20220425_t_NL.IMRO.1884.BPWETERINGPADBenB-VAS1
Tekst van het document
bestemmingsplan
Weteringpad B en B Boot, Woubrugge Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPWETERINGPADBenB-VAS1
Datum:
25-04-2022
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. J. van Nuland | Dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR210360
Opdrachtgever:
Dhr. Molenaar
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging ................................................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 18 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 18 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 19 4.3 Ecologie ............................................................................................................................................................. 19 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 20 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 21 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 22 4.7 Bedrijven en milieuzonering..............................................................................................................................
24 4.8 Water ................................................................................................................................................................ 26 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 29 4.10 Verkeer en Parkeren ....................................................................................................................................... 29 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 30
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 32 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 32 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 32 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 32 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 33
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 34 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 34 6.2 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 35
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om een B&B boot af te meren aan het perceel ten noorden van het Weteringpad 15 te Woubrugge. De planlocatie is deels voorzien van de bestemmingen 'Tuin', 'Bedrijf' en 'Verkeer'. Daarnaast hebben de gronden de dubbelbestemmingen 'Waterstaat Waterkering' en 'Waarde Archeologie 1'. De ontwikkeling zoals de initiatiefnemer deze wenst is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Afwijken van het geldende bestemmingsplan is dan ook nodig om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Om het afmeren van de B&B Boot aan het perceel ten noorden van het Weteringpad 15 juridischplanologisch goed in te passen is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. Vooruitlopend op deze herziening is door de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend. Hierop is door de gemeente positief gereageerd. Wel zijn een aantal voorwaarden gesteld, waar aan voldaan zal worden.
1.2 Ligging Het plangebied is gelegen aan het Weteringpad, in de kern Woubrugge. Dit pad ligt langs de aan de Woudwetering gelegen gebouwen. Het plangebied bevindt zich tussen het Weteringpad en Jachthaven Hollandia. Het water wordt momenteel verhuurd voor het afmeren van 6 boten. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Woubrugge, sectie B, perceelnummer 3194 (595 m²) en 3228 (27 m²). De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 622 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge - Hoogmade', vastgesteld op 23 november 2020. In het geldende bestemmingsplan hebben de gronden de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Bedrijf’ en verkeer en de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat Waterkering’ en ‘Waarde – Archeologie 1’. De bestemming bedrijf kent tevens de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf scheepsbouw en reparatiebedrijf' en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - onbebouwd'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Kernen Woubruggen - Hoogmade'.
6
Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Kernen Woubruggen - Hoogmade', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingsplan Kernen Woubruggen - Hoogmade De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, insteekhavens en onbebouwde erven. Er mogen hier geen gebouwen worden gebouwd. De bestemming 'Bedrijf' staat bedrijven toe uit de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Daarnaast wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw en reparatiebedrijf' tevens zo'n bedrijf uit categorie 4.1 toegestaan. Bij deze bestemming horen ook de daarbij behorende tuinen, water, terreinen en erven. De bestemming verkeer geldt voor een klein deel van het plangebied en is hoofdzakelijk bestemd voor wegen, straten en paden. De gronden aangewezen met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - primair bestemd voor waterkeringen. Hier mag alleen worden gebouwd conform een schriftelijke toestemming dan wel een watervergunning van het hoogheemraadschap van Rijnland. Tevens geldt er een aanlegverbod zonder omgevingsvergunning. De met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit twee percelen, zoals in de aanleiding aangegeven. Beide percelen zijn in de huidige situatie braakliggend en bestaan uit gras, bomen en water. Tevens maakt ook een aanzienlijke hoeveelheid water deel uit van het grootste perceel. Het water wordt momenteel verhuurd voor het afmeren van 6 boten. In de omgeving van het plangebied bevinden zich woningen een jachthaven en een jachtbouw bedrijf. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van de tuin en het water.
