschijnlijk geen probleem vormen. De luifel van het tankstation zorgt tevens voor schaduw. Er zal voldoende gelegenheid zijn voor water om te infiltreren, al dan niet in de watergangen rondom het plangebied. Daarmee worden geen problemen met droogte voorzien. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal:

• • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

18

In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek Het voorgenomen initiatief draagt bij aan de economische ontwikkeling van de gemeente. De N207 vormt samen met de rijkswegen (A4 en A44) de hoofdverkeersstructuur van de gemeente Kaag en Braassem. Er worden in de omgevingsvisie geen specifieke ambities met betrekking tot tankstations genoemd. Het voorliggende initiatief maakt één nieuw onbemand tankstation mogelijk. Bij dit tankstation wordt geen winkel beoogd, maar zijn wel zes oplaadplaatsen voor elektrische auto's. Het nieuwe tankstation levert daarmee een bijdrage aan de behoefte aan voldoende plaatsen waar getankt kan worden. De infrastructuur in de gemeente wordt hiermee versterkt. De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Droogmakerij'.

De droogmakerijen zijn grootschalige open polders en worden voornamelijk gebruikt als agrarisch productielandschap. Het primaire grondgebruik is landbouw, zowel akkerbouw als veeteelt. In de voormalige MRSV werd de N207 nog benoemd als doorstromingsknelpunt. De gemeente heeft reeds doorstroming op de N207 verbeterd. Het tankstation wordt ingepast in de verkeersstructuur rondom de N207 en de openheid van de polder blijft zoveel mogelijk behouden. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.

3.3.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die waarborgen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied (niet opgenomen op de welstandskaart). Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.

19

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 en heeft betrekking op de volgende activiteiten:

•

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Drempelwaarde: oppervlakte van 100 hectare of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

20

•

De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten. Drempelwaarde: opslagcapaciteit van 100.000 ton of meer.

Aan de eerdergenoemde drempelwaarden wordt niet voldaan. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk circa 5.000 m² en heeft een beperkte opslagcapaciteit. Daarnaast kan gelet op de ligging in het buitengebied geen sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.16 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn:

• • •

kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.

De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien er een nieuw tankstation gebouwd wordt zijn er effecten van het plan op de omgeving te verwachten. De effecten hebben met name te maken met verkeer en geluidhinder die daardoor veroorzaakt worden. Deze effecten worden beperkt doordat er al veel verkeer rondom het plangebied aanwezig is als gevolg van de ligging. Het plangebied betreft een perceel direct nabij een kruising in een N-weg in het buitengebied. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. De ligging in het buitengebied maakt niet aannemelijk dat er in de omgeving in de toekomst andere ontwikkelingen uitgevoerd zullen worden. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Dit besluit wordt opgenomen als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

21

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Een tankstation is geen gevoelige functie waarvoor een bodemonderzoek noodzakelijk is. In het kader van het toenmalige bestemmingsplan 'N207' zijn middels de MER 'N207 Leimuiden-Alphen aan den Rijn' d.d. 2 oktober 2012 de mogelijke verontreinigingen rondom de N207 in kaart gebracht. Op enkele locaties langs het tracé komen verontreinigingen voor. Ter plaatse van het plangebied zijn echter geen verontreinigingen bekend die een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het onderhavige bestemmingsplan.

Wel kan het, bijvoorbeeld voor de benodigde graafwerkzaamheden, vereist zijn dat in een later stadium aangetoond wordt dat de bodem niet vervuild is, maar dat gebeurt buiten de context van dit bestemmingsplan.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Het initiatief voorziet in de realisatie van een tankstation. Dit betreft geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Vanuit de Wgh zijn er dan ook geen belemmeringen. Zolang geen fysieke wijzigingen plaatsvinden aan de verkeerswegen, zal ook dit punt van de Wet geluidhinder geen belemmering vormen. Er wordt weliswaar een uitrit/inrit gerealiseerd, maar dit valt niet onder een fysieke wijziging van de weg. In het kader van de Wet geluidhinder vormt het aspect geluid geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

22

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of als gevolg van het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in

23

betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het betreft geen locatie waar mensen langdurig verblijven. Op grond van het ‘toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium’ uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit uit 2007 kan worden gemotiveerd dat hier geen personen worden blootgesteld aan luchtverontreiniging ten gevolge van het tankstation. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een onbemand tankstation. De verwachting is dat er als gevolg van dit plan een beperkte toename van de verkeersgeneratie optreedt. De doelgroep van het tankstation en de laadpalen zijn immers bestuurders van motorvoertuigen die al op de N207 rijden of onderweg zijn naar de N207 en daarmee deel uitmaken van het verkeer op de N207. Er wordt slechts in beperkte mate extra verkeer gegenereerd. De overige verkeersgeneratie bestaat uit de persoon die incidenteel voor beheer en onderhoud werkzaam is bij het tankstation (maximaal 1 auto per 2 dagen, 1 voertuigbewegingen per dag) en uit het aanleveren van brandstoffen met vrachtwagens (2 vrachtwagens per week, 4 voertuigbewegingen per week, 0,57 gemiddeld per dag).

Dit resulteert in een totaal van gemiddeld 1,57 verkeersbewegingen per dag en een aandeel van 36,3% vrachtverkeer. Een tankstation komt niet voor in de regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Daarom is met behulp van de NIBM-tool (2021) bepaald of het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de tabel (zie navolgende afbeelding) blijkt dat het een NIBM-project betreft. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor het aspect luchtkwaliteit en is het plan uitvoerbaar.

NIBM-tool (2021)

4.5 Bedrijven & milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

24

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=668636b5-8ba6-435a-9cb0-31568a828eaa