Uitgangspuntennotitie windenergie A2-zone definitief
Tekst van het document
Uitgangspuntennotitie windenergie voor de A2-zone Een handelingsperspectief voor initiatiefnemers
Gemeente IJsselstein
Introductie Aanleiding Voor u ligt de uitgangspuntennotitie windenergie voor de A2-zone van gemeente IJsselstein. Deze uitgangspuntennotitie is een gebiedsspecifieke uitwerking van het Toets en Afwegingskader Duurzame Energie, dat is opgesteld in 2021. De uitgangspuntennotitie vormt het handelingsperspectief voor ontwikkelaars van windenergieprojecten in de A2-zone in gemeente IJsselstein. Het geeft een overzicht van alle voorwaarden, kaders en uitgangspunten die moeten worden gehanteerd bij de planvorming, ontwikkeling en exploitatie van een windturbine in dit gebied. Deze voorwaarden, kaders en uitgangspunten zijn tot stand gekomen via een participatieve verkenning met bewoners en georganiseerde stakeholders en zijn het resultaat van een zorgvuldige afweging tussen het behalen van energie- en duurzaamheidsdoelen en het beperken van omgevingshinder.
De basis: het toets- en afwegingskader duurzame energie Het toets en Afwegingskader Duurzame Energie uit 2021 vormt de basis voor het ruimtelijk energiebeleid van de gemeente IJsselstein. Het toets- en afwegingskader heeft als doel om duidelijkheid te scheppen over de wijze waarop de gemeente IJsselstein verzoeken voor grootschalige zon- en windprojecten op het gemeentelijk grondgebied beoordeelt op geschiktheid. Het toets- en afwegingskader geeft duidelijkheid aan: • • •
Initiatiefnemers die lokaal duurzame elektriciteit willen opwekken. De gemeente, om deze initiatieven te beoordelen op hun ruimtelijke inpasbaarheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid. Inwoners van de gemeente over de gebieden waar mogelijkerwijs zon- en windprojecten worden gerealiseerd.
In het Toets en Afwegingskader Duurzame Energie heeft de gemeente IJsselstein vastgelegd onder welke voorwaarden grootschalige duurzame energieprojecten worden toegestaan. Deze voorwaarden kunnen ruimtelijk, technisch of financieel zijn, maar gaan ook over wat de gemeente maatschappelijk acceptabel vindt. Het toets- en afwegingskader wordt gebruikt om aanvragen van ontwikkelaars te beoordelen. In het Toets en Afwegingskader is gemeente IJsselstein opgedeeld in landschappelijke zones. Per zone is bepaald of het gebied in beginsel geschikt is voor productie van duurzame energie. Daarnaast zijn gebied specifieke ruimtelijke uitgangspunten en maatschappelijke voorkeuren in beeld gebracht. Dit mondt uit in een besluit per gebied over de openstelling van het gebied voor duurzame energieproductie voor 2030. De A2-zone is op dit moment het enige zoekgebied in de gemeente IJsselstein voor windenergie. In 2021 is besloten om na een brede verkenning dit gebied als potentiële locatie voor windturbines aan te wijzen omdat deze landschappelijk en maatschappelijk het meeste draagvlak heeft.
Nadere verkenning noodzakelijk Bij de besluitvorming rond het Toets en Afwegingskader in 2021 heeft de gemeenteraad besloten om de mogelijkheden voor duurzame energieproductie in de A2-zone (windenergie) en gebied rond de Hollandsche IJssel (zonne-energie) nader te verkennen en op basis daarvan een besluit te nemen over de randvoorwaarden voor duurzame energieproductie in beide gebieden. Deze uitgangspuntennotitie is het resultaat van de verkenning naar windenergieproductie in de A2-zone. De notitie bevat de randvoorwaarden voor initiatiefnemers om in de A2-zone een windturbine te kunnen ontwikkelen, de kaders waarbinnen dit mag gebeuren en de uitgangspunten die het bevoegd gezag hiervoor hanteert. De uitgangspuntennotitie bevat een technische, ruimtelijke en procesmatige onderbouwing daarvoor.
Lokale ambitie De gemeente IJsselstein heeft de ambitie om in 2050 een energie- en klimaatneutrale gemeente te zijn. Om dit te bereiken wil de gemeente, conform het klimaatakkoord, haar energieverbruik verminderen en ook op eigen grondgebied duurzame energie gaan produceren. De voornaamste mogelijkheden hiervoor zijn met zonne- en windenergie. De ambitie van de gemeente is om binnen de gemeentegrenzen in 2030 50 GWh (0,05 TWh) duurzame elektriciteit op een grootschalige manier opwekken. Op basis van het bestaande oppervlak aan grote daken kan circa 20 tot 25% van de energieambitie met grootschalige zon-op-dak projecten geproduceerd worden. Het overige deel zal met windturbines en/of zonneparken op land geproduceerd moeten worden.
Doorlopen proces Gemeente is eind 2023 gestart met het verder uitwerken van de twee zoekgebieden: de A2-zone en het gebied rond de Hollandsche IJssel. Deze verkenning begon met een studie naar de gebiedskenmerken en in kaart brengen van de fysieke en beleidsmatige belemmeringen in de twee gebieden. Voor de A2-zone is in kaart gebracht welke plekken kansrijk zijn voor plaatsing van een windturbine. Hierna volgde een specifiekere verkenning voor windenergie in de A2-zone, waarin berekeningen zijn gemaakt van de hoeveelheid hinder (geluidshinder en slagschaduw) die in de omgeving ervaren kunnen worden als gevolg van het plaatsen van een windturbine. De resultaten van deze studies zijn gebruikt als onderbouwing in deze uitgangspuntennotitie. Voor dit proces heeft de gemeente IJsselstein een adviesgroep van bewoners en belangenorganisaties opgericht. Deze adviesgroep is gedurende het proces meerdere keren bijeen gekomen. De adviesgroep is uitgebreid geïnformeerd over de resultaten van de verkenning en heeft op basis daarvan een advies opgesteld aan de gemeente. Dit advies bevat meerdere aanbevelingen, die grotendeels zijn overgenomen in deze notitie. Naast de adviesgroep heeft er ook bewonersparticipatie plaatsgevonden. Voorafgaand aan het proces heeft de gemeente via het inwonerspanel aan deze groep mensen een vragenlijst voorgelegd.
Zij konden via deze vragenlijst de aandachtspunten meegeven voor het proces. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hier te vinden. Voor de bewoners van IJsselstein en Nieuwegein is er een bewonersavond georganiseerd. Op 13 maart 2024 was er een bewonersavond in het Fulcotheater waarin de resultaten van de verkenning zijn gepresenteerd en bewoners hun zorgen konden uiten, vragen konden stellen en ideeën konden indienen. Vanwege het grote aantal aanmeldingen is er ook een tweede (identieke) bewonersavond georganiseerd op 16 april. De verslagen van deze bijeenkomsten zijn te raadplegen op de site van de gemeente1.
