CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting verordening

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening Wmo en Jeugd15.406 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Onder b – algemene ruimte Een maatwerkvoorziening op basis van de Wmo wordt verstrekt als een voorziening die op een individu is gericht. Daarom worden geen maatwerkvoorzieningen verstrekt ten behoeve van een openbare ruimte van bijvoorbeeld wooncomplexen. In de beleidsregels wordt dit nader toegelicht. Onder c – uitrustingsniveau sociale woningbouw Een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ hoeft niet van hetzelfde uitrustingsniveau te zijn als de rest van de woning. Zolang de voorziening toereikend is voor de hulpvraag van de inwoner, zal worden uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Onder d – algemeen gebruikelijke renovatie Het college zal onderzoeken of er sprake is van een algemeen gebruikelijke renovatie van (een deel van) de woning. Onder e – noodzaak maatwerkvoorziening door verhuizing Het college mag een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ weigeren als de behoefte aan die voorziening het gevolg is van een verhuizing, waarvoor geen noodzaak bestond op grond van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie of een andere belangrijke reden. Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om te kiezen voor een woning die passend is bij hun behoeften.

Dit volgt uit jurisprudentie, onder andere: CRvB 02-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1751 en CRvB 10-04-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7735 Onder f – verhuizen naar niet geschikte woning Als er al beperkingen aanwezig zijn voordat een inwoner een nieuwe woning betrekt, mag van de inwoner verwacht worden hierover vooraf contact te zoeken met het college. Zo kan gezamenlijk bekeken worden of er een beter passende woning beschikbaar is of een woning die gemakkelijker aan te passen is aan de behoeften van de inwoner. Dit volgt uit jurisprudentie hierover: CRvB 19-09-2013, nr. 11/4840. Tweede lid – Wmo ‘Wonen’: primaat van verhuizen Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Wonen’. De achterliggende gedachte is dat er op die manier zo efficiënt mogelijk kan worden omgegaan met de beschikbare woningvoorraad en financiële middelen. Hoe het primaat van verhuizen wordt toegepast in de praktijk, wordt nader uitgewerkt in beleidsregels. Het college onderzoekt hierbij wel altijd, of een voorziening voor verhuizing en inrichting een passende compenserende voorziening is. Dit volgt uit jurisprudentie hierover, zoals in CRvB 09-12-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6971 en CRvB 31-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6619.

Derde lid – Wmo ‘Huishouden’: normenkader van bureau HHM Bureau HHM is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau. Dit bureau heeft een normenkader tot stand gebracht voor het resultaatgericht indiceren van maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Huishouden’, met een onderbouwing die voldoet aan de eisen die de rechter hieraan stelt. Zie voor jurisprudentie CRvB 10-12-2018, ECLI:NL;CRVB:2018:3835.

Vierde lid – Wmo ‘Vervoer’: maximaal aantal kilometers Het college mag volstaan met een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ waarmee een inwoner tot 1500 kilometer per jaar kan reizen. Dit volgt onder andere uit jurisprudentie: CRvB 29-022012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463. Artikel 14. Bijdrage kosten voorzieningen Wmo In dit artikel wordt de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening Wmo beschreven. Eerste lid – maatwerkvoorzieningen Wmo Op grond van artikel 2.1.4a en artikel 2.1.5 van de Wmo kan het college aan een inwoner een bijdrage in de kosten vragen voor alle soorten maatwerkvoorzieningen tot een maximum bedrag zoals opgenomen in artikel 2.1.4a lid 4 van de Wmo. Voor algemene voorzieningen Wmo wordt geen eigen bijdrage gevraagd, deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Hiermee wordt beoogd dat de toegang laagdrempelig is waarmee de algemene voorzieningen een preventieve werking kunnen hebben. Tweede lid- geen eigen bijdrage In het tweede lid wordt met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 beschreven wanneer geen eigen bijdrage verschuldigd is bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening Wmo. Derde lid- bijdrage tot kostprijs De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid, van de wet).

