CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20211206_t_NL.IMRO.1884.BPNOORDERHEMWEG40a-ON01

Gemeenteraad 7 maart 2022, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan Noorderhemweg 40A Roelofarendsveen12.273 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Noorderhemweg 40a Roelofarendsveen Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPNOORDERHEMWEG40a-ON01

Datum:

6 december 2021

Contactpersoon Buro SRO:

J. van Nuland

Kenmerk Buro SRO:

SR210027

Opdrachtgever:

Andy Janssen Bouwkostenadvies

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 18 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

29 4.8 Water ................................................................................................................................................................ 30 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 32 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 33

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 35 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 35 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 35 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 35 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 36

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 37 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 38 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 38 7.3 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 38 7.4 Zienswijze .......................................................................................................................................................... 38

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel aan de Noorderhemweg 40a woningen te ontwikkelen in collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO). Het plan bestaat uit zeven levensloopbestendige woningen voor 55-plussers. Om de ontwikkeling mogelijk te maken worden de aanwezige kassen op het perceel gesloopt. Op 14 februari 2020 is er voor de beoogde ontwikkeling een principeverzoek ingediend bij de gemeente Kaag en Braassem. De gemeente heeft op 8 september 2020 aangegeven dat de ontwikkeling van zeven levensloopbestendige woningen op de locatie wenselijk is. In het geldende bestemmingsplan 'Braassemerland' zijn de gronden van het plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen - uit te werken 1', waarbij uitwerkingsregels zijn opgenomen. Het voorliggende plan past echter niet binnen deze uitwerkingsregels, waardoor het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan nodig is. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

5

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Noorderhemweg 40a in het oosten van de kern Roelofarendsveen. Het gebied rond de planlocatie wordt herontwikkeld tot de woonwijk Braassemerland. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Alkemade, sectie K, perceelnummer 3981. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Braassemerland 2019', vastgesteld op 25 juli 2019 door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. In dit bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Braassemerland 2019'.

Uitsnede bestemmingsplan 'Braassemerland 2019', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden aangewezen met de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1' zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep en maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast zijn binnen deze bestemming onder andere parkeervoorzieningen, wegen en paden, groenvoorzieningen, tuinen, water en erven toegestaan. In de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1' zijn regels gegeven voor een uitwerkingsbevoegdheid. Middels een uitwerkingsplan kan deze bestemming uitgewerkt worden. Met het voorliggende plan wordt er niet voldaan aan de uitwerkingsregels die horen bij de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1'. Om die reden is het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer Dit hoofdstuk is de inleiding op het plan. In hoofdstuk 2 wordt het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot beschrijft hoofdstuk 6 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de juridische planopzet beschreven.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Lint Noorderhemweg De hoofdstructuur van Roelofarendsveen bestaat uit een aantal (historische) bebouwingslinten. Deze linten bepalen door de ligging, ruimtelijke opzet en historie voor een groot deel de identiteit van Roelofarendsveen. In de jaren vijftig zijn er vanaf het Westeinde richting het zuiden tevens enkele kleine tuinderslinten ontstaan, waaronder de Noorderhemweg, waar onderhavig plangebied aan ligt. Hoewel de linten onderling verschillen in verschijningsvorm en opbouw hebben de linten wel gemeenschappelijk dat er sprake is van kleinschaligheid, diversiteit en verbondenheid met het achterliggende landschap. De kleinschaligheid komt met name tot uitdrukking in de fijnmazige verkaveling en bescheiden bouwvolumes, met name vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen, die bijna altijd zijn voorzien van een kap. De diversiteit komt voort uit de perceelsgewijze ontwikkeling door de jaren heen. Hierdoor komen verschillende bebouwingsvormen voor, zoals oude agrarische complexen, woonhuizen maar ook bedrijfsgebouwen. Daarnaast heeft de veranderende tijdsgeest ervoor gezorgd dat er verschillende architectuurstijlen in de bebouwingslinten aanwezig zijn. Een andere belangrijke gemene deler van de bebouwingslinten is dat er een relatie bestaat met het achterliggende landschap.

