CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210420_t_NL.IMRO.1884.BPNOORDERHEMWEG17-ON01

Gemeenteraad 1 november 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan Noorderhemweg 17 te Roelofarendsveen13.064 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor het bestemmingsplanadvies zijn geen bezwaren. Het veilig ontvluchten vanuit de woningen als ook de overige brandveiligheidsonderdelen binnen de percelen komen in de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen naar voren. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is tot en met 31 december 2016 de Flora- en faunawet van toepassing. Per 1 januari 2017 is de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet

26

natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling kan een negatief effect hebben op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is in het voortraject een vooronderzoek uitgevoerd naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie B.V., Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Noorderhemweg 17 te Roelofarendsveen, 6 november 2019, aangepast 24-03-2021), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Uit het uitgevoerde onderzoek is de volgende conclusie naar voren gekomen. Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek vastgesteld te worden of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen.

Voor de platte schijfhoren dienen maatregelen genomen te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Stikstofdepositie Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck ligt op ongeveer 11 kilometer afstand van het plangebied. Significante negatieve effecten zijn uit te sluiten op basis van AERIUS-berekeningen van vergelijkbare projecten. Een AERIUS-berekening is niet nodig. De Wet natuurbescherming levert m.b.t. de bescherming van Natura 2000-gebieden geen belemmeringen op voor dit plan.

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Tevens dienen bepaalde maatregelen genomen te worden om negatieve effecten t.a.v. de platte schijfhoren te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. In het onderzoek worden de volgende vervolgstappen genoemd:

•

Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

27

• •

Voor het vervangen van de slootbeschoeiing dient er met een knijpbak gewerkt te worden, om zo de eventueel aanwezige platte schijfhoren in de bodem te ontzien. Bij het uitgraven van de watergang dient het graafwerk in één richting en volgens onderstaand beschreven en geschetste werkwijze plaats te vinden om het effect van de graafwerkzaamheden op de platte schijfhoorn te minimaliseren.

Aanvullend onderzoek Naar aanleiding van de hierboven genoemde quickscan van 6 november 2019 is een aanvullend onderzoek uitgevoerd: 'Vleermuisonderzoek aan de Noorderhemweg 17 te Roelofarendsveen, Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming' (Blom Ecologie B.V. d.d. 5 oktober 2020): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5. Het aanvullende onderzoek is uitgevoerd in de periode mei – september 2020, volgens het Vleermuisprotocol (NGB, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Daarbij zijn binnen de planlocatie geen essentieel foerageergebied en essentiële vliegroute vastgesteld. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen). Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet benodigd voor de beoogde ontwikkeling. Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Deze zijn niet aangetroffen. De groenstructuren binnen de planlocatie biedt potentie voor algemene broedvogels. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli).

Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Mits de algemene zorgplicht en de maatregelen die zijn beschreven in de quickscan van 6 november 2019 in acht worden genomen zijn er geen vervolgstappen noodzakelijk. Algemene zorgplicht Er moeten enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels:

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• •

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

•

Mogelijke overwinteringslocaties van (algemene) amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Voorafgaand aan de werkzaamheden dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

•

28

4.8 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.

Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:

• •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);

29

• •

andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In de huidige situatie is het plangebied op een groenstrook langs het huis en de (achter)tuin na grotendeels verhard. Conform Rijnlands Keur en beleidsregels moeten dempingen 100 % worden gecompenseerd en moet extra waterberging worden aangelegd bij een toename van verharding groter dan 500 m². Tussen de woningen en de achterliggende gronden wordt een nieuwe 4 m brede watergang gegraven. Hiermee wordt extra waterberging gecreëerd. Met de beoogde ontwikkeling neemt het oppervlak aan verharding met 109 m² af. In de navolgende tabel staat de verhardingsbalans weergegeven.

