CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting verordening

Commissie Samenleving 1 december 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 20:30 uur Raadsvoorstel Verordening Wmo en Jeugd15.406 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Deze toelichting geeft extra informatie over de bepalingen uit de verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning van de gemeente IJsselsteun 2022 en kan worden gebruikt voor de interpretatie van die bepalingen. Inleiding Als uitwerking van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn door de gemeente IJsselstein de Jeugdhulpverordening Gemeente IJsselstein 2018, de Verordening Maatschappelijke ondersteuning IJsselstein 2018, de Nadere regels Jeugdhulp 2018, de beleidsregels Wmo 2018 vastgesteld. De beide verordeningen zijn een goede vertaling van de beide wetten. Toch is bij het college de wens ontstaan om een geïntegreerde en geactualiseerde verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning vast te stellen die beter aansluit bij de uitvoeringspraktijk. Integraal werken Binnen de gemeente IJsselstein wordt het integraal werken als belangrijk instrument gezien, om de inwoners van de meest passende ondersteuning te kunnen voorzien. Vandaar dat er nu gekozen is voor een verordening die de domeinen Jeugd en Wmo met elkaar verbindt.

De bedoeling is om in samenspraak met de inwoner, die een voorziening aanvraagt, op een toegankelijke manier tot overeenstemming te kunnen komen over de te verlenen hulp of ondersteuning Voor ons betekent integraal werken dat problemen worden bekeken met een brede blik, over de verschillende levensgebieden heen. Zo kunnen inwoners hulp en ondersteuning krijgen die het beste past bij hun situatie. De wetgever hanteert verschillende begrippen in de Jeugdwet en de Wmo. In de uitvoeringspraktijk wordt juist vaak met dezelfde begrippen voor voorzieningen Jeugd en Wmo gewerkt. Daarom is ervoor gekozen om ook zoveel mogelijk eenduidige begrippen te hanteren in de verordening en tegelijkertijd wordt in de definitiebepaling van de verordening aan het originele begrippenkader van de wetgever gerefereerd. De wetgever heeft in de Jeugdwet en de Wmo soortgelijke bepalingen qua inhoud en structuur opgenomen over persoonsgebonden budget, kwaliteitseisen van de dienstverlening, klachtrecht en medezeggenschap. De integraliteit van beide thema’s komt verder tot uitdrukking door de opbouw van deze verordening en de geïntegreerde bepalingen die betrekking hebben op zowel jeugdhulp als Wmo, voor zo ver dat gelet op de aard van de bepaling mogelijk is. Daar waar de onderwerpen over jeugdhulp en Wmo verschillen, wordt dit nadrukkelijk apart geregeld en wordt dit hieronder nader toegelicht.

De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels vanuit de Jeugdwet en Wmo aan. Het zijn regels die de gemeenteraad heeft vastgesteld op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Als daar sprake van is, wordt dat in deze verordening aangegeven; die extra regels vindt u in onze beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2022. Doelen en principes Bij het toepassen van de regels uit onze verordening houden wij zoveel mogelijk rekening met de doelen van de Jeugdwet en van ons beleid jeugdhulp. Het belangrijkste doel van de Jeugdwet is dat jongeren en ouders hulp kunnen krijgen wanneer zij hun problemen op eigen kracht of met ondersteuning van het sociale netwerk niet meer kunnen oplossen. Wanneer zij

jeugdhulp ontvangen houden zij de regie over hun eigen leven en zoeken zij samen met hun eigen sociale omgeving en professionele hulpverleners naar meer structurele oplossingen. Het doel van ons jeugdbeleid is om er zorg voor te dragen dat alle jeugdigen in IJsselstein de ondersteuning en zorg krijgen die zij nodig hebben zodat zij in veiligheid opgroeien, zich ontwikkelen en leren zelfstandig te worden. Kwetsbare jeugdigen waarvan de ontwikkeling gevaar loopt, beschermen wij. Het belangrijkste doel van de Wet maatschappelijke ondersteuning is om inwoners zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen en deel te laten nemen aan de maatschappij met hulp en ondersteuning als zij onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie. Dit is ook ons beleidsdoel. Vier principes Koers Sociaal Domein Wij hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ons beleid voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning de vier principes zoals genoemd in de Koers Sociaal Domein 2020-2022: 1. Voorkomen Voorkomen is beter dan genezen. Inwoners beschikken over voldoende vrij toegankelijke preventieve voorzieningen waar men met simpele vragen of voor lichte vormen van ondersteuning terecht kan. Hiermee zijn inwoners in staat om problemen te voorkomen of er zelf mee aan de slag te gaan. Inwoners, zorgverleners en de gemeente zijn alert op beginnende problemen. 2.

Samen Samen kom je tot betere oplossingen. Inwoners en partijen in de samenleving bevorderen de samenwerking, delen kennis en bundelen de krachten. Zo krijgen mensen de kans om naar vermogen mee te doen. Wij benutten kansen en maken gebruik van de lokale kracht en mogelijkheden die er zijn. 3. Dichtbij Hulp is snel en dichtbij beschikbaar. Inwoners richten zelf hun eigen leven in. Ze maken hierbij gebruik van allerlei voorzieningen en aanbod dat makkelijk en vrij beschikbaar is. Ondersteuning is in de buurt en sluit aan op de leefwereld van mensen. Niet alles is lokaal en dichtbij te regelen. Dan wordt het aanbod regionaal georganiseerd. 4. Verantwoordelijkheid Iedereen heeft zijn eigen verantwoordelijkheid: inwoners, partners, professionals en de gemeente. De gemeente heeft een verantwoordelijkheid vanuit haar wettelijke taken. De inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het inrichten van hun leven en om gebruik te maken van de mogelijkheden die zij hebben. De (zorg)partners hebben een verantwoordelijkheid vanuit hun professionaliteit en het leveren van kwaliteit. De bovenstaande leidende principes vormen het fundament van deze verordening. Met de leidende principes leggen wij tevens een verbinding tussen inhoud en financiën.

Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat wij in het contact met inwoners eerst zullen vragen om het probleem zelf op te lossen, met behulp van het sociale netwerk of met behulp van algemene voorzieningen. Als gemeente staan wij uitdrukkelijk voor de opgave om passende zorg en ondersteuning beschikbaar en betaalbaar te houden, juist voor die inwoners die het echt nodig hebben.

De leidende principes zijn de inhoudelijke link tussen deze verordening en onze beleidskaders; De Koers 2020-2022, de beleidsnota jeugdhulp 2022-2025 en de beleidsnota sociaal domein 2017. Door deze leidende principes binnen de verordening te verankeren, legt het college de intentie vast om bij al haar handelen op grond van deze verordening zoveel mogelijk binnen de geest van deze uitganspunten te werken. Deze verordening kan dus niet los worden gezien van de genoemde beleidskaders. In die beleidskaders is het door het college te voeren beleid vastgelegd. Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Onder a - aanvraag Het begrip aanvraag wordt vooral gehanteerd binnen de Jeugdwet, waar binnen de Wmo van melding wordt gesproken. In hoofdstuk 2 van deze verordening wordt dit in artikel 4 nader uitgewerkt. Het begrip aanvraag is gebaseerd op artikel 1.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).. Onder b - algemeen gebruikelijke voorziening (anders dan een algemene voorziening) Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet bij wet, waaronder de Wmo 2015, voorhanden is en in redelijkheid een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner.

