1. WasWordt-lijst Samenwerkingsovereenkomst
Tekst van het document
Bijlage 2
Was-wordt lijst Samenwerkingsovereenkomst (SOK) Maatschappelijke zorg Holland Rijnland 2023 Onderdeel
Ontwerp SOK Holland Rijnland versie 2.2
Artikel 3 Voorzieningenniveau
Artikel 13 Toetreding
13.1 Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot toetreding van een college en burgemeester van een gemeente aan deze regeling. 13.2 Bij toetreding van een college maken de deelnemers afspraken over een herschikking van de financiële budgetten. 13.3 De toetreding wordt pas ter toestemming voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers en de gemeenteraad van het toetredende college en burgemeester als over de toetreding overeenstemming met de andere deelnemers is bereikt.
13.4 Op toetreding tot deze regeling is artikel 22 van deze regeling van overeenkomstige toepassing. 13.5 Naar aanleiding van het toetreden wijzigen de overige deelnemers de regeling, conform artikel 12
Herziene SOK versie augustus 2023
Toelichting
3.3 De gemeenten in Holland Rijnland zetten zich in voor een gezamenlijke monitoring van de maatschappelijke zorg om de voortgang van de geschetste transformatie te bewaken 13.1 Het college van een andere gemeente kan een verzoek tot toetreding richten aan het college van de centrumgemeente.
Toegevoegd omdat gezamenlijke monitoren van transformatie in Holland Rijnland belangrijk is.
13.2 Het college van de centrumgemeente stuurt een afschrift van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk aan de colleges van de overige deelnemers. 13.3 Het college van de centrumgemeente kan voorwaarden verbinden aan de toetreding, en zendt deze voorwaarden zo spoedig mogelijk aan het college dat wenst toe te treden. De voorwaarden worden echter niet verzonden dan nadat de colleges van de overige deelnemers gelegenheid is geboden hun wensen en bedenkingen omtrent de toetreding bekend te maken bij het college van de centrumgemeente. 13.4 Tot toetreding is besloten wanneer het college van de centrumgemeente, het toetredende college én de colleges van de overige deelnemers met de toetreding hebben ingestemd. 13.5 De toetreding treedt in werking de eerste dag van de maand na het besluit, bedoeld in het
Deelnemer wordt gewijzigd naar college. In Wgr een bevoegdheid van het college.
Zie toelichting bij artikel 13.2
Zie toelichting bij artikel 13.2
Artikel 14 Uittreden
14.1 Een deelnemer die wenst uit te treden dient dit voornemen schriftelijk kenbaar maken aan de overige deelnemers. 14.2 Een deelnemer besluit tot uittreding nadat zijn raad hiertoe toestemming heeft verleend en dit besluit heeft bekendgemaakt. 14.3 Uittreding kan niet eerder plaats vinden dan een jaar na afloop van het kalenderjaar waarin het besluit tot uittreding is genomen.
14.4 Aan de uittreding van een deelnemer zijn kosten verbonden en er dient een financiële afwikkeling te komen. 14.5 Naar aanleiding van het uittreden wijzigen de overige deelnemers de regeling, conform artikel 12.
vierde lid, of anders op een moment zoals in het toetredingsbesluit bepaald. 14.1 Een college van een van de gemeenten kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 14.2 Een college zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan de andere colleges. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het college van de centrumgemeente het besluit heeft ontvangen. 14.3 Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het conceptuittredingsplan. 14.4 Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 14.5 De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van een jaar na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. De uittreding gaat in elk geval niet in binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling.
