CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210712 t_NL.IMRO.1884.BPHERENWEG23-VAS1

Gemeenteraad 12 juli 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan Herenweg 23 Rijnsaterwoude14.581 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Herenweg 23, Rijnsaterwoude Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPHERENWEG23-VAS1

Datum:

2021-07-12

Contactpersoon Buro SRO:

L. Toppen | H.J.M. van Arendonk

Kenmerk Buro SRO:

SR200119

Opdrachtgever:

Dhr. E.J. van Eden

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 8

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 15 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 20 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 21 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 24 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

27 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 28 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 31 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 32

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 34 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 34 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 34 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 34 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 34 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 35

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 36 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 37 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 37 7.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 38 7.4 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 38

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het voorgenomen plan betreft een ontwikkeling op de locatie Herenweg 23 in Rijnsaterwoude. Op dit moment bevindt zich hier een vrijstaande woning met enkele bijgebouwen. Het voornemen is om bijgebouwen te verwijderen om ter plaatse een levensloopbestendige woning te realiseren. Hiertoe wordt het perceel in de lengte gesplitst in twee percelen. Dit initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' (vastgesteld op 28 mei 2018). Het voorgenomen plan is door middel van een principeverzoek reeds beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kaag en Braassem, waarbij in beginsel positief is gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling mits wordt voldaan aan enkele voorwaarden. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat de realisatie van onderhavig initiatief mogelijk maakt. Hierbij wordt voldaan aan de voorwaarden van de gemeente Kaag en Braassem.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen op het perceel aan de Herenweg 23 in het buitengebied van Rijnsaterwoude. De kern Rijnsaterwoude, onderdeel van de gemeente Kaag en Braassem, is ten zuiden van het plangebied gelegen. Het plangebied is kadastraal bekend onder perceelnummer 2601, sectie A. Het voorgenomen plan betreft de splitsing van het perceel in twee gelijke percelen van ca. 300 m² en de realisatie van een levensloopbestendige woning op het afgesplitste perceel. Het plangebied is afgebakend langs het toekomstige perceel waarop de levensloopbestendige woning wordt gerealiseerd. Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

4

Globale begrenzing plangebied, rood gemarkeerd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Dit bestemmingsplan is op 28 mei 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan, globale begrenzing plangebied: rode omkadering (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen'. Verder zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waterstaat - Waterkering' van kracht. Deze gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld voor wonen, in samenhang met de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Het gehele bestemmingsvlak is voorzien van een bouwvlak. In de regels is geregeld dat het bouwvlak voor ten hoogtse 50% bebouwd mag worden en dat een maximale inhoudsmaat van 750 m³ geldt. Verder mag de goot- en bouwhoogte van de woningen niet meer bedragen dan resp. 6 en 10 meter. Middels de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is geregeld dat er in totaal maximaal 4 woningen zijn toegestaan; dat betreft vier bestaande woningen. Doordat met het voorgenomen plan wordt afgeweken van het maximum aantal wooneenheden, past het initiatief niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door op het afgespliste perceel binnen de bestemming 'Wonen' een extra woning mogelijk te maken. .

5

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. De juridische planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen ten noorden van de kern van Rijnsaterwoude en maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Herenweg. Het plangebied wordt voornamelijk omgeven door woningen en enkele agrarische bedrijven. De bebouwing in de directe omgeving van het plangebied bestaat uit vrijstaande woningen met één of twee bouwlagen met een kap, een twee-onder-een-kapwoning in één laag met kap en een bedrijfsloods in één bouwlaag. Deze bebouwing bevindt zich op het niveau van de dijk, met uitzondering van de woningen Herenstraat 25-27, die zich aan de voet van de dijk bevinden. Schuin achter het onderhavige perceel bevindt zich een agrarisch bouwperceel. Verder is ten westen van het plangebied een open weidegebied aanwezig, met verderop het Braassemermeer. Aan de oostzijde bevindt zich parallel aan de Herenweg een watergang. Daar achter is sprake van een open weidegebied, met incidentele bebouwing aan de weg. Onderstaande afbeelding toont een impressie van de huidige situatie.

