CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20220200_Herenweg161a_Ontwerp_Toelichting

Gemeenteraad 12 september 2022, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan ‘Herenweg 161a, Rijnsaterwoude’13.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Besluit externe veiligheid Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb bevat regels voor de exploitant, regels voorgemeenten over het opnemen van buisleidingen in bestemmingsplannen en regels voor het melden van ongewone voorvallen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft op deze manier een grondslag in de Wet milieubeheer (Wm) en in de Wro. Daarnaast vervangt het Bevb de circulaires Zonering langs hogedrukaardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie (1991). In het Bevb is geen sprake meer van veiligheids-/bebouwings- en Planspecifieksafstanden zoals deze werden voorgeschreven in de circulaires.

Het Bevb gaat uit van grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoordingsplicht van het groepsrisico (GR). De regeling voor buisleidingen is hiermee vergelijkbaar met de regeling voor inrichtingen zoals vastgelegd in het Besluit

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

35

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Waar relevant wordt in dit Handboek aangegeven op welke punten het Bevb afwijkt van de systematiek van het Bevi. Risicokaart Om te bepalen of in de nabijheid van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende kaart betreft een uitsnede hiervan en geeft de situatie bij Herenweg 161a te Rijnsaterwoude. Uit de risicokaart blijkt dat in en nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen.

Afbeelding 16, Risicokaart Conclusie De wijziging van een perceel grond in de bestemming ‘Bedrijf’ en de plannen voor de bouw van een nieuwe opslagloods worden niet beperkt door externe veiligheidsaspecten.

6.5 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. In het plangebied is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapportage d.d. 24-11-2020, kenmerk 2010P253/ADR/rap1).

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

36

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Door middel van een verkennend milieukundig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de boven -en ondergrond alsmede het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: - Plaatselijk zijn sporen baksteen / resten koolas aangetroffen of is de bodem zwak baksteenhoudend; - Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; - De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PAK en minerale olie; - De ondergrond is niet verontreinigd; - Het grondwater is licht verontreinigd met barium en nikkel. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater) dient de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. De gemeten waarden zijn dermate gering dat, volgens IDDS, aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel niet noodzakelijk is. Er is in afdoende mate een beeld verkregen van de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Belemmeringen inzake de bestemmingswijziging worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Conclusie De bodemkwaliteit is aanvaardbaar en vormt geen belemmering voor het bouwplan.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

37

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Hoofdstuk 7 Omgevingsaspecten

7.1 Flora en fauna Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Nederlandse natuurwetgeving bestaat uit 3 onderdelen, te weten: - soortbescherming (voormalige Flora- en faunawet) - bescherming van houtopstanden (voormalige Boswet) - gebiedsbescherming (voormalige Natuurbeschermingswet 1998) Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. Ten alle tijde dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Soortbescherming Alle inheemse flora en fauna zijn in Nederland beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor álle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde planten- en diersoorten is Planspecifiek aan de soortbescherming noodzakelijk.

Bescherming van houtopstanden In het plangebied is geen sprake van een houtopstand, derhalve is Planspecifiek van de herontwikkeling aan bescherming van houdopstanden niet noodzakelijk. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening. De Wet natuurbescherming beschermt Natura 2000-gebieden. Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt de Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Het plangebied is op ca. 9.000 meter van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & de Haeck gelegen. Soortenbescherming Het plan omvat de sloop en herbouw van een loods. De planlocatie is niet geschikt voor beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

