20211026_t_NL.IMRO.1884.BPWESTMEERLAAN-ONT1
Tekst van het document
bestemmingsplan
Westmeerlaan 19 tot en met 25 Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPWESTMEERLAAN-ONT1
Datum:
26 oktober 2021
Contactpersoon Buro SRO:
L. Toppen
Kenmerk Buro SRO:
SR200253
Opdrachtgever:
mevr. A.C.M. van Berkel / CPO Westmeerlaan
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleid ..................................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 16 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 22 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 22 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 23 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 25 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Luchthavenindelingbesluit ................................................................................................................................
31 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 31 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 32 4.10 Cultureel erfgoed ............................................................................................................................................ 35 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 37
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 39 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 39 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 39 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 39 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 40
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 41 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 42 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 42 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 42 7.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 42 7.4 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 42
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding CPO Westmeerlaan is voornemens aan de Westmeerlaan in Roelofarendsveen 4 vrijstaande woningen te realiseren. In het kader van het bestemmingsplan Roelofarendsveen-Zuid zijn op deze braakliggende locatie 3 vrijstaande woningen mogelijk. Aan dit bouwrecht is nog geen invulling gegeven. De ontwikkeling is overgenomen van de voormalige eigenaar door de CPO Westmeerlaan. Deze CPO bestaat uit vier gezinnen afkomstig uit Roelofarendsveen die op locatie hun droomhuis willen verwezenlijken. Door de programatische toevoeging van één woning wordt het voorgenomen plan in financieel opzicht bereikbaar voor de initiatiefnemers. Daarnaast kan met de toevoeging van deze extra woning ook financieel invulling gegeven worden aan de inrichting van de openbare ruimte. Het plan voorziet in de aanleg van 12 openbare parkeerplaatsen, een speeltuin en een extra waterpartij. Met de extra parkeerplaatsen wordt de parkeerdruk aan het Zuideinde verlaagd en ontstaat er een betere verkeersveiligheid. De beoogde speeltuin en het extra water verbetert het woon- en leefklimaat aan het Zuideinde.
5
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan bestaat uit het perceel achter de percelen horende bij de woningen aan het Zuideinde 85 t/m 89, ten zuiden van de kern Roelofarendsveen. Roelofarendsveen maakt onderdeel uit van de gemeente Kaag en Braassem. Het plangebied wordt aan twee zijden omgeven door watergangen en aan de noordzijde ontsloten op de Westmeerlaan. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Zuidkade aan het Braassemermeer. Het plangebied is kadastraal bekend onder perceelnummer 2778, sectie K met een oppervlakte van ca. 2.480 m². Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied, rood omcirkeld (bron: maps.google.nl)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Roelofarendsveen Zuid'. Dit bestemmingsplan is op 3 juli 2017 gewijzigd vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan, globale begrenzing plangebied: rode omkadering (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen 'Wonen', 'Verkeer', 'Tuin' en 'Groen'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, waarbij hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd. Binnen de plangrens zijn 3 bouwvlakken gelegen, waarbij de afzonderlijke bouwvlakken zijn voorzien van de aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden: 1' en 'vrijstaand'. De realisatie van 4 vrijstaande woningen is in strijd met het geldende bestemmingsplan doordat wordt afgeweken van het aantal toegestane woningen. Tevens zijn de beoogde woningen deels binnen de verkeer- en groenbestemming gelegen, waarbinnen wonen niet is toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. De juridische planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern van Roelofarendsveen aan de Westmeerlaan. Het plangebied bevindt zich achter de woningen aan het Zuideinde 85 t/m 89. Kenmerkend voor het Zuideinde is dat het door een niet-afgegraven veengebied loopt. Het lint en het achterliggende landschap liggen dan ook een stuk hoger dan het omliggende land. Het kleinschalige karakter is typerend voor de bebouwing aan het Zuideinde en directe omgeving. De bebouwing bestaat met name uit twee-onder-éénkapwoningen en vrijstaande woningen met één of twee bouwlagen en een kap, waarbij zowel langs- als dwarskappen voorkomen. Aan de Westmeerlaan zijn tevens rijwoningen gelegen. De navolgende afbeelding toont het aanzicht vanaf het Zuideinde in de richting van de Westmeerlaan.
