20211221_t_NL.IMRO.1884.BPNoordeinde131-CON1
Tekst van het document
bestemmingsplan
Noordeinde 131 Roelofarendsveen Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPNoordeinde131-CON1
Datum:
21-12-2021
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. R. van den Heuvel | Dhr. J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR200084
Opdrachtgever:
Dhr. Berkel, van F.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 21
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 24 4.3 Water ................................................................................................................................................................ 33 4.4 Archeologie en Cultuurhistorie ......................................................................................................................... 35 4.5 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 37
5 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 39 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 40 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 6.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 40 6.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 40
7 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 41 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 41 7.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 41 7.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 41 7.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 42
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op de percelen achter de woning aan de Noordeinde 133 te Roelofarendsveen één vrijstaande, levensloopbestendigde en energie neutrale woning te realiseren en het bestaande kantoorgebouw om te bouwen tot twee appartementen. De percelen van het plangebied zijn kadastraal bekend onder de gemeente Alkemade, sectie K, percelen 2463, 4419 en 4420. Perceelnummer 4242 maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Deze gronden hebben reeds de bestemming Groen en Water. Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Braassemerland 2019', vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem op 27 mei 2019. De gronden beschikken over een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf'. De ontwikkeling van de vrijstaande woning en het ombouwen van het bestaande kantoorgebouw naar twee appartementen is volgens het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. De gemeente Kaag en Braassem heeft op 18 april 2019 laten weten medewerking te willen verlenen aan het beoogde initiatief. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin. Met dit bestemmingsplan komt de bedrijfsbestemming in milieucategorie 3.1 te vervallen en wordt de bestemming wonen opgenomen.
Het opnemen van deze nieuwe bestemming heeft tevens als voordeel dat de achterliggende gronden, gelegen in het woningbouwgebied Braassemerland, ook in ontwikkeling genomen kunnen worden.
5
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van onderhavig initiatief is gelegen aan het bebouwingslint van het Noordeinde in het zuidelijke gedeelte van de kern Roelofarendsveen. De betreffende percelen zijn kadastraal bekend onder de gemeente Alkemade, sectie K, percelen 2463, 4419 en 4420. Het plangebied is gelegen achter de woning aan het Noordeinde 133 te Roelofarendsveen. Ten oosten van het plangebied bevinden zich de gronden van het uit te werken woongebied 'de Poelen' wat onderdeel is van 'Braassemerland'. Op de navolgende afbeeldingen staan de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Braassemerland 2019', vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem op 27 mei 2020. In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Bedrijf' met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf aannemersbedrijf'. Binnen deze bestemming is het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder de categorieën 1 en 2. Tevens is een aannemers- en/of bouwbedrijf met ten hoogste de categorie 3.1 toegestaan. Gebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 7 m en een goothoogte van 5 m. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan 'Braassemerland 2019'.
Uitsnede bestemmingsplan 'Braassemerland 2019', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Ook beschikt een deel van de gronden van het plangebied over de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Binnen de bedrijfsbestemming is het ontwikkelen van één vrijstaande woning en het ombouwen van een deel van het kantoor naar twee appartementen niet toegestaan. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Dit hoofdstuk is de inleiding op het plan. In hoofdstuk 2 wordt het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot beschrijft hoofdstuk 6 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de juridische planopzet beschreven.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie zijn er op de planlocatie twee bedrijfsgebouwen aanwezig. De bedrijfsgebouwen worden gebruikt als werkplaats (milieucategorie 3.1), kantoor en voor opslag. Het overige gedeelte bestaat voor het grootste deel uit verhard oppervlak. Het terrein is te bereiken door middel van een inrit aan het Noordeinde. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen en enkele bedrijven te vinden. Ten oosten van het plangebied bevindt zich het woningbouwproject 'Braassemerland'. Navolgende afbeelding toont een plattegrond van de huidige situatie van het plangebied en een plattegrond van het westelijk gelegen bedrijfsgebouw.
Plattegrond huidige situatie (bron: Broos de Bruijn architecten)
8
Plattegrond verdieping westelijk gelegen bedrijfsgebouw (bron: Broos de Bruijn architecten)
9
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om één vrijstaande woning te ontwikkelen en een gedeelte van het bedrijfsgebouw om te bouwen tot twee appartementen. Het meest oostelijk gelegen bedrijfsgebouw op de planlocatie wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt één vrijstaande, levensloopbestendige en energie neutrale woning gerealiseerd. Het betreft een ruime woning met beneden de entree, garderobe, bergingen en een multifunctionele ruimte. De eerste verdieping is voorzien van een ruime woonkamer, twee slaapkamers, keuken en badkamer. Vanaf de woonkamer is het buitenterras te bereiken. De ruimte rondom de woning wordt ingericht als tuin. Onder een deel van de woning kan geparkeerd worden. Op navolgende afbeeldingen staat een plattegrond van het perceel en impressie van de beoogde vrijstaande woning weergegeven.