14.6 Indien het college van de centrumgemeente beslist tot uittreding, dan nemen alle colleges binnen zes maanden een besluit of in plaats van de uittredingsprocedure van artikel 14 besloten wordt tot opheffing van de regeling overeenkomstig artikel 15. Besluiten twee derde van de colleges tot opheffing, dan is
Deelnemer wordt gewijzigd naar college. In Wgr een bevoegdheid van het college.
artikel (opheffing) verder van toepassing en wordt de uittredingsprocedure gestopt. Wordt niet tot opheffing besloten, dan wordt de procedure van artikel (uittreding) gevolgd. 14.7 Een college dat voornemens is uit te treden kan het college van de centrumgemeente vragen een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding, overeenkomstig hetgeen in deze regeling bepaald. De indicatie wordt binnen zes maanden opgeleverd, tenzij het betreffende uittredende college en het college van de centrumgemeente anders overeenkomen. De kosten voor het opstellen van de indicatie komen voor rekening van het college dat om de indicatie heeft verzocht. De indicatie bindt de gemeenten niet wanneer definitief tot uittreding wordt besloten. Procedure vaststellen uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het concept-uittredingsplan voorbereidt.
De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
Procedure tot vaststellen van uittredingsplan is toegevoegd
4. Het college van de centrumgemeente wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de secretaris van de centrumgemeente. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het college van de centrumgemeente de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden uit de colleges, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer en een vertegenwoordiger van de centrumgemeente. 5. Ten minste zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek die is gehanteerd in het uittreedplan en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek die is gehanteerd in het uittreedplan. 7.
Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag
vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het college van de centrumgemeente de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het college van de centrumgemeente conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Te vergoeden kosten 1. De voorlopige, respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de centrumgemeente die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4.
De centrumgemeente brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de
Te vergoeden kosten bij uitreden is toegevoegd. Dit betreffen incidentele kosten als gevolg van uittreding als wel toekomstige kosten die samenhangen met o.a. afbouw van overcapaciteit in personele en materiaal.
Artikel 16 Inwerkingtreding
16.1 De samenwerkingsovereenkomst treedt [per datum] in werking na bekrachtiging door alle gemeenten in Holland Rijnland en bekendmaking.
definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 14, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 14, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 14. 7. De centrumgemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het college van de centrumgemeente van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 16.1 De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.
De duur van de overeenkomst is veranderd naar onbepaalde tijd. Indien bij de evaluatie (2024) besloten wordt de huidige governance voort te zetten hoeft het gehele proces tot het aangaan van een samenwerkingsafspraken niet opnieuw doorlopen te worden. Indien besloten wordt voor een wijziging van de governance of stoppen van de huidige constructie kan, conform art 15 Opheffen.
16.2 De overeenkomst loopt na inwerkingtreding tot 1 januari 2027. Om op tijd een eventuele andere juridische vorm te bepalen voor de samenwerking wordt er in 2024 gestart met een evaluatieproces. 16.3 Na vier jaar is het mogelijk om de samenwerking te stoppen. De financiële consequenties bij eventuele stopzetting worden in kaart gebracht en de gemeenten in Holland Rijnland maken dan andere financiële afspraken. 16.4 De gemeenten in Holland Rijnland hebben de mogelijkheid om binnen de termijn van vier jaar een andere vorm van samenwerking te kiezen en bestuurlijk vast te leggen. De financiële consequenties bij eventuele stopzetting worden in kaart gebracht en de gemeenten in Holland Rijnland maken dan andere financiële afspraken.
Artikel 19 geschillen
19.1 Geschillen over de specialistische maatschappelijke zorg kunnen worden gemeld bij het Regionaal Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland waarin alle subregio’s ambtelijk zijn vertegenwoordigd
16.2 Het college van de centrumgemeente is belast met de bekendmaking van deze regeling overeenkomstig artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 16.3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op wijziging van, toetreding tot, uittreding uit en opheffing van de regeling.
16.4 Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag van bekendmaking door het college van de centrumgemeente, als bedoeld in het tweede lid.