Impressie huidige situatie aan de Herenweg 23 in RIjnsaterwoude (bron: Google Streetview)

Het plangebied is afgebakend langs de grens van het toekomstige afgesplitste perceel. In de huidige situatie maakt het plangebied onderdeel uit van het perceel aan de Herenweg 23. Aan de Herenweg 23, op het niveau van de dijk, is op dit moment de vrijstaande woning Herenweg 23 gelegen met daarachter, onderaan de dijk, een vrijstaand bijgebouw van ca. 120 m². Verder zijn enkele kleinere opstallen aanwezig binnen de plangrens. Aan de voorzijde van het perceel, aan de Herenweg is een parkeerterrein ten behoeve van 3 parkeerplaatsen gesitueerd met rondom een heg van ca. 1,5 m. Onderstaande afbeelding toont een globale situatietekening van de huidige situatie.

Huidige situatietekening Herenweg 23 in Rijnsaterwoude; het zuidelijke deel is het plangebied.

7

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens het perceel aan de Herenweg 23 in Rijnsaterwoude te splitsen in twee gelijke percelen van 300 m². Op het noordelijke perceel zal de bestaande woning behouden blijven; die woning past binnen het geldende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het zuidelijke perceelsgedeelte waar een nieuwe, levensloopbestendige woning wordt beoogd. Om dit mogelijk te maken zullen bestaande bijgebouwen gesloopt worden. Onderstaande afbeelding toont een situatietekening van de toekomstige situatie.

Beoogde situatietekening Herenweg 23 in Rijnsaterwoude (bron: Lafour Architecten)

De beoogde levensloopbestendige woning zal bestaan uit één bouwlaag met een plat dak en een oppervlakte van ca. 110 m². De woning zal op de achterzijde van het perceel worden gerealiseerd, aan de voet van de dijk. De woning is georiënteerd op de eigen tuin en kijkt aan de achterzijde uit over de weilanden. Aan de voorzijde van de woning zal worden voorzien in een aangebouwde berging van ca. 12 m². De woning is op de zijdelingse perceelsgrenzen gesitueerd en heeft aan die zijden uiteraard geen ramen. Grenzend aan de Herenweg, zijn de benodigde parkeerplaatsen gelegen. Doordat het plangebied aan een dijk is gelegen, is de voorzijde van het perceel hoger gelegen dan de achterzijde van het perceel. De beoogde levensloopbestendige woning is op het lage niveau, op de achterzijde van het perceel, gesitueerd waardoor het zicht op de achtergelegen weilanden vanaf de Herenweg behouden blijft. Verder zal de bestaande heg rondom de parkeerplaatsen van ca. 1,5 m behouden blijven.

8

Onderstaande afbeelding toont een impressie van de toekomstige situatie.

Impressie beoogde situatie (bron: Lafour Architecten)

Verkeer en parkeren Zowel de bestaande woning aan de Herenweg 23 als de toekomstige levensloopbestendige woning op het afgesplitste perceel zullen gebruik maken van de bestaande ontsluiting op de Herenweg. Parkeren vindt geheel op eigen terrein plaats, waarbij voldaan zal worden aan de parkeernormen van de gemeente Kaag en Braassem. In totaal zullen er vijf parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Twee parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het perceel van de bestaande woning aan de Herenweg 23. Drie parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het perceel van de toekomstige levensloopbestendige woning. In de toelichting paragraaf 4.10 wordt daar nader op ingegaan.

9

2.2.1 Voorwaarden gemeente Kaag en Braassem Ten behoeve van de ontwikkeling op het perceel aan de Herenweg 23 in Rijnsaterwoude is op 9 december 2019 een principeverzoek ingediend bij de gemeente Kaag en Braassem. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kaag en Braassem hebben het principeverzoek beoordeeld (kenmerk 21162, ongedateerd). Het college vindt het splitsen en realiseren van een levensloopbestendige woning op het perceel Herenweg 23 te Rijnsaterwoude een wenselijke ontwikkeling. Daaraan worden wel enkele voorwaarden gesteld: Voorwaarde Er dient rekening gehouden te worden met het aspect privacy, omdat op de erfgrens gebouwd gaat worden; De nieuwe woning dient de bouwhoogte van het bestaande bijgebouw aan te houden, dit om het doorzicht op het achterliggende land vanaf de Herenweg te behouden; De omliggende (sierteelt)bedrijven mogen niet belemmerd worden door de nieuwe woning; Het hoogheemraadschap van Rijnland dient akkoord te gaan met de ontwikkeling;