Water Groen Bebouwing Verharding Tuin Totale verharding

Oppervlakte bestaande situatie 1.480 m² 919 m² 612 m² 845 m² 0 m²

Aandeel verharding 0 m² 0 m² 612 m² 845 m² 0 m² 1.457 m²

30

Oppervlakte toekomstige situatie 1.713 m² 58 m² 349 m² 261 m² 1.476 m²

Aandeel verharding 0 m² 0 m² 349 m² 261 m² 738 m² 1.348 m²

Op onderstaande afbeelding staat de beoogde situatie met de nieuwe watergang weergegeven.

Beoogde situatie met nieuw te graven watergang

Tevens is de watertoets uitgevoerd, waaruit blijkt dat de het hoogheemraadschap van Rijnland mogelijk belangen heeft bij het beoogde plan. Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft aangegeven dat er geen waterhuishoudkundige belangen in het geding zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.9.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers voor de verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan, de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de

31

locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling van de twee woningen brengt een verkeersgeneratie met zich mee. Het plangebied wordt ontsloten via het bestaande lint Noorderhemweg. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kengetallen uit publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW en wordt uitgegaan van 'Rest bebouwde kom' in 'weinig stedelijk gebied'. Voor een vrijstaande woning wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8,2 ritten per vrijstaande woning per etmaal. Voor de twee woningen geldt een verkeersgeneratie van 16,4 motorvoertuigen per etmaal. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in de bestaande situatie reeds sprake was van een vrijstaande woning en een kassenbedrijf, wat uiteraard ook gepaard ging met een zekere verkeersgeneratie. De verwachting is dan ook dat het bestaande lint Noorderhemweg over genoeg capaciteit beschikt om de verkeersgeneratie op te vangen. 4.9.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte.

Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen. Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek Conform de parkeernormen van de gemeente Kaag en Braassem is berekend hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De gemiddelde parkeernorm voor een vrijstaande woning bedraag 2,3 parkeerplaats per woning.

Voor de twee woningen geldt dat er afgerond 5 parkeerplaatsen benodigd zijn. Gezien de ruime kavelopzet kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling kan voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied. Parkeren neemt geen belemmeringen met zich mee voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Cultureel erfgoed 4.10.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

32

Planspecifiek De bodemstructuur, waterhuishouding en ontginningsgeschiedenis hebben in hoge mate de huidige inrichting van het plangebied bepaald. De ontginningsgeschiedenis kan vooral worden afgelezen aan het patroon van polders, hoogteverschillen, dijken en waterkopen, het grondgebruik en de bebouwingslinten. Het plangebied is thans een (glas)tuinbouwlandschap. In het geldende bestemmingsplan zijn enkele karakteristieken gegeven voor het plangebied. Dit betreft onder meer het slotenpatroon, het historische bebouwingslint en de gestrekte, oost-westgerichte verkaveling. Met de ontwikkeling worden de karakteristieken behouden. In het plangebied komen verder geen gemeentelijke- of rijksmonumenten voor. Geconcludeerd kan worden dat de cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.10.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland.

Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en is de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze beleidsherziening vastgesteld.

Uitsnede uit de archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (rode omkadering)

Het gemeentelijk archeologisch beleid geeft aan dat er een lage verwachtingskans is binnen het plangebied. Dat houdt in dat er geen onderzoeksplicht is ten aanzien van de betreffende ontwikkeling van twee woningen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van het beoogde plan.

33

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

34

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Tuin' De tuinen van de woningen worden voorzien van de bestemming 'Tuin'. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, (ontsluitings-)wegen, paden en bermen, parkeervoorzieningen en insteekhavens. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt. Er mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd. Dit met uitzondering van erkers. tevens 'Water' De watergangen in het plangebied hebben de bestemming ‘Water’ gekregen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor sloten, vaarten (en daarmee gelijk te stellen waterlopen) en waterpartijen. Ten behoeve van de bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht zoals duikers, bruggen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 'Wonen' De bestemming 'Wonen' is opgenomen in het plangebied en is voorzien van bouwvlakken voor de situering van de woningen. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met inachtname van het toegestane woningtype ('vrijstaand') en het maximum aantal wooneenheden per bouwvlak (1). Tevens zijn de maximale goot- en bouwhoogtes aangeduid op de verbeelding.