Impressie Westmeerlaan vanaf het Zuideinde bron: Google Streetview)
Het plangebied betreft een braakliggend terrein en is in de huidige situatie te bereiken via de Westmeerlaan.
8
2.2 Toekomstige situatie CPO Westmeerlaan is voornemens het braakliggend terrein achter de woningen aan het Zuideinde 85 t/m 89 te herontwikkelen. Het voorgenomen plan betreft de realisatie van 4 vrijstaande woningen en de inrichting van het openbaar gebied ten behoeve van 12 openbare parkeerplaatsen, een speeltuin en een waterpartij. De volgende afbeelding toont de situatietekening van het beoogde plan.
Situatietekening beoogde plan (bron: 2BIM bouwkundig advies- en tekenbureau)
Inrichting Binnen de plangrens zijn vier kavels gelegen met een wisselende omvang van ca. 325 m² tot 422 m². Op elke kavel zal een vrijstaande woning worden gerealiseerd bestaande uit twee bouwlagen met kap, verder zal het mogelijk zijn een bijgebouw te realiseren. De kavels zijn georiënteerd aan de Zuidkade en het Braassememeer. Achter de bestaande woningen aan het Zuideinde 85 t/m 89 zal een openbare groenvoorziening van ca. 320 m² worden gerealiseerd met speeltuintje en een waterpartij van ca. 280 m². De beoogde speeltuin en waterpartij verbetert het woon- en leefklimaat aan het Zuideinde. De waterpartij levert tevens een bijdrage aan de benodigde watercompensatie. Dit deel van het plangebied zal overgedragen worden aan de gemeente Kaag en Braasem. In de anterieure overeenkomst zijn hierover nadere afspraken gemaakt. Verkeer en parkeren De woningen zullen via een toegangsweg worden ontsloten op de Westmeerlaan. In totaal voorziet de beoogde ontwikkeling in de realisatie van 20 parkeerplaatsen, waarvan 12 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd om de parkeerdruk aan het Zuideinde te verlagen. Per woning zullen er 2 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Door een verlaging van de parkeerdruk aan het Zuideinde ontstaat er een betere verkeersveiligheid. Het plan ziet op een beperkte verdichting.
In de huidige situatie waren 3 woningen toegestaan. In de nieuwe situatie worden 4 woningen gerealiseerd op kleinere kavels. Met deze verdichting en kleinere kavels is het plan uitvoerbaar gebleken voor de CPO Westmeerlaan. Het plan sluit daarmee aan op een tendens die in het MRSV is geconstateerd. De woonwensen van mensen worden steeds diverser. Ook willen mensen steeds meer invloed kunnen uitoefenen op het realiseren van hun eigen woonwensen. Daarmee heeft de gemeente Kaag en Braassem het doel meer diversiteit in woonmilieus te creëren en te
9
zorgen voor een divers aanbod van woningen die passen bij de wensen van de bewoners van nu en in de toekomst. Dit wil de gemeente bereiken door o.a. bij grote nieuwbouwplannen minimaal 10% van het bouwprogramma als zelfbouwkavel te verkopen. Hoewel dit geen groot nieuwbouwplan is wordt wel aan de ambitie voldaan. In casu betreft het 100% zelfbouw.
10
3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Geen van de vier NOVI-prioriteiten is van toepassing op het plangebied. Het plan staat het gestelde in de NOVI niet in de weg. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
11
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van vier vrijstaande woningen, waarvan conform het geldende planologisch regime reeds 3 woningen zijn toegestaan. Planologisch gezien betreft de ontwikkeling derhalve de toevoeging van één woning. De realisatie van één vrijstaande woning betreft geen stedelijke ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
12
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, die deel uit maken van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mitsbeleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5.
6.
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Planspecifiek De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Onderstaand wordt de beleidskeuze nader toegelicht. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart. Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleggen mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.