De nieuwe woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

Parkeren moet op eigen terrein worden opgelost conform de nota parkeernormen; 30% van het programma dient sociaal te zijn conform de eisen die gesteld zijn in de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie; Alle omwonenden van de betreffende locatie dienen op de hoogte gebracht te worden van de beoogde ontwikkeling;

Reactie De zijgevels zullen als blinde gevel worden uitgevoerd, zonder vensters. Dat is ook vereist op basis van het Bouwbesluit. De beoogde woning wordt onder aan de dijk gesitueerd en bestaat uit één bouwlaag (vergelijkbaar met hoogte van de bestaande, te slopen bijgebouwen), waardoor het zicht vanaf de Herenweg op het achterliggende land behouden blijft. Uit toelichting paragraaf 4.4 blijkt dat omliggende (sierteelt)bedrijven niet worden belemmerd door onderhavig plan. Ten behoeve van het voorgenomen plan is de digitale watertoets ingevuld. De uitkomsten hiervan zijn naar de gemeente Kaag en Braassem en het hoogheemraadschap van Rijnland toegezonden. Daarnaast wordt het hoogheemraadschap middels het wettelijke vooroverleg bij het initiatief betrokken In toelichting hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan milieuhygiënisch inpasbaar is en dat er geen belemmeringen te verwachten zijn. Uit toelichting paragraaf 4.10.2 blijkt dat met het voorgenomen plan wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Hieraan wordt voldaan middels een bijdrage aan het fonds Sociale Woningbouw; Omwonenden zijn/ worden geïnformeerd (zie ook toelichting paragraaf 7.2).

Conclusie Gesteld wordt dat voldaan wordt aan de voorwaarden die de gemeente gesteld heeft in het kader van het principeverzoek.

10

3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder sterke en gezonde steden en regio's. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

11

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 en 3 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van één burgerwoning en is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, die deel uit maken van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4.

5. 6.

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht.

12

Planspecifiek De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Onderstaand wordt de beleidskeuze nader toegelicht. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart. Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleggen mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Onderstaand zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. - Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn.

Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een burgerwoning en twee recreatiewoningen. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. - Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in de onverveende bovenlanden. Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen. Als het ware een herinnering aan het oude veenlandschap te midden van het nieuwere landschap. De bovenlanden kennen een kleinschalig en relatief besloten en groen karakter. Bebouwing en erfbeplanting bepalen het beeld net als menging van veel verschillende functies. Verder is het plangebied gelegen binnen de lintbebouwing aan het Zuideinde. Hiervoor geldt dat Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Met het voorgenomen plan wordt aangesloten op de bebouwing in de omgeving. - Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen de stads- en dorpsrand.

De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden: het front, het contact en de overlap. In dit geval is er sprake van overlap. Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes. Omdat binnen het plangebied sprake zal zijn van een menging van functies, namelijk van de functies wonen en recreatie, past dit binnen de hybride uitstraling van de stads- en dorpsrand.

Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de genoemde beleidskeuze. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

13

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, derhalve hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.

14

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: a. b. c. d. e. f. g.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Voorliggend ruimtelijk plan is gerelateerd aan de punten a, c en d en past binnen deze kernbeslissingen. Met de ontwikkeling wordt een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit van het woningaanbod in het gebied. 3.3.2 Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van één woning mogelijk. De planlocatie is gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied en wordt derhalve gezien als een uitbreiding. Het betreft echter een

15

kleinschalige ontwikkeling binnen de bestaande woonomgeving aan de Herenweg. Met de ontwikkeling van een levensloopbestendige woning wordt de doorstroming bevorderd, tevens wordt het voor senioren mogelijk langer zelfstandig te wonen. Hiermee heeft de ontwikkeling een positieve invloed op keuzes 4 en 7. In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2020 - 2025 vraag naar 840 woningen. In de periode 2025 - 2030 bedraagt de behoefte nog eens 720 extra woningen. De totale behoefte van extra woningen is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps'. Het voorliggende initiatief betreft een 'dorps' woonmilieu, aan een lint in Rijnsaterwoude. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften in de gemeente Kaag en Braassem.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:

• • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'buitengebied'. In het buitengebied zijn er enkele linten die door de jaren heen zijn ontstaan en zich onderscheiden van het open landschap door een hogere bebouwingsdichtheid. Naast de agrarische activiteiten kennen de linten ook woon-, bedrijfs- en recreatieve bestemmingen. De gemeente Kaag en Braassem wilt de agrarische linten behouden. Daarnaast is er binnen de agrarische linten ook ruimte voor recreatieve activiteiten en incidenteel het toevoegen van een woning.

