CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

RES 1 0 - U16

Raadsvergadering 7 oktober 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Regionale Energie Strategie 1.079.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 9

Binnen dit spoor zal onderzocht worden of de huidige regionale aanpak op energiebesparing in de bestaande particuliere bouw uitgebreid kan worden naar een bredere focus waarbij ook energiebesparing bij utiliteit, huurwoningen en maatschappelijk vastgoed regionaal versterkt wordt. Naast de gebouwde omgeving zetten ook sectoren als industrie en transport in op energiebesparing.

Warmtebronnen Het spoor van de warmtebronnen zet in op regionale kennisdeling en onderzoek in regionaal verband naar de mogelijke inzet van warmtebronnen als geothermie, bio-warmte en aquathermie. Hierbij zijn de volgende activiteiten van belang: • Kennisuitwisseling rondom de inzet en impact van warmtebronnen zoals biomassa, aquathermie en geothermie. Het gaat hierbij onder andere om het ontwikkelen van businesscases, het opzetten van gezamenlijke pilots en het delen van succesvolle praktijkvoorbeelden. • Afstemming over activiteiten in de ondergrond bij het ontwikkelen van geothermische projecten en op het moment dat buurtgemeenten beiden gebruik willen maken van (ondiepe) bodemsystemen. Hierbij is het tevens van belang dat om de juiste stakeholders en eigenaren te betrekken.

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie samenwerking regionale warmtethema’s

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie samenwerking regionale warmtethema’s

-

De onrendabele top en de kosten die de warmtetransitie met zich meebrengt voor de afnemer en gebouweigenaar is een heikel punt. De warmtetransitie gaat om meer dan de kosten alleen, zoals het aspect van comfortverbetering, maar zonder tegemoetkoming vanuit het Rijk worden ambities lastig realiseerbaar.

Aquathermie in de U16 regio Aquathermie is een warmtebron die in de U16 regio veel aandacht verdiend. Hoewel aquathermie vanwege de lage temperatuur vooral als een lokale bron inzetbaar is kan regionale afstemming rond de invloed van de inzet van aquathermie van belang zijn omdat er mogelijk bovengemeentelijke gevolgen kunnen optreden. Daarnaast zal aquathermie op veel plekken als lokale bron onderzocht worden en kan het gezamenlijk optrekken in het vergroten van kennis rond deze bron, het ontwikkelen van haalbare businesscases en het opdoen van ervaring door pilot projecten, voor veel gemeenten relevantie informatie opleveren.

Netwerk Het derde spoor kijkt naar het uitwisselen van kennis en ervaring bij de ontwikkeling van warmtenetten, zowel ten aanzien van de uitbreiding van bestaande warmtenetten als naar de ontwikkeling van nieuwe netten. Hierbij spelen de volgende activiteiten een rol: • Uitwisselen van kennis en ervaring bij de ontwikkeling van warmtenetten. Hierbij gaat het om het uitwisselen van kennis over het maken van afspraken met energiebedrijven of het opzetten van een gemeentelijk of regionaal warmtebedrijf. Dit biedt gemeenten tevens de mogelijkheid om samen sterk te staan richting de markt. Ook de betekenis van een veranderende rol in het kader van de Wet Collectieve Warmtevoorziening die wordt voorzien voor 2022, die op gemeenten en de provincie af komt, kan gezamenlijk onderzocht worden. • Het proces met inwoners rond het creëren van draagvlak voor duurzame warmteoplossingen willen we niet alleen organiseren, maar ook leren van de ervaringen uit andere gemeenten. Hierbij willen we ook de mogelijkheden verkennen rondom financiële participatie in warmteprojecten. Warmtenet-gebruikers die bijvoorbeeld zelf geen ruimte hebben voor zonnepanelen, zouden via een soort inkoopactie kunnen participeren in een duurzame warmtebron. • Het faciliteren van kennisuitwisseling bij energie coöperaties.

Het ontbreekt lokale energie coöperaties soms aan technische kennis of kennis over gemeentelijke doelen (bijvoorbeeld kaders en visies). Daarnaast hebben coöperaties juist veel kennis over het betrekken van bewoners. Hier is behoefte aan kennisuitwisseling, tussen lokale coöperaties onderling, maar ook tussen de coöperaties en gemeenten.

2 Een aandachtspunt hierbij is dat kleinere gemeenten gemiddeld genomen minder capaciteit beschikbaar hebben op het onderwerp warmte. Support vanuit grotere gemeenten bij het opbouwen van kennis is daarom wenselijk. 3 Het U-Thuis programma van afgelopen periode wordt op dit moment geëvalueerd. De uitkomsten van de evaluatie worden meegenomen bij het ontwikkelen van het vervolgprogramma voor de periode 2021 – 2024.

64

|

| 65

Bijlage 6 :

Hoe organiseren we dit? We geven de voorkeur aan praktisch en laagdrempelig organiseren. Wie behoefte heeft aan een bepaald onderwerp kan zich bij een warmtewerkplaats aansluiten. Bijvoorbeeld via een eenvoudige tool die inzichtelijk maakt waar welke gemeente staat met de TVW’s, wijkuitvoeringsplannen, en wie voor een bepaald onderwerp de contactpersonen zijn.

Inleiding In deze notitie worden de aspecten uit de gespreksleidraad, zie tabel 1, toegepast op de twee type warmtebronnen die mogelijk bovengemeentelijk inzetbaar zijn in de U16 regio, namelijk geothermie en bio-warmte. Op dit moment zijn geothermie en bio-warmte de enige potentiële warmtebronnen waarbij een bovengemeentelijke potentie zou kunnen ontstaan in de U16 regio. Aquathermie wordt vanwege de lage temperaturen niet beschouwd als een warmtebron met bovengemeentelijke potentie, maar krijgt in de notitie “Samenwerking regionale warmtethema’s” wel expliciet aandacht als onderwerp om samenwerking en afstemming op te organiseren.

Het blijven benutten van bestaande netwerken en werkgroepen voorkomt daarbij dat reeds opgedane kennis en contacten verloren gaan en zorgt ervoor dat de kennis op één plek terug te vinden is. U-Thuis heeft door inzet van de NMU en energiecoöperaties een netwerk dat hiervoor benut kan worden. Financiële ondersteuning helpt om reikwijdte van het bestaande netwerk te vergroten. Ervaring leert dat hoe specifieker het onderwerp, hoe beter de kennisuitwisseling verloopt. Een terugkerende bijeenkomst voor kennisdeling wordt als nuttig gezien.

1. Samenwerking

2. Betaalbaarheid

3. Duurzaamheid

4. Beschikbaarheid

5. Uitvoerbaarheid

• • • •

• Laagste maatschappelijke kosten • Laagste kosten eindgebruiker • Business case • Lokaal eigendom en zeggenschap

• CO 2-reductie en ecologie • Minimum isolatiegraad • Match temperatuur • bron & afnemer

• Schaarste van alternatieven • Volume en schaalgrootte • Leveringszeker-heid en flexibiliteit

• • • • • • •

Transparantie Verdeling in overleg Begrip voor elkaars (on) mogelijkheden • Samenwerking tussen partijen met direct betrokkenen

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie opstap naar afwegingskader bovengemeentelijke warmtebronnen

In deze notitie wordt een eerste overzicht gevormd van onderwerpen die aan bod moeten komen bij het gesprek over de mogelijke verdeling van warmte uit geothermie en bio-warmte als potentiële bovengemeentelijke warmtebronnen. Aan de hand van de gekozen richting in de gespreksleidraad kan op de verschillende onderwerpen een afweging plaatsvinden om te komen tot de best passende verdeling van de beschikbare warmte. Aan de hand van gespreksonderwerpen uit de gespreksleidraad zijn kansen en knelpunten gesignaleerd voor warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie. Deze aandachtspunten vragen om nadere uitwerking en zijn daarom opgenomen in een regionale thematische agenda warmte in bijlage 5 van de RSW 1.0.

Daarnaast is er ook veel informatie- en kennisuitwisseling op landelijk niveau. Voorbeelden hiervan zijn het onderzoeksprogramma ‘warming up’ over collectieve duurzame warmte, en ontwikkelingen op het gebied van financiering. Afstemming en leren doen we dus vooral op specifiek regionale warmtethema’s, waar we elkaar als regionale U16-partijen kunnen versterken.

