CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

2.4 Rapportage op- en afbouw voorzieningen MZ HR

Gemeenteraad 27 november 2023, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Samenwerkingsovereenkomst Maatschappelijke zorg 2023 Holland Rijnland.11.878 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Op- en afbouwplan maatschappelijke zorg Startfoto 2022 31-8-2022

Inhoudsopgave

2

1.

Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting

p. 2

2.

Regionaal op- en afbouwplan

p. 7

3.

Onderlinge afhankelijkheden en hun omvang

p. 23

4.

Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

p. 30

Bijlagen

p. 35

1. Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting uitkomsten

Context en aanleiding

Het streven is om een inclusieve samenleving te creëren, ook voor cliënten met een psychische problematiek Om cliënten vaker dan nu het geval is, zo volwaardig deel te kunnen laten nemen aan de maatschappij, moet er een transformatie plaatsvinden van beschermd wonen (BW) en de maatschappelijke opvang (MO) naar een beschermd thuis. Dit is de kern van de visie die door de commissie Dannenberg (2015) geformuleerd is. Beschermd thuis houdt onder andere in dat vaker voorkomen kan worden dat cliënten beschermd moeten gaan wonen of opgevangen moeten worden. En als daar toch sprake van is, dan moet dat vaker in hun eigen omgeving kunnen, zodat zij weer sneller herstellen. Eén van de instrumenten daarvoor is de ‘doordecentralisatie’, waarin alle gemeenten de middelen ontvangen, zodat zij deze voorziening beter kunnen integreren in hun gehele zorglandschap en meer gestimuleerd worden om in te zetten op preventie. Daarvoor wordt wel van gemeenten gevraagd dat zij voor bepaalde taken regionaal samen blijven werken.

3

De subregio’s transformeren in onderlinge afhankelijkheid De regio Holland-Rijnland is vergevorderd om de transformatie van de maatschappelijke zorg vorm te geven. Een deel van het benodigde aanbod om cliënten met een psychische problematiek te helpen, zal

door de regio georganiseerd blijven worden, maar een ander deel zal op het niveau van drie subregio’s georganiseerd gaan worden. Het streven daarbij is om een dekkend en passend voorzieningenaanbod te organiseren. Deze subregio’s staan echter niet los van elkaar: wat de ene doet, kan impact op de andere hebben. Recent heeft de regio in beeld gebracht waar deze onderlinge afhankelijkheden zitten en wat er nodig en mogelijk is om tot het beoogde voorzieningenaanbod te komen én om alle betrokkenen voldoende comfort te geven dat risico’s daarin voldoende afgedekt zijn. Recent heeft het regionale portefeuillehoudersoverleg (PHO) ingestemd met deze maatregelen. Op- en afbouw van aanbod kan impact op andere subregio’s hebben Eén van deze afhankelijkheden betreft de op- en afbouw van voorzieningen. Om inwoners zoveel als mogelijk in hun eigen omgeving (beschermd) te kunnen laten wonen, moet op sommige plekken aanbod opgebouwd worden en op andere afgebouwd. Dat zijn alleen deels communicerende vaten. Keuzes van één subregio om op- of af te bouwen, kunnen tot onvoorziene gevolgen voor de andere subregio’s leiden. Voor een dekkend voorzieningenniveau is dus niet alleen op- en afbouw nodig, maar coördinatie daarop in het belang van allen.

1. Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting uitkomsten

Opdracht en proces

Het PHO heeft uitgesproken dat, om op- en afbouw goed op elkaar af te stemmen, er één regionaal op- en afbouwplan nodig is voor het deel van het aanbod voor maatschappelijke zorg dat subregionaal ingekocht gaat worden. Op basis daarvan moeten afspraken gemaakt worden over hoe dit proces gezamenlijk vormgegeven gaat worden en wat nodig is om met eventuele onderlinge afhankelijkheden om te gaan. Andersson Elffers Felix (AEF) is gevraagd om de totstandkoming hiervan te begeleiden. Het beoogde resultaat hiervan is drieledig: 1. één gezamenlijk regionaal op- en afbouwplan voor het deel van het aanbod dat subregionaal ingekocht zal worden, op basis van dezelfde aannames en parameters. 2. een scherp (kwalitatief) overzicht van mogelijke risico’s als gevolg van op- en afbouw en een taxatie van de omvang van deze risico’s (impact wanneer zij optreden en kans dat zij optreden), gegeven het op- en afbouwplan. 3. een voorstel voor een set afspraken over hoe de weg naar een dekkend voorzieningenaanbod gezamenlijk vormgegeven wordt.

4

Tegelijkertijd kunnen plannen en analyses pas concreet gemaakt worden in overleg met aanbieders. Dit vindt later plaats. Gemeenten willen graag goed beslagen bij deze gesprekken ten ijs komen. Ook kunnen er nieuwe inzichten ontstaan rondom aannames en parameters. Dit betekent dat het op- en afbouwplan uitgebreid en verfijnd moet kunnen worden. Flexibiliteit is dus gewenst. Deze rapportage bevat daarom slechts een startfoto, die gedurende de komende periode (zelfs jaren) doorontwikkeld moet worden. Proces en werkwijze Deze rapportage bevat de voornoemde resultaten. Hij is in nauwe samenwerking met de ambtelijke werkgroep op- en afbouw tot stand gekomen. De leden ervan hebben bij elke stap meegedacht en waardevolle input geleverd. Ook zijn de gegevens, waar beschikbaar, vanuit de regio afkomstig. Aan het begin en eind van het project is het proces cq. het resultaat van het opdracht met de ambtelijke projectgroep besproken. Tussentijds hebben de leden van de werkgroep de projectgroep op de hoogte gehouden.

1. Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting uitkomsten

Managementsamenvatting | komende jaren is op-, af- en omgebouwd nodig voor een dekkend voorzieningenniveau In de regio is een gezamenlijk plan opgesteld voor de op-, af- en ombouw van aanbod voor de maatschappelijke zorg ▹ De afgelopen periode is een op- en afbouwplan gemaakt, voor zowel het deel van beschermd wonen (‘BW’) dat in de toekomst subregionaal georganiseerd wordt, als voor de decentrale opvang in de maatschappelijke opvang (‘MO’). ▹ Dit plan maakt inzichtelijk hoeveel aanbod er per subregio op termijn nodig is en wat de invloed is van een geleidelijke op- of afbouw van de huidige naar de beoogde situatie op de wachtlijsten en financiële situatie. ▹ Het plan is gevoed op basis van de meest recente beschikbare informatie over de huidige stand van zaken. Die stand van zaken gaat zich hoe dan ook de komende tijd ontwikkelen. Dit maakt continue aanpassing van het plan noodzakelijk. In dit opzicht vormt dit plan een startfoto van de op- en afbouwopgaves. In het eerste deel van hoofdstuk 2 is weergegeven wat de bouwstenen van het plan zijn. In de Bijlagen staat opgenomen hoe dit precies gevoed is. Aan het einde van dit hoofdstuk staat een onderhoudsadvies opgenomen.

5

Zowel bij BW als de decentrale opvang moet er de komende jaren op-, af- en omgebouwd worden voor een dekkend voorzieningenaanbod ▹ Zowel voor het subregionale deel van BW als voor de decentrale

opvang van MO zijn aanbod nog niet in balans met de verwachte vraag. ▹ Voor BW is er in de Rijnstreek met name een opbouwopgave en ten dele ook een ombouwopgave, omdat voor één doelgroep afgebouwd kan worden. ▹ In de Duin- en Bollenstreek moet er de komende jaren in totaal iets opgebouwd worden. Voor sommige doelgroepen kan er echter juist iets afgebouwd worden. ▹ De Leidse regio is er primair sprake van een ombouwopgave: het totaal aantal plekken is weliswaar redelijk in balans met wat nodig is, maar dit is niet het geval voor individuele doelgroepen. ▹ Bij de decentrale opvang is er over de hele line sprake van een benodigde afbouw in de Leidse regio en opbouw door de andere twee regio’s. Dit geldt overigens niet voor alle doelgroepen: voor sommige sluit het huidige aanbod redelijk aan bij het benodigde. De resultaten per subregio staan beschreven op de volgende pagina’s: ▹ Duin- en Bollenstreek p.11-13 (BW) en p.20-11 (MO) ▹ Rijnstreek p.14-16 (BW) en p.20-11 (MO) ▹ Leidse regio p.17-19 (BW) en p.20-11 (MO)

1. Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting uitkomsten

Managementsamenvatting | goede onderlinge afspraken kunnen de transformatie soepeler laten verlopen De wachtlijsten vangen veranderingen grotendeels op, maar voor sommige doelgroepen is vinger aan de pols nodig ▹ Bij BW is er sprake van relatief grote wachtlijsten. De analyse van het opbouwplan laat zien dat bij geleidelijke op-, af- en ombouw veranderingen in algemene zin opgevangen worden door de wachtlijsten: deze nemen tijdelijk simpelweg iets toe of af. ▹ Bij sommige doelgroepen spelen specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld dat er sprake is van een relatief korte wachttijd, of een relatief grote op- en afbouwopgave. Daar is er extra noodzaak om vinger aan de pols te houden en de op- en afbouw gecoördineerd plaats te laten vinden. ▹ Bij de decentrale opvang van MO is de doorloopsnelheid een stuk groter dan bij BW. Op- en afbouw hebben dus relatief meer impact op (virtuele) wachtlijsten. Snelle realisatie van het benodigde aantal plekken voorkomt daar een onnodig lage bezettingsgraad of de noodzaak voor het zoeken naar creatieve oplossingen. In hoofdstuk 3 staan de mogelijke onderlinge afhankelijkheden geïdentificeerd en is op basis van een analyse van de wachtlijsten een inschatting gegeven van hoe groot deze afhankelijkheden zijn. 6

Onderlinge afspraken kunnen de subregio’s helpen om hun open afbouw goed en zo o.a. voorkomen dat er druk op hun plekken ontstaat vanuit andere subregio’s Om tegemoet te komen aan de noodzaak om op- en afbouw onderling op elkaar af te stemmen, kunnen de subregio’s hierover met elkaar afspraken maken. In deze rapportage hebben we een voorstel gedaan. Dit luidt samengevat als volgt: ▹ Subregio’s scharen zich achter een gezamenlijk doel, namelijk het bieden van voldoende passende plekken voor cliënten uit hun subregio. ▹ Zij spreken daarin de intentie uit om hiervoor o.a. voldoende snel aanbod op, af en om te bouwen en indien nodig creatieve oplossingen in te zetten om cliënten te kunnen plaatsen. Hiervoor moeten zij voldoende middelen (op het juiste moment) alloceren. ▹ Zij blijven hier met elkaar over in gesprek. ▹ Wanneer eenduidig vast te stellen is dat de intenties niet waargemaakt (kunnen) worden, gaan de subregio’s −in het volle besef dat zij voor een gezamenlijke opgave staan− met elkaar in overleg om samen naar passende oplossingen te zoeken binnen de mogelijkheden waarover zij beschikken. Deze afspraken maken het nodig om een goede regionale governancestructuur neer te zetten. Het volledige voorstel voor deze afspraken is opgenomen in hoofdstuk 4.

Inhoudsopgave

7

1.

Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting

p. 3

2.

Regionaal op- en afbouwplan

p. 7

3.

Onderlinge afhankelijkheden en hun omvang

p. 23

4.

Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

p. 30

Bijlagen

p. 35

2. Regionaal op- en afbouwplan

Inleiding op het op- en afbouwplan | aanleiding voor en doel van het plan Waarom een op- en afbouwplan? Om cliënten in staat te stellen in hun eigen omgeving te kunnen (blijven) wonen, moet er aanbod worden op- af- én omgebouwd. Deze transformatie van de maatschappelijke zorg is een complexe onderneming, onder andere omdat er een groot tekort aan woningen is en zowel op- als afbouw van intramurale voorzieningen niet makkelijk en snel tot stand kan komen. Bovendien vormen de verschillende subregio’s communicerende vaten: wat de één (niet) doet, kan (financiële) impact op de ander hebben. Een gezamenlijk plan dat uitspraken doet over de mate waarin en het tempo waarmee op- en afgebouwd wordt, kan helpen dit proces in goede banen te leiden. Wat kun je er (niet) mee? Het op- en afbouwplan maakt inschattingen van: ▹ Het verwachte aantal cliënten (die deel uitmaken van een bepaalde doelgroep) in een bepaalde subregio op een bepaald jaar.

8

▹ Het aantal bezette plekken (voor dat type problematiek) in de betreffende subregio en dat jaar. Het verschil tussen beiden uit zich in een toe- of afname van de omvang van de (virtuele) wachtlijst. Zowel het aantal cliënten als het aantal plaatsen betreft een inschatting, gegeven de laatste inzichten. Het is daarbij een hulpmiddel om inzicht te krijgen en het onderlinge gesprek te voeren. Beiden zijn daarnaast afhankelijk van een groot aantal factoren, die ook weer in de tijd kunnen veranderen. Het op- en afbouwplan moet daarom ook flexibel zijn, zodat het tussentijds aangepast kan worden als de ontwikkelingen daarom vragen.

2. Regionaal op- en afbouwplan

Inleiding op het op- en afbouwplan | totstandkoming en inhoud uitkomsten Het op- en afbouwplan is gebaseerd op een op- en afbouwmodel, waarin vervolgens keuzes gemaakt zijn voor de voeding ervan. Om tot een gedragen plan te komen, hebben we een op en afbouwmodel opgesteld. Daarbij hebben we de volgende drie stappen doorlopen: A. Conceptueel kader: bouwstenen. We identificeren de belangrijkste factoren die van invloed zijn op het aantal cliënten en zo bouwstenen vormen voor het op- en afbouwplan. Zie pagina 36 in de Bijlage voor meer achtergrond. B. Implementeren van bouwstenen: rekenregels. We concretiseren hoe de invloed van de bouwstenen op het aantal cliënten is aan de hand van zogenoemde rekenregels. Hierbij identificeren we ook de ‘parameters’ van het model, de aspecten die in de toekomst door betrokkenen aangepast moeten kunnen worden. Zie pagina 41 van de Bijlage voor de uitwerking hiervan C. Voeden van rekenregels: regionale gegevens. We voeden de rekenregels met gegevens vanuit de (sub)regio’s, o.a. over bestaande cliënten, aanbod, maar ook met ambities, uitgangspunten en aannames. Zie Bijlage, p. 42 e.v. voor de precieze voeding voor BW en p. 48 e.v. voor MO. 9

Keuzes over de snelheid van op- en afbouw die zowel wenselijk als haalbaar zijn, hebben vervolgens tot dit plan geleid. Daarbij hebben we voor BW 10 jaar aangehouden, gelijk aan de duur van ingroeipad van middelen vanuit het Rijk. Op de volgende pagina’s staan de uitkomsten daarvan weergegeven, voor elk van de subregio’s. Dit is een uitwerking van het conceptuele kader op de vorige pagina, gevoed op basis van de beschikbare gegevens vanuit de regio. Wat staat er op de volgende pagina’s? Voor elke subregio geven we achtereenvolgens weer: ▹ Hoeveel aanmeldingen zij mogen verwachten op basis van het objectieve model. ▹ Een eerste voorzet voor hoeveel aanbod er per jaar moet zijn om van de huidige situatie (lineair) te groeien of krimpen naar de situatie waarin aanbod en aanmeldingen met elkaar in balans zijn. ▹ Hoe de wachtlijst zich ontwikkelt doordat de vrijgekomen plekken door uitstroom op basis van het aanbod in dat jaar kleiner of groter zijn dan de aanmeldingen. ▹ Wat het verschil tussen uitgaven (op basis van het aantal beschikbare plekken) en inkomsten is.

2. Regionaal op- en afbouwplan

Inleiding op het op- en afbouwplan | gehanteerde doelgroepen en gebruik van het model achter het plan Welke doelgroepen onderscheiden we? De groep inwoners in beschermd wonen is divers en niet elke cliënt kan samen op een locatie wonen met elke andere cliënt. We laten voor de uitkomsten daarom het totaal zien, maar splitsen deze ook op in verschillende doelgroepen. Daarbij hanteren we steeds de indeling die de regio zelf aanhoudt. ▹ MO: cliënten die vanuit de maatschappelijke opvang in beschermd wonen stromen. Het gaat hierbij dus niet om de maatschappelijke opvang zelf! ▹ LVB: cliënten met een licht verstandelijke beperking. ▹ PL: cliënten die vanuit een behandelplek instromen (‘psychiatrie langdurig’) ▹ JP: cliënten die vanuit de jeugdwet instromen.