Plattegrond perceel vrijstaande woning (bron: Broos de Bruijn architecten)
Impressie vrijstaande woning (bron: Broos de Bruijn architecten)
10
Een deel van het westelijk gelegen bedrijfsgebouw wordt op de verdieping omgebouwd tot twee appartementen. Beide appartementen bestaan uit een woonkamer met keuken, badkamer en één slaapkamer. In het westelijke gedeelte van het gebouw (op de verdieping) blijft de functie als opslag en kantoor behouden. Echter bevinden deze functies zich in de nieuwe situatie binnen de woonbestemming. Voor dit 'afwijkende gebruik' is de nadere aanduiding 'kantoor' opgenomen. De begane grond van het bestaande gebouw wordt door de eigenaar nog gebruikt als garage en werkruimte als ZZP'er in de aannemerij. Omdat deze bedrijfsfunctie groter is dan 'een bedrijf- en beroep aan huis' is een aanvullende aanduiding 'bedrijf' opgenomen. Hiermee wordt het toegestaan dat de bewoner van nieuw te bouwen woning op locatie nog bedrijfsactiviteiten uitoefent ondergeschikt aan de woonfunctie. Milieutechnisch kan daarmee het 'bedrijf' afgeschaald worden van milieucategorie 3.1 naar milieucategorie B (gemengde bedrijvenlijst). Deze afschaling heeft tot gevolg dat ook de achterliggende woningbouwplannen in Braassemerland doorgang kunnen vinden. Op navolgende afbeelding staat een plattegrond en impressie van het gebouw weergegeven.
Plattegrond verdieping van het westelijk gelegen gebouw met twee appartementen (bron: Broos de Bruijn architecten)
Impressie van de appartementen (bron: Broos de Bruijn architecten)
11
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
12
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
•
Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
•
Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In het onderhavige geval worden slechts drie woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft het plan niet nader getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Onder bestaand stedelijk gebied wordt conform artikel 1.1.1 eerste lid onder h van het Bro verstaan: het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Omdat ter plaatse van het voorgenomen plan reeds de bestemmingen 'Bedrijf' geldt en het plangebied aansluit op de lintbebouwing van het Noordeinde, dient het plangebied aangemerkt te worden als bestaand stedelijk gebied.
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
13
3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.
het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich in het 'beperkingengebied van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' (LIB). Het plangebied valt onder het gebied waar een maatgevende toetshoogte van 146 m NAP geldt. Binnen dit gebied zijn geen objecten hoger dan 146 m NAP toegestaan. Onderhavig plan voorziet niet in hoogbouw hoger dan 146 m NAP. Er is dan ook geen overschrijding van de gestelde toetshoogte. Geconcludeerd kan worden dat het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' geen belemmeringen voor de uitwerking van het plan veroorzaakt.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie is in werking getreden op 20 april 2019. De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
• • • • • • •
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
15
3.
Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
•
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' staat aangegeven dat het plangebied in een Veencomplex Veen gelegen is. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard en bebouwd. De nieuwe bebouwing wordt teruggebouwd op de plek van de oude bebouwing. De ontwikkeling zal dan ook geen invloed hebben op het veencomplex en de diepe veenpakketten. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in de onderverveende bovenlanden. Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen.
Ontwikkelingen dragen bij aan de contrasten tussen het (oude) bovenland (hooggelegen, besloten, kleinschalig karakter) en de aangrenzende droogmakerijen (laaggelegen, grootschalig, weids). Het plangebied grenst aan een gebied waar grootschalige woningbouw gaat plaatsvinden. Hier zal de weidsheid van de droogmakerijen in de toekomst dan ook niet meer aanwezig zijn.