38

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Unie heeft in 1979 de Vogelrichtlijn vastgesteld, en in 1992 de Habitatrichtlijn. Nederland heeft de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn omgezet in nationale wetgeving via de Wet natuurbescherming. De Vogelrichtlijn (VR) beoogt de instandhouding van alle natuurlijk in het wil levende vogelsoorten op het Europees grondgebied van de lidstaten. De Habitatrichtlijn (HR) heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke habitat en de wilde flora en fauna op het Europees Grondgebied van de lidstaten. Beide richtlijnen kennen een tweeledig beschermingsregime, gebiedsbescherming en soortenbescherming. De gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn tezamen als ‘Natura 2000’ aangeduid. Natura 2000-gebieden Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is “Nieuwkoopse Plassen & de Haeck” dat ligt op ca. 9.000 meter afstand van het plangebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) bestaat uit de bestaande bos- en natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden, bestaande en nieuwe landgoederen, ecologische verbindingen, de grote wateren en de Noordzee. De realisatie van het NNN is aangemerkt als een nationaal en provinciaal belang met als doel de bescherming, instandhouding en verdere ontwikkeling van de biodiversiteit. In principe behoren bestaande bebouwing, erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding (inclusief bermen) niet tot het NNN. De Verordening Ruimte 2014 (geconsolideerd) heeft uitsluitend betrekking op het deel van het NNN dat is gelegen op het land en in de regionale wateren. De grote wateren en de Noordzee zijn door het rijk begrensd in de voormalige Nota Ruimte. Het NNN dient in 2027 gerealiseerd te zijn. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen toegelaten die de uiteindelijke realisatie van het NNN onmogelijk maken.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

39

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 386 meter afstand van het plangebied. Belangrijk weidevogelgebied Belangrijke weidevogelgebieden zijn agrarisch gebieden die worden gekenmerkt door een hoge weidevogeldichtheid. Deze gebieden maken geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) maar worden planologisch beschermd via de provinciale structuurvisie. Binnen belangrijk weidevogelgebied is een ingreep niet toegestaan, indien de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant wordt aangetast. Onder de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden worden verstaan: de hoge weidevogeldichtheden alsmede de factoren die deze dichtheden bepalen zoals het agrarisch (grasland)gebruik, de waterhuishouding, de landschapsstructuur, openheid en rust. Het plangebied ligt buiten belangrijke weidevogelgebieden. Het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied ligt op 1,7 km afstand van het plangebied.

Afbeelding 17, ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Naturanetwerk Nederland (donker groen en paars), belangrijke weidevogelgebieden (licht groen) en Natura 2000 gebied (gearceerd). Bron: provincie Z-H Quickscan wet natuurbescherming November 2020 heeft IDDS een ecologische quickscan op de planlocatie uitgevoerd (rapportage d.d. 9 november 2020, kenmerk 2010P254/DME/rap1).

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

40

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Vogels De planlocatie is ongeschikt voor voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende en boombewonende vogels met jaarrond beschermde nesten. In de bebouwing zijn geen geschikte plekken aanwezig. In de bomen in het plangebied zijn geen boomnesten aanwezig. In de omgeving, namelijk Herenweg 157, zijn wel huismussen waargenomen. Effecten van de werkzaamheden op de huismussen zijn niet te verwachten. Het weiland aan de westzijde wordt door vogels gebruikt als foerageergebied en kan worden gebruikt als broedplek voor weidevogels. Dit weiland blijft behouden zodat er geen effecten zijn voor foeragerende vogels. Nader onderzoek is niet nodig. Werkzaamheden in het broekseizoen kunnen broedende vogels in het weiland verstoren. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) uit te voeren. Wanneer tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli) buiten werkzaamheden plaatsvinden moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundig ecoloog worden vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.

Vleermuizen De planlocatie is ongeschikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen lijnelementen die dienst kunnen doen als essentiële vliegroute. Het weiland en de sloten aan de westzijde van de planlocatie is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Omdat dit een klein gebied is ten opzichte van de aanwezige weilanden wordt dit niet als een essentieel foerageergebied beschouwd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel wordt in de ecologische quickscan geadviseerd geen felle verlichting te gebruiken tijdens de werkzaamheden, omdat dit kan leiden tot verstoring van foeragerende vleermuizen.

Grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen, overige flora en fauna De planlocatie is niet geschikt voor beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel adviseert de Omgevingsdienst om maatregelen te treffen om te voorkomen dat de rugstreeppad zich vestigt op de planlocatie tijdens de werkzaamheden. Er zullen maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat de rugstreeppad zich tijdens de werkzaamheden op de planlocatie zal vestigen. De planlocatie is wel geschikt voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën die vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.

Vissen Volgens de quickscan hoeft op grond van de verspreidingsgegevens met beschermde vissoorten geen rekening gehouden te worden. In aanvulling hierop merkt de Omgevingsdienst op dat geen werkzaamheden in oppervlaktewater zijn voorzien, zodat effecten op vissen zijn uit te sluiten.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

41

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Conclusie Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is vastgesteld dat beschermde soorten niet worden verwacht in het plangebied en dat de ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op beschermde soorten.

7.2 Stikstofdepositie Vanaf 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing. Hiermee heeft het kabinet vastgelegd dat de natuur sterker wordt en de stikstofdepositie omlaag gaat. De belangrijkste onderdelen van deze wet zijn de stikstofreductiedoelen, het programma stikstofreductie en natuurverbetering, het legaliseren van PAS-meldingen en de gedeeltelijke bouwvrijstelling voor het aspect stikstof. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer 3 resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: - in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in Natua 2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; - in 2030 moet minimaal de helft van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in Natua 2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; - in 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in Natua 2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De wet maakt ook een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd.

Planspecifiek Onderhavig bouwplan veroorzaakt alleen stikstofeffecten in de bouwfase, derhalve is de vrijstelling voor dit bouwplan van toepassing. Ten aanzien van de gebruiksfase is geen berekening noodzakelijk aangezien sprake is van bestaande activiteiten. Daarbij wordt de loods niet verwarmd en zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, zodat geen sprake is van een toename in stikstofemissie en opzichte van de huidige situatie. Conclusie Het bouwplan is in overeenstemming met de Wet stikstofreductie en natuurverbetering.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

42

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

7.3 Archeologie en cultuurhistorie 7.3.1 Erfgoedwet Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 komen te vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd dat ruimtelijke ordening een afweging van verschillende belangen is. Een van de belangen is het cultureel erfgoed. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is daarom de verplichting opgenomen om in de ruimtelijke ordening ‘rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten.

7.3.2 Nota Belvedère Het beleid in de Nota Belvedère (Ministeries van OCW, VROM, LNV, V&W, 1999) is gericht op het scheppen van goede voorwaarden om de cultuurhistorische identiteit meer van invloed te laten zijn op de inrichting van de ruimte en expliciet te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen en planvormingsprocessen. Het doel is tweeledig, enerzijds verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en anderzijds behoud van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder andere bereikt door het herkenbaar houden van de cultuurhistorische identiteit van zowel het stedelijk als het landelijk gebied, en het erkennen van deze kwaliteit als uitgangspunt voor verdere ontwikkelingen. Het centrale thema is 'behoud door ontwikkeling'. In de Nota zijn zogeheten Belvedèregebieden aangewezen. Dit zijn in cultuurhistorisch opzicht de meest waardevolle gebieden van Nederland waarbij wordt gestreefd om te komen tot een consistente inbreng vanuit het cultuurbeleid in het ruimtelijk beleid.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

43

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

7.3.3 Erfgoedverordening De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 28 november 2016 de Erfgoedverordening 2016 vastgesteld, dit betreft een actualisatie van de Erfgoedverordening 2010 waarin de regelgeving voor de bescherming en instandhouding van het gemeentelijk erfgoed is geregeld en wordt aangesloten bij de landelijke wetgeving. In de Erfgoedverordening zijn de regels voor de bescherming van gemeentelijke monumenten gewaarborgd. Ook archeologie valt onder het gemeentelijke erfgoed en is net als de gemeentelijke monumenten gewaarborgd in de Erfgoedverordening. Ter plaatse is geen monument aanwezig.