16.5 De regeling wordt ten minste eens per twee jaar geëvalueerd in opdracht van de colleges. De colleges bepalen daarbij in onderling overleg de onderwerpen, werkwijze en planning van de evaluatie. De colleges kunnen daarbij beslissen een onafhankelijke externe de evaluatie te laten uitvoeren. Het eerste evaluatiemoment vindt plaats in 2024. 19.1 Partijen die een geschil hebben over de specialistische maatschappelijk zorg melden dit bij het Regionaal Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland waarin alle subregio’s ambtelijk zijn vertegenwoordigd.
In de artikelen over geschillen is het proces van opschalen en besluitvorming nader uitgewerkt. Het ambtelijke regionaal programmateam en klankbordgroep (afvaardiging van directeuren sociaal domein subregio's) krijgen hierin een rol aangewezen
voorafgaand aan de Commissie Maatschappij. 19.2 Binnen twee weken na melding van het geschil in het Regionaal Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland stuurt elke partij zijn zienswijze over het geschil met een oplossingsgericht voorstel aan de andere partij waar het geschil mee is en aan het Team Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland. Hierna verleggen partijen zo spoedig mogelijk over de oplossing van het geschil. 19.3 Als het geschil niet in het Regionaal Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland kan worden opgelost, dan wordt er geëscaleerd naar het Ambtelijke Klankbord Maatschappelijke Zorg voor besluitvorming. 19.4 Wanneer dit niet leidt tot overeenstemming wijst iedere deelnemer een onafhankelijke deskundige aan. De aangewezen deskundigen benoemen gezamenlijk een deskundige die als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het opdrachtgeverschap aan de commissie wordt door de deelnemers gezamenlijk vervuld. 19.5 De kosten voor het optreden van de onafhankelijke deskundige komen voor rekening van de deelnemer, waarvoor deze optreedt. 19.6 De kosten voor het optreden van de gezamenlijk deskundige, die als voorzitter optreedt, zoals bedoeld in het derde lid,
19.2 Binnen twee weken na melding van het geschil stuurt iedere partij zijn zienswijze over het geschil met een oplossingsgericht voorstel aan het Regionaal Programmateam en aan de andere partij.
19.3 Het Regionaal Programmateam vraagt advies aan het Ambtelijk Klankbord Maatschappelijke Zorg voor de oplossing van het geschil. Het Ambtelijk Klankbord MZ brengt binnen 4 weken advies uit. 19.4 Het Regionaal Programmateam probeert op basis van het advies van het Ambtelijk Klankbord en de zienswijzen van partijen in overleg met partijen tot een oplossing van het geschil te komen
19.5 Als geen oplossing wordt gevonden die voor alle partijen acceptabel is dan wordt het geschil voorgelegd aan de Commissie Maatschappij Holland Rijnland. De Commissie neemt een beslissing over de oplossing van het geschil. 19.6 Het college van elk van de gemeenten die betrokken zijn bij het geschil, kan op ieder moment besluiten het geschil overeenkomstig
Artikel 20 Overige bepalingen
Artikel 22 Aanwijzing artikel 26 Wgr
worden verdeeld over de deelnemers, waarbij de verdeling naar verhouding van het aantal inwoners is. 20.3 Voor zover niet anders geregeld is het gestelde in het Awb van toepassing op deze overeenkomst.
artikel 28 Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland. Is komen te vervallen
Het college van de centrumgemeente is aangewezen om uitvoering te geven aan artikel 26 van de Wgr.
Is komen te vervallen
Artikel 22 Aanwijzing wordt…
Artikel 22 Archivering
Artikel 23 Archivering wordt…
Artikel 23 Citeertitel
Artikel 24 Citaattitel wordt…
Artikel 24 Bijlagen
Het gaat om een samenwerking op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het is juridisch gezien niet correct om aan te geven dat de Abw van toepassing is. Door de gemeente Leiden aan te wijzen als centrumgemeente in deze regeling (artikel 2), is de gemeente daarmee aangewezen voor de uitvoering van art 26 Wgr. Art 26 Wgr bevat bekendmaking van de regeling en/of besluiten tot wijzigingen, verlenging en uittreding.