Afbakening en reikwijdte De uitgangspuntennotitie windenergie A2-zone gaat uitsluitend over het grootschalig opwekken van elektriciteit via windturbines in de A2-zone. Voor andere vormen van duurzame energieproductie binnen de A2-zone en daarbuiten, geldt het Toets- en Afwegingskader Duurzame Energie als beoordelingskader. De begrenzingen van de A2-zone zijn zichtbaar op de onderstaande afbeelding.
1https://www.ijsselstein.nl/Inwoners/Wonen_en_leefomgeving/Duurzaamheid/Duurzame_energie_opwekken?utm_source=Rx.Front&ut
m_medium=redirect&utm_campaign=energieopwekken
Afbeelding 1: begrenzingen van het zoekgebied.
In deze notitie Deze uitgangspuntennotitie is op de volgende wijze opgebouwd: In deze notitie: wordt beschreven waarom de gemeente IJsselstein ruimte wil geven aan de productie van windenergie in de A2-zone zijn de resultaten beschreven van het onderzoek naar de ruimte voor windturbines in het gebied. Dit geeft inzicht in de kansen voor plaatsing van een windturbine, de impact die wordt verwacht op de omgeving en de wijze waarop het georganiseerd kan worden. zijn de randvoorwaarden voor initiatiefnemers van (een) windturbine(s) vastgelegd in een handelingsperspectief. Hiermee wordt onder andere geborgd dat omwonenden van het gebied worden beschermd tegen (overmatige) hinder. is beschreven welk proces doorlopen moet worden om tot planvorming over te kunnen gaan.
Ruimtelijke analyse windenergie Inleiding De aanvullende verkenning naar de ruimtelijke mogelijkheden voor windenergie binnen het aangegeven onderzoeksgebied langs de A2 vormt de basis voor dit uitnodigingskader. Doel van het onderzoek betrof het bepalen van de (fysieke) ruimte voor de realisatie van één of meerdere windturbines en het (op hoofdlijnen) inzichtelijk maken van de impact van windturbines binnen het onderzoekgebied op de omgeving. De uitgangspunten en resultaten van de ruimtelijke analyse worden in dit hoofdstuk nader toegelicht.
Uitgangspunten Met behulp van een geografisch informatiesysteem (GIS) is de beschikbare ruimte voor de plaatsing van windturbines in het onderzoeksgebied geanalyseerd. Hierbij is rekening gehouden met relevante omgevingsaspecten, zoals woningen, natuur en cultuurhistorie, rekening houdend met de aan te houden afstanden op basis van beleid en wetgeving. De mogelijkheden en onmogelijkheden voor windenergie in een gebied zijn afhankelijk van een aantal (ruimtelijke) aspecten die de plaatsingsmogelijkheden van windturbines kunnen bepalen of beperken. Voor de meeste van deze aspecten geldt dat de afmetingen van de windturbines bepalend zijn voor de (on)mogelijkheden voor windenergie in het desbetreffende gebied. Voor de analyse zijn verschillende referentieturbines gehanteerd op de fysieke ruimte voor windenergie binnen het plangebied te bepalen. Tabel 1
Ashoogte
Rotordiameter
Tiphoogte
Referentieturbine 1
105 meter
130 meter
160 meter
Referentieturbine 2
100 meter
140 meter
170 meter
Referentieturbine 3
150 meter
150 meter
225 meter
In de analyse is onderscheid gemaakt tussen zogenaamde ‘harde’ en ‘zachte’ belemmeringen. Bij ‘harde’ belemmeringen is sprake van afstanden die afgeleid zijn van wet- en regelgeving. Binnen deze afstanden is de realisatie van windenergie beperkt (maar niet geheel onmogelijk). Buiten deze afstanden vormt het betreffende aspect veelal geen beperking of kan met beperkte mitigerende maatregelen, voldaan worden aan de wettelijke eisen. Dit geldt onder meer voor infrastructuur, risicovolle objecten en woningen. Zachte belemmeringen zijn belemmeringen die randvoorwaarden/aandachtspunten geven en waar de realisatie van windenergie (in bepaalde gevallen) mogelijk is. Voor deze meer zachte belemmeringen geldt dat er verschillende beleidskeuzes achter liggen die resulteren in beperkingen voor een ontwikkeling. Voor deze belemmeringen, zoals bijvoorbeeld gebieden die behoren bij het Natuurnetwerk Nederland, is op basis van de aanwezige gebiedskenmerken in deze fase een (kwalitatieve) inschatting gemaakt van de risico’s en aandachtspunten. De realisatie van windenergie is hier niet per definitie uitgesloten, maar wel complex. Op locatieniveau zal uit vervolgonderzoek moeten blijken of en in welke mate er effecten zijn en of deze te mitigeren zijn.
Omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt per omgevingsaspect ingegaan op belemmeringen en mogelijkheden voor windenergie, rekening houdend met het betreffende aspect.
Hinder voor de leefomgeving Windturbines kunnen hinder voor de leefomgeving veroorzaken in de vorm van geluid en slagschaduw. De mate van hinder is van verschillende factoren afhankelijk; voor een verkenning van de mogelijkheden kan gebruik worden gemaakt van vuistregels. De normen voor geluid en slagschaduw uit het Activiteitenbesluit zijn, naar aanleiding van het zogeheten Nevele-arrest, niet langer zonder meer toepasbaar bij besluitvorming omtrent windparken. In oktober 2023 is het Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving gepubliceerd waarin nieuwe (concept-) normen zijn gepresenteerd. De normen die hierin worden aangegeven vormen de basis voor de vuistregels die ten behoeve van dit uitnodigingskader zijn gehanteerd. Nieuw in de conceptnormen is een afstandsnorm, die aangeeft dat minimaal een afstand van tweemaal de tiphoogte geldt voor gevoelige objecten. Onder gevoelige objecten worden woningen, scholen en ziekenhuizen verstaan. In de conceptnormen is de 2x tiphoogte afstand een harde norm en daarmee in de meeste gevallen bepalend voor de plaatsingsmogelijkheden. Om die reden is deze afstand voor hinder als maat gebruikt voor het in kaart brengen van de plaatsingsmogelijkheden.
Hierbij wordt opgemerkt dat bevoegde gezagen op het moment dat de conceptnormen formeel in werking treden tot, naar verwachting, 1 juli 2025 de mogelijkheid hebben van de afstandsnorm af te wijken, mits goed onderbouwd. Door af te wijken van de norm ontstaat er mogelijk meer ruimte om tot een optimale invulling te komen, zonder dat dat tot een lager beschermingsniveau voor hinder leidt. Uiteindelijk zal elke windturbine of windturbines aan een Lden geluidsnorm moeten voldoen.