Uit jurisprudentie is af te leiden dat het voorzieningen zijn waarvan het, gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. In niet juridisch taalgebruik; voorzieningen of producten en diensten die voor iedereen gebruikelijk (normaal) zijn om zelf (in) te kopen. Bij die (juridische) beoordeling kunnen de volgende criteria een rol spelen: - Is de voorziening gewoon te koop? - Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? - Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? - Kan de voorziening in algemene zin gedragen worden met een inkomen op een minimumniveau? Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de betrokken inwoner. In de jurisprudentie van de CRvB is in 2016 bepaald dat huishoudelijke hulp niet kan worden gezien als ‘algemeen gebruikelijk’, daarom moet per geval maatwerk worden geleverd. Onder c - algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats, dan wel een zeer beperkte.

Dit laatste betekent dat voorafgaand geen diepgaand onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. Voor een algemene voorziening is in beginsel geen ondersteuningsplan of beschikking nodig.

In de Wmo staat in artikel 1.1.1. het aanbod van diensten en activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De algemene voorzieningen of vrij toegankelijke voorzieningen voor jeugd worden omschreven in de Memorie van Toelichting bij art 2.9 eerste lid van de Jeugdwet. Het college is vrij in de beleidskeuze welke algemene voorzieningen zij treft. In dat verband is het niet wenselijk dat er een opsomming wordt gegeven. Wel worden in de beleidsregels voorbeelden gegeven van aanwezige algemene voorzieningen in de gemeente. Onder d - andere voorziening Een andere voorziening is ondersteuning waar op grond van een andere (wettelijke) regeling dan bedoeld in de Wmo of de Jeugdwet aanspraak op kan worden gemaakt/bestaat. Het college mag een maatwerkvoorziening weigeren als aanspraak bestaat op een ‘andere voorziening’. Volgens de Wmo, omdat een inwoner de ondersteuningsvraag op eigen kracht kan oplossen door gebruik te maken van de andere voorziening. Volgens de Jeugdwet, omdat een andere voorziening voorliggend is. Voorbeelden van andere voorzieningen zijn: ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Participatiewet of een lokale regeling. Onder e – budgethouder De budgethouder moet pgb-vaardig zijn.

Dit betekent bijvoorbeeld dat hij of zij weet welke zorg hij of zij nodig heeft. En hoe goede afspraken kunnen worden gemaakt met een zorgverlener. De pgb-verstrekker (bijvoorbeeld de gemeente) controleert of de budgethouder pgb-vaardig is. Dit voorkomt dat hij of zij in de problemen komt. Via een vragenlijst (afkomstig van de website rijksoverheid.nl) kan met de inwoner samen worden bepaald of hij of zij pgb vaardig is. Het betreft de volgende 10 vragen/punten: 1. Een goed overzicht van uw eigen situatie houden. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden. 4. Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. 6. Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. En u hier aan houden. 7. Beoordelen of de zorg uit het pgb bij u past. 8. Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners. 9. Zorgen dat de zorgverleners die voor u werken weten wat ze moeten doen. 10. Weten wat u moet doen als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener. Onder f - cliëntondersteuning De ondersteuning van een cliënt bij het maken van een keuze of het verlichten of oplossen van een probleem. Cliëntondersteuning heeft tot doel de regieversterking van de cliënt (en zijn omgeving); om diens zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te bevorderen.

Dit kan

informatie en advies omvatten, maar vooral ook een uitgebreide vraagverheldering en kortdurende ondersteuning bij keuzes op diverse levensterreinen. Cliëntondersteuning richt zich op ondersteuning en oplossingen op lokaal niveau met gebruik van sociale verbanden op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Onder g - eigen bijdrage De eigen bijdrage vanuit de Wmo wordt geïnd door het CAK. Onder h – eigen kracht De inzet van sociale netwerken bij het aanspreken van de eigen kracht is een rode draad in de geschiedenis van de jeugdhulp en bij maatschappelijke ondersteuning. Achterliggende gedachte is dat door de inzet van eigen kracht en het benutten van het sociale netwerk inwoners minder afhankelijk worden van professionele hulp en dat de effecten van hulp duurzamer zijn. Het informele sociale netwerk van een gezin blijft functioneren, waar ondersteuning van professionals ophoudt. Onder i – gebruikelijke zorg In de Wmo 2015 is bepaald dat de aanwezigheid van gebruikelijke zorg een reden is om geen maatwerkvoorzieningen te verstrekken (artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015). Onder gebruikelijke zorg wordt verstaan ‘de zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten’.

In de Jeugdwet is geen definitie van gebruikelijke zorg opgenomen. Wel is in artikel 2.3 van de Jeugdwet geregeld dat gemeenten geen jeugdhulp hoeven in te zetten als de jeugdige of zijn ouders de “problemen” zelf kunnen oplossen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat dus voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. In het kader van deze eigen kracht speelt gebruikelijke zorg een rol. Gebruikelijke zorg van ouders aan kinderen kan als volgt worden omschreven: de hulp en zorg waarvan naar algemeen aanvaardbare maatstaven wordt geacht dat ouders die aan hun kind bieden. Bij de beoordeling of sprake is van bovengebruikelijke zorg moet altijd een zorgvuldige individuele afweging worden gemaakt. Wat in het ene gezin als gebruikelijke zorg kan worden gekwalificeerd, kan voor het andere gezin (gelet op de omstandigheden binnen dat gezin) leiden tot de conclusie van bovengebruikelijke zorg. Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht hulp te bieden of bepaalde taken over te nemen. Huishoudelijk werk, administratie, financiën, maar ook begeleiding bij bijvoorbeeld (ziekenhuis)bezoek of het brengen van een kind naar therapie vallen onder gebruikelijke zorg. Bij de bepaling van gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd en eventuele beperking(en) van de huisgeno(o)t(en).

Onder een huisgenoot wordt verstaan een persoon die een huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Het gaat hierbij altijd om de huisgenoot die 18 jaar is of ouder Wat onder gebruikelijke en bovengebruikelijke zorg moet worden verstaan, is verder uitgewerkt in de beleidsregels.

Onder j - hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de inwoner zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo is noodzakelijk. De definitie van een hulpvraag door ouders of jeugdigen valt te herleiden uit artikel 2.3 van Jeugdwet. Jeugdhulp moet gericht zijn op het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of verstandelijke beperking van de jeugdige of opvoedingsproblemen van ouders. Jeugdhulp dient gericht te zijn op het bevorderen van deelname aan de samenleving en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en gericht zijn op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een somatische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap.