7.3.4 Provinciaal archeologiebeleid Conform de Wet op de archeologische monumentenzorg zijn overheden gehouden archeologie op te nemen in ruimtelijke plannen. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) is uitgangspunt; aanvullende richtlijnen zijn opgenomen in de Regioprofielen Cultuurhistorie. Archeologisch onderzoek is niet nodig als er geen sprake is van verstoring en als de werkzaamheden in geval van archeologische verwachtingswaarden niet dieper worden uitgevoerd dan 30 cm onder het maaiveld of het plan een omvang kent van minder dan 100 m². Voor landbouw geldt dat normaal gebruik van de bodem is toegestaan. Gemeenten kunnen gemotiveerd afwijken van het provinciale beleid zoals neergelegd in de CHS, op basis van een archeologische waardenkaart die gestoeld is op archeologisch onderzoek. Afwijking is niet mogelijk in gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden. Deze gebieden zijn op grond van de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie (POA) benoemd als archeologische aandachtsgebieden en zijn daarom ook vastgelegd in deze verordening. Deze gebieden beslaan minder dan 1% van het grondoppervlak van de provincie Zuid-Holland. De Provincie Zuid-Holland hanteert de volgende richtlijnen, waarbij onderscheid gemaakt wordt naar: 1. Bekende archeologische waarden (conform CHS Zuid-Holland) a. terrein van zeer hoge archeologische waarde36; b.

terrein van hoge archeologische waarde37. 2. Archeologische verwachting (conform CHS Zuid-Holland) a. terrein met zeer grote verwachting op archeologische sporen; b. terrein met een redelijke tot grote verwachting op archeologische sporen; c. terrein met lage verwachting van archeologische sporen.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

44

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Voor de onder 2 a en 2 b genoemde terreinen kan onderzoek achterwege blijven indien de omvang van de verstoring minder dan 100 m² bedraagt met uitzondering van historische stads- en dorpskernen of als sprake is van werkzaamheden die niet dieper gaan dan 30 cm onder het maaiveld. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de bedoelde onderzoeksplicht indien gemotiveerd kan worden aangetoond dat als gevolg van het achterwege laten van onderzoek redelijkerwijs geen nadelige effecten voor de betreffende waarden te verwachten zijn. Gebied met (zeer) hoge archeologische waarde De planlocatie is gelegen buiten de aanduiding ‘Gebied met (zeer) hoge archeologische waarde’ in de Omgevingsvisie Zuid-Holland.

Afbeelding 18, Omgevingsvisie Zuid-Holland, kaart 10 ‘Gebied met (zeer) hoge archeologische waarde’

7.3.5 Gemeentelijk archeologiebeleid Op 23 mei 2011 is het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld door de gemeenteraad. Op 13 mei 2013 is het geactualiseerde gemeentelijk archeologiebeleid en de geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

45

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. Op de archeologische verwachtings- en beleidskaarten voor het oostelijk en westelijk deel is te herleiden of onderzoek verplicht is. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan blijft het uitgangspunt voor de afweging of er archeologisch onderzoek nodig is, maar het beleid beschrijft de richting waar de gemeente heen wil op het gebied van archeologie. Een archeologische verwachtingskaart is “een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones”. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting en indien van toepassing geen verwachting. Deze verwachting heeft geen kwaliteitswaarde, het gaat om de kans op aanwezigheid van archeologische waarden. De zonering wordt aangebracht op grond van archeologische informatie uit het gebied zelf en op grond van archeologische informatie uit landschappelijk vergelijkbare gebieden. De Wet op de archeologische monumentenzorg stelt een oppervlakteondergrens voor bodemingrepen van 100 m². Als de bodemingreep groter is dan deze grens geldt een onderzoeksplicht. De gemeente mag van deze oppervlaktemaat gemotiveerd naar boven en naar beneden afwijken.