Onderstaand zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. - Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van vier vrijstaande woningen. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling.
13
- Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in de onverveende bovenlanden. Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen. Als het ware een herinnering aan het oude veenlandschap te midden van het nieuwere landschap. De bovenlanden kennen een kleinschalig en relatief besloten en groen karakter. Bebouwing en erfbeplanting bepalen het beeld net als menging van veel verschillende functies. Verder is het plangebied deels gelegen binnen de lintbebouwing aan het Zuideinde. Hiervoor geldt dat 'Linten' blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Met het voorgenomen plan wordt aangesloten op de bebouwing in de omgeving. - Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen de stads- en dorpsrand. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied.
De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden: het front, het contact en de overlap. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de genoemde beleidskeuze. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, derhalve hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.
14
Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
15
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: a. b. c. d. e. f. g.
Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Voorliggend ruimtelijk plan is gerelateerd aan de punten a, c en d en past binnen deze kernbeslissingen. Met de ontwikkeling wordt een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit van het woningaanbod in het gebied. Op het perceel achter de woningen aan het Zuideinde 85 t/m 89 wordt namelijk een braakliggend terrein herontwikkeld ten behoeve van 4 vrijstaande woningen. De planologisch toevoeging van één woning is passend binnen de afspraken met Holland Rijnland om op geringe schaal binnen de kernen woningbouw mogelijk te maken. Verder wordt rekening gehouden met de toevoeging van ruimtelijke kwaliteit in de vorm van 12 parkeerplaatsen in het openbaar gebied, een speelvoorziening en een waterpartij. Door de toevoeging van 12 parkeerplaatsen wordt de verkeersveiligheid aan het Zuideinde verbeterd, verder zal de groenvoorziening met speeltuin zorgdragen voor een verbetering van het woonen leefklimaat aan het Zuideinde.
16
3.3.2 Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisering van een woning en twee verblijfsrecreatieve onderkomens mogelijk. Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op:
• •
keuze 2: het betreft hier een inbreidingsmogelijkheid, waarmee de druk op het landschap afneemt. keuze 4: het initiatief komt tegemoet aan de vraag vanuit Roelofarendsveen. Dat houdt ook in dat het plan mogelijkheden biedt voor doorstroming.
•
keuze 5: het gaat om de realisatie van vier vrijstaande woningen, wat een prima aanvulling vormt op het huidige woningaanbod.
In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017 - 2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022 - 2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. De totale behoefte van extra 940 woningen in de periode 2017 - 2030 is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps'. Het voorliggende initiatief betreft een 'dorps' woonmilieu, aan een lint in Roelofarendsveen. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften in de gemeente Kaag en Braassem. Meer specifiek geldt dat dit plan in CPO verband gerealiseerd wordt. Daarmee wordt gebouwd voor een specifieke woonwens. Zoals ook in paragraaf 2.2 is beschreven is dit in lijn met de ambities die door de gemeenteraad in het kader van het MRSV is uitgesproken.
17
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025 (MRSV) De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025. Op 18 december 2017 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV 2017) vastgesteld. Per thema is de voorgaande visie aangepast op het meest actuele beleid. Ook de dorpsperspectieven zijn, op basis van bijeenkomsten in de dorpen, opnieuw in uitgebreidere vorm opgesteld. De geactualiseerde MRSV gaat uit van een horizon van acht jaar; de toekomstige ontwikkelingen tot 2025. De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis. De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd.
Ook het hoogheemraadschap van Rijnland staat de komende jaren voor enkele grote opgaven, met name op het gebied van waterberging, waarbij zij nauw samenwerkt met de gemeente. De gemeente maakt in de MRSV vier strategische keuzes: 1. 2. 3.
4.
delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert. wonen in alle kernen; aandacht voor de samenstelling van de woningmarkt door diverse veranderingen, met oog voor de eigen kracht en karakter van elke kern. ruimtelijke kwaliteit belangrijk, maar staat niet altijd voorop; sturing op een goede ruimtelijke ordening met aandacht voor kwetsbare gebieden, duurzaamheid en een goede afweging per potentiële ruimtelijke ontwikkeling. ontwikkelen door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving.