Onder k - inwoner Omwille van de toegankelijkheid en duidelijkheid van deze verordening is het begrip inwoner in deze verordening geïntroduceerd. Een inwoner kan: - een cliënt als bedoeld in Wmo zijn: De aanvrager/cliënt kan, als hij ingezetene is van de gemeente IJsselstein, in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Wmo gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het BRP belangrijk is maar niet doorslaggevend. - de jeugdige of zijn ouders, als bedoeld in de Jeugdwet: In de verordening gebruiken wij de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Specifiek veelal aangeduid als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: -

-

de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met één of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).

Onder l - maatwerkvoorziening In de Wmo 2015 heeft de wetgever de term maatwerkvoorziening gedefinieerd. In de Jeugdwet heeft de wetgever het begrip individuele voorziening geïntroduceerd als jeugdhulpvoorziening die specifiek aan individuele gevallen toegekend kunnen worden, anders dan algemeen vrij toegankelijke voorzieningen. Ook hier is ervoor gekozen om in deze verordening één begrip te hanteren voor specifieke voorzieningen. Met maatwerkvoorzieningen worden dan ook maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in de Wmo dan wel individuele voorziening op grond van de Jeugdwet bedoeld. Opgemerkt wordt dat de juridische lading van het begrip maatwerkvoorziening anders is dan die van een individuele voorziening, althans gelet op de bedoeling van de wetgever. Toch is omwille van de eenvoud en duidelijkheid gekozen om ten aanzien van jeugdhulpvoorziening aansluiting te zoeken bij het begrip maatwerkvoorziening. Het motief daarvoor is dat geredeneerd wordt vanuit de beleving van de inwoner. Onder een maatwerkvoorziening in de Wmo wordt verstaan: een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1.

ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3. ten behoeve van beschermd wonen en opvang. Onder m - melding Dit begrip is expliciet opgenomen vanwege het onderscheid dat wordt gemaakt tussen melding binnen de Wmo enerzijds, en het begrip aanvraag binnen de Jeugdwet. In artikel 4 van de verordening wordt dit nader uitgewerkt. Onder n – ondersteuningsplan Een weergave van het onderzoek zoals omschreven in artikel 2.3.2 van de Wmo. Binnen de Jeugdwet kan hiermee ook het gezinsplan of een plan van aanpak (bij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering) worden bedoeld. In het gezinsplan staat in de eerste plaats de huidige situatie beschreven, inclusief een vraagverheldering. Daarnaast staat beschreven wat het gezin er zelf al aan heeft gedaan en of er andere hulpverlening betrokken is of is geweest. In het gezinsplan staan daarnaast de afspraken over wat de jeugdige en/ of zijn ouders zelf gaan doen. Ook wordt beschreven welke overige jeugdhulpvoorzieningen en welke individuele jeugdhulpvoorzieningen nodig zijn.

Het gezinsplan beschrijft niet de wijze van invulling van de ondersteuning, van het ‘hoe’. i.c. de concrete werkafspraken. Dat is onderwerp van gesprek tussen de inwoner en degene die ondersteuning verleent, specifiek in het geval van individuele voorzieningen en wordt vastgelegd in bijvoorbeeld het uitvoeringsplan. Het gezinsplan vormt de verbinding met ondersteuning uit andere voorzieningen bijvoorbeeld onderwijs, participatie en volwassenenzorg. Het gezinsplan is geen statisch document. Er kunnen afspraken aan toegevoegd worden, wanneer dat naar inzicht van de jeugdige en/of de

ouders of het Lokaal Team van belang is. Bovendien kan het zijn dat als er meerdere vragen/problemen in een gezin zijn, deze niet allemaal tegelijkertijd worden opgepakt. Onder o - onderzoek Binnen de Jeugdwet is (er op basis van de Memorie van Toelichting en de jurisprudentie) sprake van een onderzoeksverplichting, in de Wmo wordt in artikel 2.3.2 een toelichting gegeven op alle wettelijke bepalingen die gelden voor het onderzoek. Onder p - ouder Hierbij geldt een onderscheid tussen biologisch en juridisch ouderschap. Een juridische ouder heeft niet altijd automatisch het gezag over een kind. Omgekeerd is een persoon die het gezag heeft over het kind niet altijd de juridische ouder. Hieronder een nadere uitleg over juridisch ouderschap. In beginsel is de juridische ouder de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige (hoofdregel) tenzij deze geen gezag heeft. Juridische moeder. De wettelijke of juridische moeder is: •

De vrouw uit wie het kind is geboren. Dat geldt ook als het kind verwekt is met een donoreicel.

•

De vrouw die het kind heeft geadopteerd.

•

De duomoeder die automatisch ouder is geworden of het kind heeft erkend. Of de duomoeder waarvan de rechter het ouderschap vaststelt.

Juridische vader. De wettelijke of juridische vader is: •

De echtgenoot of geregistreerde partner van de moeder op het moment dat het kind wordt geboren.

•

De man die het kind erkent of adopteert.

•

De man van wie de rechter het vaderschap vaststelt.

Heeft u een geregistreerd partnerschap, dan geldt wat hierboven staat ook. Een geregistreerd partnerschap wordt net als een huwelijk officieel bij de burgerlijke stand gesloten. Het is dus niet hetzelfde als het hebben van een samenlevingscontract of op hetzelfde adres ingeschreven staan. Wettelijke ouder heeft niet altijd gezag. Een juridische ouder heeft niet altijd automatisch het gezag over een kind. Omgekeerd is een persoon die het gezag heeft over het kind niet altijd de juridische ouder. Heeft een juridische ouder gezag over een jeugdige? Dan heeft hij of zij de plicht en het recht hem of haar op te voeden en te verzorgen. Nb. Soms is ook sprake van een ‘verzorger’. De verzorger heeft geen gezag maar kan gevraagd worden om mee te denken bij de gevraagde hulp.

Onder q - persoonlijk plan Het persoonlijk plan omschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft om deel te kunnen nemen aan de samenleving en zo zelfstandig mogelijk te zijn. In het plan kan de client, al dan niet tezamen met zijn persoonlijk netwerk, de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de Wmo en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, worden onderzocht door het college. Doordat de client hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de client zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de client een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt. Onder r - pgb Bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een client van derden heeft betrokken. Het persoonsgebonden budget wordt in het spraakgebruik vaak aangeduid als ‘pgb’. Onder s.