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie samenwerking regionale warmtethema’s

 SW notitie opstap naar afwegingskader R bovengemeentelijke warmtebronnen

Afstand bron Netimpact Aanwezigheid warmtenetwerk Draagvlak Governance Tempo

Tabel 1. Gespreksonderwerpen uit gespreksleidraad. De gespreksleidraad is opgenomen in bijlage 1 bij de RSW 1.0.

Beschrijving afwegingskader bij inzet geothermie als bovengemeentelijke warmtebron Ondanks dat de potentie voor de inzet van geothermie nog niet geheel in beeld is, proberen we de spelregels voor de inzet van deze bron vooraf met elkaar op te stellen. Dit helpt partijen in het bepalen van posities hierin en kan daarmee transparantie en het onderlinge begrip vergroten. Geothermie, of aardwarmte, kan een geschikte warmtebron zijn om warmtenetten mee te voeden. Een geothermiebron levert het hele jaar door, maar is niet heel regelbaar. Geothermie wordt daarom vooral gebruikt om de basisvraag in te vullen. Naast geothermie als basislast, zal een aanvullende warmtebron of warmteopslag nodig zijn om te voorzien in de pieklast. Binnen geothermie wordt onderscheid gemaakt tussen ondiepe, diepe en ultradiepe geothermie. Elke categorie onderscheidt zich door een andere boordiepte met bijbehorende temperatuur waarbij als vuistregel aangehouden kan worden dat per km diepte een stijging van 30°C optreedt4. Ondiepe geothermie (<1500m) boort ondiepe waterlagen aan met temperaturen tussen de 20 en 50°C. Voordat deze warmte geschikt is om in te zetten bij bestaande bouw, zal de temperatuur daarom veelal verhoogd moeten worden. Diepe geothermie (1500 – 4000m) boort hogere temperaturen aan tussen de 50 en 120°C en kan

4

66

|

Op maaiveld ligt de temperatuur rond de 10°C.

|

67

daarom vaker direct worden ingezet bij woningen die van basisisolatie zijn voorzien. Bij ultradiepe geothermie (>4000m) is sprake van (zeer) hoge temperaturen.

Beschrijving afwegingskader bij inzet van bio-warmte als bovengemeentelijke warmtebron Bio-warmte leent zich er voor om zowel lokaal als bovengemeentelijk ingezet te kunnen worden. De warmtevraag, afstand tussen bron en warmtevragers en de (on)mogelijkheden voor infrastructuur spelen daarbij een grote rol. Bio-warmte komt in veel verschillende vormen voor, en elke vorm brengt eigen aandachtspunten met zich mee. Bijna 80% van de huidige hernieuwbare warmte in Nederland wordt geproduceerd door inzet van biomassa. Biomassa of bio-grondstoffen zijn verzameltermen voor plantaardige en dierlijke restmaterialen. De termen worden vooral gebruikt waar het gaat om de vervanging van fossiele stromen in de productie van energie of als grondstof. Biomassa wordt in vaste, vloeibare of gasvorm gebruikt. De U16 regio kent in Utrecht een grootschalige biomassacentrale die invoedt op het warmtenet van Utrecht-Nieuwegein met zo’n 50.000 aansluitingen5. Hierbij gaat het om biomassa in vaste vorm. In enkele andere gemeenten zijn plannen voor de ontwikkeling van kleinere biomassa-installaties. Biomassa in gasvorm wordt voor historische (dorps)kernen of bij lintbebouwing veelal als belangrijk aardgasvrij alternatief gezien (bijvoorbeeld in gemeente Vijfheerenlanden). Het kan dan om biogas of om groen gas gaan.

Groen gas is biogas dat is opgewerkt naar aardgaskwaliteit waardoor het in het landelijk netwerk ingevoed en toegepast kan worden. In het geval van groen gas verloopt het vraagstuk van verdeling via een landelijke markt van Garanties van Oorsprong (GvO’s) en inkoopmogelijkheden bij gasleveranciers. Hierbij bestaat de mogelijkheid om (regionaal) af te spreken dat GvO’s eerst aangeboden worden aan gasafnemers in de gemeente of in de regio. Voor biogas, dat niet is opgewerkt naar aardgaskwaliteit, geldt een lokale toepassing. Vanuit verschillende partijen gaat de voorkeur uit naar het opwerken van biogas naar groen gas. Hiermee worden lokale emissies die vrijkomen bij de verbranding van biogas voorkomen en kan gebruik gemaakt worden van het brede toepassingsgebied van groen gas met de kwaliteit van aardgas.

Ook zal moeten blijken of de potentie van geothermie beter lokaal of bovengemeentelijk ingezet kan worden. Dit is onder andere afhankelijk van voldoende schaal van afzet en van de capaciteit van de bron. Daarmee is naast de onderzoeksresultaten over de beschikbaarheid van geothermie, de daadwerkelijke toepasbaarheid van geothermie in de regio sterk afhankelijk van de aanwezige concentratie van warmtevraag in de nabijheid van een geschikte geothermielocatie. Investeringen in geothermie zijn hoog. Een business case heeft daarom minstens een aantal duizend aansluitingen op een warmtenet nodig voordat een boring overwogen zal worden. Bij een bestaand warmtenet zal daarom sneller een geothermieproject gerealiseerd kunnen worden. Vanwege de hoge kosten, zal de ontwikkeling van een geothermiebron altijd volgend zijn op een bestaande warmteafzet. Dat betekent ook dat er tijdelijke en/of transitiebronnen nodig zijn. Tempo en haalbare tijdslijnen voor geothermie zullen daarom goed in beeld gebracht moeten worden. Bij nieuwe projecten kan de lange periode tot aan de exploitatie van een geothermiebron gebruikt worden voor verdere beperking van de warmtevraag.

Het haalbare minimumisolatieniveau en de invloed daarvan op het aantal woningen dat aangesloten kan worden op een duurzame bron bepalen mede waar de bovengemeentelijke geothermische warmte het meest kostenefficiënt ingezet zal worden. Daarbij geldt dat de hogere temperaturen die voortkomen uit geothermie bij voorkeur ingezet worden in de bestaande bouw, aangezien nieuwbouwprojecten gebruik kunnen maken van lagere temperatuur warmtebronnen. Ruimte in de ondergrond en belemmeringen daarbij spelen bij alle collectieve warmteprojecten een rol en zullen tijdig in beeld moeten komen.

Draagvlak is een aandachtspunt bij de inzet van bio-warmte. Zowel bij de inzet van houtige biomassa als bij biovergisters of vergassers en tevens zowel bij inwoners als bij de politiek. Er worden vraagtekens geuit ten aanzien van duurzaamheid, maar ook ten aanzien van de invloed op de omgeving waardoor het lastig kan blijken om het aanbod dicht bij de vraag in te kunnen zetten. Waar draagvlak voor de inzet van biomassa gunstiger is, bestaat meer kans om een succesvol project te realiseren. Bij de beoordeling van de duurzaamheid van biomassa wordt daarom aangesloten bij de landelijke eisen en richtlijnen Luchtkwaliteit is een belangrijk aandachtspunt dat speelt bij kleinere installaties en open haarden. De inzet van bio-grondstoffen wordt in de regio in vergunningverlening zoveel mogelijk gegarandeerd volgens de best beschikbare technieken om hiermee luchtverontreiniging te minimaliseren.

Tevens is het van belang dat geothermie onderzocht en gewonnen wordt op een voor mens, bodem, water, milieu en natuur veilige en ecologisch verantwoorde wijze. Geothermische activiteiten worden beoordeeld als mijnbouw. Dit maakt tevens dat draagvlak onder inwoners niet vanzelfsprekend is, ook niet bij een duurzame warmtebron als geothermie. Onbekendheid van de ondergrond en de mogelijke ecologische effecten worden als risico gezien voor de beeldvorming. Projecten doen er goed aan vroegtijdig inwoners te betrekken en goede ervaringen en voorbeelden te delen. Tevens kan aan inwoners met interesse worden aangeboden om te participeren in een geothermische warmtebron of in het bijbehorende warmtenetwerk.

Een belangrijk onderdeel bij het duurzaam inzetten van biomassa is het beperken van transportstromen door het zo lokaal mogelijk inzetten van de beschikbare biomassastromen binnen de regio. Met name voor vergistbare stromen geldt dat zij een lage energetische waarde hebben waardoor het belang van het lokaal inzetten van deze stromen wordt benadrukt. Ook voor vaste biomassa bestaat een sterke voorkeur voor de toepassing van regionale reststromen in de vorm van hout- en snoeiafval. Ronde Venen heeft naar de inzet van Olifantengras gekeken, Stichtse Vecht naar inzet van riet en Nieuwegein kijkt naar de mogelijkheden voor de verwerking van maaisel. Ook is de huidige situatie dat het GFT-afval veelal buiten de regiogrenzen centraal wordt verwerkt, zonder dat in alle gevallen de groen gas certificaten lokaal worden benut. Hier komt echter ook de betaalbaarheid om de hoek kijken.