Dit is ook gebeurd bij het opstellen van de archeologische beleidsadvieskaart. De ondergrenzen hebben betrekking op de bodemingrepen en niet op de oppervlakte van het plangebied: Nieuwe ondergrenzen 1. AMK-terreinen: 50 m² en 30 cm -mv 2. Historische kernen en ontginningsassen: 150 m² en 30 cm -mv 3. Hoge verwachting: 500 m² en 30 cm -mv 4. Middelhoge verwachting: 2.500 m² en 30 cm -mv 5. Lage verwachting: geen onderzoeksplicht Volgens de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart van de gemeente Kaag en Braassem is de planlocatie deels (het oostelijke deel) gelegen in een zone ‘historische kernen’ met een hoge archeologische verwachting, en deels (het grotere westelijke deel) gelegen in een zone met een lage archeologische verwachting. Het gemeentelijk beleid is dat bij ingrepen van meer dan 150 m² en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm onder maaiveld, in de zone ‘historische kernen’, rekening gehouden moet worden met archeologische resten. Ter plaatse is sprake van een bouwplan groter dan 150 m² waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm onder maaiveld.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

46

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Afbeelding 19, Archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem Archeologisch bureauonderzoek en veldonderzoek Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd (rapportage nr. 1015 d.d. 10-03-2021). Op basis van booronderzoeken in de omgeving van het plangebied maakt de top van het Laagpakket van Wormer, die door vervening weer aan de oppervlakte is komen te liggen, deel uit van een kweldervlakte. De kweldervlakte was relatief slecht geschikt voor bewoning. Uit het booronderzoek Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

47

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

blijkt dat de top van het Laagpakket van Wormer inderdaad uit niet-gerijpte kwelderafzettingen bestaat. Het oorspronkelijk veenpakket is grotendeels verdwenen. De restveenlaag is door ploegwerkzaamheden in de top van de kwelderafzettingen opgenomen. Het oostelijke deel van het plangebied heeft deel uitgemaakt van een bewoningslint langs de Herenweg. Uit de boringen blijkt dat in het plangebied geen potentiële bewoningslagen of sporen van gebruik van het gebied uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd zijn aangetroffen. Op basis van het booronderzoek worden in het plangebied geen archeologische waarden verwacht. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Melding toevalsvondst In geval bij de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen is men verplicht dit te melden bij de Minister van OCW op grond van de Erfgoedwet uit 2016. Er wordt aangeraden om hiervoor contact op te nemen met de gemeente Kaag en Braassem.

7.4 Besluit Milieueffectapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald voor welke activiteiten een (vormvrije) m.e.r.beoordeling of milieueffectrapportage moet worden opgesteld. De vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of een bestemmingsplan ontstaat als in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage: • de activiteit wordt genoemd in kolom 1 • niet wordt voldaan aan de voorwaarden in kolom 2 • in kolom 4 óf het bestemmingsplan wordt genoemd óf de zinsnede ‘de besluiten waarop afdeling 3.4 Awb en één of meer artikelen van afdeling 13.2 Wm van toepassing zijn’ Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden nagenoeg dezelfde procedurele eisen als voor de formele m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: • door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld (Artikel 7.16 Wet milieubeheer). • het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen (7.17, eerste tot en met vierde lid). Dit besluit hoeft niet gepubliceerd te worden. • de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer tweede lid).

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

48

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Indien het plan wordt mogelijk gemaakt met een bestemmingsplan hoeft geen aanmeldingsnotitie te worden opgesteld. Wel moet het bevoegd gezag (raad) in een vroeg stadium voor het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gaat een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. De planlocatie heeft de bestemming ‘Agrarisch’ waarop bedrijfsbebouwing aanwezig is, dat vervangen zal worden door een nieuw gebouw en de bestemming van het perceel gewijzigd zal worden van de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van opslag voor het bestaande en naastgelegen landbouwmechanisatiebedrijf. Ingevolge jurisprudentie is bij uitbreiding van een bestaande bedrijfsvoering niet zomaar sprake van een stedelijk ontwikkeling zoals genoemd in onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r., te weten D 11.2 stedelijk ontwikkelingsproject Beoordeling Gelet op de beperkte omvang van het project en de huidige bebouwing op het perceel zal met wijziging van de bestemming en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw het totale bouwvolume niet substantieel wijzigen. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Het besluit m.e.r. is voor dit plan niet van toepassing. Er hoeft geen (vormvrij) m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden genomen.