– pgb plan Dit plan, waarvoor een format van de gemeente beschikbaar is, gaat over de inzet van een pgb. Naast het pgb-plan dat de inwoner zelf invult, moet de zorgaanbieder of zorgverlener een zorgplan maken. In het pgb-plan geeft de inwoner aan wat er ongeveer moet gebeuren. In het zorgplan moet heel precies staan wat de zorgverlener voor de inwoner gaat doen en hoe de zorgverlener dat gaat doen. Dat moet dus veel duidelijker dan in het pgb-plan. Onder t – Veilig Thuis De taken van Veilig Thuis staan in artikel 4.1.1. van de Wmo 2015. Onder u - Wmo Omwille van de leesbaarheid wordt in de verordening de term Wmo gebruikt, daarmee wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bedoeld. Onder v - zorgaanbieder Onderscheid kan gemaakt worden in formele/ professionele en informele zorgaanbieders en in instellingen en solistisch werkenden/ zelfstandig ondernemers. Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning In Hoofdstuk 2 wordt beschreven welke voorzieningen er beschikbaar zijn vanuit de Jeugdwet en Wmo. Ook worden hier de toekenningscriteria beschreven. Daarmee geeft het college uitvoering aan artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid, onder a van de Wmo. Artikel 2. Vormen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Eerste en tweede lid – gebieden van algemene en maatwerkvoorzieningen Wmo en Jeugd

Het college is ervoor verantwoordelijk dat er voldoende toegankelijke voorzieningen zijn voor inwoners met een hulpvraag. Dit heeft niet alleen betrekking op maatwerkvoorzieningen van de Jeugdwet en Wmo. Het college is ook verantwoordelijk voor het inrichten van algemene voorzieningen vanuit de Jeugdwet en Wmo. Dit zijn laagdrempelige voorzieningen voor inwoners met een hulpvraag. Hiervoor is geen officiële verwijzing nodig. In het eerste een tweede lid wordt een opsomming gegeven van de gebieden waarvoor algemene én maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn. Op elk van deze gebieden, treft het college de nodige voorzieningen om inwoners met een hulpvraag te ondersteunen. Vierde en vijfde lid – maatwerkvoorzieningen Jeugd en Wmo In het vierde en vijfde lid volgt een opsomming van welke maatwerkvoorzieningen er beschikbaar zijn vanuit de Jeugdwet en Wmo. Voor een maatwerkvoorziening is een verwijzing nodig. De toegang en procedure via het college zijn beschreven in hoofdstuk 3 en hoofdstuk van deze verordening. De maatwerkvoorzieningen worden regionaal ingekocht bij verschillende aanbieders. Welk type maatwerkvoorziening nodig is, verschilt per individuele situatie. Daarom doet het college eerst zorgvuldig onderzoek naar de hulpvraag en daarbij passende hulp. Uit dat onderzoek kan ook naar voren komen dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter ontlasting van een mantelzorger.

Dit noemen we respijtzorg. Hoofdstuk 3 Toegang Artikel 3. Toegang In dit artikel is beschreven hoe de toegang tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning is geregeld in IJsselstein. In IJsselstein is het Lokaal Team een van de toegangswegen tot de jeugdhulp en de maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast zijn er verschillende deskundige organisaties aangewezen die zorgen voor de toegang tot en de uitvoering van taken en verantwoordelijkheden vanuit de Jeugdwet en de Wmo. Voor jeugdhulp geldt dat niet alleen de gemeente een wettelijk verwijzer is. Ook huisartsen, jeugdartsen, medisch specialisten, gecertificeerde instellingen/reclassering, SAVE en Veilig Thuis kunnen naar jeugdhulp verwijzen. Zonder aanvraag neemt het college geen besluit. Het gevolg hiervan is dat de hulp die verleend wordt zonder dat het college een besluit heeft kunnen nemen niet wordt vergoed. Het college zorgt ervoor dat er met deze verwijzers goede samenwerkingsafspraken gemaakt worden. Verder worden zowel inwoners als aanbieders er op attent gemaakt dat hulp verleend voordat het college daarvoor toestemming, in de vorm van een besluit, heeft gegeven niet wordt vergoed. Als inwoners toch al starten met hulp, komen de kosten hiervoor voor eigen rekening. De toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang valt onder verantwoordelijkheid van centrumgemeente Utrecht.

Vanaf 1 januari 2023 is IJsselstein zelf verantwoordelijk voor nieuwe cliënten beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Utrecht blijft verantwoordelijk voor alle huidige cliënten beschermd wonen. Artikel 4. Melding of aanvraag Eerste lid – hulpvraag door of namens inwoner De melding van een hulpvraag kan door een inwoner gedaan worden, maar ook door de vertegenwoordiger van deze inwoner. Dit is bijvoorbeeld een wettelijk vertegenwoordiger,

mantelzorger, familielid of iemand anders uit het sociale netwerk van de inwoner. Er is wel altijd toestemming nodig van de inwoner. De melding voor maatschappelijke ondersteuning is vormvrij. Iemand kan een hulpvraag schriftelijk, digitaal, telefonisch of aan de balie melden. Een aanvraag Jeugd moet wel schriftelijk of digitaal. Voor aanvragen die vallen onder de Wmo geldt dat de procedure van de Wmo hiervoor gevolgd wordt. Dat wil zeggen dat een melding van de hulpvraag altijd voorafgaat aan een aanvraag. De Jeugdwet volgt de procedure in de Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3, lid 3. Het gevolg hiervan is dat wanneer een vraag over de Jeugdwet bij het college gemeld wordt, dit in sommige gevallen kan worden aangemerkt als een aanvraag. Volgens de Algemene wet bestuursrecht is een aanvraag ‘het verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen’. Dit betekent dan ook dat de beslistermijn van acht weken gehanteerd wordt vanaf het moment van aanvraag. Uit jurisprudentie volgt dat voor de toegangsprocedure van de Jeugdwet, niet mag worden afgeweken van de algemene wet bestuursrecht en dus ook niet gelijkgetrokken mag worden met de procedure uit de Wmo (ECLI:NL:RBROT:2020:2333). Tweede en derde lid - ontvangstbevestiging Nadat een melding is gedaan, bevestigt het college zo snel mogelijk schriftelijk of digitaal dat de melding ontvangen is.

De registratie en bevestiging van de melding zijn belangrijk, omdat hiermee de onderzoekstermijn gaat lopen. Zoals beschreven in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wmo, mag dit onderzoek zes weken duren voor Wmo en acht weken voor jeugdhulp. In de ontvangstbevestiging geeft het college ook aan wat de rechten en plichten zijn van de inwoner. Daarnaast wordt hierbij of in het startgesprek gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning en de mogelijkheid voor het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. In zo’n plan kan de inwoner alvast aan aantal zaken beschrijven, zoals de hulpvraag, persoonlijke situatie, waarvoor ondersteuning nodig is en wat de inwoner zelf kan oplossen. Artikel 5. Spoedeisende gevallen Eerste lid – voorziening maatschappelijke ondersteuning Soms is er sprake van een spoedeisende situatie waarin snel een (maatwerk)voorziening nodig is. Dan kan het college een (maatwerk)voorziening inzetten, voordat het onderzoek naar de situatie is afgerond. Er wordt dan een passende, tijdelijke voorziening ingezet in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Tweede lid – Jeugdhulp In het geval van jeugdhulp kan het college er zo nodig ook voor kiezen om een machtiging gesloten jeugdhulp aan te vragen, zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

In spoedeisende gevallen zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo kan het college ervoor kiezen een tijdelijke maatwerkvoorziening in te zetten, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Deze procedure kan ook gevolgd worden voor spoedeisende gevallen voor jeugdigen, waarin géén sprake is van het aanvragen van een rechterlijke machtiging. Voor het inzetten van een tijdelijke maatwerkvoorziening jeugd is de toestemming van zowel de jeugdigen van 12 jaar en ouder als diens gezaghebbende ouders vereist.