De maximale inhoudsmaat is aangegeven in de regels. Voor bijbehorende bouwwerken bij woningen is aansluiting gezocht bij de landelijke regelgeving. Binnen de bestemming zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen om incidenteel de bouwmogelijkheden te vergroten. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht. Voor het overige deel van het perceel (voor de voorgevel) geldt dat erfafscheidingen tot 1 meter hoogte mogen worden opgericht. Naast de woonfunctie is het toegestaan een gedeelte van de woning te gebruiken aan huis gebonden beroepen en via een afwijking ook voor aan huis gebonden bedrijven. Verder is in de Specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor parkeren. Hiermee is veiliggesteld dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid en dat deze in stand wordt gehouden.

35

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente sluit ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst af. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

36

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan afgezien worden van dit overleg. Procedure Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie Omwonenden zijn op de hoogte gesteld van de voorgenomen plannen. In totaal zijn 5 adressen in de directe omgeving bezocht. De betreffende bewoners hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het initiatief.

7.3 Overleg Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan de Provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Rijnland, Omgevingsdienst West-Holland en Veiligheidsregio Hollands Midden. Provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft in het kader van het vooroverleg geen opmerkingen op het plan en er is geen strijdigheid met het provinciaal beleid. Hoogheemraadschap van Rijnland Ook het hoogheemraadschap van Rijnland heeft aangegeven geen bezwaar te hebben. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Voor de werkzaamheden, bijvoorbeeld het graven van water, is wel een melding nodig. Tevens kan er watersurplus worden toegevoegd aan de BRC van de gemeente. Ook heeft het hoogheemraadschap verzocht om een tabel met de toename/afname aan verhard oppervlak op te nemen. Naar aanleiding van het advies van het hoogheemraadschap van Rijnland is in toelichting paragraaf 4.8 een verhardingsbalans opgenomen. Omgevingsdienst West-Holland De omgevingsdienst West-Holland heeft het plan beoordeeld en een advies gegeven. Naar aanleiding van de beoordeling van de ter beschikking gestelde informatie wordt is er het volgende geconcludeerd.

37

• • • • • • • •

De paragrafen 3.2.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB), 4.4 Luchtkwaliteit, 4.5 Milieuzonering van de toelichting zijn akkoord. De paragrafen 4.1 Milieueffectrapportage, 4.2 Bodem, 4.3 Geluid, 4.6 Externe veiligheid en 4.7 Ecologie van de toelichting moeten aangepast worden. Er hoeft geen (vormvrij) m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. De regels en de verbeelding zijn akkoord. Het flora en faunaonderzoek moet aangepast worden. Het bijgevoegde bodemonderzoek is niet geschikt voor het plangebied. Het uitvoeren van een Aerius-berekening is niet nodig. De Veiligheidsregio moet op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes in de gelegenheid gesteld worden om te adviseren over dit plan.

In het voorliggende bestemmingsplan zijn de de paragrafen 4.1 Milieueffectrapportage, 4.2 Bodem, 4.3 Geluid, 4.6 Externe veiligheid en 4.7 Milieuzonering in de toelichting aangepast aan de hand van het advies van Omgevingsdienst West-Holland. Daarnaast is de quickscan flora en fauna aangepast en is er een notitie opgesteld om de bodemkwaliteit in kaart te brengen. Als laatste is de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Hollands Midden Op 30 maart 2021 is het plan voorgelegd aan de Veiligheidsregio Hollands Midden. Uit het advies blijkt dat er ten aanzien van de fysieke veiligheid aandachtspunten zijn. Het advies van de Veiligheidsregio heeft betrekking op het incident- en vluchtscenario en het bestrijdbaarheidsscenario. Het advies is verwerkt in toelichting paragraaf 4.6 van dit bestemmingsplan.

7.4 Zienswijze In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van de zienswijzenperiode opgenomen.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=c61bbda9-af0a-41a8-9864-63aa6241e1cd