Huidige situatie tuin
8
Huidige situatie water
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om op locatie een Bed & Breakfast boot af te meren. Hierbij is waarschijnlijk de meest passende plek om de woonboot naast het sloepenhavenhuis van Jachthaven Hollandia af te meren. Dit is ongeveer op 30 meter vanaf de noordgevel v/d loods van Molenaar Jachtbouw en ongeveer op 25 meter afstand vanaf de voorgevel van de woonhuizen aan het Weteringpad 16 en 18. De boot komt daarmee zover als mogelijk te liggen van de woningen aan het Weteringpad 16 en 18. Met het afmeren van de B&B boot wordt het aantal bedrijfsmatig verhuurde ligplaatsen verminderd met drie ligplaatsen. Daarmee ontstaat er ruimte om op locatie een B&B boot af te meren. Deze B&B boot biedt recreatief verblijf voor circa 4 personen. Onderstaande afbeeldingen tonen voorbeelden van de beoogde Bed & Breakfast boot.
Voorbeelden B&B boot
Het parkeren van de recreanten, indien deze met de auto komen, is op te lossen op eigen terrein op perceel 3194. Deze parkeerplaatsen krijgen een groene uitstraling middels het aanbrengen van halfverharding. Het groene karakter van het perceel wordt daarmee zoveel mogelijk behouden. De parkeerdruk als gevolg van
9
de B&B boot (naar verwachting maximaal 2 parkeerplaatsen) zal wegvallen tegen de parkeerdruk als gevolg van het niet meer verhuren van ligplaatsen. Daarbij moet opgemerkt worden dat de recreanten naar verwachting meer met de boot zullen komen. De locatie is gelegen aan een ‘staande-mast-route’. De B&B boot kan daarmee dienst doen als overnachtingsplek voor recreanten die een vaartocht over meerdere dagen ondernemen. Naast parkeren is op dit perceel ruimte voor bijvoorbeeld kleinschalige speelvoorzieningen, een bbq of ruimte om te zonnen ten behoeve van de gebruikers van de Bed & Breakfast boot.
10
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat de Nationale Omgevingsvisie niet specifiek van toepassing is.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is het Barro verder niet specifiek van belang.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
11
2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit een van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m², kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Het voorgenomen plan betreft het aanmeren van een Bed & Breakfast boot met circa 60 m² bruto-vloeroppervlakte en wordt derhalve niet als stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
• • • • • • •
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
12
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland. Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Het aspect ‘omgevingskwaliteit’ wordt in het provinciaal beleid nader uitgewerkt op basis van de kwaliteitskaart en de richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Met betrekking tot het plangebied zijn de volgende
13
kaartlagen van belang: laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen en laag van de stedelijke occupatie. Het plangebied bevindt zich in ‘bijzonder reliëf en aardkundige waarden’. Belangrijke richtpunten voor dit gebied zijn:
• •
Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijke worden archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Ter plaatse van het plangebied is geen bijzonder reliëf aanwezig, waarmee de ontwikkeling geen afbreuk doet aan natuurlijke hoogteverschillen. Daarnaast bevindt het plangebied zich in een veen-complex. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Bij de ontwikkeling wordt zorg gedragen voor het behoud van het veen. Wat betreft cultuur- en natuurlandschappen bevindt het plangebied zich in een droogmakerij (klei). Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. De B&B boot wordt afgemeerd in de plaats van bestaande schepen in directe aansluiting op bestaande bebouwing. De ruimtelijke effecten zijn hiermee zeer beperkt.
4.