Artikel 6. Persoonsgebonden budget (pgb) Eerste lid - wettelijke achtergrond toekenning van een pgb In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel van de Wmo (artikel 2.3.6) en van de Jeugdwet (artikel 8.1.1). Dit om een compleet beeld te geven van de rechten en plichten van de inwoner. Tweede lid - voorwaarden toekenning van een pgb Onder a - in staat om het pgb te beheren De inwoner moet er blijk van geven dat hij zelf, of met hulp van zijn netwerk, in staat is een pgb te beheren. Bij de beheertaken gaat het onder andere om het afsluiten van de zorgovereenkomst(en) en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb. Het netwerk dat hierbij kan helpen, kan bijvoorbeeld bestaan uit de ouders of voogd van een minderjarige, of een buurman. Ook de vertegenwoordiger van de inwoner (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die wellicht niet tot het sociale netwerk van de inwoner behoort, kan de inwoner ondersteunen bij het verantwoordelijk inkopen van de benodigde ondersteuning. De inwoner hoeft hier dus niet alléén toe in staat te zijn. Een pgb mag geweigerd worden als het pgb beheerd gaat worden door degene die de hulp ook zelf gaat bieden. Een pgb dat beheerd zal worden door een ander dan degene die de hulp gaat bieden (ongeacht de onderlinge relatie) mag niet om die reden geweigerd worden.

Dit is alleen anders als een professionele zorgverlener het pgb zou gaan beheren, want dat is immers nooit toegestaan. Onder b - passend bij de hulpvraag De inwoner heeft met een pgb de mogelijkheid zelf te bepalen bij wie hij de benodigde ondersteuning wil inkopen. De ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht moet echter wel van goede kwaliteit te zijn. Er is sprake van goede kwaliteit als is gewaarborgd dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en inwonergericht wordt verstrekt. Zie voor een nadere uitwerking van deze begrippen de beleidsregels. Onder c- motivatie Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Derde lid – pgb plan In het derde lid wordt de inwoner verplicht een pgb plan aan te leveren. In dit plan (inclusief eventuele bijlagen) beschrijft de inwoner onder andere op welke manier het budget besteed zal worden, welke ondersteuning wordt ingekocht, bij wie en waarom voor een (on) gecontracteerde aanbieder is gekozen. Het pgb plan is nodig voor het college om onder andere te kunnen vaststellen of de inwoner in staat is een pgb te beheren en of de ondersteuning die de inwoner wil inkopen veilig, doeltreffend en inwonergericht is.

Het college stelt een format ter beschikking uit praktische overwegingen. Ze is dan verzekerd van ontvangst van alle benodigde informatie en weet waar deze informatie in het pgb plan te vinden is. Als een inwoner er voor kiest met het pgb professionele ondersteuning in te kopen, gelden hiervoor dezelfde kwaliteitseisen aan de aanbieder van deze ondersteuning als wanneer deze

ondersteuning via zorg in natura door het college zou zijn ingekocht. Deze kwaliteitseisen zijn opgenomen in de beleidsregels. Vierde lid – doel en resultaat Doordat de inwoner zelf regie krijgt over de ondersteuning die hij met het pgb contracteert, krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij zo nodig bijsturen. Het college toetst vooraf of de kwaliteit voldoende is gegarandeerd door van de aanvrager te vragen waar hij zijn ondersteuning zal inkopen, en op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan het realiseren van de beoogde doelen en resultaten. Vijfde lid – waarvoor een pgb niet is bedoeld In dit artikel in de verordening worden alle handelingen en activiteiten benoemd waarvoor een pgb niet mag worden ingezet. Zesde lid – professionele ondersteuning Het college dient een zorgvuldige afweging te maken welke hulp op basis van de hulpvraag moet worden ingezet (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Als de mogelijkheden van ouders/het netwerk ontoereikend zijn, dient professionele ondersteuning te worden ingezet. Zevende lid - geheel of gedeeltelijke weigering van een pgb In het zevende lid staan de weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb beschreven. Onder a- kosten die al gemaakt zijn Zie ook de toelichting in hoofdstuk 3, artikel 6, zevende lid.

Onder b, c en d- onjuiste of onvolledige gegevens, niet voldoen aan regels of niet voor het juiste doel Er geldt een inlichtingenverplichting voor de inwoner, die als uitgangspunt heeft dat verlangd kan worden dat voldoende gegevens en inlichtingen worden verstrekt om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op het pgb terecht is gedaan. Indien het de inwoner redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden zijn of daarin opgetreden wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb, dan dient de inwoner dit uit eigen beweging aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van het pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. Zie hiervoor ook ECLI:NL:RBNHO:2019:8357. Onder e- gebruikelijke hulp Hiermee wordt de hulp en zorg bedoeld waarvan naar algemeen aanvaardbare maatstaven gangbaar wordt geacht dat ouders die aan hun kind bieden. Geeft iemand uit het sociale netwerk aan de zorg niet meer te willen doen, zonder hier een pgb voor te willen ontvangen, dan moet worden onderzocht of aan de pgb voorwaarden wordt voldaan.

Onder f- bovengebruikelijke hulp Uit jurisprudentie van de CRvB volgt dat bovengebruikelijke hulp in beginsel van ouders mag worden verwacht. Deze uitspraak leidde tot het oordeel dat de ouder, die haar baan had

opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht, zie CRvB 17-7-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362. Als het specifiek gaat om financiële zelfredzaamheid geldt dat moet worden onderzocht of er geen financiële problemen ontstaan wanneer de hulp door de ouder wordt geboden. Dit wordt in de beleidsregels nader uitgewerkt. Onder g- pgb niet voor jeugd-GGZ vanuit het sociaal netwerk Behandeling (jeugd-GGZ) is een vorm van jeugdhulp die alleen door professionals kan worden geboden. Daarom mag een pgb niet worden aangewend voor jeugd-GGZ vanuit het sociaal netwerk. Onder h- hogere kosten in vergelijking met Zorg in Natura (ZiN) Het college kan het pgb alleen weigeren voor het gedeelte dat duurder is dan de voorgestelde maatwerkvoorziening in natura. De inwoner kan er dan voor kiezen toch de duurdere voorziening in te kopen en het verschil zelf bij te betalen. Onder i- beheer en hulp gescheiden Zie ook hierboven de toelichting op artikel 6, tweede lid, onder a. In zijn algemeenheid geldt dat één en dezelfde persoon of organisatie niet in staat is met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken uit te voeren van eigen geboden hulp. Degene die het pgb beheert moet in staat zijn overeenkomsten met de beoogde hulpverlener te sluiten, en deze hulpverlener aan te sturen en aan te spreken op zijn verplichtingen.