▹ ASS: cliënten met een autismespectrumstoornis. Ook voor de decentrale opvang geldt dat niet iedereen bij elkaar kan wonen. Daar hanteren we echter een andere indeling: alleenstaanden, jongeren en gezinnen. 10

Welke mogelijkheden hebben subregio’s om het plan aan te passen? Op de volgende pagina’s staan de uitkomsten van de startfoto van het plan weergegeven. Om het plan te kunnen herijken hebben subregio’s het achterliggende model tot hun beschikking. Dit kent een aantal parameters om de wachtlijst naar de gewenste omvang te brengen en vervolgens in balans te brengen en houden: ▹ Preventie: het percentage inwoners vergroten dat zelfstandig kan blijven wonen en daarom geen beschermd wonenplek nodig heeft. Dit verkleint bij gelijkblijvend aanbod de omvang van de wachtlijst en verlaagt bovendien de kosten. ▹ Duurverkorting: de mogelijkheden voor uitstroom vergroten, zodat er ook meer cliënten in kunnen stromen. Bij gelijkblijvend aanbod daalt hierdoor de omvang van de wachtlijst en de uitgaven dalen bovendien. ▹ Op- / afbouwen: meer of minder plekken realiseren of deze sneller of langzamer realiseren, zodat aanmeldingen en uitstroom binnen een realistische termijn met elkaar in balans zijn. Opbouwen van nieuw aanbod kan overigens wel tot financiële druk leiden, afbouwen van aanbod kan tot een toename van de wachtlijst ( en –tijd) leiden. ▹ Ombouwen: door bestaand aanbod (ook) geschikt te maken voor cliënten met een andere problematiek, kan er een beter match gemaakt worden. Dit betekent een afname van de wachtlijst, zonder (noemenswaardige) kostenstijging.

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Duin- en Bollenstreek (1/3) | verwachte aanmeldingen van nieuwe cliënten en aantal plekken Verwachte aanmeldingen o.b.v. objectief model en preventie Elk jaar melden zich nieuwe inwoners aan voor beschermd wonen. De aantallen inwoners hebben we ingeschat op basis van het objectieve model1. Voor een (toenemend) deel van deze inwoners kan voorkomen worden dat zij beschermd moeten wonen: zij kunnen zelfstandig blijven wonen. De inschatting van het jaarlijks aantal aanmeldingen is 381 voor de Duin- en Bollenstreek.

nodig. Tegelijkertijd zijn er iets minder plekken voor de doelgroep LVB en MO3 nodig. In die zin is er een combinatie van opbouw en (in mindere mate) ombouw nodig. Aantal plekken over de tijd naar doelgroep 140 120 100

11

Aantal plekken Op basis van de gemiddelde duur van 3,3 jaar2, betekent dit dat er op termijn 124 plekken nodig zijn4. Dit is een kleine toename ten opzichte van de huidige situatie.

80

Dit algemene beeld geldt niet voor alle doelgroepen. In de afbeelding hieronder is het aantal beschikbare plekken per doelgroep over de jaren weergeven, wanneer zich dit lineair van de huidige naar de benodigde situatie beweegt. Er zijn met name iets meer plekken voor JP, PL en ASS

0

1. 2. 3. 4.

Voor een onderbouwing van dit aantal, zie bijlage, pagina 45-46 Voor een onderbouwing hiervan, zie Bijlage, pagina 43 N.B. ‘MO’ betekent hier beschermd wonen vanuit de maatschappelijke opvang, Voor een onderbouwing van dit aantal, zie bijlage, pagina 45

60 40 20 2023

2024

2025

2026 MO

2027 LVB

PL

2028

2029

JP

ASS

2030

2031

2032

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Duin- en Bollenstreek (2/3) | ontwikkeling van de wachtlijst en duur bij benodigd aantal plekken Ontwikkeling wachtlijst en wachtduur Inwoners die zich voor beschermd wonen melden, maar niet in kunnen stromen, komen op de wachtlijst. Omgekeerd geldt ook: als zich jaar op jaar minder cliënten melden dan er in kunnen stromen, dan daalt de omvang van de wachtlijst. De toe- of afname van de omvang van de wachtlijst, wordt bepaald door het verschil tussen aanmeldingen en instroom. In de afbeelding hiernaast is de ontwikkeling van de wachtlijst voor de Duin- en Bollenstreek weergegeven1, op basis van aantallen plekken op die op pagina 11 weergegeven staan2. Hierin is te zien dat bij het nu gehanteerde aantal plekken de wachtlijst iets toeneemt en vervolgens weer af.

Omvang wachtlijst naar doelgroep 35 30 25 20 15 10 5 0

Voor doelgroepen waarvoor meer aanbod nodig is, neemt de lengte van de wachtlijst gedurende de komende 10 jaar eerst iets toe en vervolgens af. Bij doelgroepen waarvoor aanbod afgebouwd kan worden, geldt het omgekeerde.

12

1. Een negatieve wachtlijst correspondeert met een (hypothetische) situatie waarin er lege plekken voor een bepaalde doelgroep zijn. 2. Zie Bijlage pagina 46 voor een onderbouwing van de startwaarde van de wachtlijst.

2023

2024

2025

2026 MO

2027 LVB

2028 PL

JP

2029 ASS

2030

2031

2032

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Duin- en Bollenstreek (3/3) | ontwikkeling van de wachtduur en uitgaven voor BW In de onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de wachtduur voor de Duin- en Bollenstreek weergegeven. Deze gemiddelde wachtduur blijft nagenoeg hetzelfde, voor verschillende doelgroepen verandert hij iets. De grootste verschillen zitten bij doelgroep JP en LVB. Gemiddelde wachtduur (jaren)

In de figuur hieronder zijn de geraamde uitgaven weergegeven voor de Duin- en Bollenstreek die corresponderen met het aantal plekken op pagina 11 en de gemiddelde uitgaven per plek1. Zij zijn vergeleken met de inkomsten van het Rijk. Hoewel de uitgaven toe blijven nemen (als gevolg van prijsstijgingen), nemen ook de inkomsten toe. Dit gaat zodanig dat er sprake zou zijn van een (toenemend) financieel overschot op BW.

2

Verschil inkomsten en uitgaven BW

1,5

12.000.000

1

10.000.000

0,5

8.000.000

0

6.000.000 2023

2024

2025

2026

2027

2028

MO

LVB

PL

JP

2029

ASS

2030

2031

2032

Totaal

Financiële vertaalslag Subregio’s kunnen aanbod opbouwen wanneer de wachtlijst te lang is, of afbouwen wanneer deze iets groter mag worden. Dat heeft echter ook een financiële consequentie. 13

1. Op basis van eigen opgaaf betreffende subregio, zie Bijlage pagina 47.

4.000.000 2.000.000 (2.000.000)

2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032

(4.000.000) (6.000.000) (8.000.000) Uitgaven BW

Inkomsten BW

Verschil uitgaven inkomsten

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Rijnstreek (1/3) | verwachte aanmeldingen van nieuwe cliënten en aantal plekken Verwachte aanmeldingen o.b.v. objectief model en preventie Elk jaar melden zich nieuwe inwoners aan voor beschermd wonen. De aantallen inwoners hebben we ingeschat op basis van het objectieve model1. Voor een (toenemend) deel van deze inwoners kan voorkomen worden dat zij beschermd moeten wonen: zij kunnen zelfstandig blijven wonen. De inschatting van het jaarlijks aantal aanmeldingen is 321 voor de Rijnstreek.

deze opbouw met name bestaat uit plekken voor LVB, JP en ASS. Voor MO3 is het aanbod al redelijk in lijn met wat er nodig is, voor PL zouden er nu zelfs iets meer plekken zijn dan nodig. In die zin is er zowel sprake van opbouw als van ombouw. Aantal plekken over de tijd naar doelgroep 120 100

Aantal plekken Op basis van de gemiddelde duur van 3,3 jaar2, betekent dit dat er op termijn 105 plekken nodig zijn4, waar er nu 84 zijn. Er zal dus sprake moeten zijn van opbouw van plekken. In de afbeelding hiernaast is het aantal beschikbare plekken per doelgroep over de jaren weergeven, wanneer zich dit lineair van de huidige naar de benodigde situatie beweegt. Hieruit is op te maken dat

80 60 40 20 0 2023

2024

2025

2026 MO

14

1. 2. 3. 4.