De strategische keuzes zijn geen pasklare antwoorden op vraagstukken, maar geven richting bij het zoeken naar passende oplossingen. Deze strategische keuzes werken door in de structuurvisie en de beleidskaders. Planspecifiek Voorliggend initiatief is aan te merken als kleinschalige herstructurering, hetgeen geheel in lijn is met de strategische keuzes. Het plan ziet op een beperkte verdichting. In de huidige situatie waren 3 woningen toegestaan. In de nieuwe situatie worden 4 woningen gerealiseerd op kleinere kavels. Met deze verdichting en kleinere kavels is het plan uitvoerbaar gebleken voor de CPO Westmeerlaan. Het plan sluit daarmee aan op een tendens die in het MRSV is geconstateerd. De woonwensen van mensen worden steeds diverser. Ook willen mensen steeds meer invloed kunnen uitoefenen op het realiseren van hun eigen woonwensen. Daarmee heeft de gemeente Kaag en Braassem het doel meer diversiteit in woonmilieus te creëren en te zorgen voor een divers aanbod van woningen die passen bij de wensen van de bewoners van nu en in de toekomst. Dit wil de gemeente bereiken door o.a. bij grote nieuwbouwplannen minimaal 10% van het bouwprogramma als zelfbouwkavel te verkopen. Hoewel dit geen groot nieuwbouwplan is wordt wel aan de ambitie voldaan. In casu betreft het 100% zelfbouw. . Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de MRSV.
18
3.4.2 Nota inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 is de Nota inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘Nota inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien.
Dit betekent uiteraard niet dat alle onbebouwde of in onbruik geraakte ruimte binnen de kernen moet worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe woningen, winkels en bedrijfsruimten. Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. Het uiteindelijke doel van de Nota inbreidingslocaties is om de behandeling van inbreidingsinitiatieven op een transparante manier te laten verlopen en om de initiatieven uiteindelijk te laten leiden tot een duurzame ruimtelijke/functionele ontwikkeling van de locatie zelf en het dorp als geheel. Planspecifiek In de Nota inbreidingslocaties wordt per kern een beschrijving gegeven. Deze beschrijvingen dienen als basis voor de ruimtelijke beoordeling van inbreidingsverzoeken. Het plangebied ligt in de kern Roelofarendsveen. Binnen deze kern is het plangebied aangewezen als een ontwikkelingsgebied achter de lintbebouwing Noordeinde - Zuideinde.
Bij ontwikkelingen achter het lint is het de intentie om het bestaande karakter van het Noord-/Zuideinde zoveel mogelijk in tact te laten en zodoende als historische/landelijke structuur ervaarbaar te houden binnen Braassemerland. Door de ligging van het plangebied aan de achterzijde van de lintbebouwing heeft de ontwikkeling geen invloed op het beeld van het lint. 3.4.3 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig.
Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart.
19
Planspecifiek De volgende afbeelding toont een uitsnede van de welstandskaart.
Uitsnede welstandskaart (globale plangebied: zwarte omkadering)
Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld. 3.4.4 Duurzaamheidsagenda 2016-2020 In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal. Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met andere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem. Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem.
Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie. Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven.
20
Planspecifiek In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 wordt gestuurd op 'energiebewust gedrag' bij zowel grote als kleinschalige ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier vrijstaande woningen op een braakliggend terrein aan de Westmeerlaan. Energieprestatie - EPC Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 Energieprestatie van gebouwen (EPG). Deze norm geldt voor zowel nieuwbouw van woningen als utiliteitsbouw. Per 1 januari 2015 is de EPC-eis aan de energieprestatie van gebouwen aangescherpt en aangepast in het Bouwbesluit. Voor woningen geldt een EPC-eis van 0,4. De gemeente Kaag en Braassem streeft naar duurzame ontwikkelingen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij dit streven. Qua duurzaamheid zal het plan voldoen aan de geldende normen en worden de beoogde woningen gasloos uitgevoerd.