Dit uit zich bijvoorbeeld doordat bebouwing in de richting van het landschap staat, er doorzichten aanwezig zijn of dat ontwateringsloten, houtsingels of dijken dienst doen als erfgrens. Planlocatie De planlocatie is te bereiken door middel van een inrit langs de woningen aan de Noorderhemweg 40 en 42. In de huidige situatie zijn er op de planlocatie kassen aanwezig. De navolgende afbeelding toont de huidige situatie met de inrit en daarachter de kassen.

Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)

8

2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden de kassen die aanwezig zijn op de locatie gesloopt. Hiervoor in de plaats worden in totaal zeven levensloopbestendige woningen voor 55-plussers gerealiseerd. Het plan bestaat uit twee bouwblokken. Direct achter het perceel van de Noorderhemweg 40 wordt een rij van drie levensloopbestendige woningen gerealiseerd. De overige vier levensloopbestendige woningen bevinden zich verder achter op het perceel. Tussen de woningen wordt een groene zone aangelegd. Daarnaast is aan de voorzijde van elke woning en aan de zijkant van de hoekwoningen ruimte voor een pergola. De noordelijk gelegen watergang blijft behouden. Daarnaast is er in de toekomst een nieuwe watergang ten westen van het plangebied beoogd die onderdeel uit gaat maken van de waterstructuur van Braassemerland. Deze watergang valt echter buiten het plangebied. De woningen zijn te bereiken door middel van een in-/uitrit die aansluit op de Noorderhemweg. Aan deze in-/uitrit worden 13 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: MW architectuur)

9

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het onderhavige initiatief draagt in algemene zin bij aan de als derde genoemde prioriteit. Maar gezien de aard en omvang van het project is de Nationale Omgevingsvisie niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

10

3.1.3 Ladder van duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gezien, ligt op ca. 12 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met het beoogde plan worden in totaal zeven levensloopbestendige woningen gerealiseerd, waardoor het plan niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet getoetst hoeft te worden aan ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.

het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).

De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2.

11

Planspecifiek Het plangebied bevindt zich in het 'beperkingengebied van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' (LIB). Het plangebied valt onder het gebied waar een maatgevende toetshoogte van 146 m NAP geldt. Binnen dit gebied zijn geen objecten hoger dan 146 m NAP toegestaan. Aangezien onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van zeven levensloopbestendige woningen met een beperkte bouwhoogte, is er geen sprake van een overschrijding van de gestelde toetshoogte. Geconcludeerd kan worden dat het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling veroorzaakt.

12

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• • • • • •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

2.

Ambities en sturing

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

13

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex. Binnen het veengebied zijn een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van zeven levensloopbestendige woningen. Tijdens de ontwikkeling dient er met zorg omgegaan te worden voor het behoud van het veen en de diepe veenpakketten. Gezien de schaalgrote van het project zal het veencomplex niet aangetast worden. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in de 'onverveende bovenlanden'. Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen. De bovenlanden kennen een kleinschalig en relatief besloten en groen karakter. Bebouwing en erfbeplanting bepalen het beeld net als menging van veel verschillende functies. De diversiteit en het multifunctionele karakter zijn kenmerken van de linten.

De ontwikkeling dient bij te dragen aan de contrasten tussen het bovenland en de aangrenzende droogmakerijen. De ontwikkeling heeft een kleinschalig karakter. Daarnaast worden de gronden rond het plangebied in de toekomst ook herontwikkeld tot woningbouw. De bovenlanden worden met de beoogde ontwikkeling niet aangetast. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Droogmakerij als herkenbare eenheid De droogmakerijen zijn overwegend in gebruik voor akkerbouw en veeteelt en hebben een open karakter met weinig bebouwing en beplanting. Bij ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met het respecteren en versterken van de samenhang tussen de onderdelen van het droogmakerijlandschap.