16
Laag van stedelijke occupatie Op de kaart van de 'Laag van stedelijke occupatie' staat het plangebied aangegeven als 'Stads- en dorpsranden' en 'Steden en dorpen'. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Tevens dragen ze bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. In de toekomst zal er hier door het achtergelegen woningbouwproject 'Braassemerland' geen overgang meer zijn van het bebouwd gebied en het landschap. De drie woningen zijn passend binnen de karakteristieke kenmerken en identiteit van Roelofarendsveen en sluiten aan op het toekomstige woningbouwproject. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Passengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Kwaliteit van stads- en dorpsgebied De dorpen in het Hollands Plassengebied verschillen in oorsprong, stedenbouwkundige opzet en grootte. Deze verscheidenheid is nog herkenbaar. Nieuwe ontwikkelingen pakken de maat en schaal van het dorp op, sluiten aan bij de typologie aan bebouwingsvormen en functies. De ontwikkeling van in totaal drie woningen is passend binnen de maat en schaal van het drop. Tevens grenst het plangebied aan het grootschalige woningbouwproject 'Braassemerland'. Gesteld kan worden dat woningen hier gewenst zijn. Linten blijven linten Het plangebied bevindt zich aan het bebouwingslint van het Noordeinde.
Het lint is ingesloten door het dorp (of stad) zonder doorzichten naar het ommeland, maar is nog wel herkenbaar als lint. Er is weinig ruimte voor ontwikkelingen door de dichtheid van het lint, tenzij bebouwing vervangen wordt. De beoogde vrijstaande woning wordt gerealiseerd op de plek van één van de bedrijfsgebouwen. Het andere bedrijfsgebouw wordt deels omgebouwd tot twee appartementen. Hiermee is de ontwikkeling passend binnen het lint. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.
17
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 20 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a). De ontwikkeling maakt slechts drie woningen mogelijk. Daarmee past de ontwikkeling bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Hieruit is gebleken dat de beoogde ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat bij onderhavig initiatief geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is sub b niet van toepassing. Bovendien betreft het hier geen locatie groter dan 3 hectare. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
18
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Voorliggend plan is voornamelijk gerelateerd aan de punten 1 en 4 van de kernbeslissingen. Met de ontwikkeling van in totaal drie woningen worden twee appartementen en één vrijstaande woning gerealiseerd, waarmee voorzien wordt in woningen voor meerdere doelgroepen. Het initiatief levert een bijdrage aan de woonbehoefte binnen de regio. Tevens wordt de groen-blauwe structuur niet uit het oog verloren. Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020. 3.3.2 Regionale Woon Agenda 2017 Holland-Rijnland Op 14 maart 2018 heeft het algemeen bestuur van de regio Holland Rijnland de nieuwe Regionale woonagenda (Woonagenda) vastgesteld. Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de subregio’s Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijn- en Veenstreek. Op de eerste plaats gaat het om de ontwikkeling van kansrijke bouwlocaties (woonmilieus). Andere belangrijke opgaven zijn het voorzien in voldoende sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is.
Met de vernieuwde Regionale Woonagenda zijn gemeenten in staat hun woningbouwplannen onderling beter af te stemmen, qua bouwjaar en woonmilieu. Kwantitatieve behoefte en kwalitatieve behoefte Bij de beoordeling van de vraag of behoefte bestaat aan een bepaalde woningbouwontwikkeling wordt zowel gekeken naar kwantiteit als naar kwaliteit. De kwantitatieve behoefte gaat in op het aantal te realiseren woningen, terwijl de kwalitatieve behoefte ziet op het type woning/woonmilieu. Kwantitatieve behoefte De kwantitatieve behoefte wordt in de Regionale Woonagenda Holland Rijnland nog berekend op basis van een actuele Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) en de daaruit voortvloeiende bandbreedte, waarbij in het onderliggend beleidsstuk de onderkant van de bandbreedte wordt gebruikt voor het aantonen van de behoefte. De getoonde cijfers tonen daarom de minimale behoefte.
19
Uit de Woonagenda blijkt dat de harde plancapaciteit (zoals plannen op basis van (onherroepelijke) bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen of anderszins, concrete afspraken tussen verschillende overheden) de kwantitatieve behoefte tot 2019 overstijgt. Dit betekent dat er meer plannen op de stapel liggen dan strikt noodzakelijk is. Dit is echter een normale ontwikkeling bij het programmeren van woningbouw, omdat altijd sprake zal zijn van enige planuitval of vertraging. De plancapaciteit voor de behoefte op korte termijn is voldoende. Bij vertraging ontstaat er echter een tekort. Voor de behoefte op de lange termijn (na 2022) zijn er nog ruim onvoldoende plannen vastgesteld. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de subregio Oost aan het bebouwingslint van het Noordeinde. Voor de subregio Oost is er in de periode 2017 tot 2022 een woningbehoefte van 3.480 woningen. In de periode van 2022 tot 2030 is er in subregio Oost een woningbehoefte van 3.080 woningen. Voor de lange termijn (tot 2030) is de planvoorraad onvoldoende. Er zijn dan ook aanvullende plannen nodig om aan de behoefte te voldoen. De ontwikkeling van drie woningen levert hier een bijdrage. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Regionale Woon Agenda 2017 van Holland-Rijnland.