7.5 Verkeer en Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. In de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ (2018) zijn voor een groot aantal gebruiksfuncties parkeernormen en kencijfers verkeersgeneratie vastgelegd. Initiatiefnemer wenst een deel van het terrein achter Herenweg 161a te Rijnsaterwoude te wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’, en de huidige schuren in het zuidoosten van het plangebied te slopen (met een oppervlakte van ca. 657 m²) voor de realisatie van een nieuwe opslagloods (met een oppervlakte van ca. 860 m²) voor opslagdoeleinden. De loods zal gebruikt worden voor arbeidsextensieve en bezoekersextensieve (opslag)doeleinden, derhalve zal het aantal aanwezige personen en bezoekers beperkt zijn. Op basis van de huidige en toekomstige functie kunnen de parkeernorm en de theoretische verkeersgeneratie van dit bouwplan berekend worden, waarbij voor onderhavig bouwplan de

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

49

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

stedelijkheidsgraad ‘Matig stedelijk’ en de gebiedstypering ‘Rest bebouwde kom’ gehanteerd wordt, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381. Ontsluiting De bestaande inrit op de Herenweg zal komen te vervallen, en de planlocatie zal via de naastgelegen (bedrijfs)locatie Herenweg 165a, middels een bestaande oprit op Herenweg, worden ontsloten, hetgeen een verbetering van de ontsluitingssituatie ter plaatse is. Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 Het doel van deze nota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. De parkeernormen in deze nota hebben betrekking op nieuw- en verbouwplannen, alsmede op de wijziging van functies en/of het gebruik. Er dienen op eigen terrein voldoende parkeervoorzieningen overeenkomstig de ‘Nota Parkeernormen 2018’ te worden gerealiseerd. Het plangebied bevindt zich in de ‘rest bebouwde kom’ van Rijnsaterwoude. Ingevolge bijlage II van de Beleidsregel Parkeernormen van de gemeente Kaag en Braassem (2018) dient een parkeernorm van 0,8-1,3 per 100 m² bvo voor arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, transportbedrijf) in acht te worden genomen.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

50

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

: rest bebouwde kom Afbeelding 20, Gebiedenkaart, Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 Berekening parkeernorm De Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 en de CROW-publicatie 381 hanteren voor arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, transportbedrijf) een parkeernorm van 0,8-1,3 per 100 m² bvo.

Afbeelding 21, parkeernorm CROW In de huidige situatie is sprake van een agrarische bedrijfsvoering waarvoor ook een parkeernorm van 0,8-1,3 per 100 m² bvo van toepassing is.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

51

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Huidig type bedrijf Volgens CROW-publicatie 381

Oppervlakte (m²)

Kencijfer parkeren Per 100 m² bvo

Te realiseren parkeerplaatsen

Agrarisch Arbeidsextensef en bezoekersextensief

657 m²

0,8-1,3

5,3– 8,6

Toekomstig type bedrijf Volgens CROW-publicatie 381

Oppervlakte (m²)

Kencijfer parkeren Per 100 m² bvo

Te realiseren parkeerplaatsen

agrarisch

860 m²

0,8 – 1,3

6,9 – 11,2

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er, op basis van de CROW parkeerkencijfers, in totaal tussen de 7 en 12 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Twaalf parkeerplaatsen zullen binnen het plangebied aangelegd worden. Er is geen sprake van parkeeroverlast voor de omgeving aangezien de auto(‘s) van de gebruikers van de opslagloods op de planlocatie zullen worden geparkeerd, alwaar voldoende parkeerruimte aanwezig is Berekening verkeersgeneratie De berekende verkeersgeneratie is gebaseerd op een gemiddelde norm zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381. Huidig type bedrijf Volgens CROW-publicatie 381