Ook de politieke houding en rolneming ten opzichte van geothermie en daarmee het gebruik van warmtenetten, moet goed in beeld zijn. Indien geothermie als bovengemeentelijke bron bij een bovengemeentelijk warmtenet ingezet zal worden, kunnen de hoge kosten en risico’s die gemoeid gaan met geothermie worden gedeeld. Verdeling wordt in overleg ingericht aan de hand van de onderwerpen uit de gespreksleidraad, waarbij gezamenlijk afwegingen worden gemaakt over de locatiekeuze met begrip voor elkaars (on)mogelijkheden. 5

68

|

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie opstap naar afwegingskader bovengemeentelijke warmtebronnen

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie opstap naar afwegingskader bovengemeentelijke warmtebronnen

Of de warmte ook daadwerkelijk gewonnen kan worden op een bepaalde diepte is afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. De beschikbaarheid van geothermie in de U16 regio wordt nog onderzocht. De meeste potentie voor geothermie wordt bij Houten en Nieuwegein verwacht. Het is op dit moment daarom nog niet bekend of, en hoeveel warmte uit geothermie beschikbaar is. Vanuit de ervaring met de bodemgesteldheid die aan het licht kwamen tijdens werkzaamheden aan rioolstelsels in het westelijke deel van de regio is het de verwachting dat het lastig zal zijn om in dit gebied geothermie-bronnen of warmtenetten te realiseren. Deze onderzoeken en de landelijke Seismische Campagne Aardwarmte Nederland (SCAN) van EBN/TNO zullen de komende jaren meer inzicht geven in de daadwerkelijke potentie van geothermie in de regio. Uiteindelijk is er pas zekerheid over een potentiële geothermiebron bij een (proef)boring en zal er in de aanloop daar naar toe aandacht moeten zijn voor transitiebronnen, (een) pieklastbron(en) en een fall-back scenario indien de resultaten van geothermie tegenvallen.

Daarnaast maken andere installaties zoals een STEG en hulpwarmtecentrales onderdeel uit van het geheel aan opwekinstallaties.

| 69

Bio-warmte scoort goed op het criteria flexibiliteit. Bio-warmte is betrouwbaar en kan het gehele jaar worden ingezet. Biomassa is bovendien makkelijk op te slaan, haalt hoge temperaturen en kan op- en afgeschaald worden. Er gelden echter wel restricties bij de locatiekeuze voor bio-warmte installaties, waarbij vanwege luchtkwaliteit (vaste biomassa) of geurhinder (vergisting) buitenlocaties de voorkeur hebben boven (binnen)stedelijk gebied.

De schaarste heeft tevens impact op de leveringszekerheid. Biomassa wordt daarom vooral inzetbaar geacht als transitiebrandstof. Uiteindelijk verdient de inzet als pieklast of middels een cascaderingsroute de voorkeur.

 SW notitie gespreksleidraad verdeling R bovengemeentelijke warmtebronnen

Samenvatting gespreksleidraad 1. Samenwerking

2. Betaalbaarheid

3. Duurzaamheid

4. Beschikbaarheid

5. Uitvoerbaarheid

• • • •

• Laagste maatschappelijke kosten • Laagste kosten eindgebruiker • Business case • Lokaal eigendom en zeggenschap

• CO 2-reductie en milieueffecten • Minimum isolatiegraad • Match temperatuur • bron & afnemer

• Schaarste van alternatieven • Volume en schaalgrootte • Leveringszeker-heid en flexibiliteit

• • • • • • •

Transparantie Verdeling in overleg Begrip voor elkaars (on) mogelijkheden • Samenwerking tussen partijen met direct betrokkenen

Afstand bron Netimpact Aanwezigheid warmtenetwerk Draagvlak Governance Tempo RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie gespreksleidraad verdeling bovengemeentelijke warmtebronnen

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie opstap naar afwegingskader bovengemeentelijke warmtebronnen

Biomassa is echter schaars en ook de industrie en de transportsector kijken naar de inzet van biomassa om te verduurzamen. De verdeling van de aanwezige biomassa in de regio is daarom een belangrijk aandachtspunt waarbij aandacht moet zijn voor het verschil tussen gemeenten met keuze uit meerdere aardgasvrije warmteopties en gemeenten met minder mogelijkheden. Dit is specifiek van toepassing bij de inzet van groen gas op plaatsen waar andere aardgasvrije warmteopties niet beschikbaar of niet betaalbaar zijn. Aan de hand van de resultaten van de gemeentelijke transitievisies warmte (TVW’s) en de herijkingen daarvan zal met de jaren steeds duidelijker worden waar duurzaam gas het best passende alternatief is voor aardgas.

Bijlage 7 :

Uitwerking gespreksleidraad 1. Samenwerking Transparant overleg: transparantie en het vroegtijdig informeren vormen de basis voor onze samenwerking. Vanuit deze basis gaan we met elkaar in overleg over een eventuele verdeling van bovengemeentelijke warmtebronnen. Ook gaan we vroegtijdig met elkaar in gesprek over het vormgeven van warmtekavels in de gemeenten die in aanmerking kunnen komen voor bovengemeentelijke warmte. Zo streven we naar een optimale balans tussen de warmtevraag en het bovengemeentelijke warmteaanbod We zorgen voor begrip tussen gemeenten over elkaars mogelijkheden en onmogelijkheden. Er zijn grote verschillen tussen grotere, stedelijke gemeenten en kleinere, landelijke gemeenten. Zo hebben stedelijke gemeenten soms een grotere warmtevraag dan dat zij binnen de gemeentegrenzen kunnen realiseren. Daarnaast zijn er landelijke gemeenten die wel opwekmogelijkheden hebben, maar waar geen mogelijkheden zijn voor warmtenetten waardoor er minder (betaalbare) aardgasvrije alternatieven beschikbaar zijn. We streven ernaar om deze ongelijkheid op regionaal niveau te ondervangen door dit in een vroeg stadium te erkennen en hier met elkaar over in gesprek te gaan. Samenwerking tussen direct betrokkenen: de afstemming vindt plaats tussen een kleine groep partijen die betrokken zijn bij de inzet van de betreffende bovengemeentelijke warmtebron.

Hierbij is een integrale samenwerking tussen de betrokken partijen van belang (niet limitatief: gemeenten, provincie, waterbeheerders, netbeheerder, inwoners, warmtebedrijven, lokale energie coöperaties, natuurorganisaties). 2. Betaalbaarheid Laagste maatschappelijke kosten: bij de keuze voor warmtebronnen streven we naar een kosteneffectieve inzet van warmtebronnen met de laagste maatschappelijke kosten. De kosten van de inzet van warmtebronnen moeten voor alle partijen betaalbaar zijn en moeten tevens transparant en overzichtelijk zijn. Daarbij streven we naar de laagste kosten voor de eindgebruiker. De draagkracht van de warmtegebruiker speelt hierbij een belangrijke rol. We houden hier zoveel mogelijk rekening mee in het aanbod van aardgasvrije warmteopties. Een ander aandachtspunt is dat de businesscase voor veel warmtebronnen en ook andere aardgasvrije warmteoplossingen nog niet sluitend is waardoor een financiële bijdrage vanuit de overheid nodig is. Bij de ontwikkeling van nieuwe bovengemeentelijke warmtebronnen zetten we in op aansluiting vanuit lokale initiatieven om lokaal eigendom mogelijk te maken. Op die manier streven we naar lokaal zeggenschap, waarbij de winsten zoveel mogelijk terugstromen naar de (inwoners van) de regio. Ook willen we bevorderen dat werkzaamheden die nodig zijn voor de overstap naar

70

|

|

71

aardgasvrij (ready) zoveel mogelijk worden uitgevoerd door lokale partners, bijvoorbeeld in de installatie- en isolatiebranche.

Netimpact: we streven naar een efficiënte inzet van de hoge temperatuur warmtebronnen in de regio. We zijn ons ervan bewust dat lage temperatuurbronnen een groter effect hebben op ons elektriciteitsgebruik om de warmte op het juiste temperatuurniveau te krijgen om woningen en gebouwen te kunnen verwarmen. Tevens streven we naar een goede balans tussen het gebruik van collectieve warmtebronnen, gekoppeld aan een warmtenet, en de inzet van individuele (veelal elektrische) warmteoplossingen en de aanvullende opwek van duurzame elektriciteit die daarvoor nodig is.