Geluid Het geluid van windturbines wordt voornamelijk veroorzaakt door de bewegende rotorbladen van de windturbine. De omvang van de geluidseffecten is van meerdere factoren afhankelijk, waaronder de afstand tot gevoelige objecten. Voor geluid is er getoetst aan een 45 dB Lden en 39 dB Lnight normstelling, in lijn met de ontwerp-norm. De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat van geluidbelasting. Hierbij vindt een weging plaats van de momenten waarop geluidbelasting optreedt; de geluidsproductie tijdens de avond en nacht wordt zwaarder meegewogen dan het geluid overdag. In Nederland werd tevens getoetst aan Lnight om verstoring van nachtrust te voorkomen. Er mag van worden afgeweken naar boven (niet hoger dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight) en naar beneden, maar enkel op grond van cumulatie of bijzondere lokale omstandigheden.
Slagschaduw De draaiende rotorbladen van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze ‘slagschaduw’ kan onder bepaalde omstandigheden als hinderlijk worden ervaren. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie en de intensiteit van de flikkering en de blootstellingsduur. Daarbij zijn de afstand tot de turbines, de stand en aanwezigheid van de zon en het al dan niet draaien van de windturbines bepalende aspecten. In de nieuwe conceptnormen staat dat er niet meer dan 6 uur per jaar en 20 minuten per dag aan slagschaduw mag worden veroorzaakt. Omdat slagschaduwhinder in de praktijk gemitigeerd kan worden door het toepassen van een stilstandsvoorziening, is slagschaduw in het algemeen geen beperkende factor waar bij de positionering van windturbines rekening mee gehouden hoeft te worden. Daarmee is het aanhouden van de afstanden voor geluid in eerste aanleg ook voldoende voor slagschaduw, aangezien daarmee de grootste slagschaduweffecten al worden ondervangen. Er zal dan in de praktijk vaak nog wel een stilstandsvoorziening nodig zijn. Dit gaat over het algemeen samen met een beperkt verlies aan elektriciteitsproductie van enkele tienden van procenten en vormt meestal in de praktijk geen probleem voor de financiële haalbaarheid van een windpark.
De bepalende afstand tot gevoelige objecten in het kader van het aspect hinder (2x-tiphoogte) is weergegeven in onderstaande figuren. De kaarten geven weer dat de 2x tiphoogte afstand bepalend is voor de plaatsingsruimte. Bij een tiphoogte van 225 meter is er bij toepassing van de 2x tiphoogte-afstand geen ruimte voor windturbines beschikbaar. Bij een tiphoogte tot 170 meter is er beperkt ruimte beschikbaar binnen het middelste deel van het onderzoeksgebied.
In de kaarten zijn de bouwvlakken van het bestemde Bedrijventerrein De Kroon opgenomen. Huidige woningen in het noordelijk deel van het plangebied, ter hoogte van De Kroon zijn in onderhavige analyse niet meegenomen. De bouwvlakken zijn bestemd als ‘Bedrijventerrein’ en staan woonfuncties niet toe.
Afbeelding 2: 2x tiphoogte afstand bij een tiphoogte van 170 meter
Afbeelding 3: 2x tiphoogte afstand bij een tiphoogte van 225 meter
Afwijkingsbevoegdheid Zoals opgemerkt zijn de conceptnormen nog niet formeel in werking getreden, maar als nieuwe normen van kracht worden, bestaat de mogelijkheid om van de afstandsnormen af te wijken. Voor het plangebied langs de A2 geldt dat de afwijkingsbevoegdheid ten aanzien van de afstandsnorm van belang is en flexibiliteit biedt om tot een optimale invulling van de locatie te kunnen komen. Dit kan enerzijds tot optimalisatie leiden ten aanzien van de locatie van de windturbine, maar geeft wellicht ook de mogelijkheid om een windturbine met een beperkt hogere tiphoogte te realiseren, of juist tot een hogere tiplaagte. Dit laatste kan een positieve invloed hebben op de beleving van een windturbine en kan mogelijk eventuele effecten op vogels en vleermuizen beperken. Tegelijkertijd is het voor de gemeente IJsselstein belangrijk om het beschermingsniveau van omliggende gevoelige objecten te borgen. Een afstandsnorm hoeft echter niet in alle gevallen een hoger beschermingsniveau te bieden ten opzichte van de geluid- en slagschaduwnorm die reeds van toepassing zijn. Het is voor de gemeente IJsselstein in de opgave die voorligt om die reden van belang om tot een optimale invulling te komen, rekening houdend met het beschermingsniveau voor de omgeving.
Berekeningen geluid en slagschaduw Om op voorhand meer inzicht te krijgen in de geluidshinder en slagschaduwduur van een windturbines binnen het plangebied en tegelijkertijd op de mogelijkheden voor een winturbine om aan een normstelling voor geluid en slagschaduw te kunnen voldoen, zijn aanvullende indicatieve berekeningen uit gevoerd.
Geluid Voor geluid is op basis van een gemiddelde windturbine qua brongeluid berekend op welke afstanden, welke mate van geluidsbelasting wordt verwacht. In onderstaand figuur zijn verschillende geluidscontouren weergegeven. Uitgaande van een normstelling van Lden 45 dB / Lnight 39 dB zal er voor enkele woningen beperkt mitigatie moeten worden toegepast. De tweede figuur laat zien dat als er voor de normstelling ter hoogte van gevoelige objecten gemitigeerd wordt, de geluidsbelasting ter hoogte van woonwijken beperkt zal worden tot een geluidsbelasting van Lden 42 dB. De mitigatie wordt uitvoerbaar geacht, maar zal wel een effect hebben op de energieopbrengst van de windturbine.
Afbeelding 4: Geluidscontouren windturbine, zonder mitigatie
Afbeelding 5: Geluidscontouren windturbine, incl. mitigatie
Slagschaduw Voor slagschaduw is uitgegaan van een windturbine met een rotordiameter van 145 meter. Uitgaande van een normstelling van 6 uur slagschaduwduur per jaar op de gevel van gevoelige objecten, geldt dat er mitigatie nodig is om aan de norm te kunnen voldoen. Ook hier geldt dat de mitigatie uitvoerbaar wordt geacht, maar dat dit een van invloed zal hebben op de energieopbrengst van een windturbine.
Afbeelding 6: Slagschaduwcontouren windturbine, excl. mitigatie
Externe veiligheid en infrastructuur
Voor de afstanden van windturbines en windparken tot infrastructuur en risicovolle, danwel kwetsbare objecten, is uitgegaan van de toetsafstanden uit de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW) en bijbehorende Handleiding Risicoberekening Windturbines. De praktijk leert dat er vaak mogelijkheden zijn om windturbines op een kortere afstand dan de veiligheidsafstand van objecten te plaatsen. De afstanden geven derhalve aan dat buiten deze afstand met zekerheid geen sprake is van veiligheidsrisico's, binnen de toetsafstanden zal een nadere afweging nodig zijn. De figuur laat zien dat de toetsafstanden de fysieke ruimte voor windenergie beperken, met name in het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied. Vanuit externe veiligheid bestaat er in het middelste deel van het plangebied fysieke ruimte over voor windenergie. De afstand tot kwetsbare objecten is hierbij de belangrijkste factor om rekening mee te houden, zeker op basis van de nieuwe conceptnormen. Met name de afstand tot kwetsbare objecten op bedrijventerrein de Kroon en aan het ‘Hoogland’ zijn bepalend voor de (optimale) invulling van de locatie. Ook hierbij biedt de afwijkingsbevoegdheid de benodigde ruimte voor een optimale indeling, ten einde invloed op de omgeving verder te beperken.