Voor een onderbouwing van dit aantal , zie bijlage, pagina 46-47. Voor een onderbouwing hiervan, zie Bijlage, pagina 44. N.B. MO = beschermd wonen vanuit de maatschappelijke opvang, Voor een onderbouwing van dit aantal, zie bijlage, pagina 46

2027 LVB

PL

2028

2029

JP

ASS

2030

2031

2032

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Rijnstreek (2/3) | ontwikkeling van de wachtlijst en duur bij benodigd aantal plekken Ontwikkeling wachtlijst en wachtduur Inwoners die zich voor beschermd wonen melden (figuur vorige pagina 14), maar niet in kunnen stromen, komen op de wachtlijst. Omgekeerd geldt ook: als zich jaar op jaar minder cliënten melden dan er in kunnen stromen, dan daalt de omvang van de wachtlijst. De toe- of afname van de omvang van de wachtlijst, wordt bepaald door het verschil tussen aanmeldingen en instroom. In de afbeelding hiernaast is de ontwikkeling van de wachtlijst voor de Rijnstreek weergegeven1, op basis van aantallen plekken op die op pagina 14 weergegeven staan2. Hierin is te zien dat bij het nu gehanteerde aantal plekken de totale omvang van de wachtlijst iets stijgt, om daarna te dalen (en te stabiliseren).

voor deze groepen. Dit heeft te maken met de snelheid waarmee omgebouwd wordt. Sneller ombouwen betekent een minder grote toename. Omvang wachtlijst naar doelgroep 60 50 40 30 20 10

Voor verschillende doelgroepen ziet dit plaatje er iets anders uit: bij bijna alle doelgroepen blijft de omvang van de wachtlijst nagenoeg gelijk. Voor doelgroepen JP en PL zijn de wachtlijsten aan de start al klein, zodat zij ook klein blijven en er op bepaalde momenten mogelijk geen wachtlijst is

15

1. Een negatieve wachtlijst correspondeert met een (hypothetische) situatie waarin er lege plekken voor een bepaalde doelgroep zijn. 2. Zie Bijlage pagina 45 voor een onderbouwing van de startwaarde van de wachtlijst.

0 -10

2023

2024

2025

2026 MO

2027 LVB

PL

2028

2029

JP

ASS

2030

2031

2032

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Rijnstreek (3/3) | ontwikkeling van de wachtduur en uitgaven voor BW In de onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de wachtduur voor de Rijnstreek weergegeven. Deze gemiddelde wachtduur blijft nagenoeg gelijk. Alleen voor LVB en MO neemt de wachtduur wel wat toe, voor PL en JP neemt hij wat af. Gemiddelde wachtduur (jaren) 4

In de figuur hieronder zijn de geraamde uitgaven weergegeven voor de Rijnstreek die corresponderen met het aantal plekken op pagina 14 en de gemiddelde uitgaven per plek1. Zij zijn vergeleken met de inkomsten van het Rijk. Hoewel de uitgaven toe blijven nemen (zowel als gevolg van opbouw als van prijsstijgingen), nemen ook de inkomsten toe. Er is op basis van dit beeld een financieel overschot op BW, dat iets afneemt, maar zich vervolgens stabiliseert. Verschil inkomsten en uitgaven BW

2

10.000.000 8.000.000

0 2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

-2

6.000.000 4.000.000

MO

LVB

PL

JP

ASS

Totaal

2.000.000 -

Financiële vertaalslag Subregio’s kunnen aanbod opbouwen wanneer de wachtlijst te lang is, of afbouwen wanneer deze iets groter mag worden. Dat heeft echter ook een financiële consequentie.

(2.000.000)

2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032

(4.000.000) (6.000.000) (8.000.000) Uitgaven BW

16

1. Op basis van eigen opgaaf betreffende subregio, zie Bijlage pagina 47.

Inkomsten BW

Verschil uitgaven inkomsten

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Leidse regio (1/3) | verwachte aanmeldingen van nieuwe cliënten en aantal plekken Verwachte aanmeldingen o.b.v. objectief model en preventie Elk jaar melden zich nieuwe inwoners aan voor beschermd wonen. De aantallen inwoners hebben we ingeschat op basis van het objectieve model1. Voor een (toenemend) deel van deze inwoners kan voorkomen worden dat zij beschermd moeten wonen: zij kunnen zelfstandig blijven wonen. De inschatting van het jaarlijks aantal aanmeldingen is 591 voor de Leidse regio.

voor LVB en MO3 en ASS het aantal plekken nagenoeg in balans is met de verwachting vraag. Voor PL zijn er wel iets meer plekken nodig dan er nu zijn, voor JP een aantal minder. In die zin is er vooral sprake van benodigde ombouw. Aantal plekken over de tijd naar doelgroep 250 200

Aantal plekken Op basis van de gemiddelde duur van 3,3 jaar2, betekent dit dat er op termijn 193 plekken nodig zijn, iets meer dan het huidige aantal. Er zal over de hele linie dus nauwelijks opbouw plaats hoeven vinden. In de afbeelding hieronder is het aantal beschikbare plekken per doelgroep over de jaren weergeven, wanneer zich dit lineair van de huidige naar de benodigde situatie beweegt. Hieruit is op te maken dat

17

1. 2. 3. 4.

Voor een onderbouwing van dit aantal , zie bijlage, pagina 46-47. Voor een onderbouwing hiervan, zie Bijlage, pagina 44. N.B. MO = beschermd wonen vanuit de maatschappelijke opvang, Voor een onderbouwing van dit aantal, zie bijlage, pagina 46

150 100 50 0 2023

2024

2025

2026 MO

2027 LVB

PL

2028

2029

JP

ASS

2030

2031

2032

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Leidse regio (2/3) | ontwikkeling van de wachtlijst en duur bij benodigd aantal plekken Ontwikkeling wachtlijst en wachtduur Inwoners die zich voor beschermd wonen melden (figuur vorige pagina 17), maar niet in kunnen stromen, komen op de wachtlijst. Omgekeerd geldt ook: als zich jaar op jaar minder cliënten melden dan er in kunnen stromen, dan daalt de omvang van de wachtlijst. De toe- of afname van de omvang van de wachtlijst, wordt bepaald door het verschil tussen aanmeldingen en instroom. In de afbeelding hiernaast is de ontwikkeling van de wachtlijst voor de Leidse regio weergegeven1, op basis van aantallen plekken op die op pagina 17 weergegeven staan2. Hierin is te zien dat bij het nu gehanteerde aantal plekken de totale omvang van de wachtlijst een klein beetje toeneemt blijft.

Omvang wachtlijst naar doelgroep 60 50 40 30 20 10 0 2023

Deze toename is te herleiden tot de doelgroepen LVB en PL. Voor MO, JP en ASS neemt de wachtlijst (minimaal) af.

18

1. Een negatieve wachtlijst correspondeert met een (hypothetische) situatie waarin er lege plekken voor een bepaalde doelgroep zijn. 2. Zie Bijlage pagina 45 voor een onderbouwing van de startwaarde van de wachtlijst.

2024

2025

2026 MO

2027 LVB

2028 PL

JP

2029 ASS

2030

2031

2032

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten BW Leidse regio (3/3) | ontwikkeling van de wachtduur en uitgaven voor BW In de onderstaande afbeelding is de ontwikkeling van de wachtduur voor de Leidse regio weergegeven. Deze gemiddelde wachtduur blijft nagenoeg gelijk. Dit geldt ook voor de wachtduur van de meeste doelgroepen, alleen bij JP neemt de wachtduur iets af. Gemiddelde wachtduur (jaren) 3

In de figuur hieronder zijn de geraamde uitgaven weergegeven voor de Leidse regio die corresponderen met het aantal plekken op pagina 17 en de gemiddelde uitgaven per plek1. Zij zijn vergeleken met de inkomsten van het Rijk. Hoewel de uitgaven toe blijven nemen (zowel als gevolg van opbouw als van prijsstijgingen), nemen ook de inkomsten toe. Er is op basis van dit beeld een financieel overschot op BW, dat vanaf het tweede jaar iets toe zou nemen. Verschil inkomsten en uitgaven BW

2

20.000.000

1

15.000.000

0 2023

2024

2025

2026

2027

2028

MO

LVB

PL

JP

2029 ASS

2030

2031

2032

Totaal

10.000.000 5.000.000

-

Financiële vertaalslag Subregio’s kunnen aanbod opbouwen wanneer de wachtlijst te lang is, of afbouwen wanneer deze iets groter mag worden. Dat heeft echter ook een financiële consequentie. 19

1. Op basis van eigen opgaaf betreffende subregio, zie Bijlage pagina 47.

(5.000.000)

2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032

(10.000.000) (15.000.000) Uitgaven BW

Inkomsten BW

Verschil uitgaven inkomsten

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten MO | verdeling vraag en aanbod zijn nog niet in balans Huidig en toekomstig beeld vergeleken De uitkomsten van het model zijn in onderstaande tabel samengevat weergegeven. 2021 Instroom

%

#

%

Leidse regio

37 53,8%

=

37

53,8%

Duin- en Bollenstreek

14 20,4%

=

14

20,4%

Rijnstreek

18 25,9%

=

18

25,9%

Totaal

68

Plekken

20

#

Eind

#

68 %

#

%

Leidse regio

89 73,0%

→

66

53,8%

Duin- en Bollenstreek

12

9,8%

→

25

20,4%

Rijnstreek

21 17,2%

→

32

25,8%

Totaal

122

122

Zij beschrijven het volgende: we houden de absolute aantallen ingestroomde cliënten in 2021 aan voor de komende jaren, alsmede de verdeling daarvan over de subregio’s (bovenste deel). Het huidige aanbod is nog niet op dezelfde manier over de subregio’s verdeeld (percentages linksonder in de tabel). Om een situatie te krijgen waarin de verdeling van plekken over de subregio’s in balans is met die van de instromende cliënten, moet de Leidse regio afbouwen en de Duin- en Bollenstreek en Leidse regio aanbod opbouwen. Dit is in de tabel rechts rood- dan wel groengearceerd weergegeven.