3. Duurzaamheid CO2-reductie en ecologie: bij de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen geven we de voorkeur aan warmtebronnen met een (toekomstige) hogere CO2-reductie, indien mogelijk CO2-neutraal. Een ander belangrijk aandachtspunt is de ecologische impact van bovengemeentelijke warmtebronnen. Daarbij kijken we onder andere naar de milieueffecten van de toepassing van thermische energie uit oppervlaktewater (TEO).

Aanwezigheid van een warmtenetwerk versus aanleg van een nieuw netwerk: we maken efficiënt gebruik van de warmtenetwerken die al aanwezig zijn in de U16 regio. Daar waar mogelijk breiden we bestaande netwerken uit naar buurgemeenten waar een collectieve warmtevraag aanwezig is. Hierbij geven we de voorkeur aan open warmtenetten, waarop meerdere duurzame warmtebronnen kunnen worden aangesloten. Draagvlak onder inwoners: bij het ontwikkelen van nieuwe warmtenetten en nieuwe bovengemeentelijke warmtebronnen hechten we belang aan draagvlak onder inwoners en nemen we inwoners mee bij het maken van keuzes die rond een ontwikkellocatie kunnen ontstaan. We maken zoveel mogelijk ruimte voor keuzevrijheid binnen de kaders van de wet.

Match tussen temperatuurniveau van warmtebron en afnemer: vastgoed wordt veelal tot een temperatuur van 20°C verwarmd, maar om hetzelfde comfortniveau te bereiken, vraagt niet elk type vastgoed om dezelfde aanvoertemperatuur van de warmte. Recentere of goed geïsoleerde gebouwen houden warmte beter vast dan oudere en minder goed geïsoleerde gebouwen. Om dit verschil te overbruggen helpt goede isolatie, maar bij een deel van het vastgoed zullen de kosten te hoog blijken. Op die plekken blijft een hogere aanvoertemperatuur nodig om het comfortniveau te behouden en is het temperatuurniveau van de warmtevraag van de afnemer leidend.

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie gespreksleidraad verdeling bovengemeentelijke warmtebronnen

RES 1.0 | Regio U16 | RSW notitie gespreksleidraad verdeling bovengemeentelijke warmtebronnen

Minimum isolatiegraad: bij de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen willen we geen warmte verspillen en is het van belang dat zoveel mogelijk woningen kunnen worden aangesloten op een warmtebron. Goede isolatie van de gebouwde omgeving speelt daarbij een grote rol. Beter geïsoleerd vastgoed zal daarbij eerder in aanmerking kunnen komen voor lagere temperatuurbronnen dan matig geïsoleerd vastgoed. Bij het toepassen van isolatie streven we naar een goede balans tussen het energetisch optimum en de kosten voor isolatiemaatregelen.

Governance: het juridisch kader en de mogelijke rolneming van publieke partijen is aan verandering onderhevig. Hierin leren we met elkaar en ontdekken we wat wel en wat niet mogelijk is om projecten te laten slagen (kennisdeling6). We maken heldere afspraken met elkaar om een toekomstbestendige samenwerking te borgen (regionale samenwerking7). Het bieden van transparantie en openheid over (lokale) kansen en knelpunten maakt hier onderdeel van uit.

4. Beschikbaarheid Schaarste van alternatieven: we zetten zoveel mogelijk in op lokaal gebruik van warmtebronnen. Hierbij wordt gezocht naar de beste match tussen warmtevraag en -aanbod op basis van de overige vier leidende principes (samenwerking, betaalbaarheid, duurzaamheid en uitvoerbaarheid).

Tempo: het komen tot concrete warmteprojecten en het snel opdoen van ervaring is belangrijk om ons goed voor te bereiden op de overstap naar duurzame vormen van warmte. We zullen hiervoor alle duurzame warmteopties moeten onderzoeken om de bijbehorende kansen en knelpunten te verkennen. Hierbij is het van belang dat we voor ogen houden dat we nog niet alles weten, maar dat we wel voortgang moeten boeken. We moeten daarom niet wachten met het nemen van de stappen die we vandaag al kunnen zetten om ons voor te bereiden op de transitie naar het duurzaam verwarmen van de U16 regio.

Volume en schaalgrootte: we maken zo optimaal mogelijk gebruik van de aanwezige bovengemeentelijke warmtebronnen. De capaciteit van de warmtebron wordt daarom zo optimaal mogelijk benut om daarmee zoveel mogelijk gebouwen te voorzien van duurzame warmte. Om een bovengemeentelijke bron zo efficiënt mogelijk in te zetten, kijken we bij de inzet van bovengemeentelijke bronnen naar de grootte van de warmtevraag en de woningaantallen van gebieden die aangesloten zouden kunnen worden op een bovengemeentelijke bron. Lange termijn leveringszekerheid: warmtebronnen die we bovengemeentelijk willen inzetten, moeten voor een langere periode warmte kunnen leveren. Ook is hierbij aandacht voor zogenoemde transitiebronnen die mogelijk ingezet kunnen worden tot de overstap gemaakt wordt naar een toekomstige duurzame warmtebron. We realiseren ons daarbij dat het bij voorbaat uitsluiten van bronnen van invloed kan zijn op het tempo van de warmtetransitie. Flexibiliteit in bronnen wordt als positief beoordeeld om een lock-in op fossiele energie of een tijdelijke warmtebron te voorkomen. 5. Uitvoerbaarheid Afstand tussen warmtebron en afnemer: we zetten warmtebronnen zo lokaal mogelijk in en als we warmte over hebben, stellen we die beschikbaar voor de buurtgemeenten.

Het project met vastgoed in de gemeente met de kortste afstand tot een (bovengemeentelijke) warmtebron heeft daarbij goede kaarten in handen om als eerste in aanmerking te komen om de bron als bovengemeentelijke warmtebron te gebruiken.

72

|

6 7

Zie ook bijlage 2 over ‘Samenwerking regionale warmtethema’s. Idem.

|

73

Bijlage 8 :

 hematische agenda Elektriciteit T en Warmte

Dubbelingen zon op dak expliciteren en scheiden Voor een aantal gemeenten is de ambitie voor zon op dak nog niet expliciet gemaakt. Daarnaast is er een aantal gemeenten die één ambitie heeft gevormd voor de opwek van zonne-energie zonder uitsplitsing te maken tussen zon op dak en zon op veld. We gaan met elkaar zorgen dat dit onderscheid scherper wordt na de RES 1.0.

IJkmomenten netimpact

Gevolgen concretisering plannen voor netinfrastructuur volgen Samen met Stedin bepalen we ijkmomenten om regelmatig de effecten van tussentijds concretisering van de planontwikkeling te wegen en indien nodig aan te pakken. Stedin voert in het laatste kwartaal van 2021 opnieuw een netimpactanalyse uit.

Provinciale voorwaarden

Concretiseren provinciale voorwaarden De provincie Utrecht stelt voorwaarden aan NNN-, weidevogelkern- en stiltegebieden en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In overleg tussen provincie en gemeenten concretiseren we de provinciale voorwaarden, maken we afspraken over het vervolgproces en inventariseren we de gevolgen voor gemeentelijke beleid en zoekgebieden. Ook inventariseren we de noodzaak voor aanvullend onderzoek. Naast een ambtelijke uitwerking zal dit ook kunnen vragen om een politiek weging van (tegengestelde) belangen.

Lokaal eigendom en participatie

Uitwerken regionale aanpak We streven naar 50% lokaal eigendom en maximale participatie van inwoners en belanghebbenden in duurzame energieprojecten. De wijze waarop we dit vormgeven en de mate van regionale afstemming werken we verder uit.