Voor de Rijksweg A2 geldt dat voldoende ruimte kan worden aangehouden, maar afhankelijk van de exacte locatie van de windturbine zal in een vervolgfase naar verwachting een verkeersveiligheidsonderzoek nodig zijn. Hierbij wordt door verkeersveiligheidsexperts beoordeeld in hoeverre weggebruikers door een windturbine worden afgeleid, waardoor zij minder focussen op het taken in het verkeer. Eerste afstemming met Rijkswaterstaat laat zien dat het effect van 1 windturbine op dit deel langs de A2 naar verwachting niet direct tot afleiding zal leiden.
Afbeelding 7: Toetsafstanden externe veiligheid en infrastructuur
Ecologie Windturbines kunnen effect hebben op de ecologische waarden van natuurgebieden en op specifieke flora en fauna. De Omgevingswet beschermd Nederlandse natuurgebieden en plant- en diersoorten. Gebiedsbescherming betreft de bescherming van ecologisch waardevolle gebieden als Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat over de instandhouding van specifieke soorten.
Natura-2000 Ten aanzien van Natura 2000-gebieden geldt dat de provincie windenergie-ontwikkelingen in deze gebieden uitsluit. Er liggen geen Natura-2000 gebieden binnen het plangebied voor windenergie. Natura 2000-gebieden hebben echter een externe werking, wat betekent dat ook windturbines buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de natuurlijke waarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen. Onderstaand figuur laat de omliggende Natura-2000 gebieden zien. Gezien de afstand van het plangebied tot deze Natura-2000 gebieden, kan dit mogelijk een invloed hebben op het realiseren van windturbines.
Afbeelding 8: Ligging Natura-2000 gebieden t.o.v. plangebied gemeente IJsselstein
Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour Daarnaast liggen er enkele Natuurnetwerk Nederland (NNN)-gebieden verspreid binnen (en rondom) de gemeentegrenzen. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit houdt in dat nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland niet zijn toegestaan. Het NNN kent geen externe werking. De enige uitzonderingen zijn als aangetoond kan worden dat er én geen alternatieven zijn én er sprake is van een groot openbaar belang of de meerwaardebenadering gevolgd kan worden. In het ‘Akkoord van Utrecht’ is afgesproken om meer natuur toe te voegen om de huidige natuurgebieden groter te maken en beter met elkaar te verbinden. Zo kunnen dieren en planten zich makkelijker verplaatsen en beter overleven. De Groene Contour is een gebied van 3000 hectare waarvan is afgesproken het om te vormen tot natuur en toe te voegen aan het NNN. Onderstaand figuur laat NNN en de Groene contour gebieden in en rondom het plangebied zien.
Afbeelding 9: Ligging NNN en groene contour t.o.v. plangebied
Soortenbescherming Naast gebiedsbescherming is ook de soortenbescherming van belang. Hierbij gaat het om alle soorten die beïnvloed kunnen worden door de bouw en exploitatie van de windturbines zoals allerlei grondgebonden soorten (vooral bij de bouw), vogels (waaronder trekvogels en weidevogels) en vleermuizen. Er zijn in het studiegebied geen gebieden aangewezen als leefgebied voor weidevogels. De PlanMER windenergie Utrecht2 laat bijvoorbeeld wel zien dat de broedvogels met een ‘hoge’ tot ‘gemiddelde’ kwetsbaarheidsscore zijn beoordeeld, de niet-broedvogels met een grotendeels ‘lage’ kwetsbaarheidsscore en de vleermuizen met een ‘hoge’ risicoscore. De PlanMER heeft echter niet het detailniveau om hier voor een specifieke locatie conclusies uit te trekken. Op basis van gedetailleerde informatie over het voorkomen en gebiedsgebruik van soorten in het gebied in combinatie met een turbinelocatie en -type, kan bepaald worden in welke mate er effecten optreden en hoe zich dit verhoudt tot de verbodsbepalingen in de omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.
2 https://www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/energie-en-klimaat/windenergie/planmer-windenergie
Landschappelijke beeld De A2-zone is een gebied in ontwikkeling. In de huidige invulling van het gebied zijn er drie deelgebieden die samen de zone vormen.
Afbeelding 10: Deelgebieden landschap Bedrijventerrein in ontwikkeling In het noorden zijn er twee ruimtes van 5 tot 10 hectare groot die volledig worden omsloten en worden doorsneden door infrastructuur. Er staat nog bebouwing en wat beplanting die behoort tot het landschap dat hier ooit was. Nu lijken dit ontheemde plekken. Het gebied is volop in ontwikkeling tot bedrijventerrein De Kroon. Kromme IJsselgebied De Kromme IJssel stroomt door het zoekgebied en is bepalend voor het landschap van de A2-zone. Het landschap van de Kromme IJssel is een hooggewaardeeerd landschap bevindt zich langs de rand van het zoekgebied. De Kromme IJssel is in zijn totaliteit zeer belangrijk voor het omringende stedelijke gebied. Het vormt een groenblauw recreatief netwerk en het heeft waarde als natuurlijk systeem en als historische structuur binnen de Lopikerwaard (als onderdeel van de Hollandse IJssel). In de Ontwerp Omgevingsvisie Provincie Utrecht is het landschap van de Kromme IJssel dan ook aangeduid als onderdeel van de opgave ‘‘te versterken grote natuursystemen, ontwikkeling groen-blauwe recreatieve structuur en versterking van de verbinding stad en land’. Utilitair landschap Het zuidelijke punt van het gebied ligt een zandwinplas, een rioolwaterzuivering en een snelwegafrit. Dit is een ontoegankelijk utilitair landschap in de oksel van de infrastructuur.
De Lek en de A2 vormen hier een grootse kruising die relevant is omdat van de brug een zicht bestaat op de oevers van de rivier en daarachter het
stedelijk gebied van Nieuwegein en IJsselstein. Vanaf de brug is sprake van een stedelijk silhouet aan de rivier maar langs een groot deel van de weg wordt het zicht ingeperkt door beplanting en geluidsschermen.