2. Regionaal op- en afbouwplan

Uitkomsten MO | dit vraagt opbouw van voorzieningen voor de Duin- en Bollenstreek en de Rijnstreek Uitsplitsing naar doelgroepen In onderstaande tabel zijn de totalen op de vorige pagina uitgesplitst naar elk van de drie doelgroepen. In groen staat aangeven waar sprake is van (aanzienlijke) opbouw, in rood van (aanzienlijke) afbouw. Subregio

Doelgroep

Leidse regio

Duin- en Bollenstreek

Rijnstreek

21

2021

→

Eind

Gezin

12

→

11

Alleenstaanden

62

→

44

Jongeren

15

→

10

Gezin

3

→

4

Alleenstaanden

9

→

17

Jongeren

0

→

4

Gezin

6

→

5

Alleenstaanden

11

→

21

Jongeren

4

→

5

Op basis van deze uitkomsten zou ▹ De Leidse regio een aantal plekken moeten afbouwen voor alleenstaanden en (in mindere mate) jongeren. Voor gezinnen zou er echter opgebouwd moeten worden. ▹ De Duin- en Bollenstreek zou wat plekken voor jongeren en alleenstaanden op moeten bouwen.

▹ In de Rijnstreek zouden er nu juist teveel plekken voor gezinnen zijn, maar te weinig voor alleenstaanden.

2. Regionaal op- en afbouwplan

Onderhoudsadvies

Zoals eerder aangegeven, betreft het vooralsnog een startfoto van de benodigde opbouw. Er zijn verschillende ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de benodigde op- af en ombouw die nu nog niet (volledig) hun weg hebben kunnen vinden in het op- en afbouwmodel. We stippen hieronder de wat ons belangrijkste aan, bij wijze van onderhoudsadvies voor het op- en afbouwmodel. Beschermd wonen ▹ Het daadwerkelijke aantal aanmeldingen. Deze is nu gebaseerd op een vertaling van het objectieve verdeelmodel. De feitelijke aantal aanmeldingen kunnen hier in de praktijk van af blijken te wijken. ▹ Preventie: de mate waarin tegemoet gekomen kan worden aan aanmeldingen voor BW door cliënten thuis of anderszins zelfstandig te laten blijven wonen met passende begeleiding.

▹ Duur van trajecten per doelgroep. Er is nu één duur gehanteerd, voor alle groepen samen, omdat het binnen de looptijd van deze opdracht niet mogelijk was om de gemiddelde duur van trajecten per doelgroep te hanteren. De uitkomsten zijn echter wel gevoelig voor de gemiddelde duur. 1. Zie ook de toelichting op de uitkomsten in de Bijlage pagina 50. 22

▹ Verdeling instroom per doelgroep. Momenteel is aangenomen dat de instroom voor elke subregio op dezelfde manier verdeeld is over de verschillende doelgroepen – namelijk naar rato van de verdeling van het totaal aantal bestaande plekken over de verschillende doelgroepen. Dit kan hier in de praktijk echter van afwijken: niet alleen kan de verdeling naar doelgroepen per subregio verschillen, maar ook kan een verschillende trajectduur voor doelgroepen tot een andere verdeling van instroom leiden dan de verdeling van het aanbod. Maatschappelijke opvang ▹ De instroom in de maatschappelijke opvang is nu gebaseerd op de verdeling van het objectieve budget voor MO over de subregio’s. Het is verstandig om de komende jaren bij te houden of dit meerjarig voldoende overeenstemt met de verdeling van de daadwerkelijke instroom. ▹ Om tot een gemiddelde (‘rekenkundige’) duur van trajecten te komen, hebben we een bepaalde bezettingsgraad meegenomen, gedefinieerd door het aantal verblijfsdagen gedeeld door aantal plekken. Voor deze laatste zijn er echter twee bronnen, waarbij één bron herkenbare aantallen plekken oplevert, maar dit suggereert een lagere bezettingsgraad dan in werkelijkheid het geval is. Het is goed om in de nabije toekomst de juiste interpretatie van gehanteerde gegevens te krijgen1. Dit heeft overigens niet direct invloed op de resultaten.

Inhoudsopgave

23

1.

Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting

p. 2

2.

Regionaal op- en afbouwplan

p. 7

3.

Onderlinge afhankelijkheden en hun omvang

p. 23

4.

Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

p. 30

Bijlagen

p. 35

3. Risico’s als gevolg van op- en afbouw en hun omvang

Onderlinge afhankelijkheden van op- en afbouw

Om goed om te kunnen gaan moet onderlinge afhankelijkheden, is het eerst nodig om een goed beeld te hebben van wat deze zijn. In de tabel op de volgende pagina geven we een overzicht van deze afhankelijkheden. In de komende pagina’s werken we deze nader uit. Daarbij beschrijven we voor elk ervan: ▹ Wat de aard van het onderlinge afhankelijkheid is (omschrijving van de oorzaak). ▹ Wat de potentiële impact van het de onderlinge afhankelijkheid is, dus wat de mogelijke gevolgen zijn en voor wie. ▹ Welke waarborgen er al zijn om de kans te verkleinen dat ongewenste situaties optreden, of om de impact ervan te verkleinen wanneer het optreedt.

24

Context Landelijk zal er waarschijnlijk voor beschermd wonen een woonplaatsbeginsel dan wel een kostenregeling gehanteerd gaan worden voor cliënten die in een andere gemeente beschermd gaan wonen dan hun herkomstgemeente. Van welke van de twee sprake zal zijn, is op het moment van schrijven onbekend. In het geval er voor een kostenregeling gekozen wordt, moet deze bovendien nog nader uitgewerkt worden. De regio heeft eerder aangegeven een eventueel woonplaatsbeginsel niet te willen hanteren. Het is onduidelijk of dit mogelijk is (en zo ja hoe), maar we zijn er in de beschrijving van de onderlinge afhankelijkheden vanuit gegaan dat voor cliënten binnen de regio de plek waar iemand beschermd gaat wonen leidend is voor wie de verantwoordelijkheid heeft en kosten draagt.

3. Risico’s als gevolg van op- en afbouw en hun omvang

Beschrijving van de onderlinge afhankelijkheden | Samenvatting Er is in wezen sprake van twee verschillende onderlinge afhankelijkheden (met elk weer verschillende mogelijke oorzaken):

25

Afhankelijkheid

1: Te weinig aanbod

2: te veel aanbod

Impact

Cliënten moeten uitwijken naar passend aanbod in een andere subregio, waardoor de cliënt niet in de eigen omgeving (beschermd) kan wonen of opgevangen kan wordtn (met minder kansen voor herstel) en deze andere subregio wordt met hogere uitgaven geconfronteerd.

Cliënten uit die subregio’s moeten uitwijken naar passend aanbod in de betreffende subregio, zij kunnen niet in de eigen omgeving (beschermd) wonen of opgevangen worden, met minder kansen voor herstel. Dit leidt tot hogere uitgaven voor deze subregio. Er kan ook sprake zijn van leegstand, mogelijk met frictiekosten als gevolg.

Mogelijke oorzaken

Het is de subregio niet gelukt om voldoende snel voldoende aanbod op te bouwen.

Het is de subregio niet gelukt om aanbod voldoende snel af te bouwen.

(Een) andere subregio(’s) heeft aanbod te snel afgebouwd.

(Een) andere subregio(‘s) hebben te snel of te veel aanbod opgebouwd voor de betreffende doelgroep.

Er is een onderschatting van het aantal cliënten gemaakt.

Er is een overschatting van het aantal cliënten gemaakt.

Een deel van het beschikbare aanbod wordt bezet door cliënten uit andere (sub)regio’s, waardoor de eigen cliënten niet geplaatst kunnen worden.

Cliënten uit de eigen subregio wonen in (een) andere (sub)regio’s.