Dit bedrag is gelijk voor een inwoner en zijn/haar samenwonende partner tezamen. Vierde lid – inning eigen bijdrage De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt door het CAK berekend en geïnd. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, van de Wmo 2015 bij het vaststellen van de bijdrage. Het is in een enkel geval mogelijk dat de kostprijs van de maatwerkvoorziening lager is dan de maximale periodebijdrage. Vijfde lid – kostprijs maatwerkvoorziening De bijdrage in kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De inwoner betaalt dus nooit meer dan het college verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. Onder a – Zorg in Natura De Wmo verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.6). Dat kan voor Zorg in Natura (ZiN) op drie manieren; door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Onder b - Pgb De kostprijs van een pgb is gelijk aan het totale pgb.

Onder c- ritbijdrage Aan een inwoner wordt voor elke rit per collectief vervoer als maatwerkvoorziening Wmo een ritbijdrage gevraagd. Dit is een gereduceerd tarief dat een inwoner betaalt voor het reizen in de directe woon- en leefomgeving. Zesde lid – woningaanpassing minderjarige De wet biedt de ruimte om een bijdrage op te leggen aan de ouders/verzorgenden van minderjarigen aan wie een woningaanpassing is verstrekt. Zevende lid – algemeen gebruikelijke kosten/kosten voor consumptie Het is denkbaar dat aan een inwoner, ook als er geen eigen bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo gevraagd wordt, bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening Wmo of een algemene voorziening wel een kleine vergoeding gevraagd wordt bij het gebruik van deze voorziening. Bijvoorbeeld het nuttigen van koffie met taart of het gebruik van bijzondere materialen. Het gebruik maken hiervan is altijd vrijwillig en de kosten zijn nooit hoger zijn dan de algemeen gebruikelijke kosten hiervoor. Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden budget (pgb) als maatwerkvoorziening In hoofdstuk 6 wordt beschreven wanneer kan worden gekozen een pgb toe te kennen, welke regels hiervoor gelden en hoe de hoogte van het pgb wordt bepaald. Artikel 15. Aanvullende regels voor pgb Eerste lid – kwaliteitscriteria professionele organisatie of zelfstandig ondernemer Deze kwaliteitseisen staan opgenomen in de beleidsregels.

Tweede lid - pgb door een persoon uit het sociaal netwerk Uit artikel 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet (en artikel 2.3.6 van de Wmo) volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de hulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Door de regering is hierover het volgende opgemerkt: ‘hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning daarbij met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar (structureel) doelmatiger is. Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de jeugdige/ inwoner en zijn ouders’. Hieraan is in dit lid invulling gegeven. Artikel 16. Hoogte en tarief van het pgb Eerste en tweede lid – hoogte van het pgb Op grond van artikel 2.1.3 tweede lid, onder b. van de Wmo en artikel 2.9 onderdeel c. van de Jeugdwet dient bij verordening de essentialia te worden vastgesteld voor het bepalen van de hoogte van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Het betreft een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s die iedere keer als uitgangspunt wordt genomen. Derde lid – kostencomponenten In dit lid wordt aangegeven uit welke kostencomponenten een pgb mag zijn opgebouwd.

Vierde lid – onderscheid in ondersteuning Een op basis van deze berekening vastgesteld budget moet de inwoner in staat stellen de benodigde ondersteuning van derden te betrekken. Waarbij dus geldt dat het college het pgb gedeeltelijk kan weigeren wanneer de kosten van het pgb hoger zijn dan de maatwerkvoorziening in natura. De hoogte van een pgb wordt in belangrijke mate bepaald door wat dit het college zou kosten als het de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura’). Zoals blijkt onder b. Is het college bevoegd een lager tarief dan het tarief in natura voor de berekening als uitgangspunt te hanteren, aangezien een zelfstandig ondernemer met aanzienlijk lagere overheadkosten ondersteuning kan bieden dan de grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. De 25% lagere kosten overhead is een redelijke norm gerekend vanuit de cao VVT/GGZ. In dit lid is vastgelegd dat als de zorg die met het pgb wordt ingekocht geleverd wordt door het sociaal netwerk, hiervoor altijd een tarief wordt gerekend ongeacht de professie van de aanbieder. Het pgb-tarief voor informele hulp moet hoog genoeg zijn om tenminste het wettelijke minimumloon en vakantiegeld te betalen. Met de hoogte van dit tarief wordt aansluiting gezocht bij het minimumloon.