Beleidskeuzes
Met betrekking tot de beoogde ontwikkeling is de beleidskeuze ‘behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit’ van belang. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld die dienen als handreiking. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied. Voor onderhavig plan is de kaart ‘Water als structuurdrager’ van belang. Het plangebied bevindt zich in een gebied met een oude provinciale vaarweg. De vaarwegen krijgen de uitstraling van regionale landschappelijke dragers door een doorgezette eenheid van inrichting van de oevers en begeleidende beplanting en door de vormgeving van kruisende infrastructuur. Met de ontwikkeling vindt een, bescheiden, extra recreatieve impuls plaats. Dit komt ten goede aan de beleefbaarheid van Hollands Plassengebied en sluit aan bij de ambitie vaarwegen de regionale dragers van het gebied te laten zijn. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. Er dient geconcludeerd te worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en in lijn is met de provinciale ambities.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 7 augustus 2021 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
14
a.
b.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1.
c.
zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Het voorgenomen plan betreft slechts het afmeren van een Bed & Breakfast boot en de realisatie van parkeerplaatsen. De ontwikkeling past daarmee binnen de bestaande gebiedsidentiteit en is een vorm van inpassen. Bovendien blijkt uit toelichting paragraaf 3.2.1 dat aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'
In toelichting paragraaf 3.1.3 is de ladder voor duurzame verstelijking doorlopen. Daaruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is en daarmee voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking uit het Bro en artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Regionale waterkeringen Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen een regionale waterkering. Dit betekent dat er bij een bestemmingsplan geen belemmeringen mogen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Gezien de beperkte omvang en de aard van de ontwikkeling wordt verwacht dat er geen belemmeringen ontstaan voor de waterkering.
15
Conclusie De Omgevingsverordening stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit de provinciale verordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie is gelegen binnen de dorpskern van Woubrugge. Woubrugge is de meest zuidelijk gelegen kern van Kaag en Braasem en is ontstaan langs het water. Dit waterrijke karakter zorgt ervoor dat het dorp ook is ingesteld op recreatie en toerisme. In de omgevingsvisie wordt ruimte geboden voor recreatie en bedrijvigheid. De mate waarin dat mogelijk is verschilt per gebied. In alle gevallen moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening en wordt de verkeersaantrekkende goed meegewogen. In de visie wordt de ambitie uitgesproken Kaag en Braassem te blijven profileren als recreatiegemeente.
Meer specifiek is gesteld dat bestaande watersport- en recreatiebedrijven de ruimte krijgen om te groeien en nieuwe bedrijven in de dag- en verblijfsrecreatieve sector krijgen de kans om zich te vestigen.
16
Voorliggend initiatief past binnen de ambitie van de gemeente Kaag en Braassem. Er wordt bijgedragen aan de verblijfsrecreatieve sector. Het initiatief is ruimtelijk goed inpasbaar en leidt niet tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit de gemeentelijke Omgevingsvisie.
17
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met het voorliggende plan wordt het afmeren van een Bed en Breakfast boot en worden parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Gezien de beperkte schaal en beperkte ruimtelijke ingrepen kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
18
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De navolgende paragrafen geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek De ontwikkeling leidt niet tot een ander bodemgebruik. Het recreatieve verblijf heeft ook geen contact met de onderliggende bodem. De Bed & Breakfast boot zal zich namelijk op het water bevinden. Bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit staat ook niet in de weg aan deze ontwikkeling . Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden of het project mogelijk invloed heeft op beschermde soorten en of gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Soortenbescherming Met het voorliggende initiatief wordt er geen bebouwing gesloopt en vinden er mogelijk slechts zeer beperkte werkzaamheden plaats. Er worden geen ingrepen gedaan aan de bestaande heg en bomen. Er kan dan ook gesteld worden dat het initiatief niet leidt tot aantasting van mogelijke schuil- en verblijfplaatsen
19
van beschermde soorten. Verder geldt dat altijd rekening gehouden moet worden met de zorgplicht en de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels (ook watervogels). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura-2000 gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast ligt de planlocatie ook niet in de strategische reservering natuur, een belangrijk weidevogelgebied of karakteristieke landschapselementen. Er zijn dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de provinciaal beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op 9,5 km afstand. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Voor de Natuurnetwerk Nederland gebieden geldt dat geen rekening gehouden dient te worden met externe effecten bij ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied bevindt zich op 1,0 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied. Er is dus geen vervolgonderzoek noodzakelijk voor de Natuurnetwerk Nederland gebieden. Houtopstanden Er zijn op de planlocatie geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Er worden geen ingrepen gedaan aan de bestaande heg en bomen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).
andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Het initiatief voorziet in de realisatie van B&B boot. Recreatieve verblijven worden in het kader van de Wet geluidhinder niet gezien als een geluidsgevoelige functie. Los daarvan bevindt de B&B zich niet in de onderzoekszone van de onderzoeksplichtige wegen. Het plangebied is tevens niet gelegen in de nabijheid van een spoorweg. Geconcludeerd wordt dat in het kader van de beoogde ontwikkeling geen onderzoek wegverkeerslawaai nodig is. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
20
4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
21
Planspecifiek Met het voorgenomen initiatief vindt slechts het afmeren van een Bed & Breakfast boot plaats. Het initiatief kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 15 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Tevens worden de advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden gehaald. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.
Daarnaast geldt voor het
22
groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat een Bed & Breakfast boot van deze schaal geen kwetsbaar object is. Desondanks is voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart van de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
23
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)
Transportroutes voor gevaarlijke stoffen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er rond het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied liggen geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
24
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het voorliggende initiatief maakt een Bed & Breakfast boot mogelijk. Dit wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering niet gezien als een gevoelige bestemming. Het is geen gevoelig gebouw zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit of de Wet geluidhinder. Gezien de verblijfsfunctie van de boot is het aspect bedrijven en milieuzonering wel onderzocht. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. Ten noorden en ten zuiden van de locatie zijn in het bestemmingsplan bedrijven toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2. Middels een functieaanduiding zijn ook scheepsbouw en reparatiebedrijven toegestaan tot maximaal categorie 4.1. Gelet op de diverse functies in de directe omgeving van het plangebied kan het gebied getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Hierdoor kunnen de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandstap worden verminderd. Adres
Bedrijf/activiteit
SBI-code
Milieucategorie
4.1
Richtafstand (gemengd gebied) 100 m
Werkelijke afstand tot de B&B 32 m
Weteringpad 15 Weteringpad 21A
Molenaar Jachtbouw Jachthaven Hollandia
301, 3315 301, 3315
4.1
100 m
4m
Zoals in bovenstaande tabel is af te lezen wordt er niet voldaan aan de gestelde richtafstanden uit de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor een scheepsbouw en reparatiebedrijf van categorie 4.1 is het maatgevende aspect geluid, wat resulteert in een richtafstand van 200 meter. Vanwege gemengd gebied mag deze afstand verlaagd worden naar 100 meter. Binnen een afstand van 100 meter van deze bedrijven bevinden zich reeds meerdere woningen. De afstand tussen deze woningen en de loods van Jachthaven Hollandia bedraagt 15 meter. Hieruit blijkt dat de te realiseren woonboot dichter bij jachthaven Hollandia komt te liggen vergeleken met de woningen Weteringpad 16-18. De Omgevingsdienst West Holland geeft in hun advies aan dat dit geen belemmering is voor het bedrijf omdat de B&B boot recreatief en geen geluidgevoelig object is. Daarmee leidt de ontwikkeling ook niet tot een verdere beperking van de omliggende bedrijfsvoering. De loods van Jachthaven Hollandia is ter plaatse van het plangebied volledig gesloten. Hierdoor zijn er geen stof- of geluidsemissiepunten aanwezig. Dit is zichtbaar op onderstaande afbeelding. De belangrijkste geluidsemissie zal aan de oostzijde van de loods, waar zich wel openingen bevinden, naar buiten treden. Deze afstand bedraagt met circa 45 meter aanzienlijk meer.
Ter plaatse van het plangebied is de geluidsproductie vanuit de loods daarom beperkt. Tevens zijn er geen klachten van omwonenden met betrekking tot geluid bekend. Er kan daarom geconcludeerd worden dat de potentiële emissie vanuit de loods dusdanig zal zijn dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde B&B boot.
25
Beoogde locatie B&B boot met zicht op loods
Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.