14

Daarnaast moeten dijken en vaarten behouden blijven. Nieuwe ontwikkelingen zijn passend binnen de maat en rationele opzet van de droogmakerij. Met de voorgenomen ontwikkeling worden deze kenmerken dan ook zoveel als mogelijk behouden. Zo wordt de noordelijk gelegen watergang gehandhaafd en wordt er een nieuwe watergang gegraven die hierop aansluit. Aangezien de gronden rond het plangebied bebouwd worden is het open karakter in de toekomst niet meer goed herkenbaar. Linten blijven linten Het plangebied ligt aan een veenlint. Deze linten hebben een gemengd karakter met wonen en werken. Hier en daar is een doorzicht naar het achtergelegen landschap. Op die plekken is het hoogteverschil ervaarbaar tussen veen en aangrenzende droogmakerijen. De bebouwing ligt op één niveau met de directe omgeving. Dit biedt ruimte voor differentiatie dan wel verbreding van het profiel. Bij ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor de historische gaafheid van een lint richtinggevend. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Deze zijn:

• • •

Doorzichten op het achterland; Bebouwing blijft op dezelfde hoogte; Grote verscheidenheid aan functies en inrichting kenmerken deze linten.

Met de ontwikkeling van de zeven levensloopbestendige woningen blijven de karakteristieken van het lint zoveel als mogelijk behouden. De bebouwing vervangt de kassen achter de woningen aan het lint. Geconcludeerd kan worden dat de ligging aan een veenlint geen belemmeringen met zich meebrengt voor de beoogde ontwikkeling. Werkgebieden met karakter Op het perceel is in de huidige situatie glastuinbouw aanwezig wat valt onder 'verspreid glas'. Met verspreid glas worden glascomplexen bedoeld die buiten de grootschalige glastuinbouwgebieden liggen. Deze incidenten vormen vaak een storende factor in de beleving van het gebied. Een efficiënte en duurzame inrichting is veelal niet mogelijk vanwege landschappelijke beperkingen. Ontwikkelingen zijn gericht op het saneren van de glascomplexen. Met de ontwikkeling worden de aanwezige kassen gesaneerd en worden nieuwe woningen gebouwd. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie om de kassen te saneren. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. Er vindt geen aantasting van de ruimtelijke kwaliteit plaats en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland, en in lijn is met de provinciale ambities.

15

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een perceel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Hoewel de ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied wordt voorzien, is de locatie niet groter dan 3 hectare waardoor Sub b niet van toepassing is. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.

16

Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

17

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woon Agenda 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.

Planspecifiek Het voorliggende plan heeft voornamelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 4 en 6. In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017-2022 behoefte aan 450 extra woningen en in de periode 20222030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. In totaal is er in de periode 2017-2030 een behoefte aan 940 woningen. Met de voorgenomen ontwikkeling worden in totaal zeven levensloopbestendige woningen gerealiseerd. Met het realiseren van woningen voor de doelgroep van 55-plussers wordt er bijgedragen aan de doorstroming op de woningmarkt. Daarnaast worden de woningen op een duurzame wijze ontwikkeld en voorzien van duurzame installaties. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan warmtepompen en zonnepanelen. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Regionale Woon Agenda 2017.

18

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:

• • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Kernen'. De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Voor het bouwen van nieuwe woningen ligt de voorkeur bij inbreiding. Echter betekend dit niet dat uitbreiding geen mogelijkheid is. Het opwekken van energie op een duurzame manier is een aandachtspunt van de gemeente, bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnepanelen op daken. Daarnaast is klimaatadaptatie een belangrijk thema binnen dit gebiedstype. Het toevoegen van verharding kan overlast veroorzaken bij extreem weer.