Als in een individueel geval aantoonbaar is dat de berekeningswijze zoals verwoord in dit artikel leidt tot een pgb-hoogte waarmee de inwoner niet in staat is de benodigde ondersteuning van derden te betrekken, dan wordt er in dat geval van de berekeningswijze afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb voor dat deel kan weigeren waar de kosten van het betrekken van de ondersteuning van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. Het is aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderbouwen en/of te onderzoeken dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde ondersteuning van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij het college. Het is evenwel aan de inwoner om eventuele bijzonderheden aan te kaarten. Vijfde lid – normbedragen Het betreft de substantiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s die iedere keer als uitgangspunt wordt genomen. Zesde lid – gelijk tarief In dit lid is vastgelegd dat er één en hetzelfde tarief wordt gehanteerd gedurende de periode waarvoor het pgb wordt toegekend. Artikel 17. Besteding en verantwoording Dit artikel bepaalt dat de besteding van het pgb dient te worden verantwoord.

Een verantwoording is enerzijds een belangrijk instrument voor het college om toe te zien op een doel- en rechtmatige besteding van het pgb door de inwoner, maar levert ook input voor het college om de berekeningswijze die zij als uitgangspunt hanteert waar mogelijk te optimaliseren.

Eerste en tweede lid – onderzoek besteding binnen doel en kwaliteit Op grond van de Wmo en de Jeugdwet kan het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 17 lid 2 van deze verordening ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Derde lid – besteding binnen de termijn Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Hoofdstuk 7. Financiële tegemoetkomingen Artikel 18. Financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening Eerste lid – financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening Wmo Naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 12-2-2018, nr. 16/6151 en CRvB 12-2-2018, nr.

16/5355) kan een maatwerkvoorziening ook als financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Het betreft hier nadrukkelijk niet de financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen (Artikel 2.1.7 van de Wmo). Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de inwoner aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en aan de criteria zoals verwoord in artikel 4.1 wordt voldaan. In het eerste lid staat onder a. tot en met d. opgesomd voor welke kosten een financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Het college beperkt de inzet van de financiële maatwerkvoorzieningen tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. De opsomming is gelimiteerd tot deze kosten/ situaties. Omdat de in het eerste lid genoemde financiële tegemoetkomingen maatwerkvoorzieningen zijn, zijn alle bepalingen in deze verordening betreffende maatwerkvoorzieningen ook van toepassing. Bijvoorbeeld dat de goedkoopst passende maatwerkvoorziening wordt verstrekt en dat bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening Wmo de inwoner een eigen bijdrage verschuldigd is.

Onder a - verhuizen en inrichting Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen of inrichting kan als maatwerkvoorziening Wmo verstrekt worden in geval het primaat van verhuizen wordt toegepast zoals bedoeld in artikel 13 lid 2. Het primaat van verhuizen wordt nader beschreven in de beleidsregels. Ook kan een financiële tegemoetkoming voor verhuizen en inrichting als maatwerkvoorziening worden verstrekt wanneer een ingezetene een aangepaste woning ten behoeve van een inwoner verlaat. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de inwoner wiens woning is aangepast overlijdt en diens partner bereid is de aangepaste woning te verlaten.

Het aantal beschikbare aangepaste woningen waar een inwoner naar toe kan verhuizen (door toepassing van het primaat van verhuizen), blijft hierdoor op peil. Onder b- een voorziening voor sportbeoefening Wanneer een inwoner naar het oordeel van het college afhankelijk is van een sportvoorziening om te kunnen sporten en zodoende maatschappelijk te participeren, kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een dergelijke voorziening worden verstrekt. De inwoner dient de sport frequent en met regelmaat te beoefenen om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming voor een voorziening voor sportbeoefening. Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van minimaal drie jaar. Onder c - individueel vervoer Wanneer een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’, kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van individueel vervoer worden verstrekt, als dit naar het oordeel van het college niet anders kan en de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is. Ter onderbouwing van het oordeel van het college dat het niet anders kan wordt een onafhankelijk medisch onderzoek gevraagd. Bij de berekening of het de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is wordt ook rekening gehouden met de administratieve last van de bekostiging van individueel vervoer.