16

Dit mits er sprake is van een ruimtelijke kwaliteitswinst en/of er gebouwd wordt voor een doelgroepen waar behoefte naar is volgens de regionale woonagenda. Met de beoogde plan wordt er niet direct een verandering in de ruimte aangebracht. De ontwikkeling betreft de sloop van de bestaande bijgebouwen en de realisatie van een levensloopbestendige woning bestaande uit één bouwlaag. Deze ontwikkeling kan gezien worden als een kleinschalige herstructurering binnen de bestaande woonomgeving. De herstructurering zorgt voor een beter en passend gebruik van de ruimte. Daarnaast wordt met de realisatie van een levensloopbestendige woning een woning toegevoegd voor een specifieke doelgroep. Uit toelichting paragraaf 3.3.2 blijkt dat er behoefte is aan een levensloopbestendige woning doordat hiermee de doorstroming wordt bevorderd. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. 3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden.

Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek De volgende afbeelding toont een uitsnede van de welstandskaart.

Uitsnede welstandskaart (globale plangebied: zwarte omkadering)

Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.

3.4.3 Duurzaamheidsagenda 2016-2020 In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal.

17

Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met andere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem. Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem. Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie. Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven. Planspecifiek In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 wordt gestuurd op 'energiebewust gedrag' bij zowel grote als kleinschalige ontwikkelingen. De gemeente Kaag en Braassem streeft naar duurzame ontwikkelingen.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij dit streven. Qua duurzaamheid zal het plan voldoen aan de geldende normen. Initiatiefnemer is voornemens duurzame maatregelen te treffen waarbij gedacht wordt aan bijvoorbeeld een sedumdak en zonnepanelen. .

18

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe, in de huidige situatie is het plangebied namelijk al voorzien van een bouwvlak. Bovendien nemen de gebruiksmogelijkheden nauwelijks toe, omdat de gronden reeds voor

19

wonen zijn bestemd. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende plan voorziet niet in een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik of wezenlijk andere gebruiksmogelijkheden van de gronden. Op basis van het geldende planologisch regime geldt reeds de bestemming 'Wonen'. De bodemkwaliteit wordt daarmee al van voldoende kwaliteit geacht te zijn voor de bestemming ‘Wonen’. In het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de levensloopbestendige woning zal nader aangetoond worden dat de bodem geschikt is of geschikt te maken is voor wonen. Het aspect bodem levert derhalve geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai,

20

wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Rijnsaterwoude op ca. 21 meter uit de as van de Herenweg binnen de geluidzone van de weg. Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient de geluidsbelasting op de gevel van de toekomstige woning te worden onderzocht en getoetst.

Door Adviesburo van der Boom is op 25 mei 2020 een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de beoogde woning uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. De geluidbelasting door de Herenweg bedraagt ten hoogste 47 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden op de gevels van de woning. Er is voor deze ontwikkeling geen hogere waarde nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer. De woning voldoet aan de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet Geluidhinder” zoals opgesteld door de Omgevingsdienst West-Holland voor de gemeente Kaag en Braassem. De geluidbelasting voldoet aan de ambitiewaarde van 48 dB. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De woning ondervindt een geluidbelasting van 52 dB zonder aftrek. Voor gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woning zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Het aspect geluid levert derhalve geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.