Onder j- onvoldoende motiveren of toelichten Zie ook hierboven de toelichting op artikel 6, tweede lid, onder c. Het gaat om een wettelijke voorwaarde voor een pgb, waarbij aanvullend geldt dat vanuit de Jeugdwet moet worden gemotiveerd waarom Zorg in Natura (ZiN) niet passend is. Onder k- besteding in het buitenland De CRvB heeft in zijn (tussen)uitspraak van 16 april 2018 geoordeeld dat het toegestaan is met het pgb zorg in te kopen in andere lidstaten van de EU. Omdat onvoldoende controle op de kwaliteit kan worden uitgeoefend gaat het college hier erg terughoudend mee om. Een uitzondering kan alleen worden gemaakt als het zorg betreft die al in Nederland wordt ingezet en waarbij het gaat om een voortzetting in het buitenland van maximaal 13 weken. Onder l- meer inzet dan 36 uur per week Dit is als criterium opgenomen om de kwaliteit van de zorg te waarborgen en overbelasting van de aanbieder te voorkomen. Achtste lid - verwijzing door een andere partij Uit jurisprudentie (ECL:NL:RBOBR:2020:1761) volgt dat het college de keuze voor een nietgecontracteerde aanbieder waarnaar wordt verwezen door een andere partij (bv. een huisarts) niet hoeft te vergoeden. Het is aan de jeugdige en/ of ouders om bij zo’n verwijzing eerst een besluit van het college te vragen.

Ook als het gaat om jeugdhulp die het college niet kan leveren door een gecontracteerde aanbieder zal het college eerst een besluit moeten nemen. Het college bepaalt niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent.

Hoofdstuk 4 Procedure Artikel 7 Onderzoek Eerste lid - gesprek Na de melding start het onderzoek. Het onderzoek mag zes weken beslaan voor maatschappelijke ondersteuning en acht voor jeugdhulp. Om een goed beeld te krijgen van de inwoner, diens situatie en de hulpvraag, is een persoonlijk gesprek in de meeste gevallen wenselijk. Het college zorgt ervoor dat hiervoor een afspraak wordt ingepland, zo snel mogelijk nadat de hulpvraag gemeld is. Bij dit gesprek kan ook een vertegenwoordiger, mantelzorger, familielid, iemand anders uit het sociaal netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig zijn als de inwoner dat wenst. Soms zijn er meerdere gesprekken nodig om de situatie goed in kaart te brengen. Tweede en derde lid – verzamelen gegevens Vaak is er al veel informatie aanwezig die van belang is voor het onderzoek. Daarom kan het college om deze informatie vragen. Het kan bijvoorbeeld gaan om informatie over de hulpverleningsgeschiedenis en eerdere (diagnostische/ persoonlijkheids-) onderzoeken. Dit kan een beeld geven van de ontwikkeling van de situatie in het verleden, welke hulp er al is geweest en wat wel en niet goed heeft gewerkt. Zo kan worden voorkomen dat opnieuw hulp wordt ingezet, die in het verleden niet bleek te werken. De inwoner kan altijd zelf een persoonlijk plan of gezinsplan opstellen.

Als deze aanwezig is, wordt dit plan dan ook altijd betrokken bij het onderzoek. Vierde lid – afzien van een gesprek In sommige gevallen is een persoonlijk gesprek niet nodig. Dan kan, in samenspraak met de inwoner, worden afgezien van een gesprek. Vijfde lid – identificatie De gemeente vraagt aan het begin van het gesprek om identificatie van de inwoner. Als een inwoner al vaker een gesprek heeft gehad met dezelfde medewerker, kan de medewerker ervoor kiezen om af te zien van identificatie. Zesde lid – richten van het onderzoek Om een goed beeld te krijgen van de inwoner, diens persoonlijke situatie en de hulpvraag, is een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek nodig. Hierin komt in elk geval aan de orde wat de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner zijn. Daarnaast wordt gevraagd naar het gewenste resultaat van eventuele hulp. Ook zal besproken worden welke mogelijke oplossingen kunnen worden geboden. Hierbij wordt eerst onderzocht of er oplossingen zijn in de eigen mogelijkheden, hulp uit het sociaal netwerk, hulp van een mantelzorger, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen, vóór ondersteuning door middel van een maatwerkvoorziening wordt overwogen. Dit noemen we ook wel het afwegingskader. Deze wordt verder toegelicht in de beleidsregels.

Als er sprake is van mantelzorg, zal worden bekeken of er behoefte is aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. Zo kan de ondersteuning worden ingezet als respijtzorg. Respijtzorg is de tijdelijke overname van ondersteuning met als doel de mantelzorger een adempauze te geven. Als een maatwerkvoorziening passend lijkt, dan wordt de mogelijkheid tot een pgb besproken. Ook wordt dan uitgelegd welke rechten, plichten en

verantwoordelijkheden er bij een pgb komen kijken. Als een maatwerkvoorziening Wmo passend lijkt, dan wordt aan de inwoner uitleg gegeven over de eigen bijdrage die hiervoor gevraagd kan worden. Zevende lid – onafhankelijk oordeel In sommige gevallen is er extra expertise nodig om een goede inschatting te kunnen maken van de hulpvraag en de mogelijk benodigde hulp. Het college kan er dan voor kiezen om een deskundig advies van derden in te winnen. Dit advies moet altijd onafhankelijk zijn. Daarom wordt een dergelijk advies niet ingewonnen bij de organisatie die mogelijk ook de hulp zal gaan bieden. Artikel 8. Verslag/ondersteuningsplan Eerste en tweede lid – inhoud ondersteuningsplan Het onderzoek zoals beschreven in artikel 7 mag zes weken beslaan voor maatschappelijke ondersteuning en acht weken voor jeugdhulp. Soms is er enige tijd nodig voor het opvragen van de nodige informatie door de inwoner. De periode dat het college in afwachting is van deze stukken, telt niet mee in de onderzoekstijd van zes/acht weken. De onderzoekstijd gaat weer lopen zodra de nodig informatie is binnengekomen. Na afronding van het onderzoek ontvangt de inwoner een verslag met de uitkomsten van het onderzoek. Dit verslag wordt het ondersteuningsplan genoemd. In het ondersteuningsplan wordt het onderzoek beschreven en welke vorm van hulp het college passend vindt, op basis van het onderzoek.