Bijvoorbeeld: Wanneer uit onafhankelijk medisch advies blijkt dat de inwoner niet collectief vervoerd kán worden en individueel vervoer noodzakelijk is. De financiële tegemoetkoming is bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving van de inwoner tot een maximum van 1.500 km op jaarbasis. Zie ook de toelichting bij artikel 13, vierde lid. Onder d – jeugdhulpvervoer Ook kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van (individueel) vervoer worden verstrekt aan een inwoner aan wie een maatwerkvoorziening Jeugdhulp met vervoer zoals bedoeld in artikel 3.1 vijfde lid wordt toegekend. Het gaat om een tegemoetkoming in de kosten van het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Onder welke criteria dit kan wordt nader uitgewerkt in de beleidsregels. Tweede lid - eigen bijdrage voor Wmo voorzieningen In het tweede lid staat beschreven welke financiële tegemoetkomingen zoals beschreven in het eerste lid onder de Wmo vallen en waarop dus ook artikel 14, de eigen bijdrage, van toepassing is. Derde lid- berekeningswijze financiële tegemoetkoming De CRvB stelt als voorwaarde dat de financiële tegemoetkoming een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. In het besluit is opgenomen welke forfaitaire bedragen het college per financiële tegemoetkoming kan verstrekken.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de financiële tegemoetkoming niet kostendekkend hoeft te zijn. Op basis van uitspraken van de CRvB moet de financiële tegemoetkoming echter wel in de buurt komen van de daadwerkelijk gemaakte kosten na aftrek van bijvoorbeeld algemeen gebruikelijk te achten kosten.

Artikel 19. Criteria financiële tegemoetkoming meerkosten Wmo Eerste en tweede lid – tegemoetkoming met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt en wordt enkel toegekend indien er geen aanspraak op vergoeding van de meerkosten bestaat op grond van een andere voorziening. Derde lid – meewegen financiële situatie Bij de beoordeling van de aannemelijke meerkosten van de inwoner als gevolg van zijn beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houden, mag rekening worden gehouden met de hoogte van het inkomen van de inwoner, het inkomen van zijn eventuele partner én met de mate waarin zich in een kalenderjaar meerkosten zullen voordoen. Hoofdstuk 8. Kwaliteit In hoofdstuk 8 wordt beschreven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de aanbieders van voorzieningen.

Ook wordt beschreven hoe het college ervoor zorgt dat de verhouding prijskwaliteit passend is voor zowel de aanbieder als gemeente, om hiermee de inwoners van IJsselstein voldoende te kunnen ondersteunen. Artikel 20. Kwaliteit voorzieningen In artikel 4.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid onder c. van de Wmo is bepaald dat in de verordening in ieder geval moet worden vastgelegd welke eisen er worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Deze bepaling is hier een uitwerking van. Eerste lid – deskundigheid en kwaliteit Onder a t/m e – wijze waarop wordt toegezien op kwaliteit van voorzieningen De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen wordt door de wetgever gelegd bij het college én de aanbieder. Het is aan het college te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. In het eerste lid wordt hier invulling aan gegeven. In de overeenkomsten met aanbieders worden nadere eisen beschreven. Hierbij valt te denken aan eisen aan de reactietermijn bij vragen van inwoners. Tweede lid – nadere kwaliteitseisen inkoop In het tweede lid wordt verwezen naar kwaliteitscriteria die aanvullend op het eerste lid kunnen worden gesteld bij de inkoop van maatwerkvoorzieningen.