Zicht op de windturbine De A2-zone ontwikkelt zich met de aanwezigheid van de A2 en de aanleg van bedrijventerrein De Kroon tot een zeer dynamisch landschap. De perceptie van windenergie hierbinnen hangt samen met persoonlijke waarden en met de wijze waarop men de omgeving ‘leest’. Voor sommigen is de plaatsing van één of meerdere windturbines passend bij de functies, de dynamiek en het aanzicht van het gebied. Er vormt zich een functioneel landschap met koppelingen tussen functies mobiliteit, bedrijvigheid en energieproductie. Een ander kan zich storen aan de dominantie van een grote turbine (nog meer bouwwerken). Windturbines worden geplaatst in een landschap maar tegelijkertijd staan ze qua maat en schaal los van het landschap waarin ze worden geplaatst. Dit komt doordat ze op grote afstand zichtbaar zijn zonder dat de omgeving waarin ze zijn gesitueerd, zichtbaar is. Vanuit de omliggende kernen IJsselstein en Nieuwegein zal de windturbine zichtbaar zijn. Daarmee zal de turbine van invloed zijn op de beleving van de omgeving in beide kernen. Dit kan worden beleefd als positief (baken met signaalfunctie) en door anderen als negatief (dominant bouwwerk binnen een stedelijk landschap)
Tiphoogte en tiplaagte
De hoogte en rotoromvang van de windturbine is bepalend voor de beleving en de zichtbaarheid ervan. Dit heeft vooral invloed op de waarneming van de turbine op grote afstand: een turbine met een hoge tiphoogte (bovenste punt van de wiek) is op grotere afstand zichtbaar. Bij waarneming en beleving van de turbine in de directe nabijheid heeft een hoge tip minder effect op de beleving op maaiveld dan een lage tip. Een grote rotordiameter met een lage tiplaagte is indringend, en voelt soms bedreigend omdat het gevoel bestaat dat deze ‘tot de grond reikt’. Bij de keuze voor tiphoogte én tiplaagte dient de initiatiefnemer een onderbouwing te geven voor de afweging die wordt gemaakt tussen de zichtbaarheid en beleving van de turbine op korte afstand en op grote afstand. Wij adviseren hierbij om nadrukkelijk aandacht te geven aan de tiplaagte. Doordat dit ‘dichtbij’ effecten geeft is dit in veel gevallen belangrijker dan tiphoogte. Uiteraard moeten naast zichtbaarheid en beleving ook andere aspecten, zoals geluid, slagschaduw en energieopbrengst in deze afweging worden meegenomen. In de bijlage bij dit uitnodigingskader zijn enkele visualisaties opgenomen van een windturbine met een tiphoogte van 170 en 225 meter, ten einde gevoel te krijgen bij het zicht op de turbine en de schaal ervan ten opzichte van het huidige landschap.
Op basis van dit uitnodigingskader is een tiphoogte van 225 meter niet mogelijk, maar de visualisaties zijn bedoeld om referentie te geven aan de tiphoogte die op de locatie wordt toegestaan.
Cultuurhistorie en archeologie In deze verkenning is voor het aspect cultuurhistorie gekeken naar de aanwezigheid van Rijksmonumenten en Rijksbeschermde dorps- en stadsgezichten. Binnen het plangebied voor windenergie zijn er geen Rijksmonumenten aanwezig. Het dichtstbij gelegen Rijksmonument betreft de Gerbrandytoren op een afstand van circa 1 km. Op het moment dat de locatie en afmetingen van een windturbineproject bekend zijn, zal ten behoeve van een procedure ten aanzien van de toedeling van functies aan locaties, beoordeeld moeten worden in hoeverre een windturbine van invloed is op de cultuurhistorische waarde van de Gerbrandytoren. Daarnaast zijn er rondom het plangebied de Rijksbeschermde dorps- en stadgezichten IJsselstein, Vianen en Vreeswijk gelegen. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) adviseert een toetsafstand van 1.800 meter, wat betekent dat binnen deze afstand een nadere beoordeling van de beïnvloeding van de cultuurhistorische waarde moet plaatsvinden. Dit is derhalve geen voorgeschreven norm en vormt daarom geen ‘harde belemmering’, echter wel een belangrijk aandachtspunt. Naast de cultuurhistorische waarde is gekeken naar de archeologische waarden binnen het plangebied. Zoals te zien in onderstaand figuur ligt er een archeologisch monument binnen het plangebied. Het gaat om ‘terrein van archeologische waarde’.
Daarnaast zijn er gebieden met een archeologische verwachtingswaarde aanwezig binnen het plangebied. Over het algemeen kan in de uitvoeringsfase doorgaans goed rekening worden gehouden met eventuele archeologische waarden door aanvullend archeologisch onderzoek. Dit vormt derhalve geen harde belemmering maar er dient wel vroegtijdig afstemming plaats te vinden met de gemeente
en omgevingsdienst om te beoordelen welke onderzoeken noodzakelijk zijn. Daarbij is het waarschijnlijk dat dit onderzoek zal moeten plaatsvinden in de vorm van proefsleuven.
Afbeelding 11: Archeologie en 1.800 meter afstand beschermde stads- en dorpsgezichten
Radar en luchtvaart In een straal van 75 km vanaf een radarpost heeft een bouwwerk dat boven de 113 meter reikt een verklaring van geen bezwaar nodig van het Ministerie van Defensie. Het plangebied ligt binnen het toetsingsgebied van de Defensie radarposten van TAR Schiphol West, Volkel, Herwijnen, Soesterberg en Nieuw Milligen. Te zijner tijd zal een radarverstoringsonderzoek door TNO uitwijzen wat de verstoringsgraad is en of het daadwerkelijke effect op de radars aanvaardbaar is. Doordat de gemeente binnen vijf radarposten valt is er kans dat verstoring van één post door andere posten kan worden opgevangen. Een hoger aantal posten betekent doorgaans dat de minimale dekkingsgraad van 90% gewaarborgd kan worden. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat er geen belemmeringen aanwezig zijn voor windenergie in het kader van defensieradar. Het plangebied ligt ook niet dicht bij een luchthaven of andere hoogte-gevoelige plaatsen. Hierdoor lijken er geen belemmeringen aanwezig te zijn voor windenergie in het kader van defensieradar en luchtvaart.
Afbeelding 12: Burgerluchtvaart en radar
Waterkeringen Op basis van de legger en de Keur van het Waterschap zijn de locaties van waterkeringen en bijbehorende beschermingszones vastgelegd. Voor het plangebied geldt dat er aan de zuidzijde een primaire kering is gelegen, waar zowel binnen de kernzone als binnen de beschermingszone in principe geen windturbines zijn toegestaan. Dit vormt een belemmering voor windenergie in dit deel van het plangebied. In het midden van het plangebied is zijn regionale keringen gelegen. Hier zijn wel mogelijkheden binnen de beschermingszones, tenzij de weringveiligheid van de dijk niet onevenredig wordt beïnvloed. Dit vormt een duidelijk aandachtspunt in een latere fase.