Als de inwoner opmerkingen of aanvullingen wil doen, worden deze aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Derde lid – mogelijkheid aanvraag maatwerkvoorziening In het ondersteuningsplan wordt de mogelijkheid aangegeven een aanvraag voor een maatwerkvoorziening te doen. De inwoner kan in het ondersteuningsplan aangeven of hij wel of niet akkoord gaat met de hulp die door het college wordt voorgesteld. Vierde lid – andere mogelijkheden dan een maatwerkvoorziening In het ondersteuningsplan kan het college aanvullend een advies geven over welke andere voorzieningen, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing kunnen bieden voor de hulpvraag. Soms is dit een advies in plaats van een maatwerkvoorziening vanuit de Jeugdwet of de Wmo. Soms is dit advies aanvullend op een maatwerkvoorziening. Hoofdstuk 5. Aanvraag en toekenning maatwerkvoorziening Artikel 9 Aanvraag maatwerkvoorziening Eerste lid – wat valt onder een aanvraag? Als in het ondersteuningsplan een maatwerkvoorziening wordt voorgesteld als passende hulp, kan de inwoner aangeven of hij hiermee wel of niet akkoord gaat. Als de inwoner akkoord gaat met het voorstel, geldt een voor akkoord getekend ondersteuningsplan als aanvraag voor de betreffende maatwerkvoorziening. Het ondersteuningsplan kan per post of digitaal verstuurd worden aan het college.

Tweede lid – aanvraag zonder ondersteuningsplan Een inwoner kan ook, schriftelijk of digitaal, een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen zonder dat er een ondersteuningsplan is gemaakt. Het college zal echter altijd

onderzoek moeten doen naar de situatie. In dat geval zal er dan ook alsnog een onderzoek gestart worden, zoals beschreven in artikel 7. Artikel 10. Beschikking maatwerkvoorziening Eerste, tweede en derde lid – besluit en toelichting Binnen tien werkdagen nadat een aanvraag is binnengekomen, zal het college beslissen op de aanvraag. De datum waarop de aanvraag juist en volledig door het Lokaal Team is ontvangen, geldt als aanvraagdatum. Deze tien werkdagen gelden voor een aanvraag die is gedaan door middel van een ondertekend ondersteuningsplan. Als een inwoner een aanvraag doet voordat eerst onderzoek verricht is, geldt een totale beslistermijn van acht weken, zoals volgt uit de Algemene wet bestuursrecht artikel 3.1, derde lid (zie ook de toelichting bij artikel 8 van deze verordening) De beslissing op de aanvraag maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd in een brief aan de inwoner. Dit wordt ook wel de beschikking genoemd. Als er een maatwerkvoorziening wordt toegekend, worden in de beschikking de kenmerken van de maatwerkvoorziening beschreven. Ook wordt aangegeven hoe een inwoner bezwaar kan maken tegen de beslissing van het college. Voor jeugdhulp geldt dat er alleen een beschikking wordt opgesteld op verzoek van de inwoner en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger. Bij toekenning of afwijzing van een pgb wordt altijd een beschikking opgesteld en verzonden.

Vierde lid – aanvullingen beschikking bij pgb Als er een maatwerkvoorziening in pgb wordt toegekend, staan in de beschikking nog een aantal zaken beschreven die alleen maar gelden bij pgb’s. Vijfde lid – eigen bijdrage Een eventuele eigen bijdrage is alleen van toepassing voor maatwerkvoorzieningen op basis van de Wmo. Artikel 11. Algemene toekenningscriteria maatwerkvoorziening In dit artikel wordt beschreven welke criteria er gelden voor het toekennen van een maatwerkvoorziening. Hiermee geeft het college uitvoering aan artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de Wmo. Eerste en tweede lid – verslag onderzoek en toekenning maatwerkvoorziening Het college doet na een melding of aanvraag eerst uitgebreid onderzoek naar de situatie en hulpvraag van de inwoner. Bij een hulpvraag op grond van de Wmo moet eerst een melding worden gedaan. Bij een hulpvraag op grond van de Jeugdwet is de hulpvraag (indien deze voldoende is geconcretiseerd, al dan niet na het onderzoek) een aanvraag. Een maatwerkvoorziening wordt pas ingezet als andere mogelijkheden geen passende oplossing kunnen bieden voor de hulpvraag. Daarom wordt in het onderzoek ook altijd aandacht besteed aan andere mogelijke oplossingen. In de volgordelijkheid zoals deze benoemd zijn in artikel 7, zesde lid, sub a t/m h; het afwegingskader.

Dit afwegingskader is van toepassing op alle hulpvragen waarmee een beroep wordt gedaan op het Lokaal Team. In het onderzoek wordt dan ook altijd bekeken wat een inwoner zelf of samen met het sociaal netwerk kan oplossen. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de uitgangspunten van de Jeugdwet en de Wmo, namelijk het uitgaan van eigen verantwoordelijkheid van inwoners en hun sociaal netwerk en

in het geval van jeugdigen ook de verantwoordelijkheid van hun ouders. Ook kan het college tot de conclusie komen dat er andere hulp passend is, zoals gebruik van een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening. Pas als dit allemaal geen oplossing biedt, wordt een maatwerkvoorziening ingezet. Daarbij is het uitgangspunt altijd dat hulp zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig is. Het afwegingskader wordt nader toegelicht in de beleidsregels. Sommige type hulpvragen worden vaak gemeld bij het college, terwijl hiervoor een andere oplossing meer passend is. Deze hulpvraag kan dan bijvoorbeeld beter worden opgelost door eigen kracht of een andere voorziening. Voorbeelden hiervan zijn mediation in echtscheidingssituaties of intelligentie-onderzoek, wat onder de Wet Passend Onderwijs kan vallen. Derde lid – Meedoen doe je samen! Het uitgangspunt van sociaal beleid in de gemeente IJsselstein is ‘Meedoen doe je samen!”. Het college wil ervoor zorgen dat iedereen de kans krijgt om mee te doen. Dat is dan ook het uiteindelijke doel van de ondersteuning; zorgen dat inwoners zoveel mogelijk kunnen meedoen in de samenleving. Voor jeugdigen geldt daarbij dat wij het belangrijk vinden dat zij gezond en veilig kunnen opgroeien. Vierde lid – goedkoopst passende voorziening In sommige gevallen zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk.

Het college mag dan kiezen voor de goedkoopste voorziening, zolang deze voorziening passend is bij de hulpvraag. Een voorbeeld hiervan is de driewielfiets met trapaandrijving. Als een driewielfiets zonder trapaandrijving passend is om de hulpvraag op te lossen, zal het college hiervoor kiezen. Ook als de inwoner de voorkeur geeft aan een elektrische driewielfiets. Deze wordt niet vergoed als daartoe geen noodzaak is. Vijfde lid– gecontracteerde aanbieders Het uitgangspunt is dat de ondersteuning die het college inkoopt voldoende dekkend is en een antwoord biedt aan hulpvragen van inwoners uit de gemeente. Daar waar de vraag maatwerk vereist kan een pgb worden overwogen, en wanneer de gevraagde ondersteuning heel specifiek is kan geheel contracteren van de aanbieder een overweging zijn. Zesde lid – bewezen effectiviteit Het college is ervoor verantwoordelijk om hulp of ondersteuning in te zetten, die past bij de hulpvraag en van goede kwaliteit is. In sommige gevallen wenst een inwoner een specifieke voorziening waarvan de effectiviteit niet of nauwelijks is aangetoond, terwijl er een alternatief beschikbaar is waarvan de effectiviteit beter is bewezen. Het uitgangspunt moet dan ook niet de voorziening zijn, maar de hulpvraag. Deze hulpvraag is leidend voor het onderzoek en de uitkomst daarvan.