21
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het voorgenomen initiatief valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare of meer. Omdat met de ontwikkeling slechts sprake is van de planologische toevoeging van één vrijstaande woning is het Besluit MER hier niet van toepassing. Er hoeft geen (vormvrij) m.e.r. beoordelingsbesluit te worden genomen.
22
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in een bestemmingswijziging waarbij voor de nieuwe bestemming een strenger bodemregime van toepassing is. Om deze reden is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in februari 2015. Het onderzoeksrapport is als bijlage opgenomen. Door de ODWH is in haar advies van 14 januari 2021 aangegeven dat het uitgevoerde bodemonderzoek voldoet aan de NEN5740, maar wel verouderd is. Het onderzoek voldoet als historische informatie en is daarmee bruikbaar voor dit bestemmingsplan.
Bij de nog in te dienen aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen dient een recent onderzoek te worden aangeleverd. Omdat de termijn van 5 jaar nauwelijks is overschreden kan worden volstaan met het actualiseren van het historische onderzoek volgens de NEN5725. Indien blijkt dat na 2015 bodembedreigende activiteiten op de locatie hebben plaatsgevonden, dan is een compleet bodemonderzoek volgens de NEN5740 nodig. Door Econsultancy is in maart 2021 een nieuw vooronderzoek uitgevoerd. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, de terreininspectie is door Econsultancy gesteld dat r geen wezenlijke veranderingen hebben plaatsgevonden sinds het uitvoeren van voorgaand verkennend bodemonderzoek door Econsultancy (rapportnummer: 14124112, d.d. 5 maart 2015). Destijds werd er geconcludeerd dat er geen aanleiding bestond voor een nader onderzoek en er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede de bestemmingsplanwijziging bestaat. Onderzoeksresultaten 2015 Op basis van het vooronderzoek uit 2015 is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
In verband met de aanwezigheid van een gedempte sloot worden hier een aantal boringen geplaatst en wordt het opgeboorde materiaal zintuiglijk beoordeeld op bodemvreemd dempingsmateriaal. Vooralsnog is aangenomen dat er geen bodemvreemd dempingsmateriaal is toegepast. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk zandig veen. Plaatselijk zijn in de ondergrond resten hout aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn, zowel ter plaatse van de voormalige sloot als elders op de locatie, zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. De bovengrond op het westelijk terreindeel is licht verontreinigd met kwik. De bovengrond op het oostelijk terreindeel is licht verontreinigd met kobalt, kwik, lood en zink. Voor kobalt wordt tevens de regionale achtergrondwaarde overschreden. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood en zink. De regionale achtergrondwaarden worden voor deze parameters niet overschreden. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreiniging is waarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de
23
bodem géén belemmeringen bestemmingsplanwijziging.
voor
nieuwbouw
op
de
onderzoekslocatie,
alsmede
de
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Omdat het onderzoek al ouder is en ten tijde van de start bouw het onderzoek zeker ouder is dan 5 jaar zal bij de vergunningaanvraag op basis van dit bestemmingsplan nog wel een nieuw bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Omdat de termijn van 5 jaar beperkt is overschreden kan worden volstaan met het actualiseren van het historische onderzoek volgens de NEN5725. Indien blijkt dat na 2015 bodembedreigende activiteiten op de locatie hebben plaatsgevonden, dan is een compleet bodemonderzoek volgens de NEN5740 nodig.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Wonen wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een gevoelige bestemming.
Derhalve is gekeken of het plangebied binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg valt. Het plangebied ligt nabij het Zuideinde. Volgens de Wet geluidhinder bedraagt de onderzoekszone van deze weg 200 meter. De afstand tussen de woningen en het Zuideinde is ongeveer 40 meter. Het plangebied valt daarmee binnen de onderzoekszone van het Zuideinde. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen andere (spoor)wegen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is noodzakelijk.