Er dient dan ook nagedacht te worden over de te nemen maatregelen. De kern Roelofarendsveen valt naast Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge onder 'centrum dorps'. In deze kernen is een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal aanwezig. De gemeente wil hier het voorzieningenniveau in stand houden en verder opwaarderen. Daarnaast moet er een passende woning voor iedereen beschikbaar zijn in een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving.

19

Met het voorliggende plan worden zeven levensloopbestendige woningen ontwikkeld op het perceel van de Noorderhemweg 40a. Het toevoegen van de woningen levert een bijdrage aan de woningmarkt binnen de kern Roelofarendsveen en de gemeente Kaag en Braassem. Aan de westzijde van het plangebied wordt een nieuwe watergang gegraven, waardoor er meer water geborgen kan worden. Het plan sluit dan ook goed aan op het thema klimaatadaptatie. In de Omgevingsvisie Kaag en Braassem zijn ten aanzien van nieuwbouwprojecten eisen gesteld ten aanzien van het aandeel sociale woningbouw. Bij nieuwbouwprojecten geldt een norm van minimaal 30% sociale woningbouw, waarvan 25% huur en 5% koop. Voor woningbouwplannen van maximaal 11 woningen kan gebruik worden gemaakt van een afkoopregeling. Hierbij wordt per niet gerealiseerde sociale woning een financiële bijdrage gevraagd ten behoeve van het fonds Sociale Woningbouw. Het bouwplan voorziet niet in sociale huurwoningen. In lijn met de afkoopregeling zijn met de gemeente nadere afspraken gemaakt. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.

3.4.2 Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 is de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘Nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Planspecifiek De volgende afbeelding toont de kaart van de kern Roelofarendsveen uit de Nota Inbreidingslocaties.

20

Kaart Roelofarendsveen (bron: Nota Inbreidingslocaties)

Zoals op voorgaande afbeelding is te zien ligt het plangebied in een ontwikkelingsgebied (Braassemerland). Het plangebied ligt op een perceel achter het lint de Noorderhemweg. Hier is de bebouwingsdichtheid laag en het landschap en de glastuinbouw voeren de boventoon. In de linten komen vrijwel alleen vrijstaande woningen voor. Deze woningen staan op grote kavels die weer afgewisseld worden met watergangen, open weides en glastuinbouw. Terpachtige constructies zoals in een aantal gevallen toegepast in deze linten zijn niet wenselijk. Het bestaande maaiveld dient gehandhaafd te worden. Naast watergangen komen ook grotere waterplassen voor in het gebied. Deze waterplassen zijn het resultaat van het afgraven van grond ten behoeve van het ophogen van de nog bestaande percelen. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier zoveel als mogelijk op aan, maar sluit tevens aan op de ontwikkeling van Braassemerland. Het initiatief past binnen de doelstellingen van de Nota inbreidingslocaties. 3.4.3 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden.

Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart.

21

Planspecifiek Onderstaande afbeelding toont een van de welstandskaarten van de gemeente Kaag en Braassem met het plangebied zwart omcirkeld.

Welstandskaart gemeente Kaag en Braassem, plangebied zwart omcirkeld

Het plangebied bevindt zich in welstandsluw gebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht en er zijn geen gemeentelijke- of rijksmonumenten aanwezig. Vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid worden voor de beoogde ontwikkeling geen nadere voorwaarden gesteld.

22

4 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk zal, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling past binnen de uitwerkingsregels van het globale bestemmingsplan en past binnen de geldende milieuwetgeving. Hiermee wordt aangetoond dat onderhavig project uitgaat van een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Met de voorliggende ontwikkeling worden een zeer beperkt aantal van 7 woningen gerealiseerd. Daarnaast beschikken de gronden van het plangebied in de huidige situatie al over een uit te werken woonbestemming. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Het besluit m.e.r. is niet van toepassing voor het voorliggende project. Er geldt geen m.e.r.(beoordelings)plicht en er hoeft geen (vormvrij) m.e.r-berdelingsbesluit genomen te worden.