Oppervlakte (m²)

Kencijfers verkeer per 100 m² bvo

Verkeersgeneratie

Agrarisch Arbeidsextensef en bezoekersextensief

657 m²

3,9 - 5,7

25,6 - 37,5 mvt/etmaal

Toekomstig type bedrijf Volgens CROW-publicatie 381

Oppervlakte (m²)

Kencijfer verkeer per 100 m² bvo

Verkeersgeneratie

agrarisch

860 m²

3,9 - 5,7

33,5 - 49 mvt/etmaal

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de totale verkeersgeneratie, die de ontwikkeling met zich meebrengt enigszins zal toenemen met ca. 8 tot 12 verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Aangenomen wordt dat de capaciteit van de Herenweg het verkeer dat gegenereerd wordt door de voorgenomen ontwikkeling kan verwerken. Planspecifiek De ontsluitingsstructuur ter plaatse zal verbeteren ten opzichte van de bestaande situatie, door het vervallen van de bestaande inrit op de Herenweg. Daarnaast wordt voldaan aan de

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

52

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

parkeernormering zoals gesteld in de Beleidsregel Parkeernormen gemeente Kaag en Braassem 2018 en zal de stijging van de verkeersgeneratie binnen de huidige structuur van de Herenweg opgevangen kunnen worden. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoering van het bouwplan.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

53

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Hoofdstuk 8 Juridische toelichting

8.1 Algemeen Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is deze uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking.

8.2 De bestemming Met dit bestemmingsplan wordt de bestemming ’Agrarisch’ gewijzigd in de bestemmingen ‘Bedrijf'. Daarmee wordt de bouw van een loods mogelijk gemaakt. Voor wat betreft de bouwmogelijkheden is er aangesloten bij die van de bestemming ´Bedrijf´, zoals opgenomen in het bestemmingsplan ´Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude’.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

54

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid

9.1 Financiële haalbaarheid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Ingevolge artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wro aangewezen: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Onderhavige ontwikkeling betreft een bouwplan als bedoeld in de Grondexploitatiewet (art.

6.2.1 Bro), waardoor kostenverhaal via een anterieure overeenkomst danwel een exploitatieplan van toepassing is. De Grondexploitatiewet ('grex-wet') is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro, tweede lid, aanhef en onder a); 2. de te verhalen kosten minder dan €10.000,- bedragen; 3. er geen verhaalbare kosten zijn De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van het bestemmingsplan zijn voor rekening van initiatiefnemer en worden betaald door middel van legesheffing. Tussen de gemeente en initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten, waarin onder andere de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

55

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Door deze overeenkomst, waarin onder andere het risico van planschade bij de initiatiefnemer neergelegd, is er geen financieel risico voor de gemeente. De financiële haalbaarheid van het plan is aangetoond.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

56

Toelichting bestemmingsplan Herenweg 161a, Rijnsaterwoude

Hoofdstuk 10 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Deze toelichting zal ons onderdeel van de procedure bestemmingsplan door gemeente Kaag en Braassem ter visie worden gelegd. Overleg met omwonenden Omwonenden zijn door de initiatiefnemer op de hoogte gebracht van zijn plannen, middels een huisaan-bezoek. Omwonenden hebben positief kennis genomen van de ontwikkeling waarbij oude bebouwing wordt vervangen door een nieuw pand. Positief is ook gereageerd op het verkrijgen van beter doorzicht richting de achtergelegen weilanden. Naar aanleiding van de huis-aan-huis bezoeken hebben er geen wijzigingen in het plan plaatsgevonden. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het bestemmingsplan in het geding zijn. In dit kader wordt met verschillende vooroverlegpartners overleg gevoerd over het voorontwerpbestemmingsplan. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening ter visie gelegd voor een periode van 6 weken. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijke of mondelinge zienswijzen in te dienen.

Van der Hoorn RO Visie ROvisie@ziggo.nl

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=7aa77835-3b90-4eb1-9e4a-daef3117f4af