Afbeelding 13: Waterkeringen
Overig De nabijgelegen Gerbrandy-toren is een bekende landmark in de omgeving van IJsselstein en doet dienst als zendmast voor radio- en televisieverbindingen. Op basis van het bestemmingsplan kent de zendmast enkele beschermde zones waar verbindingen lopen. Deze zijn in de figuur hieronder weergegeven. In de betreffende zones gelden bouwhoogtebeperkingen die eveneens in de figuur zijn opgenomen. Twee zones liggen over het plangebied voor windenergie. De meest zuidelijke kent een bouwhoogtebeperking van 61 meter, wat de mogelijkheden voor windenergie in dit deel beperken. De zone die door het midden van het plangebied loopt kent een bouwhoogtebeperking van 216 meter. Daar vormt de planologisch beschermde status geen beperking voor de mogelijkheden voor windenergie.
Afbeelding 14: Bouwhoogtebeperkingen Gerbrandytoren
Conclusie Op basis van de ruimtelijke analyse naar windenergie kan geconcludeerd worden dat er beperkt ruimte voor windenergie bestaat in het middelste deel van het plangebied. Uitgaande van de genoemde 2x tiphoogteafstand zijn de mogelijkheden beperkt, zowel in ruimte als in turbineafmetingen. Voor een optimale invulling is het om die reden van belang om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid ten aanzien van de (concept) afstandsnormen. Het afwijken van de normen leidt niet tot ruimte voor een extra windturbine, maar geeft wel de benodigde flexibiliteit in het zoeken naar de juiste positie alsmede de optimale turbine voor deze locatie, zonder dat dat direct tot een lager beschermingsniveau in het kader van hinder hoeft te leiden. Het is in dat kader wenselijk om de tiphoogte van de betreffende locatie niet te begrenzen op de genoemde 170 meter (gebaseerd op 2x tiphoogte). Op basis van de ruimtelijke analyse en uitgaande van het gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid t.a.v. de afstandsnorm is een maximale tiphoogte van 210 meter, waarbinnen gezocht kan worden naar optimale afmetingen een passende maat. Dit biedt eveneens flexibiliteit in turbinetypen die binnen deze tiphoogte beschikbaar zijn.
In onderstaande figuur is weergegeven waar er zoekruimte bestaat voor het zoeken naar de optimale locatie voor de realisatie van een windturbine, rekening houdend met de mogelijkheid om een kleinere afstand dan 2x tiphoogte toe te passen.
Afbeelding 15: Gebied voor optimale invulling windturbine A2 Aanvullend geeft de ruimtelijke analyse weer dat de locatie een aantal aandachtspunten bij de verdere planontwikkeling kent: Archeologische en cultuurhistorische waarden in en in de omgeving van het plangebied; Ligging van een secundaire waterkering; Natuurwaarden rondom de locatie Afstanden tot objecten
Randvoorwaarden voor ontwikkeling
Inleiding Op basis van de ruimtelijke analyse komt naar voren dat er beperkt mogelijkheden voor windenergie bestaan binnen het plangebied. De ruimte beperkt zich tot de mogelijkheid om 1 windturbine te plaatsen, waarbij een aantal voorwaarden en aandachtspunten gelden. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet welke voorwaarden wij als gemeente IJsselstein belangrijk vinden om te stellen en welke aandachtspunten we willen meegeven bij de verdere invulling van de locatie voor windenergie.
Voorwaarden Algemeen
Er wordt ruimte geboden voor maximaal 1 windturbine ten behoeve van de duurzame energiedoelstellingen tot 2030. Voor de invulling van de duurzame energiedoelstellingen na 2030 wordt opnieuw gekeken naar de (aanvullende) mogelijkheden binnen het gebied. Ten behoeve van de optimale invulling van de locatie wordt door de gemeente de mogelijkheid geboden om af te wijken van de (concept-)normstellingen ten aanzien van aan te houden afstanden tot objecten. Deze afwijkingsbevoegdheid voor de gemeente kan worden benut tot 1 juli 2025 en enkel wanneer dat niet leidt tot een lager beschermingsniveau in het kader van hinder als gevolg van geluidbelasting en slagschaduwduur. In het kader van de afstandsnorm dient door ontwikkelaar in een projectplan te worden onderbouwd op welke wijze (en bij welke afstanden tot objecten) een optimum wordt gerealiseerd. De windturbine is passend binnen de maximale tiphoogte van 210 meter De gemeente zal wanneer zij daar aanleiding toe ziet een bibob-onderzoek laten uitvoeren naar de initiatiefnemers. De initiatiefnemers dienen hier ten alle tijden medewerking aan te verlenen. Geluid
De windturbine zal in het kader van geluidsbelasting voldoen aan een Lden 45 dB normstelling op de gevel van gevoelige objecten in de omgeving. Daarmee wordt aangesloten bij de (concept) Windturbinebepalingen uit het najaar van 2023. Voor woonwijken vragen we ontwikkelaars te streven naar een geluidsbelasting van maximaal Lden 42 dB. De windturbine dient geluidsarm te zijn, conform de best beschikbare techniek, uitgedrukt in maximaal bronvermogen in dB. Dit maximale bronvermogen wordt door de gemeente vastgelegd in vergunningsvoorwaarden op basis van het volgende protocol: De ontwikkelaar overhandigt de gemeente een lijst met voor de Nederlandse markt beschikbare windturbines die passen binnen de maximale tiphoogte van 210 meter. Deze lijst geeft ook informatie over het maximale bronvermogen per windturbine. Het bronvermogen van de stilste windturbine in de lijst plus 2 dB geldt in eerste instantie als norm voor een geluidarme windturbine Indien op basis van deze norm minder dan vier windturbineleveranciers in aanmerking komen, dan wordt er telkens 1dB bij de norm opgeteld, net zolang totdat er minimaal vier leveranciers aan de norm kunnen voldoen. De selectie voor een turbineleverancier start pas als de gemeente akkoord heeft gegeven op de eis voor het maximale bronvermogen. Dit maximale bronvermogen wordt een eis in de selectie.
Slagschaduw
•
De windturbine zal in het kader van slagschaduwduur ten minste voldoen aan een normstelling van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar en maximaal 20 minuten per dag op de gevel van gevoelige objecten. Daarmee wordt aangesloten bij de (concept) Windturbinebepalingen uit het najaar van 2023.
•
We vragen ontwikkelaars te streven naar een slagschaduwduur van maximaal 1 uur per jaar op de gevel van gevoelige objecten. Middels een onderbouwing dient te worden aangetoond in welke mate hier wel/ niet aan kan worden voldaan.