B8.1 Thematische agenda

Om elkaar na vaststelling van de RES 1.0 te blijven versterken en in regioverband stappen te kunnen zetten zijn punten benoemd die in de vorm van een thematische agenda in de periode tot de RES 2.0 uitgewerkt zullen worden. Deze thematische agenda komt niet vanzelf tot stand. Om deze agenda uit te kunnen voeren zal budget en capaciteit beschikbaar moeten worden gesteld wat in samenhang met het RES-uitvoeringsplan zal worden behandeld. Hierover zal in de komende maanden een besluit worden genomen. Het is belangrijk dat iedereen mee kan doen in de energietransitie. In het nationaal Klimaatakkoord is aangegeven dat de transitie zoveel mogelijk woonlastenneutraal moet zijn. De energietransitie is een ingrijpend proces waarbij op verschillende niveaus geïnvesteerd moet worden. De oplossingen zijn dus niet kosteloos. Dit zijn vraagstukken die voor een groot deel op landelijk niveau moeten worden opgelost. In de komende maanden zal meer duidelijk moeten worden over een rijksbijdrage. In de regio U16 wordt dit als cruciaal gezien voor het verder brengen van onderstaande thematische agenda.

RES 1.0 | Regio U16 | Thematische agenda Elektriciteit en Warmte

B8.2 Thematische agenda elektriciteit Thema

Acties

Monitoring

Voortzetting regionale monitoring De regionale monitor duurzame energie blijven we geregeld inzetten om de voortgang van duurzame energieprojecten in de regio bij te houden en te communiceren. Landelijke ontwikkelingen op het gebied van monitoring (NPRES, PBL, RVO) volgen we op de voet om de communicatie tussen monitoringssystemen zo goed mogelijk te laten verlopen en zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden over cijfers, voortgang en informatie.

Zon op dak

Uitwerking inhoudelijke thema’s voor het regionale spoor Gezamenlijk ontwikkelen we een aanpak voor zon op dak, waarbij we in overleg bepalen welke activiteiten op regionale schaal moeten worden opgepakt en welke zaken door de gemeenten moeten worden uitgevoerd.

RES 1.0 | Regio U16 | Thematische agenda Elektriciteit en Warmte

zon op dak

Daarnaast selecteren we in samenspraak met Stedin de meest geschikte gebieden voor lokale stimulering en ontwikkelen we een aanpak om dit vorm te geven, gebaseerd op de kansenkaarten voor zon op dak (zie paragraaf 3.5) van Stedin.

74

|

Bovenregionale landschappen met effect op zoekgebieden

Samenwerking en afstemming Als NOVI-aandachtsgebied en overlap met 7 RES’en krijgt het Groene Hart bijzondere aandacht. Afstemming tussen regio, Groene Hart-gemeenten en het coördinatiebureau Groene Hart blijft een voortdurend punt van aandacht. Ook voor de andere bijzondere regio-overstijgende landschappen (o.a. Gein, Heuvelrug, Gelderse Vallei) wordt afstemming gezocht met andere RES-regio’s en gemeenten.

Stedin-stations met knelpunten

Afstemming en aanpak t.b.v. knelpunten per deelnet Stedin signaleert in de netimpactanalyse enkele knelpunten op het regionale elektriciteitsnet. Wachten met het maken van keuzes over deze knelpunten verkleint de maakbaarheid van de regionale ambitie als geheel. In nauwe samenwerking met Stedin werken we per knelpunt op een regionaal deelnet een aanpak uit. Onderwerpen die hierin aan bod komen zijn: duiding van de knelpunten, beleids- en projectfasering, netinvesteringsplanning ne besluitvorming. Omdat de knelpunten veelal meerdere gemeenten aangaan worden dit waarschijnlijk bovenlokale overleggen.

|

75

B8.3 Thematische agenda Warmte Thema

Acties

Monitoring

Op regionaal niveau worden de voortgang en de bevindingen vanuit de gemeentelijke TVW’s gemonitord. Via de monitoring wordt de warmtevraag en het warmteaanbod in de regio in beeld gebracht en gezamenlijk nagegaan hoe de deelnemende overheden elkaar kunnen versterken in het balanceren van warmtevraag en -aanbod. De uitkomsten van deze monitor worden minimaal 2 keer per jaar gezamenlijk besproken.

Energiebesparing

We werken regionale afspraken uit over het reduceren van de warmtevraag, dit doen we via de volgende stappen:

Geothermie

Met behulp van de regionale potentiestudie in opdracht van de Provincie Utrecht onderzoeken de deelnemende overheden welke locaties geschikt zijn om een optimale koppeling te maken tussen de regionale warmtevraag en de inzet van geothermie als warmtebron. Via de warmtetafel en de warmtewerkplaats geothermie zoeken deelnemende overheden elkaar op om indien dit nuttig blijkt, gezamenlijke communicatie in te richten, informatie uit te wisselen en van elkaar te leren.

We brengen in kaart welke maatregelen al genomen worden op het gebied van energiebesparing, zowel lokaal als regionaal, en wat het effect is van deze bestaande besparingsmaatregelen en -programma’s. We gaan in regionaal verband onderzoeken wat de potentie is van het verder beperken van de energievraag van de regio,

Bio-warmte

De deelnemende overheden maken regionale afspraken over de duurzaamheid van vaste bio-grondstoffen die worden ingezet in de regio. Hierbij wordt gekeken naar een minimumeis ten aanzien van de duurzaamheidseisen zoals Better Biomass, NTA 8080 of vergelijkbaar. De deelnemende overheden onderzoeken gezamenlijk of een regionaal standpunt wenselijk is ten aanzien van type en locatiekeuze voor nieuwe installaties voor bio-warmte en luchtverontreiniging bij de ontwikkeling van nieuwe bio-warmte installaties verder te beperken. Het onderzoek10 dat door provincie Utrecht is uitgevoerd is hierbij het startpunt. We bespreken hierbij de grootte van de installaties en de toepassing voor bijvoorbeeld industrie, warmte of biogas productie.

RES 1.0 | Regio U16 | Thematische agenda Elektriciteit en Warmte

RES 1.0 | Regio U16 | Thematische agenda Elektriciteit en Warmte

We onderzoek gezamenlijk welke extra inzet mogelijk is op energiebesparing, onder meer door: Inwoners van de U16-regio verder te ontzorgen bij het nemen van energiebesparingsmaatregelen. Daarom onderzoeken we welke organisaties kunnen bijdragen aan een regionaal informatie- en stimuleringspakket voor energiebesparingsmaatregelen om de vraagkant (vastgoedeigenaren/bewoners) te ondersteunen en de aanbodkant (isolatie-, renovatie en installatiebranche) te versterken. Door af te spreken dat bij het aansluiten van woningen op een bovengemeentelijke warmtebron de warmtevraag beperkt wordt tot het niveau van de landelijke streefwaarden, mits dat haalbaar en betaalbaar is. Het onderzoeken van de mogelijkheden om de regionale besparingsaanpak uit te breiden naar overig vastgoed (utiliteit, huurwoningen, maatschappelijk vastgoed).

In regionaal verband onderzoeken we de potentie voor biogas en groen gas en gaan we na welke kansen dit biedt voor plekken waar andere aardgasvrije warmteopties niet beschikbaar of betaalbaar zijn.

Energiebesparing in de sectoren industrie en mobiliteit valt buiten de scope van de gebouwde omgeving en van deze RSW, maar speelt een relevante rol in de energietransitie. Daarom zal in het vervolgtraject de link gelegd worden met het Regionale Mobiliteitsprogramma en de landelijke tafels waarin eigen routekaarten worden gemaakt. Via de ODRU wordt tevens afstemming gezocht over de besparingsactiviteiten bij de industrie.

In regionaal verband wordt nader onderzocht binnen welke straal de reststromen voor groen gas productie het beste kunnen worden gewonnen. Tevens wordt in regionaal verband nagegaan hoe de beschikbare hoeveelheid groen gas het meest optimaal kan worden verdeeld over de verschillende sectoren. Tot slot onderzoeken we in regionaal verband of het mogelijk en wenselijk is om gezamenlijk af te spreken om in de regio geproduceerde groen gas certificaten eerst aan te bieden aan gasafnemers in de betreffende gemeente, dan aan de regio en dan pas op de landelijke markt.

We geven op regionaal niveau inzicht in de onrendabele top van de warmtetransitie in de U16 regio die niet door de afnemer of markt alleen opgebracht kan worden. Op basis van het verkregen inzicht wil de U16 de samenwerking zoeken met andere organisaties, zoals de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), om gezamenlijk een signaal te geven aan het Rijk over de financierbaarheid van de warmtetransitie. Aquathermie

Deelnemende overheden stemmen regionaal af over activiteiten in de ondergrond bij het ontwikkelen van geothermische projecten en op het moment dat buurgemeenten beiden gebruik willen maken van bodemsystemen. Hierbij wordt rekening gehouden met andere gebruiken van de ondergrond zoals drinkwatervoorziening en strategische grondwatervoorraden.