In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de

21

minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van een levensloopbestendig woning. Deze wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De VNG-publicatie stelt dat een gebied aangewezen kan worden als gemengd gebied indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Gezien de verschillende aangrenzende bestemmingen als 'Wonen', 'Agrarisch' en 'Bedrijf' wordt de omgeving als een gemengd gebied bestempeld. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Percelen horende bij Herenweg 4 tot en met 8 Ten zuidoosten van het plangebied zijn de gronden aan de Herenweg 4 tot en met 8 met een agrarische bestemming met daarbinnen een agrarisch bouwvlak bestemd. Binnen deze agrarische bestemming is het toegestaan om een volwaardig agrarisch bedrijf uit te oefenen zoals akkerbouw- en vollegrondstuinbouw en een grondgebonden veehouderij. Voor agrarische bedrijven geldt milieucategorie 3.2 en een richtafstand van 50 m binnen gemengd gebied.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waarin melkrundvee wordt gehouden en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Het plangebied is op een afstand van minimaal ca. 30 m tot het agrarische bouwvlak gelegen. Derhalve wordt niet aan de richtafstand voldaan. Echter kan er gesteld worden dat in de huidige situatie reeds woningen dichter tegen het agrarisch bouwvlak aan zijn gelegen, op een afstand van ca. 20 m. Gesteld kan worden dat de agrarische bestemming geen belemmering vormt voor het initiatief. Herenweg 9 en 11 Op de percelen horende bij de Herenweg 9 en 11 geldt de bestemming 'Bedrijf'. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste milieucategorie 2. Conform de VNG-handreiking geldt voor milieucategorie 2 een richtafstand van 10 m binnen het omgevingstype ‘gemengd gebied'. Het plangebied is op een afstand van ca. 75 m gelegen, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Herenweg 19 Op het perceel ten westen van het plangebied, horende bij de Herenweg 19, is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' een agrarisch bouwvlak gelegen met de aanduiding 'sierteelt'. De gronden zijn bestemd ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven.

Voor agrarische bedrijven geldt milieucategorie 3.2 en een richtafstand van 50 m binnen gemengd gebied. Doordat de toekomstige woning direct grenst aan het agrarisch bouwvlak wordt niet voldaan aan de richtafstand. In 2014 is evenwel een melding gedaan waarin is aangegeven dat de (sier)teeltactiviteiten zijn beëindigd. Op basis van een revisievergunning van 3 augustus 1993 mogen er 60 schapen worden gehouden aan de Herenweg 19. In 2015 is een melding gedaan voor het houden van 60 schapen. Op dit moment is op het perceel aan de Herenweg 19 dan ook een schapenhouderij gevestigd.

22

Op deze locatie vormt het Activiteitenbesluit het toetsingskader voor vergunningverlening op het gebied van geur veroorzaakt door naburige dierenverblijven. Veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, moeten in principe voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten, tenzij er sprake is van een reeds bestaande situatie. Volgens artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit geldt een afstandseis van 25 m vanaf de rand van een dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object. Voor een vaste mestopslag geldt volgens het Activiteitenbesluit een afstandseis van 50 m buiten de bebouwde kom. De geplande woning is gelegen op ca. 18 m tot aan de rand van het dierenverblijf en op ca. 27 m afstand van de vaste mestopslag. Hiermee wordt ook niet voldaan aan de afstandseisen conform het Activiteitenbesluit. Echter, artikel 3.119 lid 2 voorziet, voor wat betreft de afstandseis van 25 m vanaf de rand van een dierenverblijf, in een uitzonderingsmogelijkheid. Er kan afgeweken worden van de 25 meter indien in een nieuwe situatie de onderlinge afstand niet afneemt en de geurbelasting niet toeneemt. In het onderhavige geval kan het bestaande bijbehorende bouwwerk achter op het perceel Herenweg 23 aangemerkt kunnen worden als geurgevoelig, aangezien een groot deel van dit bijbehorend bouwwerk is opgericht en in gebruik is geweest als kantoor.

Dit was al het geval voordat de schapenstal is gebouwd. Daarmee wordt in de huidige situatie al niet voldaan aan de minimale afstand van 25 meter. In de nieuwe situatie neemt de afstand van de geurgevoelige bebouwing tot de schapenstal niet af. Daarnaast is het de vraag of de geurbelasting toeneemt. Hiervoor is een V-stacks berekening uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen toename is van de geurbelasting en dat ook voldaan wordt aan de wettelijke normen. In de als bijlage 3 toegevoegde memo (zie bijlagen bij toelichting) wordt uitgebreid ingegaan op dit aspect. Daarin komt ook de afstand tot de mestplaat aan de orde, alsmede de aspecten geur, geluid en grofstof. Geconcludeerd wordt dat de schapenhouderij niet in zijn belangen wordt geschaad en dat er tevens een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd ter plaatse van de beoogde woning. Conclusie Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=c387958d-30be-42ed-89ce-548a7320b499