24
Door Econsultancy is in maart 2015 een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting op de gevels van de 3 geprojecteerde woningen ten gevolge van het wegverkeer op het Zuideinde. Het onderzoeksrapport is als bijlage opgenomen. Op basis van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: De locatie bevindt zich binnen het akoestische aandachtsgebied van het Zuideinde. Het Zuideinde is in een binnenstedelijk gebied gelegen. De weg heeft maximaal twee rijstroken. De onderzoekszone bedraagt 200 meter. Binnen de zone dient de hoogst toelaatbare geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg in acht te worden genomen (Wgh, art. 76). De bestemming is eveneens in een binnenstedelijk gebied gelegen. Voor geluidgevoelige bestemmingen bedraagt de wettelijke voorkeursgrenswaarde (de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting) 48 dB (Wgh, art. 82 lid 1). Indien de geluidsbelasting op de gevels van de te bouwen woningen uitkomt boven de 48 dB, kan er op bepaalde gronden ontheffing van de wettelijke voorkeursgrenswaarde verkregen worden tot 63 dB . De verkeersgegevens van het Zuideinde zijn verstrekt door de gemeente Kaag en Braassem en zijn gebaseerd op het regionale verkeersmodel, RVMK regio Holland Rijnland, met een hoog economische groei. De verkeersgegevens hebben betrekking op het jaar 2020. Voor de autonome groei is uitgegaan van 1% per jaar.
De berekeningen zijn verricht aan de hand van de Standaard reken- en meetvoorschrift, geluid, 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2.60. Uit de berekeningen van het Zuideinde blijkt dat de wettelijke voorkeursgrenswaarde (48 dB) niet wordt overschreden. Geconcludeerd kan worden dat er voor het aspect wegverkeerslawaai geen belemmeringen zijn.
4.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
25
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de planologische toevoeging van één vrijstaande woning. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Roelofarendsveen Zuid' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. In de navolgende tabel is hiervan een overzicht weergegeven. De VNG-publicatie stelt dat een gebied aangewezen kan worden als gemengd gebied indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Gezien de verschillende aangrenzende bestemmingen als 'Wonen', 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Recreatie' en 'Bedrijf' wordt de omgeving als een gemengd gebied bestempeld. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Activiteit
Caravanstalling Groothandel bouwmaterialen Glastuinbouw
in
SBI-code
Adres
Milieucategorie (maximaal toegestaan)
Richtafstand gemengd gebied
4673-2
Zuideinde 90 Zuideinde 100
2 2
10 m 10 m
Minimale afstand tot het plangebied 85 m 115 m
011, 013
Zuideinde 91a
2
10 m
7m
012,
Voor de locatie Zuideinde 91a wordt niet voldaan aan de aan te houden richtafstanden. In de kassen vindt de kweek van bloembollen plaats. Tussen de kassen en de beoogde woningbouw is een watergang gelegen. Deze watergang bllijft behouden. Ontsluiting van het bedrijf vindt niet plaats aan de zijde van de woningen. Overlast als gevolg van laden en lossen kan daarmee op voorhand worden uitgesloten. Waarbij opgemerkt moet worden dat het lader en lossen overwegend plaatsvindt tussen 7:00 en 23:00 en daarmee in het kader van het Activiteitenbesluit buiten beschouwing gelaten kan worden. Daarmee zijn de nieuwe woningen ook geen belemmering voor dit aspect van de bedrijfsvoering. De kassen zijn, aan de zijde van de woningen, gesloten. Emissie van geur of de verspreiding van nevel van bestrijdingsmidddelen is daarmee beperkt danwel nihil. Gezien de ligging langs een watergang mogen op basis van de keur er ook bestrijdingsmiddelen in het oppervlakte water komen. Aan de zijde van het bedrijf zijn de gevelopeningen in de woning beperkt tot drie relatief kleine ramen. De effecten van de naastgelegen bedrijfsvoering zijn daarmee in de woning niet of nauwelijks waarneembaar. De tuin direct langs de woning is in maatvoering beperkt. Daarmee is de invloed van het bedrijf op het woon- en leefklimaat beperkt. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.