23

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De gronden van het plangebied werden voorheen gebruikt voor agrarische (glastuinbouw)activiteiten. Met de beoogde functiewijziging naar wonen vindt er een wijziging naar een strenger bodemgebruik plaats. Derhalve is voor de planlocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 15 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn de volgende conclusies naar voren gekomen.

• • • •

De teeltlaag op de locatie is licht verontreinigd met diverse organochloorbestrijdingsmiddelen OCB). In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 101) zijn lichte verontreinigingen met nikkel, molybdeen, barium en xylenen aangetoond.

Licht verhoogde concentraties aan zware metalen in het grondwater worden vaker aangetroffen in tuinbouwgebieden. Als gevolg van een verstoring van het bodemevenwicht door het gebruik van meststoffen kunnen stoffen uit de meststoffen, zoals bijvoorbeeld calcium, andere stoffen verdringen van bodemdeeltjes, waardoor die in het grondwater in verhoogde mate worden teruggevonden. Met name nikkel is daar erg gevoelig voor. De licht verhoogde concentratie met xylenen in het grondwater kan in verband staan met de verontreiniging met olieproducten in de slootdemping. De concentratie is echter dusdanig laag dat dit naar onze mening geen belemmering vormt de plannen op de locatie. De aangetoonde verhoogde gehalten aan OCB en zware metalen in de grond en zware metalen en xylenen in het grondwater zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Voor het zuidelijke gedeelte van de planlocatie, ter plaatse van de slootdemping en asfaltverharding, dient een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Dit gedeelte van de planlocatie wordt onderzocht en wanneer nodig gesaneerd na het verwijderen van de asfaltlaag.

Gelet op de omvang van het nog te onderzoeken gedeelte van de planlocatie en het feit dat de het overige gedeelte van de planlocatie geschikt is voor het beoogde gebruik, kan gesteld worden dat het plan financieel haalbaar is. Om ook in het ruimtelijke spoor te kunnen borgen dat nader onderzoek plaatsvindt is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

24

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarde is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan de Noorderhemweg. Andere wegen bevinden zich op enige afstand van het plangebied of er geldt een snelheidsregime van 30 km/u.

In het gemeentelijke Verkeerstructuurplan wordt uitgegaan van de invoering van een 30 km/uur regime voor de Noorderhemweg. Vanuit dit regime geldt voor deze weg geen onderzoeksverplichting op basis van de Wet Geluidhinder. Uitgaande van het nieuwe snelheidsregime is nader onderzoek dus niet noodzakelijk. Desalniettemin dient er sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. De Noorderhemweg betreft een doodlopende weg. De weg leidt naar de jachthaven Noorderhem. Enkel in het hoogseizoen, met name in de weekenden, zal er sprake zijn van een verhoogd aantal motorvoertuigbewegingen. De verwachting is dat het aantal motorvoertuigbewegingen over de Noorderhemweg per etmaal de 1.000 niet zal overschrijden. Daarmee is vanuit jurisprudentie gebleken dat gesproken kan worden over een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor het voorliggende initiatief.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

25

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Het voorliggende initiatief is een kleinschalige ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a.

ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 17 µg/m³, 9 µg/m³ en 15 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

26

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' is bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstand. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint Noorderhemweg en wordt, gezien de huidige mix van functies (glastuinbouw en wonen), aangemerkt als een gemengd gebied. Hierdoor worden de richtafstanden, met uitzondering van gevaar, met één afstandstap verminderd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse glastuinbouwbedrijven. Glastuinbouwbedrijven beschikken over de milieucategorie 2 met een richtafstand in een gemengd gebied an 10 m. De kassen ten westen van het plangebied worden met de ontwikkeling gesloopt. Daarnaast zijn er kassen aanwezig ten oosten van de Noorderhemweg. Deze kassen bevinden zich op een afstand van ca. 70 m van het plangebied. Daarmee wordt er ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand van 10 m in een gemengd gebied. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare

27

objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=58ef10ec-efad-4eba-8244-ca6ca993c5b8