Derde lid – kwaliteitseisen onderaannemers Als een aanbieder als hoofdaannemer gebruik maakt van een onderaannemer, is en blijft de hoofdaannemer ervoor verantwoordelijk dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen

die het college aan de ondersteuning stelt. De hoofdaannemer blijft het aanspreekpunt voor het college. Vierde lid – toezicht op naleving door gemeente In het vierde lid wordt beschreven op welke wijze het college ten aanzien van maatwerkvoorzieningen toeziet op naleving van het gestelde in het eerste en tweede lid. Dit wordt onder andere gedaan door periodieke overleggen met aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, welke verplicht is op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de Wmo en artikel 2.10 van de Jeugdwet. Daarnaast houdt de GGDrU toezicht op de kwaliteit van de maatwerkvoorzieningen Wmo via signaal gestuurd kwaliteitstoezicht en standaardkwaliteitstoezicht op gecontracteerde aanbieders van maatwerkvoorzieningen. Daarnaast wordt het toezicht en handhaving van de kwaliteit van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering landelijk uitgevoerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Ministerie VWS). Artikel 21. Verhouding prijs-kwaliteit ondersteuning door derden Deze bepaling gaat over de verhouding prijs-kwaliteit door een derde te leveren dienst. Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 eerste lid van de Jeugdwet en artikel 2.6.4 eerste lid van de Wmo).

Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening, kinderbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van de voorziening, kinderbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Ten aanzien van de inkoop van Wmo maatwerkvoorzieningen wordt de Algemene Maatregel van Bestuur Reële prijs Wmo toegepast. Eerst en tweede lid – vast en reëel tarief In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst een vaste prijs of een reële prijs vaststelt. De reële prijs geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, of geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. In het tweede lid wordt beschreven wat het college onder de vermelde dienst in het eerste lid bedoelt.

Derde lid – vaststelling tarieven Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst. Hieronder vallen de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht en met de continuïteit in de hulpverlening tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt, moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De

gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien het college een reële prijs betaalt voor de opdracht. Vierde lid - kostprijselementen Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in deze bepaling genoemde (kostprijs)elementen. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere elementen genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een passend beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Overheadkosten zijn kosten die een organisatie maakt om haar primaire proces goed te laten functioneren of die noodzakelijk zijn om te kunnen bestaan als organisatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om kosten die gemaakt worden voor het management, de administratie, ICT, facilitaire zaken, huisvesting, werkkapitaal etc.

Vijfde lid – belang van goede prijs-kwaliteitverhouding In het vijfde lid wordt beschreven waar het college in het belang van een goede prijs-kwaliteit verhouding rekening mee houdt bij de vaststelling van prijzen die het hanteert voor door derden te leveren maatwerkvoorzieningen Wmo niet zijnde diensten. De markt hiervan is constant in beweging en in het belang van de goede prijs-kwaliteit verhouding spelen wij hierop in door in door in gesprek te blijven met de aanbieders. Hoofdstuk 9 Klachten en inspraak Artikel 22. Klachten Eerste lid – klachtenregeling gemeente Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. Het college is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven. Het gemeentebestuur heeft de klachtenprocedure op een toegankelijke en laagdrempelige wijze ingericht. De huidige gemeentelijke klachtenregeling wordt hierbij als vertrekpunt gehanteerd. Tweede lid – onafhankelijke ondersteuning bij jeugdhulp De Jeugdwet verplicht gemeenten tot het beschikbaar stellen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon voor Jeugdwetcliënten.

De Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) verplicht gemeenten tot het inrichten van de functie onafhankelijk cliëntondersteuner voor het gehele sociale domein, dus ook voor cliënten van de Jeugdwet. Het AKJ voert in opdracht van het ministerie van VWS, het onafhankelijk vertrouwenswerk voor de Jeugdwet uit. Het AKJ heeft geen cliëntondersteuners in dienst.