3. Risico’s als gevolg van op- en afbouw en hun omvang

Beschrijving van de onderlinge afhankelijkheden | te weinig aanbod in een subregio Oorzaak Een subregio heeft op enig moment voor cliënten die een bepaalde problematiek hebben niet voldoende geschikte plaatsen in vergelijking met het aantal cliënten dat vanuit de eigen subregio komt. Hiervoor kan een divers aantal (mogelijk samenhangende) oorzaken zijn. Daarbij kan er sprake zijn van een tijdelijk of een structureel vraagstuk: ▹ Tijdelijk: ▹ Het is de subregio niet gelukt om voldoende snel voldoende aanbod op te bouwen. ▹ (Een) andere subregio(’s) heeft aanbod te snel afgebouwd. ▹ Structureel: ▹ Er is een onderschatting van het aantal cliënten gemaakt. ▹ Een deel van het beschikbare aanbod wordt bezet door cliënten uit andere (sub)regio’s, waardoor de eigen cliënten niet geplaatst kunnen worden.

26

Mogelijke impact Cliënten moeten uitwijken naar passend aanbod in een andere subregio, waardoor de cliënt niet in de eigen omgeving (beschermd) kan wonen of opgevangen kan worden (met minder kansen voor herstel) en deze andere subregio wordt met hogere uitgaven geconfronteerd. Waarborgen Er zijn verschillende mogelijkheden om de kans op optreden van dit risico of de impact van optreden ervan te verkleinen. We noemen ze, met een korte reflectie erop: ▹ Een cliënt komt in dit geval op de subregionale wachtlijst terecht. Dit kan ten eerste alleen voor cliënten met een laag risico op escalatie. Een wachtlijst is in de eerste plaats een instrument om schommelingen op te vangen; een structureel tekort zou ervoor zorgen dat cliënten erg lang op de wachtlijst kunnen staan. ▹ Voor sommige cliënten met een hoge urgentie zou plaatsing in een andere locatie voor cliënten met een andere problematiek een oplossing kunnen zijn. Daar staan tegenover dat lang niet alle groepen in BW en MO met elkaar op één locatie kunnen wonen en dat er voor de cliëntgroep waarvoor die andere locatie bedoeld is, mogelijk ook te weinig aanbod is.

3. Risico’s als gevolg van op- en afbouw en hun omvang

Beschrijving van de onderlinge afhankelijkheden | te veel aanbod in een subregio Oorzaak Een subregio heeft op enig moment voor cliënten die een bepaalde problematiek hebben meer geschikte plaatsen dan er nodig is voor het aantal cliënten dat vanuit de eigen subregio komt. Dit risico is in zekere zin een evenknie van risico 1, maar vanuit het perspectief van een andere subregio. Daardoor zijn de mogelijke oorzaken ook vergelijkbaar: ▹ Tijdelijk: ▹ Het is de subregio niet gelukt om aanbod voldoende snel af te bouwen. ▹ (Een) andere subregio(‘s) hebben te snel of te veel aanbod opgebouwd voor de betreffende cliëntgroep. ▹ Structureel:

▹ Er is een overschatting van het aantal cliënten gemaakt. ▹ Cliënten uit de eigen subregio wonen in andere (sub)regio’s.

27

Mogelijke impact Wanneer andere subregio’s te weinig geschikte plekken hebben, moeten cliënten uit die subregio’s mogelijk uitwijken naar passend aanbod in de betreffende subregio. Daardoor kunnen zij niet in de eigen omgeving (beschermd) wonen of opgevangen worden, met minder kansen voor herstel. De subregio in kwestie wordt in dat geval met hogere uitgaven geconfronteerd. Wanneer andere subregio’s geen tekort aan plekken hebben, kan er sprake zijn van leegstand. Afhankelijk van de voorwaarden waaronder aanbieders gecontracteerd worden, is er dan sprake van frictiekosten voor rekening van de subregio in kwestie. Waarborgen Er is één waarborg om deze onderlinge afhankelijkheid te verkleinen:

▹ De lege plekken worden gevuld met bewoners waarvoor de gemeente geen of minder kosten maakt, bijvoorbeeld Wlz-cliënten of statushouders. Niet elke locatie is daar echter voor geschikt en bovendien moeten er sprake van noemenswaardige capaciteit zijn om dit te laten werken. Ook voor Wlz-cliënten is er bijvoorbeeld een minimum aantal nodig voor een levensvatbare bedrijfsvoering van een locatie.

3. Risico’s als gevolg van op- en afbouw en hun omvang

Omvang van onderlinge afhankelijkheden | toelichting en omvang wachtlijst BW Beschermd wonen: vinger aan de pols voor sommige doelgroepen De risico’s die hiervoor beschreven staan, zijn allen afhankelijk van de verhouding tussen aanbod en aanmeldingen. De omvang van de wachtlijsten is een weerspiegeling daarvan: zijn er meer aanmeldingen dan er aanbod beschikbaar is, dan groeit de wachtlijst en omgekeerd. De omvang van de wachtlijst zegt dus iets op de druk vanuit een subregio om cliënten in een andere subregio te willen of moeten plaatsen en over de ruimte die er bij die andere subregio is om dat te doen. Om een inschatting van de omvang van de risico’s te geven, vergelijken we daarom de omvang van de wachtlijsten. Dit is in de afbeelding hiernaast weergegeven. Deze afbeelding laat zien dat de wachtlijsten in alle jaren voor alle drie de subregio’s aanzienlijk blijven.

▹ Voor de doelgroep JP is er een relatief groot verschil tussen huidige en toekomstige situatie waardoor op- en afbouw in het bijzonder gecoördineerd plaats moet vinden. ▹ Voor de doelgroep PL zijn er relatief korte wachtlijsten, waardoor open afbouw vrij snel een redelijke impact op de wachtlijst kan hebben. Totale omvang wachtlijst per subregio 60 50 40 30 20

In de Bijlage Hoofstuk 3 (pagina’s 51 – 53) staan de wachtlijsten voor de verschillende doelgroepen afzonderlijk weergegeven. Voor drie doelgroepen tonen die wachtlijsten een erg vergelijkbaar beeld. Voor twee doelgroepen is extra aandacht op zijn plaats:

10 0 2023

2024

2025

2026

2027

Duin- en Bollenstreek

28

2028

2029

Rijnstreek

2030

2031

Leidse regio

2032

3. Risico’s als gevolg van op- en afbouw en hun omvang

Omvang van onderlinge afhankelijkheden |decentrale opvang en conclusies Decentrale opvang: tempo van op- en afbouw van belang Vanwege de gemiddeld veel kortere doorlooptijd van de decentrale opvang ten opzichte van BW (zie Bijlage, pagina 53, heeft een overschot of tekort van één plek voor de decentrale opvang veel grotere effecten op de (virtuele) wachtlijst dan bij BW. Deze kan daarom in korte tijd groeien of krimpen. Dit komt in de praktijk neer op het moeten zoeken van creatieve oplossingen dan wel op een lagere bezettingsgraad van plekken. Het gaat tegelijkertijd om kleine aantallen benodigde op- en afbouw (ordegrootte van twee plekken). Wanneer gebruik van elkaar plekken als onwenselijk wordt gezien, kunnen voornoemde schommelingen dus voorkomen worden door het benodigde aantal plekken snel te realiseren.

29

Conclusies omvang van onderlinge afhankelijkheden Het lijkt op basis van de voorgaande uitkomsten dat schommelingen in aanbod als gevolg van op-, af- en ombouw in hoge mate opgevangen zullen worden door een toe- of afname van de wachtlijst. Er zal naar verwachting dan ook geen sprake zijn van (aanzienlijke) leegstand, of druk op het aanbod vanuit andere subregio’s. Wel zijn er twee doelgroepen (JP en PL) waarbij de omvang van de wachtlijsten tussen subregio’s meer verschilt dan voor de andere doelgroepen. Daarvoor is gecoördineerde op- en afbouw nog meer gewenst is dan voor de andere doelgroepen. Voor de decentrale opvang gaat het om kleine aantallen op- en afbouw, maar ook om een veel grotere doorloopsnelheid dan bij BW. Schommelingen in de (virtuele) wachtlijsten als gevolg daarvan kunnen voorkomen worden door het benodigde aantal plekken snel te realiseren.

Inhoudsopgave

30

1.

Aanleiding, opdracht, proces en samenvatting

p. 2

2.

Regionaal op- en afbouwplan

p. 7

3.

Onderlinge afhankelijkheden en hun omvang

p. 23

4.

Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

p. 30

Bijlagen

p. 35

4. Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

Uitgangspunten als toetssteen voor de afspraken (1/2)

Het PHO heeft de volgende uitspraken gedaan om met risico’s om te gaan ▹ “Consequenties van afwijken van het plan (bijv. wachtlijsten) zijn voor de betreffende subregio. Gemeenten maken afspraken over een situatie waarin middelen niet tijdig meegroeien.” ▹ “Als compensatie voor subregio’s die niet kunnen afbouwen omdat opbouw elders achterloopt, kan bijv. worden afgesproken dat het corresponderende deel van het budget voor opbouw wordt overgeheveld naar de subregio die de afbouw hierdoor niet kan realiseren. Andersom geldt hetzelfde voor subregio’s die niet tijdig kunnen opbouwen.” Waarom gesprek over afspraken? ▹ Het is zaak om deze uitspraken te concretiseren, zodat er voor elke situatie die zich mogelijk voor gaat doen, sluitende afspraken geformuleerd zijn. We nemen hierbij de besluiten die recent door het PHO genomen zijn als vertrekpunt, dat we aanvullen en/of nader uitwerken.

31

▹ Als toetssteen voor dergelijk afspraken stellen we eerst een aantal uitgangspunten op. Zulke uitgangspunten zorgen ervoor dat we makkelijker tot afspraken kunnen komen, omdat we op de uitgangspunten terug kunnen vallen. Dit doen we idealiter al voordat duidelijk is wie welke risico’s loopt op basis van de op- en afbouwplannen, zodat doelredeneringen zo min mogelijk een rol spelen bij de totstandkoming van deze uitgangspunten. Uitgangspunten ▹ Reikwijdte. De afspraken hebben betrekking op een (nog nader te bepalen) overgangsfase. Uitgangspunt is dat na die overgangsfase een grotendeels stabiele situatie ontstaan is. ▹ Compleetheid. Voor alle risico’s als gevolg van op- en afbouw die zich redelijkerwijs voor kunnen doen, zijn afspraken geformuleerd. ▹ Gelijkwaardigheid. De noodzaak om afspraken te formuleren / toe te passen voor mitigatie risico’s is alleen afhankelijk van de omvang van het risico, niet van bij welke partij het risico zich voordoet. Zie vervolg op volgende pagina.

4. Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

Uitgangspunten als toetssteen voor afspraken (2/2)

Uitgangspunten (vervolg) ▹ Attributie. Het moet duidelijk zijn dat het werkelijkheid worden van risico toe te schrijven is aan wat een subregio (niet) gedaan heeft. Dit vraagt ook iets van gedeelde monitoring. ▹ Cliëntperspectief. Er kunnen redenen zijn dat verhuizen naar een andere subregio juist wel wenselijk is. Inwoners mogen bovendien geen last ondervinden van gemaakte afspraken. ▹ Gezamenlijkheid. Subregio’s staan allen voor vergelijkbare opgaves. Zij gaan uit van onderling vertrouwen bij het verwezenlijken ervan. ▹ Voorkomen van administratieve lasten. Er moet zoveel als mogelijk voorkomen worden dat de afspraken tot administratieve lasten leiden.

32

4. Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

Voorstel voor te maken afspraken (1/2)

Hieronder staat een voorzet voor de formulering van mogelijke afspraken, rekening houdend met de uitgangspunten op de vorige pagina’s en met jullie input afgelopen bijeenkomst. Zie de volgende pagina voor gespreksvragen. Achterliggend doel ▹ Subregio’s organiseren voldoende en passende vormen van maatschappelijke zorg voor hun inwoners met o.a. een psychische problematiek, zodat zij niet tussen wal en schip vallen. Dit moeten zij echter binnen eindige financiële kaders doen. Intentieverklaring voor gecoördineerde op-, af- en ombouw ▹ Subregio’s zetten zich in om voldoende snel en in onderlinge afstemming de stabiele situatie te bereiken waarin vraag en aanbod voor hun subregio met elkaar in balans zijn. Daarbij kan het overigens in sommige gevallen juist wenselijk zijn dat een inwoner in een andere subregio gaat wonen, bijvoorbeeld om diens veiligheid te waarborgen of om aan een negatief netwerk te ontsnappen. ▹ Ten behoeve van bovenstaande bouwen subregio’s het benodigde aanbod op en/of bouwen overtollig aanbod af.

33

▹ Subregio’s doen hun best om creatieve manieren te vinden om ongewenste plaatsingen in andere subregio’s en leegstand te voorkomen. Denk hierbij aan: het zoeken naar alternatieve bestemmingen (Wlz, etc.), het tijdelijk betrekken van alternatieve huisvestingsvormen (hotels e.d.). ▹ Voor bovenstaande kan het nodig zijn om incidenteel middelen naar voren te halen. ▹ Subregio’s oormerken de hiervoor beschikbare middelen voor de betreffende voorzieningen. ▹ Subregio’s hebben hiertoe een gezamenlijk op- en afbouwplan opgesteld om concreet invulling te geven aan deze intenties. Zij concretiseren dit plan in 2022 en 2023 (en later waar nodig) en blijven het herijken op basis van de ontwikkelingen. Zij verzamelen en delen de benodigde informatie om tenminste jaarlijks te kunnen constateren of zij deze intenties waarmaken. ▹ Subregio’s blijven met elkaar in gesprek over de ontwikkelingen en hun (on)mogelijkheden om de beweging te beïnvloeden en om samen slimme oplossingen te realiseren.

4. Afspraken voor een gecoördineerde op- en afbouw

Voorstel voor te maken afspraken (2/2) & vertaling naar regionale governance Eenduidige vaststelling wanneer intenties niet waargemaakt worden (en risico’s zich voordoen) Als gevolg van het niet voldoende waarmaken van de intenties, kan het voorkomen dat:

Een goede regionale governance is nodig om de afspraken waar te kunnen maken ▹ In het voorgaande voorstel voor onderlinge afspraken is er veelvuldig sprake van onderlinge afstemming tussen de subregio’s.

▹ er inwoners naar een andere subregio uit moeten wijken om de benodigde maatschappelijke zorg te ontvangen, anders dan omdat dit in hun eigen belang is;

▹ Hoe deze afstemming precies vormgegeven wordt, is echter van grote invloed op of de afspraken waargemaakt kunnen worden: op welke niveaus heeft men hoe vaak afstemming en waarover precies? Welke informatie is nodig voor dat gesprek en eventuele besluitvorming naar aanleiding ervan?

▹ er, door te snelle opbouw in een andere subregio, plekken of locaties (tijdelijk) leeg komen te staan waarvoor de betreffende subregio wel kosten moet maken, Consequenties wanneer dit het geval is Wanneer deze intenties niet waargemaakt (kunnen) worden, gaan subregio’s in overleg om met elkaar naar passende oplossingen te zoeken binnen de mogelijkheden waarover zij beschikken.

34

▹ Formuleren van antwoorden op deze vragen, valt buiten de reikwijdte van deze opdracht. Het is echter raadzaam om naar aanleiding van dit op- en afbouwplan de afspraken concreet te vertalen wat zij in de governance nodig maken en zo ook het gesprek over de regionale governancestructuur te voeden. ▹ In aanvulling daarop kan de onderlinge afstemming tussen gemeenten ook iets betekenen voor de wijze waarop zij aanbieders tegemoet treden. Het kan bijvoorbeeld van meerwaarde zijn om (een deel van de) accountgesprekken gezamenlijk te voeren. Ook hierover kan het verstandig zijn onderlinge afspraken te maken.

Bijlagen 35

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel A | Conceptueel kader: bouwstenen voor het op- en afbouwplan Reikwijdte van een op- en afbouwplan De belangrijkste uitkomsten van het op- en afbouwplan zijn, zoals eerder genoemd: ▹ hoeveel cliënten met elk type problematiek elk van de subregio’s voor een voldoende lange periode waarschijnlijk heeft. ▹ het aantal plaatsen dat door deze cliënten bezet wordt. Het verschil tussen beiden uit zich in een toe- of afname van de omvang van de wachtlijst. We hebben de belangrijkste elementen van het conceptueel kader in de figuur rechts schematisch weergegeven. Daarbij geven de labels ‘+’ en ‘-’ het verband aangeven: + betekent meer van het één is meer van het ander, en ‘-’ betekent het omgekeerde. In lichtrood wordt de startwaarde aangeven. Het aantal bezette plekken aan de start is in lichtrood weergegeven, omdat deze het aantal bezette plekken weliswaar beïnvloedt, maar zelf niet variabel is. 36

Terug naar verwijspagina

Verwachte aanmelding objectief verdeelmodel

Omvang wachtlijst (t = 0)

Ambitie preventie

Wachtlijst(t)

Aanmeldingen(t)

+

Instroom(t)

+ Instroom naar andere subregio’s

Aantal cliënten (t = 0)

+

Aanbod(t)

+ Directe Instroom(t)

Ambitie wachtlijsten

-

Duur van trajecten

-

Uitstroom(t)

Woningtekort zelfst. woningen

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel A | Conceptueel kader: opbouw van het kader (1/4) Belangrijkste elementen het aantal bezette plekken Dat aantal bezette plekken is afhankelijk van: ▹ Instroom: hoe meer cliënten er in een jaar instromen, hoe meer van de plekken er bezet zullen zijn. ▹ Uitstroom: hoe meer cliënten er in een jaar uitstromen, hoe minder er aan het eind van dat jaar zullen zijn.