Als er bijvoorbeeld sprake is van een psychische beperking, kan een combinatie van GGZ- behandeling (vanuit de zorgverzekeringswet of Jeugdwet) en begeleiding (vanuit de Wmo of Jeugdwet) passender zijn. Zevende lid – vervanging van een hulpmiddel Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening, dus ook hulpmiddel, als deze noodzakelijk is voor de inwoner om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Daarom wordt hier benoemd dat hulpmiddelen niet vervangen worden, als het huidige hulpmiddel nog volstaat. Vervanging wordt gedaan als het huidige hulpmiddel technisch is afgeschreven. Daarop is een aantal uitzonderingen, beschreven onder a tot en met c.

Artikel 12. Weigeringsgronden maatwerkvoorziening In dit artikel wordt beschreven op welke gronden er besloten kan worden om geen maatwerkvoorziening toe te kennen. Het opnemen van deze weigeringsgronden geeft aan professionals en inwoners duidelijkheid over wanneer er geen maatwerkvoorziening zal worden toegekend. Omdat deze in de verordening zijn opgenomen, is het voor de inwoner mogelijk om zijn rechtspositie (vooraf) te bepalen. Eerste lid Onder a – voorliggende voorziening Zoals eerder benoemd, wordt altijd eerst onderzocht of een voorliggende voorziening ook passend is om de hulpvraag op te lossen. Dat kan een andere voorziening zijn, zoals een voorziening vanuit de Wet langdurige Zorg of Zorgverzekeringswet. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals kinderopvang, mediation bij echtscheiding of een lokaal aanbod vanuit de welzijnsorganisatie of andere organisaties. In beleidsregels wordt verder uitgewerkt in welke veel voorkomende gevallen in elk geval nader onderzoek gedaan wordt naar mogelijke voorliggende voorzieningen. Onder b – voorzienbaarheid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo (kamerstukken II, 201314, 33 841, nr. 3, p.

148) beschreven dat een maatwerkvoorziening uitdrukkelijk een hekkensluiter is: ‘Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. Denk hierbij aan iemand die is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht. Dan had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen’.

De Wmo en de Jeugdwet stellen (in artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, aanhef en onder a van de Wmo en artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet) dat er in elk geval bij verordening moet worden vastgesteld op welke wijze en op basis van welke criteria of voorwaarden wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Daarom is het van belang ook expliciet weigeringsgronden op te nemen voor afwijzing van een maatwerkvoorziening. Gelet op het citaat hierboven, kan het college een maatwerkvoorziening afwijzen als ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Onder c – meerkosten Soms maakt een inwoner al langere tijd gebruik van een voorziening, die ook als maatwerkvoorziening te verstrekken is. De inwoner heeft deze voorziening steeds zelf bekostigd. Er was immers geen noodzaak tot een maatwerkvoorziening als gevolg van een beperking. Als er na enige tijd wel een beperking ontstaat bij de inwoner kan de inwoner een maatwerkvoorziening op basis van deze verordening wensen. Na onderzoek kan in die gevallen de conclusie getrokken worden dat er geen meerkosten zijn ontstaan ten aanzien van

de situatie voordat de beperking optrad. Het college hoeft in dat geval geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Onder d – kosten voorafgaand aan de melding of aanvraag Soms meldt een inwoner zich bij het college terwijl de hulp al is gestart of afgerond. De inwoner vraagt dan om vergoeding van deze hulp, op grond van deze verordening. In het geval dat hulp al is afgerond op het moment van melding of aanvraag, dan vergoedt het college deze hulp niet met terugwerkende kracht. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om de hulpvraag tijdig te melden bij het college. Uit jurisprudentie ECLI:NL:RBOBR:2014:3092 kan worden afgeleid dat het college de hulp niet hoeft te vergoeden als er op het moment van aanvraag sprake is van voldoende eigen kracht. Dit ligt iets anders als een inwoners zich meldt bij wie nog sprake is van een actuele hulpvraag. Als de inwoner zelf al hulp heeft ingezet, maar er is nog wel sprake van een hulpvraag, dan zal het college moeten onderzoeken of deze hulp inderdaad passend is. Dit sluit aan bij jurisprudentie die hierover in de oude Wmo 2007 is verschenen ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6485 Het college zal in ieder geval de noodzakelijke hulp moeten vergoeden vanaf het moment dat de inwoner zich bij het college heeft gemeld.

Onder e – veiligheid en risico’s Als een maatwerkvoorziening onveilig is, of risico’s met zich meebrengt voor de inwoner of anderen zal deze niet worden ingezet. Onder risico’s wordt ook de (dreigende) overbelasting verstaan van degene die de hulp aan inwoner biedt. Maatwerkvoorzieningen dienen immers veilig, doeltreffend, en cliëntgericht te zijn. Dit volgt uit artikel 4.1.1, eerste lid uit de Jeugdwet en uit artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wmo. Onder f – anti-revaliderend effect Een maatwerkvoorziening heeft uiteindelijk als doel om de zelfredzaamheid van de inwoners zoveel mogelijk te stimuleren, te herstellen of te ondersteunen. In sommige gevallen draagt hulp hier op de lange termijn niet aan bij. Zowel onder de WVG als de Wmo 2007 oordeelde de CRvB dat een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen (zie CRvB 11-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1741, CRvB 23-10-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2254, CRvB 15-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077 en Vzr. Rechtbank Maastricht 25-07-2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9826). Onder g – eerdere maatwerkvoorziening is nog passend Een maatwerkvoorziening wordt pas verstrekt als deze noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid van de inwoner.

Als er al de nodige hulp aanwezig is die passend is bij de hulpvraag, dan zal er daarnaast of in plaats daarvan, geen nieuwe maatwerkvoorziening worden toegekend. Artikel 13. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening Wmo Eerste lid – weigeringsgronden maatwerkvoorziening Wmo wonen Onder a – niet permanente bewoning Hier wordt benadrukt dat een inwoner alleen in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ voor een woning die het gehele jaar door bewoond wordt. Ook hier geldt dat het uitgangspunt de hulpvraag is. Het college zal samen met de inwoner, binnen de hiervoor gestelde kaders, zoeken naar een passende oplossing voor de hulpvraag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10770702/1