Onafhankelijke clientondersteuning Wmo en jeugdhulp wordt nu uitgevoerd door een onafhankelijke partij. De cliëntondersteuner kan een cliënt al bijstaan op het moment dat er wordt gezocht naar hulp. Hij ondersteunt dan bij inhoudelijke/hulpverlenende gesprekken en kan ook voor de cliënt op zoek gaan naar de hulp die iemand graag wil hebben. De vertrouwenspersoon doet dan niet. Zowel cliëntondersteuners als vertrouwenspersonen kunnen informatie en advies geven aan cliënten die vragen hebben over de jeugdhulp. Derde lid – klachten over gemeente als verlener van jeugdhulp Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat er een klacht wordt ingediend ten aanzien van het verlenen van jeugdhulp door een medewerker van de gemeente. Ten aanzien van alle overige gedragingen van de gemeente geldt het klachtrecht van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht. Vierde lid – klachten maatwerkvoorzieningen Het college ziet er op toe dat aanbieders een regeling vaststellen voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van voorzieningen. Inwoners met klachten over aanbieders worden als eerste naar de betreffende aanbieder verwezen. Wanneer de inwoner niet tevreden is over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp.

Dit bijvoorbeeld in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van de Wmo en Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 23. Betrekken van inwoners bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo en Jeugdhulp-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Artikel 24.

Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Eerste en tweede lid – regeling medezeggenschap en gemeentelijke rol bij naleving Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Hoofdstuk 10. Toezicht en handhaving maatwerkvoorzieningen Artikel 25. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering maatwerkvoorziening Deze bepaling is een uitwerking van de verordeningsplicht zoals beschreven in artikel 2.9, onder d. van de Jeugdwet en in artikel 2.1.3, vierde lid van de Wmo. In die artikelen is bepaald dat het college bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Eerste lid – regels voor bestrijding van misbruik De bepalingen in het eerste, tweede en derde lid bevatten grotendeels een herhaling van hetgeen al in de Jeugdwet en Wmo 2015 is opgenomen. Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Tweede lid – beslissing herzien of intrekken In het tweede lid wordt opgesomd wanneer het college een beslissing over een maatwerkvoorziening kan herzien of intrekken.

Onder a – onjuiste gegevens Wanneer de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Onder d – verblijf in instelling Het college kan een beslissing over het verstrekken van een maatwerkvoorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de inwoner langer dan acht weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid onderdeel b. van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zvw. Vierde lid – intrekken pgb wanneer deze niet wordt aangewend Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee passende ondersteuning inkoopt. Als binnen zes maanden na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is verstrekt, het pgb nog niet is aangewend voor het doel waarvoor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is toegekend, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Hierbij wordt geteld vanaf de datum van verstrekking die op de beschikking staat vermeld. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder f.

die ook over maatwerkvoorzieningen in natura gaat. Het vierde lid is een ‘kan’bepaling.

Vijfde lid – terugvorderen Zowel in de Jeugdwet als de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening. Omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt. Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. In het vijfde lid is een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geeft tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening. Artikel 26. Intrekking beslissing pgb (Jeugdwet) Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een pgb kan intrekken of herzien. Herzien is een wijziging van een aanspraak over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan (met terugwerkende kracht) ‘beëindigd’ vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling.

Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Artikel 27. Fraudepreventie en controle Eerste lid – toezichthouders Artikel 6.1 lid 1 van de Wmo geeft de verplichting een toezichthouder aan te wijzen. In de Jeugdwet zelf is een dergelijke verplichting niet opgenomen. De ministeriële regeling Jeugdwet die op 16 augustus 2016 in werking trad, geeft gemeenten meer armslag voor onder meer materiële controle en fraudebestrijding binnen de Jeugdwet. Met deze bepaling wordt ook voor jeugdhulp de grondslag hiervoor bij verordening geregeld. Vierde lid – actief fraudepreventiebeleid Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen gaat als het goed is een poging vooraf dit te ‘voorkomen’. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de inwoner en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het vierde lid deze ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Zesde lid – plicht tot verlenen van medewerking Het zesde lid verplicht de inwoner aan wie een maatwerkvoorziening is toegekend, medewerking te verlenen en alle voor het in het tweede lid bedoelde onderzoek benodigde informatie aan het college te verstrekken. Artikel 28.

Melding calamiteiten en geweldsincidenten Eerste lid – melden calamiteiten Op grond van artikel 4.1.8 van de Jeugdwet en artikel 3.4 eerste lid van de Wmo geldt voor aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen en van maatschappelijke ondersteuning een plicht tot het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de

verstrekking van een voorziening of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Dit geldt ook voor aanbieders van algemene voorzieningen. Onder calamiteiten wordt verstaan: 'een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorzieningen die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een inwoner heeft geleid’. Onder geweld bij verstrekking van een voorziening of kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt verstaan:

uitvoering

van

een

'seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een inwoner, alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een inwoner, door een beroepskracht dan wel door een andere inwoner met wie de inwoner gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft’. Tweede lid – toezichthoudende instanties In het tweede lid staat beschreven bij welke toezichthoudende instantie de melding onverwijld moet worden gedaan. Op grond van artikel 6.1 van de Wmo moeten aanbieders calamiteiten en geweldsincidenten onverwijld melden bij de door het college aangewezen toezichthoudende ambtenaren. De gemeente IJsselstein heeft de Gemeentelijke Gezondheidsdienst regio Utrecht (GGDrU) aangewezen als toezichthouder calamiteiten en met hen hiervoor een regeling getroffen. Calamiteiten en geweldsincidenten Jeugdhulp dienen onverwijld door aanbieders gemeld te worden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. En gecertificeerde instellingen dienen calamiteiten en geweldsincidenten bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering te melden bij de Inspectie Veiligheid en Justitie. Derde lid – Veilig Thuis Voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten waarbij signalen zijn van vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld geldt de verplichte meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.

Deze meldingen dienen onverwijld gedaan te worden bij Veilig Thuis. Vierde lid – onderzoek en mogelijke advisering De toezichthoudende instantie ziet toe op een gedegen onderzoek door de aanbieder naar aanleiding van de melding of doet zelf onderzoek hiernaar. Ook adviseert de toezichthoudende instantie als beschreven in het tweede lid het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Mantelzorgers komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering, het betreft hier zowel mantelzorgers die wonen in de gemeente IJsselstein of mantelzorg verlenen in de gemeente IJsselstein. De formulering wordt hiermee breder dan in de vorige verordening. De blijk van waardering kan ook aan mantelzorgers worden toegekend die in een andere gemeente wonen maar mantelzorg verlenen aan een inwoner van IJsselstein. Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.6 van de Wmo, en is ook van waarde voor jeugdhulp.

Het is niet relevant of aan inwoners ook een voorziening op grond van deze verordening is toegekend. Wel is het belangrijk dat de mantelzorgers zich hebben aangemeld bij het Steunpunt Mantelzorg, zodat het college weet wie de mantelzorgers zijn. Artikel 30. Hardheidsclausule De hardheidsclausule is een bepaling in de regeling waarmee het college in uitzonderlijke gevallen kan afwijken van de verordening. De verordening mag niet leiden tot ‘onbillijkheden van overwegende aard’. Deze juridische term, betekent dat de verordening niet een onbedoeld gevolg mag hebben voor iemand. Dat de verordening ongunstig uitpakt voor een inwoner is geen onbedoeld gevolg. Het college moet immers keuzes maken en deze keuzes vallen niet allemaal even positief uit voor elke inwoner. Hiermee is rekening gehouden bij het nemen van de beslissing. Van een onbedoeld gevolg is sprake wanneer zich een situatie voordoet waarmee bij het opstellen en afwegen van de verordening geen rekening is gehouden en waarmee iemand in een schrijnende situatie terecht komt. Artikel 31. Evaluatie Het door het college gevoerde beleid wordt tenminste eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wordt de verordening aangepast.

Het college zendt hiertoe telkens na vier jaar na inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 32. Intrekking oude regeling en overgangsregeling Uitgangspunt van de overgangsregeling is dat aanvragen voor voorzieningen waarop nog niet is beslist worden beoordeeld op grond van deze verordening. Een al afgegeven beschikking blijft geldig, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Voor bezwaarschriften die ten tijde van de oude regelingen zijn ingediend, maar waarop nog niet (onherroepelijk) is beslist, gelden de oude regelingen. Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel In dit artikel staat de naam van de verordening en hoe deze in werking treedt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11093354/1