▹ Ambitie wachtlijst1: hoe meer cliënten een subregio per jaar extra van de wachtlijst af wil halen, des te meer plekken er gerealiseerd zullen moeten worden.

Aantal cliënten (t = 0)

Instroom(t)

+

▹ Het aantal cliënten aan de start. Hoe groter dit aantal is, hoe groter het aantal op termijn is.

Aanbod(t)

Ambitie wachtlijsten

1. Dit is vooral bij beschermd wonen een reëel begrip, in de maatschappelijke opvang zullen we van een virtuele wachtlijst spreken. 37

Terug naar verwijspagina

-

Uitstroom(t)

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel A | Conceptueel kader: opbouw van het kader (2/4) De uitstroom van cliënten is op zijn beurt weer van verschillende factoren afhankelijk: ▹ De duur van trajecten, dus hoe lang een cliënt gemiddeld op basis van diens problematiek en de effectiviteit van diens begeleiding beschermd moet wonen of opgevangen moet worden. Hoe korter trajecten duren, hoe groter de uitstroom is.

▹ De beschikbaarheid van zelfstandige woningen, ofwel het woningtekort die een belemmering kunnen vormen voor uitstroom. Hoe groter het tekort aan zelfstandige woningen hoe kleiner de uitstroom. ▹ De ambitie van gemeenten om kortere wachtlijsten te hebben, kan zich uiten in inzet om trajecten effectiever en daarmee korter te laten zijn, of om de mogelijkheden voor uitstroom te vergroten.

Deze elementen zijn aan het schema rechts toegevoegd. Gestippelde lijnen duiden hier op relaties die weliswaar van invloed zijn, maar (voor nu) niet in het kwantitatieve model meegenomen worden, omdat hun invloed moeilijk te bepalen is.

38

Terug naar verwijspagina

Aantal cliënten (t = 0)

Duur van trajecten

Instroom(t)

Aanbod(t)

Uitstroom(t)

Ambitie wachtlijsten

-

Woningtekort zelfst. woningen

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel A | Conceptueel kader: opbouw van het kader (3/4) Ook de verwachte instroom is weer afhankelijk van verschillende factoren:

Omvang wachtlijst (t = 0)

▹ Het aantal nieuwe aanmeldingen van cliënten in een subregio. ▹ Een deel van deze aanmeldingen kan direct instromen, bijvoorbeeld in het geval van urgentie of bij het ontbreken van een wachtlijst (voor een bepaalde doelgroep). ▹ De overige cliënten komen eerst terecht op de wachtlijst. Dit is dus de indicator van het verschil tussen vraag en aanbod van maatschappelijke zorg. Hypothetisch gezien kan deze negatief zijn waarbij er meer aanbod is van plekken dan vraag van cliënten. We spreken daarom soms van een ‘virtuele wachtlijst’ – die overeenkomt met de werkelijke wachtlijst zodra deze groter dan nul is. ▹ De omvang van de wachtlijst op enig moment is verder afhankelijk van de omvang van de wachtlijst aan de start (lichtrood). Deze elementen zijn aan het schema rechts toegevoegd. 39

Terug naar verwijspagina

Aanmeldingen(t)

+

Wachtlijst(t)

Aantal cliënten (t = 0)

Duur van trajecten

Instroom(t)

Aanbod(t)

Uitstroom(t)

Directe Instroom(t)

Ambitie wachtlijsten

Woningtekort zelfst. woningen

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel A | Conceptueel kader: opbouw van het kader (4/4) Tot slot is ook het verwachte aantal aanmeldingen weer afhankelijk van vier factoren: ▹ Het aantal cliënten dat (uiteindelijk) per subregio verwacht mag worden op basis van het objectieve verdeelmodel. ▹ De ambitie om cliënten vaker dan nu zelfstandig te kunnen blijven laten wonen. Hoe groter deze ambitie (en bijbehorende effectieve inzet) voor preventie, hoe kleiner het aantal aanmeldingen in de subregio is. ▹ Daarnaast kan het gebeuren dat een deel van de aanmeldingen leidt tot instroom in een andere subregio, wanneer het aantal plekken te klein is (wat zich uit in een te lange wachtlijst/wachttijd). Deze elementen zijn aan het schema rechts toegevoegd.

40

Terug naar verwijspagina

Verwachte aanmelding objectief verdeelmodel

Omvang wachtlijst (t = 0)

Ambitie preventie

Wachtlijst(t)

Aantal cliënten (t = 0)

Duur van trajecten

Instroom(t)

Aanbod(t)

Uitstroom(t)

Directe Instroom(t)

Ambitie wachtlijsten

Woningtekort zelfst. woningen

-

Aanmeldingen(t)

+

+ Instroom naar andere subregio’s

-

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel B | Implementatie bouwstenen: rekenregels Uitstroom (t) = (Bezette plekken(t) / gemiddelde trajectduur (t)* [* Als gevolg van afronden begeleidingstraject en aanvullend door woningtekort] Instroom (t) = Uitstroom(t) + [#Plekken (t) - #Plekken(t-1)],

#Plekken(t=0) op basis van beschikbare gegevens

Wachtlijst (t+1) = Wachtlijst(t) + Aanmeldingen (t) - Instroom (t)x,

Wachtlijst(t=0) op basis van beschikbare gegevens.

Aanmeldingen (t) = Verwachte Aanmeldingen Objectief Verdeelmodel (t) * factor effectiviteit preventie (t)

41

Terug naar verwijspagina

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | aantal plekken BW aan de start Om een zinvol op- en afbouwplan te krijgen, moeten we deze voeden met realistische gegevens over de uitgangssituatie en met parameters. We maken wat dit eerste betreft onderscheid naar het huidige aantal plekken / cliënten en naar de omvang van de wachtlijst.

Doelgroep

Regionaal

Totaal

Duin- en bollenstreek 88

Leidse regio

Rijnstreek

Totaal subregionaal (# en %)

136

187

84

407

100%

MO

18

25

12

56

13,8%

LVB

26

22

4

52

12,8%

PL

20

25

26

71

17,4%

JP

5

24

0

27

6,6%

ASS

51

91

42

201

49,4%

1. Overzicht regionale en subregionale voorzieningen BW (Excel-bestand). 42

Het huidig aanbod van plekken We gaan hier uit van een eerdere inventarisatie van plekken1 die door de regio gemaakt is, aangevuld door subregio’s met recente ontwikkelingen. Het gaat hier om het aantal plekken per 2023. Zij hebben deze vervolgens toebedeeld naar voor welke doelgroep(en) deze plekken bestemd zijn. Het resultaat hiervan is in de tabel hieronder te vinden.

Terug naar verwijspagina

Bijlagen

Hoofdstuk 2, onderdeel C. Voeden van rekenregels | gemiddelde duur van BW-trajecten De uitstroom van cliënten is afhankelijk van de gemiddelde duur van trajecten. Op basis van gegevens van de regio1 kunnen we hiervan een inschatting maken. Dit geeft de duur van de trajecten weer van alle cliënten die in een bepaald jaar (‘20, ’21 of ’22) uit zijn gestroomd, verdeeld in categorieën. Deze gegevens zijn momenteel niet uitgesplitst naar doelgroep beschikbaar. In onderstaande tabel zijn de waarden uit die grafiek overgenomen. 1-1,5jr

1,5-2jr

2-3jr

Om tot een gemiddelde duur te komen, geven we elke categorie een wegingsfactor die met de tijd correspondeert. In 2020 bestond de uitstroom voor een groot deel uit cliënten die naar de Wlz uitgestroomd zijn. Om tot een zo afgewogen mogelijk beeld te komen, nemen we daarom de jaren 2020 en 2021 mee. Aan de hand hiervan komen we tot een gemiddelde duur van 3,3 jaar.

Jaar

0 - 0,5jr

0,5 - 1jr

3-4jr

4-5jr

>5jr

Totaal

2020

28

29

16

17

28

15

25

110

268

4,3

2021

35

31

22

19

16

9

13

63

208

3,4

2022

13

13

4

4

10

2

3

13

62

2,9

Wegingsfactor (input AEF):

0,5

1,0

1,5

2,0

3,0

4,0

5,0

7,0

1. Bron: Dashboard beschermd wonen, blad ‘BW-plekken | Cliënten – trend jaren’, grafiek ‘Uitstroom – duur BWplek’. 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=471bb8b4-0ed7-403d-ba35-3211fd32c841