20
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Kernen'. De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Voor het bouwen van nieuwe woningen ligt de voorkeur bij inbreiding. Echter betekent dit niet dat uitbreiding geen mogelijkheid is. Het opwekken van energie op een duurzame manier is een aandachtspunt van de gemeente, bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnepanelen op daken. Daarnaast is klimaatadaptatie een belangrijk thema binnen dit gebiedstype. Het toevoegen van verharding kan overlast veroorzaken bij extreem weer.
Er dient dan ook nagedacht te worden over de te nemen maatregelen. De kern Roelofarendsveen valt naast Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge onder 'centrum dorps'. In deze kernen is een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal. De gemeente wil hier het voorzieningenniveau in stand houden en verder opwaarderen. Daarnaast moet er een passende woning voor iedereen beschikbaar zijn in een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving.
21
Het voorliggende initiatief maakt één vrijstaande woning en twee appartementen mogelijk door middel van inbreiding. Daarnaast gaat het westelijk gelegen gebouw tevens functioneren als kantoor en opslag. De begane grond van dit gebouw wordt door de eigenaar nog gebruikt als garage en werkruimte als ZZP'er in de aannemerij. De nieuwe woningen leveren een bijdrage aan de woningbehoefte in de gemeente. De kern Roelofarendsveen wordt verder versterkt. Wat betreft klimaatadaptatie verbetert de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied bestaat vrijwel volledig uit verharding. Het initiatief zorgt voor een vermindering van het verhard oppervlak, waardoor minder overlast door water wordt veroorzaakt. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.
3.4.2 Welstandsnota De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de beschermde dorpsgezichten, de monumenten en de omliggende percelen van monumenten. In de welstandsnota zijn deze gebieden en objecten beschreven. Het individuele belang van de initiatiefnemer wordt gewogen ten opzichte van het collectieve belang. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Planspecifiek Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de welstandskaart van de gemeente Kaag en Braassem in de kern Roelofarendsveen.
Uitsnede Welstandskaart Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem (plangebied zwart omkaderd)
Uit de gegevens van de Welstandskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in welstandsluw gebied. Een welstandstoets voor de beoogde ontwikkeling is daarom niet aan de orde. Tevens bevindt er zich geen monumentale bebouwing binnen het plangebied. Gesteld kan worden dat de Welstandsnota geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
22
4 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk zal, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling past binnen de uitwerkingsregels van het globale bestemmingsplan en past binnen de geldende milieuwetgeving. Hiermee wordt aangetoond dat onderhavig project uitgaat van een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het Besluit milieueffectrapportage. Daarmee valt voorliggend plan onder sub c: het plan wordt wel genoemd
23
maar voldoet niet aan de drempelwaarde. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Daarnaast blijkt uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Met het voorliggende plan wordt de bestemming van het plangebied gewijzigd van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming, waarbij drie nieuwe woningen gerealiseerd worden.
Gelet op de omvang van het plangebied, de omvang van de te slopen bebouwing en de realisatie van slechts drie woningen, wijzigt het totale bouwvolume niet substantieel. Tevens is de ontwikkeling te zien als een vorm van kleinschalige opvulling in bestaand stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Een (vormvrije) m.e.r.beoordelingsbesluit is niet noodzakelijk.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik van de gronden voor wonen, heeft APS milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (december 2019, APS milieu B.V., zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Bodemonderzoek De uitpandige bovengrond is licht verontreinigd met barium, koper, kwik, zink en lood.
Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’. De puinhoudende bovengrond in de schuur is licht verontreinigd met kwik, lood, koper, kobalt, barium, zink en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’.
24
De puinhoudende bovengrond in de loods is licht verontreinigd met minerale olie, lood, PCB, barium, zink en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘niet toepasbaar’. De ondergrond in de schuur is licht verontreinigd met kwik, lood, koper, kobalt, nikkel en zink. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘wonen’. De venige ondergrond is licht verontreinigd met minerale olie, kobalt en nikkel. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, xylenen en naftaleen aangetroffen. Geconcludeerd kan worden dat de locatie licht verontreinigd is. De aangetroffen verontreinigingen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Asbestonderzoek (bodem) Er is geen asbestverdacht materiaal op of in de grond aangetroffen. Op basis van onderhavig verkennend bodemonderzoek asbest kan gesteld worden dat de locatie vrij is van verontreiniging met asbest. Beoordeling omgevingsdienst West-Holland Bovenstaande rapportage is beoordeeld door de omgevingsdienst West-Holland. In een brief (Advies ruimtelijke plannen, kenmerk D2020-200065, Zaaknummer 2020-021232, d.d. 02-12-2020) heeft de omgevingsdienst West-Holland laten weten welke aanvullende werkzaamheden nog uitgevoerd moeten worden.