Natuur
Om de effecten voor vogels en vleermuizen te beperken wordt gebruik gemaakt van een generieke stilstand voorziening die werkt op basis van weersomstandigheden. Aanvullend daarop wordt gewerkt met een vogels en vleermuizen detectiesysteem welke in de volgende SDE++ ronden waarschijnlijk uit de subsidie kan worden gefinancierd. Of worden maatregelen getroffen die aantoonbaar een vergelijkbaar effect hebben. Om de effecten voor vogels en vleermuizen en hinder voor omwonende te beperken spreken we de wens uit gebruik te maken van een naderingsdetectiesysteem voor luchtverkeer. Of worden maatregelen getroffen die aantoonbaar een vergelijkbaar effect hebben. Op basis van het ecologisch onderzoek worden er waar nodig aanvullende maatregelen genomen om significante effecten wezenlijk te mitigeren. Werkzaamheden vinden zo veel mogelijk plaats buiten het broedseizoen. Participatie
In relatie tot participatie hanteren we op de eerste plaats de uitgangspunten uit het Toets- en Afwegingskader duurzame energie. In aanvulling en aanscherping daarop hanteert de gemeente de onderstaande uitgangspunten: De ontwikkelaars worden gevraagd een participatieplan op te stellen als onderdeel van de inschrijving. Hierbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de betrokkenheid van omwonende aan beide kanten van de snelweg A2. In lijn met het Toets- en afwegingskader duurzame energie IJsselstein’ en het Klimaatakkoord vragen wij ontwikkelaars te streven naar lokaal eigendom van tenminste 50%. Voor het invullen hiervan hanteert de gemeente het Beleids- en Toetsingskader Lokaal Eigendom en Participatie bij windenergie van de provincie Utrecht. In lijn met het Toets- en afwegingskader duurzame energie IJsselstein’ vragen wij ontwikkelaars een omgevingsfonds onderdeel uit te maken van het project en dit in het participatieplan op hoofdlijnen vorm te geven. Dit omgevingsfonds ziet toe op de omgeving binnen zowel de gemeente IJsselstein als de gemeente Nieuwegein. In lijn met het Toets- en afwegingskader duurzame energie IJsselstein’ vragen wij ontwikkelaars een omwonendenregeling onderdeel uit te maken van het project en dit in het participatieplan hoofdlijnen vorm te geven.
Dit omwonendenregeling ziet toe op de omwonenden binnen zowel de gemeente IJsselstein als de gemeente Nieuwegein. Socialiseren grondvergoeding; De vergoeding voor grondeigenaren wordt verdeeld over de grondeigenaren die een windmolen op hun grond krijgen en de overige grondeigenaren in het gebied. Bewoners die in de nabijheid van een windmolen wonen, krijgen van initiatiefnemers een vergoeding die afhankelijk is van de afstand tussen hun woning en de windmolen. Ontwikkelaars beschrijven in het participatieplan op hoofdlijnen hoe ze in overleg met bewoners en grondeigenaren komen tot de verdere verdeling van grondvergoedingen en bewonersvergoedingen. Afspraken over participatie worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst.
Aansluiting
Wij vragen ontwikkelaars aan te tonen dat er enige mate van zekerheid is op aansluitcapaciteit op het net of andere wijze van aansluiting (directe invoering bedrijven / energie-hub).
Overige aandachtspunten ruimtelijk: Voor onderstaande aandachtspunten geldt dat dit nadere uitwerking vraagt in formele procedures. Voor de inschrijving van aanbieders ziet de gemeente graag terug op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven (plan van aanpak). Archeologie; door middel van booronderzoek op de door ontwikkelaar beoogde locatie wordt aangetoond dat aantasting van archeologisch waardevolle objecten is uit te sluiten, dan wel archeologisch waardevolle objecten in situ te behouden zijn. Als waardevolle archeologische resten niet behouden kunnen blijven kan aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Bij de ontwikkeling moet de invloed van een windturbine op beschermde dorps- en stadgezichten onderzocht en beoordeeld worden. Bij de ontwikkeling moet de invloed van een windturbine op de goede werking en de cultuurhistorische waarde van de Gerbrandy-toren onderzocht worden. De bouwhoogte zoals in het Omgevingsplan opgenomen moet worden gerespecteerd. De windturbine mag niet leiden tot een onacceptabele beïnvloeding van waterkeringen. Er dient overeenstemming te worden bereikt met het Waterschap. Door middel van een natuurtoets wordt bepaald in welke mate een windturbine van invloed is op natuurwaarden in de omgeving. Uiteraard moet het project in lijn zijn met de voorwaarden uit de Omgevingswet
Proces tot planvorming Inleiding Voor de realisatie van windenergie binnen het plangebied geldt dat de gemeente niet zelf zal ontwikkelen, maar de ruimte biedt en de voorwaarden stelt op basis waarvan de markt met planvoorstellen kan komen. Het proces om tot planvorming te komen is hierna kort beschreven.
Selectieprocedure Vaststellen uitnodigingskader Het uitnodigingskader windenergie A2-zone IJsselstein moet worden vastgesteld door de gemeenteraad. Op dat moment voor het uitnodigingskader, gezamenlijk met het Toets- & afwegingskader duurzame energie IJsselstein het kader voor het actief uitnodigen van de markt voor de ontwikkeling van een windturbine binnen de beoogde planlocatie.
Contact grondeigenaren De gemeente IJsselstein kiest er bewust voor om in eerste instantie zelf in gesprek te gaan met de grondeigenaren in het gebied over het realiseren van een windturbine op betreffende percelen. De gemeente wil daarmee graag regie houden op het proces t.a.v. de grondposities. De gemeente vraagt ontwikkelaars wel in hun projectvoorstellen in te gaan op het socialiseren van de grondvergoedingen, conform de randvoorwaarden die in dit kader worden gesteld.
Indienen projectvoorstellen Na het vaststellen van het uitnodigingskader kunnen initiatiefnemers projectvoorstellen indienen bij de gemeente. Deze projectvoorstellen dienen te voldoen aan de in dit uitnodigingskader vastgelegde randvoorwaarden en moeten op de aanvullende aandachtspunten een onderbouwing geven waaruit blijkt op welke wijze de ontwikkelaar met het aspect beoogd om te gaan.
Toets initiatieven op kader De ingediende projectvoorstellen worden door de gemeente getoetst aan de randvoorwaarden in het uitnodigingskader. Indien niet aan de randvoorwaarden kan worden voldaan zal de gemeente het projectvoorstel niet verder in overweging nemen. Initiatiefnemer krijgt in zo’n geval de gelegenheid om een voorstel een keer te verbeteren. De projectvoorstellen die aan de randvoorwaarden kunnen voldoen, zullen (indien het er meerdere zijn) kwalitatief beoordeeld worden op de optimale invulling van de locatie. Speciale thema’s die in dat kader nader beoordeeld worden betreffen hinder, participatie en de mogelijkheden die een initiatief ziet om de duurzame energie lokaal toe te passen, bijvoorbeeld door een Energy hub te realiseren in samenwerking met lokale ondernemingen of de energielevering te koppelen aan bijvoorbeeld de waterzuiveringsinstallatie. De kwalitatieve beoordeling zal met name toezien op de mate waarin meerwaarde aan het initiatief wordt toegevoegd. Denk hierbij aan het verder beperken van hinder t.o.v. de reeds genoemde randvoorwaarden of het aanvullend initiëren van participatiemogelijkheden voor/ met de omgeving. Ten aanzien van de opgewekte duurzame energie wordt aangemoedigd met innovatie oplossingen te komen om deze lokaal toe te passen.
Keuze door gemeente voor ontwikkelaar Het college van Burgemeester en Wethouder beslist over de keuze voor een projectvoorstel.
Anterieure (samenwerkings-) overeenkomst Met de door het college geselecteerde initiatiefnemer start de gemeente overleg over de af te sluiten anterieure (samenwerkings-) overeenkomst. In deze overeenkomst wordt het voorstel voor de planuitwerking van de initiatiefnemers en de afspraken over verdeling van taken en kosten voor de planologische besluitvorming geborgd.
Ruimtelijk en vergunningprocedures Op het moment dat er uit het selectieproces een ontwikkelaar naar voren komt die een windturbine binnen het plangebied gaat realiseren, zijn er verschillende vergunningen nodig om de windturbine daadwerkelijk te mogen bouwen en gebruiken. Hiervoor moet onderzoek worden gedaan, aanvragen worden ingediend en procedures worden doorlopen. In het overzicht hieronder zijn de belangrijkste vergunningen voor de realisatie van een windturbine beschreven. Deze vergunningen die benodigd zijn, zijn onderverdeeld in 3 categorieën. Ten eerste, vergunningen met betrekking tot het omgevingsplan. Ten tweede, de omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit. En als laatste de eventueel nodige vergunningen die naar voren komen uit onderzoek. Na het selectieproces wordt er vroegtijdig vooroverleg gepleegd om de procedure te bepalen.
Omgevingsplan Op dit moment is de realisatie van een windturbine binnen het zoekgebied niet mogelijk op basis van het Omgevingsplan. Wanneer een plan in strijd is met regels uit het Omgevingsplan is er een aantal mogelijkheden om een project te faciliteren. Onderstaande mogelijkheden zijn tevens de mogelijkheden om op projectniveau een afstandsnorm vast te leggen, dan wel daarvan af te wijken op het moment dat de landelijke normen zijn vastgesteld. Ten aanzien van de keuze voor een eigen afstandsnorm kan de gemeente ervoor kiezen om de mogelijkheid daartoe op te nemen in de Omgevingsvisie. De uitwerking en onderbouwing van de keuze van een eigen afstandsnorm is logischer om op projectniveau vast te stellen.
Wijzigen Omgevingsplan Om een ontwikkeling ruimtelijke mogelijk te maken, kan een wijziging van het Omgevingsplan worden vastgesteld. Deze procedure wordt meestal gevolgd als een project nog niet concreet genoeg is om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen toetsen. Een wijziging van het Omgevingsplan ziet in principe toe op het wijzigen van regels, op activiteiten gefaciliteerd kunnen worden. Wanneer er ruimtelijke beperkingen vastgelegd moeten worden (bijvoorbeeld een geluidaandachtsgebied of plaatsgebonden risico) kan een procedure tot wijziging Omgevingsplan uitkomst bieden. Bij het wijzigen van het Omgevingsplan kan tevens een eigen afstandsnorm worden vastgesteld of kan worden afgeweken van de afstandsnorm op het moment dat de landelijk normen van kracht zijn. Op de wijziging Omgevingsplan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. De procedure kent een beslistermijn van 26 weken. Voor de Wijziging Omgevingsplan geldt dat de gemeenteraad beslist over de aanvraag, zowel bij het ontwerpbesluit als bij het definitieve besluit. In onderstaand overzicht is een processchema opgenomen.
Afbeelding 16: Procedureschema UOV (Wijzigen Omgevingsplan)
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een omgevingsvergunning waarmee van de regels van het Omgevingsplan kan worden afgeweken. Hierbij wordt getoetst of de afwijking voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervoor moet een motivering worden opgesteld, waaraan onderzoeken ten grondslag liggen. De voorwaarden die in onderhavig kader worden gesteld (bijvoorbeeld t.a.v. ecologisch, archeologisch onderzoek), zullen onderdeel uitmaken van de motivering van een Evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van de aanvraag BOPA en de onderliggende motivering zal het bevoegd gezag beoordelen of er met de afwijking sprake is van een evenwichtige verdeling. Hierbij kan tevens een eigen afstandsnorm worden vastgesteld of kan worden afgeweken van de afstandsnorm op het moment dat de landelijk normen van kracht zijn. Wanneer de vergunningverlening van een windturbine plaatsvind via een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit zal dit via een uitgebreide procedure gaan. Dit betekend dat de gemeente binnen 6 maanden beslist over de aanvraag. Daarna is er bezwaar en beroep mogelijk. Door de keuze voor de uitgebreide procedure is het proces vergelijkbaar met het wijzigen van het omgevingsplan zoals beschouwd in afbeelding 16. De gemeenteraad zal daarbij als adviseur optreden.
Benodigde vergunningen Voor de realisatie van een windturbine is naast de toestemming in het kader van de Evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval een Omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit vereist.
Omgevingsvergunning technische bouwactiviteit De bouw van een windturbine betreft een vergunningplichtige bouwactiviteit. Naast de ruimtelijke aanvaardbaarheid, moet een windturbine ook aan technische bouwregels voldoen, bijvoorbeeld aan bepaalde constructievereisten. Hiervoor dient een vergunningaanvraag te worden gedaan. Op deze aanvraag is de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken van toepassing.
Mogelijke overige activiteiten onder de omgevingsvergunning Uit nader onderzoek kan blijken dat er eventueel extra vergunningen benodigd zijn. Eventueel benodigde vergunningen zijn hieronder beschreven. Voor deze vergunningen geldt dat deze tegelijkertijd met de Omgevingsvergunning Technische bouwactiviteit aangevraagd kunnen worden en daarmee dezelfde procedure kunnen doorlopen.
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Voor effecten op flora- en fauna (soorten) kan een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist zijn. Op basis van de Natuurtoets die ten behoeve van de BOPA wordt opgesteld, zal blijken in welke mate er effecten op soorten optreden en er overtreding van regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving of de habitatrichtlijn plaatsvindt.
Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Indien significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van voor Natura 2000-gebied aangewezen soorten niet op voorhand kan worden uitgesloten zal ook een Omgevingsvergunning Natura 2000gebied zijn vereist. Gezien de ligging en de beperkte omvang van het project, is dit niet te verwachten. Uiteindelijk zal de Natuurtoets die ten behoeve van de BOPA zal worden uitgevoerd moeten uitwijzen in hoeverre er effecten op Natura 2000-gebieden zullen optreden.
Omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit bij een weg Indien de windturbine in een beperkingengebied nabij de snelweg wordt gerealiseerd zal tevens een omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit bij een weg benodigd zijn. In dit kader zal tevens een beoordeling ten aanzien van verkeersveiligheid benodigd zijn.
Omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk Indien de windturbine in een beperkingengebied nabij een waterkering wordt gerealiseerd zal tevens een omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk benodigd zijn. In dit kader zal beoordeeld moeten worden in hoeverre de windturbine van invloed is op de functie van de wering.