Governance

We wisselen kennis uit over de invulling van rollen en governance en het inrichten van tijdspaden bij de ontwikkeling van warmtenetten, zowel ten aanzien van de uitbreiding en verduurzaming van bestaande warmtenetten als naar de ontwikkeling van nieuwe netten.

In regionaal verband wordt de mogelijke kans op (bovengemeentelijke) milieueffecten van het onttrekken van warmte ten behoeve van aquathermie onderzocht. Ecologische effecten zijn daarbij een duidelijk aandachtspunt. Geleerde lessen over onder andere haalbare businesscases voor aquathermie-projecten worden op regionaal niveau uitgewisseld. Hierbij spelen onder andere de Provincie en de waterschappen een trekkende rol. Direct betrokken partijen informeren elkaar vroegtijdig en gaan met elkaar in gesprek op het moment dat er nieuwe initiatieven ontstaan die betrekking hebben op hetzelfde waterlichaam.

10

76

|

Bio-energie in de provincie Utrecht, Royal Haskoning DHV, BH2202IBRP003F01, 16-12-2020.

|

77

Bijlage 9 :

Netimpactanalyse SAMENVATTING – REGIO GEGEVENS Dit document beschrijft de impact van de Regionale Energie Strategie van de RES Regio U16 op de energieinfrastructuur. Het uitgangspunt voor de analyse is de regionale input voor het verwachte aanbod en de verwachte vraag naar energie. Samen geeft dit een integraal beeld van de regionale ontwikkelingen. Aangeleverde RES-data: aanbod van en vraag naar energie Voor het aanbod van de regio zijn gegevens aangeleverd voor het verwachte opgestelde vermogen aan windmolens, zon op land en grootschalig zon op dak in 2030: het RES1.0 scenario. De verhouding in vermogens (maatgevend voor systeemefficiëntie) tussen grootschalig zon op dak/land en wind komt uit op 84% zon en 16% wind. Het totaal aan vermogen omvat 996 MW en het totaal aan productie omvat 1,67 TWh. Het begin maart 2021 aangeleverde RES1.0 scenario bevat daarmee nog niet de volledige opgave voor de ambitie van 1,8TWh.

NETIMPACT RES 1.0 REGIO U16

Voor de samenstelling van de integrale elektriciteitsvraag in de regio is gebruik gemaakt van landelijk opgestelde back-up sets en Stedin data aangezien hiervoor geen input is geleverd door de regio. RES1.0 scenario als momentopname • Doordat gemeenten in het RES-proces hun potentiële zoekgebieden en de samenstelling ervan met zonop-land en wind stapsgewijs opbouwen is het moment van aanlevering van het RES1.0 scenario slechts een momentopname in het voortgaande RES-proces. • Niet alle gemeenten hebben in deze fase van het RES-proces een (volledige) opgave kunnen doen. • Door het ontbreken van een uniforme werkwijze over alle gemeenten heen qua volledigheid van aanlevering kunnen grote lokale verschillen ontstaan in de samenstelling van het RES1.0 scenario. • Waar op bepaalde locaties mogelijk sprake is van overprogrammering kan op andere locaties door het ontbreken van een (volledige) opgave juist sprake zijn van onderprogrammering. Dat maakt de interpretatie van capaciteitsknelpunten in de netinfrastructuur bijzonder lastig. Vastgestelde knelpunten in het RES1.0 scenario kunnen door overprogrammering mogelijk in werkelijkheid niet gaan optreden. En omgekeerd, daar waar nu geen knelpunten zijn kunnen deze alsnog optreden zodra de opgave completer wordt.

• Deze rapportage geeft een voorlopig beeld van de netimpact van de plannen voor grootschalige opwek, in afwachting van het definitieve RES1.0 bod van de U16.

vrijdag 16 april 2021

1

3

RES 1.0 | Regio U16 | Netimpactanalyse

RES 1.0 | Regio U16 | Netimpactanalyse

RES U16 rekent voor zon met 950 vollasturen en voor wind met 3000 vollasturen

SAMENVATTING – CONCLUSIES NETIMPACT

1. SAMENVATTING

2. INTRODUCTIE

3. REGIO IN BEELD

4. AANGELEVERDE GEGEVENS

Impact van RES 1.0 scenario op tijd, ruimte en geld Zowel Stedin als TenneT moeten in de periode tot 2030 investeren om de ambitie van de RES U16 te kunnen faciliteren. De investeringsnoodzaak is in de meeste gevallen breder dan alleen de ambitie van de RES en dient daardoor ook andere belangen, zoals het faciliteren van woningbouw, warmtetransitie en elektrische mobiliteit. De regionale ambitie voor opwek kan voor een deel gebruikmaken van de bestaande netcapaciteit én meeliften op de reeds geplande netinvesteringen. • Maar voor alle geplande opwek dient nog de zekerheid geleverd te worden dat deze daadwerkelijk gaat plaatsvinden, om de additionele investeringen specifiek voor opwek tijdig mee te kunnen nemen. De scheve verhouding wind-zon resulteert in een zeer inefficiënte benuttingsgraad van de netinfrastructuur. De bestaande netcapaciteit biedt anno 2021 veel ruimte voor opwek, maar door de forse inzet op zon worden de grenzen van het net veel sneller bereikt dan bij een invulling met meer wind. Dat bepaalt tevens de mogelijkheden ná 2030.

5. NETIMPACT ELEKTRICITEIT

6. BIJLAGE

De inschatting is dat elk individueel knelpunt voor 2030 opgelost kan worden, mits plan- en besluitvorming tijdig plaatsvindt en hierbij rekening wordt gehouden met de benodigde fysieke ruimte voor de netinfrastructuur. Er zijn 2 knelpunten die eruit springen en acute aandacht vereisen: • Het knelpunt bij HS en TS station Oudenrijn van Stedin en TenneT, om te borgen dat de netuitbreidingen vóór 2030 gereed komen. • Het HS station Breukelen-Kortrijk van TenneT, om te borgen dat de totale RES opgave van zon en wind gerealiseerd kan worden. • Door de lange doorlooptijd van investeringstrajecten met een ruimtelijke impact is het urgent om hier op korte termijn afspraken over te maken. Voor de optelsom van alle knelpunten in het doorgerekende RES1.0 scenario van 996MW kan de haalbaarheid (alles vóór 2030), maakbaarheid (arbeid) en betaalbaarheid (€) een probleem worden. Dat is in deze fase van het RES proces niet uit te sluiten. Dit geldt zowel voor Stedin als voor TenneT. • Stedin doet daarom een dringende oproep om direct door te pakken op de verdere uitwerking en concretisering van plannen om tijdig de benodigde netcapaciteit beschikbaar te krijgen voor aansluiting van opwek vóór 2030, teneinde de ambitie van 1,8TWh waar te kunnen maken.

78

|

Wat

Aantal

Nieuw te bouwen stations

1

Uit te breiden stations

19

Kabels verzwaren en distributieruimten bijplaatsen

-

Potentiële haalbaarheid voor 2030

R R

6

Kosten M€

Extra - m2

Doorlooptijd - jaren

15

2.500

gereed in 2023

122 - 133

7.800

4-5

1.900 - 6.500

1-3 jaar per knelpunt

57 - 76

De Stedin netimpact uitgesplitst naar tijd, ruimte en geld: • Voor het verzorgingsgebied van Stedin treden op 19 stations knelpunten op die samenhangen met het aangeleverde RES1.0 scenario voor grootschalige opwek. • Tijd: Om stations uitbreidingen te realiseren moeten we rekening houden met de doorlooptijden van de ingrepen. Voor de benodigde aanpassingen aan bestaande stations is de doorlooptijd ca. 2-3 jaar voor uitbreiding van velden en 4-5 jaar voor grotere aanpassingen. Voor de realisatie van nieuwe Stedin stations dient 5-7 jaar doorlooptijd gerekend te worden. Indien er afhankelijkheden zijn met de TenneT infrastructuur kan dit verder oplopen naar 7-10 jaar. • Ruimte: Er is geschat dat er ongeveer10.300 m2 extra ruimte nodig is voor de uitbreiding van Stedin stations en het stichten van 1 nieuw Stedin station (HoutenOost). Voor het bijplaatsen van distributieruimten is een additionele 1.900 – 6.500m2 nodig. Dit is exclusief de ruimte voor kabeltracés. • TS Station Oudenrijn is vooralsnog niet meegeteld als nieuw station, maar kan dit wel gaan worden afhankelijk van bestemmingplan mogelijkheden én de locatiebehoefte van TenneT voor de benodigde netuitbreiding (150kV) • Geld: De omvang van de investeringen van Stedin om de knelpunten op te lossen met de verzwaringen en aanleg van nieuwe infrastructuur worden geraamd op 194 tot 224 miljoen euro.

4

|

79

SAMENVATTING – AANBEVELINGEN Aanbevelingen t.a.v. het RES1.0 scenario • Regionale afstemming over benutting van bestaande en toekomstige netcapaciteit is cruciaal om met een langere horizon de energietransitie planbaar te maken. • Stedin heeft voor de netplanning een robuust en stabiel plan nodig over grotere gebieden heen om doelmatig en efficiënt te kunnen investeren.

Om een zo hoog mogelijke benutting van dakoppervlak te bereiken voor zon-op-dak is het van belang om nauwkeuriger te bepalen waar welke dakpotentie benutbaar is, rekening houdend met zogenoemde ‘belemmeringen’ (dakconstructie, business case, bereidheid). De Stedin kansenkaarten voor zon-op-dak geven inzicht in waar kansen en mogelijkheden zijn om teruglevering te faciliteren. En met regionale afstemming kan gericht geïnvesteerd worden op locaties in de U16 regio die het meeste winst opleveren in termen van op te wekken vermogen uit zon-op-dak.

•

Vanaf het RES1.0 bod van 1 oktober 2021 is het aan te bevelen om de kaders van het RES bod door te vertalen naar een uitvoeringsprogramma. Het RES1.0 bod vormt het startpunt voor een langjarige en intensieve samenwerking om de ontwikkeling van de netinfrastructuur in lijn te houden met de ontwikkelingen van de energietransitie.

•

In een uitvoeringsprogramma kan 1. het RES 1.0 scenario van 1,8TWh verder uitgewerkt worden naar concrete initiatieven met maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak, geborgd in omgevingsplannen en met afspraken over de ruimtelijke inpassing van nieuwe netinfrastructuur, 2. de match tussen dakoppervlak en netcapaciteit onderzocht worden op knelpunten en (stimulerings)maatregelen, 3. de planvorming van regionale ontwikkelingen op het vlak van warmtetransitie, warmtebronnen, elektrisch vervoer en andere ontwikkelingen samengebracht worden naar een integraal regionaal uitvoeringsplan voor de energieinfrastructuur.

•

INTRODUCTIE - LEESWIJZER •

Stedin biedt aan om na vaststelling van het definitieve RES1.0 bod van de U16 in Q4 2021 opnieuw een netimpactanalyse uit te voeren als de opgave significant afwijkt van het voorliggende RES1.0 scenario. Daarmee kan de haalbaarheid herijkt worden en een nadere uitwerking ondersteunen in een uitvoeringsprogramma.

Doel Dit document beschrijft de impact van de Regionale Energie Strategie op de energieinfrastructuur. Deze informatie kan door de RES-regio gebruikt worden om de plannen te optimaliseren. Leeswijzer Na de samenvatting (1) en introductie (2) volgt een overzicht van de regio en de karakteristieken van het energiesysteem (3). Daarna volgt een samenvatting van de gebruikte regiodata als startpunt van de analyse (4). In de kern van het document wordt een indicatie van de impact op de elektriciteitsinfrastructuur in tijd, kosten en ruimte weergegeven (5). In de bijlage zit een aantal ondersteunende documenten aan deze rapportage (6).

Aanbevelingen systeemefficiëntie De verhouding opgesteld vermogen (MWp) wind-zon (16% en 84%) is suboptimaal (veel meer zon dan wind). Gezien het feit dat wind 3-4 keer efficiënter gebruik maakt van netcapaciteit, adviseert Stedin de spreiding van zon-op-dak, zon-op-land en windop-land op regionaal niveau in balans te brengen en hiermee de benodigde netuitbreidingen te verminderen. Met een gelijkblijvende produktie (in TWh) kan hierdoor de behoefte aan netcapaciteit met 490MWp vermogen verminderd worden. • Zie Aanbevelingen Systeemefficiëntie

•

•

Clustering van opwek naar grotere aansluitingen en met combinaties van wind en zon (cable pooling) blijft een belangrijk aandachtspunt in de verdere uitwerking van het RES bod. In het RES1.0 scenario is het aantal clusters van windmolens (meer dan 4) langs verkeersinfrastructuur beperkt.

•

Door systeemefficiëntie kan fors bespaart worden op ruimte en kosten.

Gebruikte data en werkwijze Om de netimpact te bepalen gebruiken we de aangeleverde data van de regio, eventueel aangevuld met landelijke datasets op segmenten die niet door de regio zelf zijn aangeleverd. Op basis daarvan wordt met rekenmodellen en experts de impact bepaald. De impact is altijd een dynamisch samenspel van vraag en aanbod op de elektriciteits- en gasinfrastructuur. Meer informatie over gebruikte datasets is op te vragen bij Stedin.

Disclaimer Deze rapportage is met zorg samengesteld ten behoeve van de RES ontwikkeling in uw regio. De rapportage geeft een indicatie van de impact van de regionale ontwikkelingen op het elektriciteitsnet vanuit de beschikbare informatie op het moment van analyse. Door dit globale karakter worden diverse onderwerpen niet meegenomen, bijvoorbeeld de belasting op individuele kabels of de lokale spanningskwaliteit op delen van het net. Deze globale indicatie is beoordeeld vanuit huidige wet- en regelgeving. Het is mogelijk dat netbeheerders door Europese of nationale ontwikkelingen andere mogelijkheden of verplichtingen krijgen. Dit kan invloed hebben op de indicatie van de impact. De impact is bepaald op basis van gegevens aangeleverd vanuit de regio, eventueel aangevuld met back-up gegevens vanuit NP RES. Stedin draagt geen verantwoordelijkheid over deze gegevens. De informatie in dit document kan gebruikt worden om het RES bod verder te ontwikkelen. Aan de informatie in dit document kunnen geen rechten worden ontleend. De netimpact is bepaald zonder rekening te houden met eventuele aanpassingen in de bovenliggende netten van TenneT. De netimpact analyse van TenneT vindt u in de bijlage.

https://www.netbeheernederland.nl/_upload/Files/Factsheet_Systeemefficientie_185.pdf

7

RES 1.0 | Regio U16 | Netimpactanalyse

RES 1.0 | Regio U16 | Netimpactanalyse

5

INTRODUCTIE

2. INTRODUCTIE

Een betaalbare, betrouwbare en toegankelijke energie-infrastructuur Onze elektriciteits- en gasnetten zijn door de energietransitie ingrijpend aan het veranderen. Zo moet het elektriciteitsnet in hoog tempo fors uitgebreid worden en moeten er aanpassingen gemaakt worden in het gasnet. Niet alles is tegelijkertijd mogelijk. Bovendien wordt het zonder slim werken moeilijk om tijdig de benodigde aanpassingen en uitbreidingen te realiseren. Het is belangrijk dat we deze uitbreidingen samen efficiënt en slim ontwerpen. Heel Nederland betaalt immers mee aan de kosten. Systeemefficiëntie speelt dus een grote rol. Daarnaast moeten we rekening houden met ander ruimtegebruik in ons dichtbevolkte land. Om te zorgen dat de energie-infrastructuur in de toekomst betaalbaar, betrouwbaar en toegankelijk blijft voor iedereen en op de gewenste locaties, is het belangrijk om de impact van regionale keuzes op de energie-infrastructuur inzichtelijk te maken. De netbeheerders hebben hiervoor in samenspraak met PBL en NP RES een werkwijze ontwikkeld om de netimpact van de regionale plannen uit te werken. Het ‘Netimpact bepalen werkproces' is onderdeel van het afwegingskader Energiesysteem Efficiëntie uit de Handreiking Regionale Energiestrategie 1.1.

6

80

|

Van concept RES naar RES 1.0 Ten tijde van de concept RES heeft er geen doorrekening plaatsgevonden, maar is een kwalitatieve netimpact analyse uitgevoerd. Deze netimpact rapportage vormt de eerste doorrekening van de plannen van RES regio U16.

In de uitwerking naar RES1.0 heeft Stedin de regio ondersteund in de inpasbaarheid van grootschalige duurzame opwek. Hiertoe heeft Stedin onder andere kansenkaarten ontwikkeld, adviezen en richtlijnen verstrekt en de technische uitbreidbaarheid van stations inzichtelijk gemaakt in de periode tot 2030. In oktober 2020 heeft Stedin een advies gegeven over de inpasbaarheid van opwek langs (1) de verkeersinfrastructuur en (2) per landschapstype (zoals door Land-ID gedefinieerd). In december 2020 heeft Stedin een globale nettoets uitgevoerd op de op dat moment geïnventariseerde zoekgebieden.

8

|

81

3. REGIO IN BEELD

4. AANGELEVERDE GEGEVENS

REGIO IN BEELD - ELEKTRICITEIT • • •

Er bevinden zich 36 Stedin stations in de RES U16 regio. Daarnaast zijn er enkele Stedin stations in aangrenzende regio’s waar het RES1.0 scenario gebruik van zal maken: TS en MS station Arkel en MS station Veenendaal 1. Stations zijn niet exclusief toebedeeld aan uw regio. Ook andere regio’s kunnen capaciteit vragen van de stations in de regio. • Waarschijnlijk gaan andere RES regio’s ook de netcapaciteit van de TS-stations Arkel en Driebergen benutten en MS station Veenendaal 1. Zodra de RES1.0 in alle RES regio’s is vastgesteld kan Stedin de balans opmaken over RES regio’s heen en hierover de betreffende regio’s informeren. • In de huidige regelgeving geldt er geen aansluitplicht voor klantaanvragen waarvan de grond niet ligt binnen het verzorgingsgebied van de regionale netbeheerder. Desondanks kan het voorkomen dat hier wel gebruik van wordt gemaakt door een aansluiting over de grens van een netbeheerder te realiseren. Netvlak TS/MS TS/MS HS/TS TS/MS TS/MS HS/TS TS/MS TS/MS HS/TS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS HS/TS

82

|

Stationsnaam Arkel (50/13kV) Arkel (50/23kV) Arkel (150/50 kV) Bilthoven (50/10kV) Breukelen (50/10 kV) Breukelen 150/50 kV) Doorn (50/10kV) Driebergen (50/10kV) Driebergen (150/50kV) Honthorst Woerden (50/10kV) Houten (50/10kV) Houten-Oost (50/21kV) IJsselstein (50/10kV) Jutphaas (50/10kV) Leerdam (50/13kV) Lopik (50/10kV) Maarssenbroek 1 (50/10kV) Mijdrecht (50/10kV) Montfoort (50/10kV) Nieuwegein (50/10kV) Nieuwegein (150/50kV)

Netvlak TS/MS HS/TS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS HS/TS TS/MS TS/MS HS/TS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS TS/MS

Stationsnaam Oudenrijn (50/10 kV) Oudenrijn (150/50 kV) U. Sorbonnelaan (50/10kV) Utrecht Blauwkapelseweg (50/10kV) Utrecht Jaarbeurs TR1 (50/10kV) Utrecht Kernweg (50/10kV) Utrecht Lage Weide (150/50 kV) Utrecht Leidseveer (50/10kV) Utrecht Merwedekanaal (50/10 kV) Utrecht Merwedekanaal (150/50 kV) Utrecht Overvecht (50/10kV) Utrecht Zuid (50/10kV) Veenendaal 1 (150/10kV) Vianen (50/13kV) Vinkeveen (50/10kV) Vreeswijk (50/10kV) Wijk Bij Duurstede (50/10kV) Zeist (50/10kV) Zeist West (50/10kV)

RES 1.0 | Regio U16 | Netimpactanalyse

RES 1.0 | Regio U16 | Netimpactanalyse

11

AANGELEVERDE GEGEVENS •

RES1.0 scenario De regionale ambitie van dit scenario is weergegeven in onderstaande tabel:

Het MS-station Houten-Oost bevindt zich nog in de realisatiefase, waardoor deze als nieuw station telt. De behoefte aan nieuwe stations en netuitbreidingen die in de Stedin masterplannen worden onderzocht (bijvoorbeeld Woerden-Oost/Zuid) zijn niet in deze rapportage opgenomen. In een vervolgtraject wil Stedin graag de masterplannen voor netuitbreidingen (2030-2050) toetsen op de regionale planvorming.

Categorie

Wind op Land Zon op dak (>15kWp) Zon op land Totaal

Nieuw station

Aansluit vermogen 2030 (MW)

211 217 569 996

Opgesteld vermogen 2030 (MWp)

211 309 813 1332

% (MWp)

16% 23% 61% 100%

Productie % (TWh) 2030 (TWh)

0,63 0,28 0,75 1,67

38% 17% 45% 100%

TS station

MS station

•

Het door de RES U16 aan Stedin aangeboden RES1.0 scenario is lager dan de ambitie van 1,8TWh. Door de gefaseerde opbouw van het RES bod van de U16 is het RES1.0 scenario een momentopname van begin maart 2021. De RES U16 houdt vast aan haar ambitie en werkt toe naar een RES bod van 1,8TWh.

• •

Het grootste deel van het RES1.0 scenario wordt gevormd door zon-op-land: 61%. De verhouding tussen grootschalig zon op dak/land en wind komt op 84% zon en 16% wind. Deze verhouding (in MW) is maatgevend voor systeemefficiëntie. • De verhouding in produktie (in TWh) tussen grootschalig zon op dak/land en wind komt uit op 62% zon en 38% wind. De produktie van wind (vollasturen) is immers een factor 3 groter dan zon. De verhouding op produktie is daardoor meer evenwichtig, maar dit is niet van belang voor de systeemefficiëntie. De opgave voor nog te realiseren grootschalig zon op dak van 0,19TWh (=pijplijn+ambitie) omvat in voorliggend RES1.0 scenario 144MW (=206MWp), met een concentratie in 37 CBS-buurten die gezamenlijk 50% van deze ambitie omvatten (bedrijventerreinen). • Let op, zon op dak wordt aangesloten op het midden- en laagspanningsnet en heeft als voordeel dat opwek en (lokaal) verbruik dicht bij elkaar ligt. Als dit echter op grote schaal plaatsvindt, zullen ‘overschotten’ ontstaan die worden teruggevoerd naar het bovenliggende net, ten koste van de beschikbare ruimte aan opwekcapaciteit van stations voor wind en zon op land.

•

10

RES U16 rekent voor zon met 950 vollasturen en voor wind met 3000 vollasturen

12

| 83

AANGELEVERDE GEGEVENS RES1.0 scenario De regionale ambitie voor zon-op-land en wind dat wordt aangesloten op stations is hiernaast weergegeven • Dit omvat de pijplijn plus de toekomstige ontwikkelingen in zoekgebieden. • Grofweg de helft van de opgave voor wind en zon op land heeft een specifieke locatie in een CBS buurtcode. De andere helft is o.b.v. een globaler zoekgebied toegewezen aan de stations van de netinfrastructuur o.b.v. de grootte van de aansluiting (MS of TS) en de afstand tot aan het dichtstbijzijnde station. Daarbij is ervan uitgegaan dat de regio zelf een goede inschatting heeft gemaakt van de haalbaarheid van de business case voor de opweklocatie voor wat betreft de afstand tot de netinfrastructuur.

5. NETIMPACT ELEKTRICITEIT

RES1.0 scenario als momentopname • Doordat gemeenten in het RES-proces hun potentiële zoekgebieden en de samenstelling ervan met zon-opland en wind stapsgewijs opbouwen is het moment van aanlevering van het RES1.0 scenario slechts een momentopname in het voortgaande RES-proces. • Niet alle gemeenten hebben in deze fase van het RES-proces een (volledige) opgave kunnen doen. • Door het ontbreken van een uniforme werkwijze over alle gemeenten heen qua volledigheid van aanlevering kunnen grote lokale verschillen ontstaan in de samenstelling van het RES1.0 • Waar op bepaalde locaties mogelijk sprake is van overprogrammering kan op andere locaties door het ontbreken van een (volledige) opgave juist sprake zijn van onderprogrammering. Dat maakt de interpretatie van capaciteitsknelpunten in de netinfrastructuur bijzonder lastig. Vastgestelde knelpunten in het RES1.0 scenario kunnen door overprogrammering mogelijk in werkelijkheid niet gaan optreden. En omgekeerd, daar waar nu geen knelpunten zijn kunnen deze alsnog optreden zodra de opgave completer wordt. Waarschuwing Hoe meer de uiteindelijke samenstelling van het RES bod zal wijzigen t.o.v. het begin maart 2021 aangeboden RES1.0 scenario, hoe minder bruikbaar de netimpactrapportage als toets op de haalbaarheid, maakbaarheid en betaalbaarheid van de benodigde netinvesteringen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10594073/1