In de brief zijn verschillende disciplines genoemd. In onderhavige rapportage wordt ingegaan op het bodemonderzoek. Uit de conclusie komt naar voren dat niet de gehele ontwikkelingslocatie is onderzocht. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is het noodzakelijk dat de grond onder de asfaltverharding wordt onderzocht. Tevens wordt aanbevolen een asfalt- en funderingsonderzoek uit te voeren, indien de verharding wordt verwijderd (voor de afvoer van het asfalt en funderingsmateriaal). Hierbij moet onderzocht worden of het asfalt teerhoudend is en wat de milieuhygiënische bodemkwaliteit van het funderingsmateriaal is. Aanvullend onderzoek Hiertoe is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (februari 2021, APS milieu B.V., zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). In dit bodemonderzoek wordt een aanvullend bodemonderzoek verricht ter plaatse van de asfaltverharding. Hierbij wordt de boven- en de ondergrond onder de asfaltverharding onderzocht. Tevens wordt een asfalt- en funderingsonderzoek uitgevoerd. Daarna is een tweede aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de ernst en de omvang van de matige verontreinigingen onder de funderingslaag (maart 2021, APS milieu B.V., zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Hieronder worden de resultaten en conclusies van deze twee onderzoeken uiteengezet.
Grond De bovengrond ter plaatse van boring 100 (M100.4, veen onder asfaltverharding en funderingslaag) is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met kobalt, koper, zink, molybdeen, kwik en lood. De grond wordt hiermee indicatief als klasse industrie geclassificeerd. De bovengrond ter plaatse van boring 104 (M104.4, veen onder asfaltverharding en funderingslaag) is matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met kobalt, nikkel, koper, zink, molybdeen, kwik en lood. De grond wordt hiermee indicatief als klasse industrie geclassificeerd. De ondergrond (MM100, veen) is licht verontreinigd met kobalt. De grond wordt hiermee indicatief als altijd toepasbaar geclassificeerd. Naar aanleiding van de aangetoonde matige verontreinigingen met nikkel en PAK in de veenlaag onder de asfaltverharding, zijn op 02-03-2021, aanvullende boringen uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat het plan was om de boringen 200 tot en met 205 uit te voeren. Van deze boringen zijn alleen de boringen 203 en 205 tot 2,0 m-mv uitgevoerd. De overige boringen zijn gestuit op de puinlaag. Uit de analyseresultaten blijkt dat de ondergrond ter plaatse van boring 205 licht verontreinigd is met barium. De ondergrond ter plaatse van boring 203 is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt aangenomen dat onder de asfaltverharding geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m3 sterk verontreinigd bodemvolume). De
25
onderzoeksresultaten vormen, naar inzien van APS milieu B.V., milieuhygiënisch geen belemmeringen voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Funderingslaag De funderingslaag (MMfundering) is sterk verontreinigd met PCB, koper en PAK, matig verontreinigd met minerale olie en licht verontreinigd met kobalt, nikkel, zink, molybdeen, cadmium en lood. Opgemerkt wordt dat de funderingslaag indicatief getoetst is aan de normen voor bodem maar dat dit geen bodem betreft. Asfalt Uit de analyseresultaten van de PAK-markers en het HPLC-onderzoek blijkt dat het asfalt niet teerhoudend is. Het asfalt komt hierdoor in aanmerking voor hergebruik. Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek en de aanvullende bodemonderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Wonen is een geluidgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. De planlocatie ligt op een afstand van ca. 35 m van de weg Noordeinde. Ter hoogte van de planlocatie geldt voor deze weg een snelheidsregime van 50 km/uur. Om die reden is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd (11 januari 2021, Van der Boom Advies, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. De geluidbelasting door wegverkeer op de Noordeinde bedraagt ten hoogste 45 dB resp. 41 dB op de gevels van de woningen. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daardoor niet overschreden. Een hogere waarde voor wegverkeer op deze locatie is daardoor niet nodig. Bij het toetsen of sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening' is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. Aan dit toetsingskader kan zonder maatregelen worden voldaan.
Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als daarnaast voldaan wordt aan de eisen voor het verlenen van een hogere waarde en als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De hoogst geluidbelaste woningen ondervinden een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB zonder aftrek. Voor gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor deze gevels zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.
26
Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit drie woningen meer dan in het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.
De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 17,9 μg/m³, 10,6 μg/m³ en 19,01 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de
27
gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: