RES 1 0 - U16
Tekst van het document
regeling voor Stimulering duurzame energieproductie (SDE) aangepast, waardoor zon op dak beter kan concurreren met veldprojecten. Bovendien bereidt het kabinet een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bouwbesluit) voor, die gemeenten meer bevoegdheden geeft om het installeren van zonnepanelen op daken af te dwingen. Waarschijnlijk treedt het gewijzigde besluit in werking op 1 januari 2022, tegelijk met de Omgevingswet. Op basis van de onderzoeken en overige informatie4 zetten we in op een hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit uit grootschalige dakprojecten van 0,3 tot 0,5 TWh. Nu leveren de zonnedaken, met een vermogen van meer dan 15 kilowattpiek (kWp), ongeveer 0,194 TWh aan duurzame elektriciteit. Het aandeel gerealiseerd is onderdeel van onze ambitie voor zon op dak. Hieronder onderbouwen we onze ambitie voor zon op dak. Dit doen we langs twee lijnen: RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
De bouwblokken 2 en 3 moeten we de komende jaren concreter maken. Dat betekent dat zoekgebieden die we in de RES 1.0 hebben opgenomen, moeten worden uitgewerkt tot concrete projecten en dat de potentie voor zon op dak moet worden benut. In de praktijk kan deze concretiseringslag betekenen dat we plannen anders invullen of zelfs dat plannen uitvallen. Hier houden we als regio rekening mee. Daarom werken we in onze RES voor bouwblok 2 met een bandbreedte. Bouwblok 3 kent geen bandbreedte, maar moet wel nadrukkelijk als een tussentijds resultaat worden gelezen. Dit bouwblok is namelijk in beweging en bij het concreet maken van de zoekgebieden kunnen de getallen hoger of lager uitvallen. We spreken wel met elkaar af om het vizier de komende jaren gezamenlijk te richten op de realisatie van de 1,8 TWh. Dit onderstreept ook het belang van bouwblok 4. Als we onze ambitie om 1,8 TWh hernieuwbare elektriciteit op te wekken uiterlijk in 2030 willen waarmaken, zijn continue samenwerking en ontwikkeling nodig. Nieuwe plannen zijn nodig, in het geval dat huidige plannen niet haalbaar blijken.
Onze ambitie om uiterlijk in 2030 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken, is in lijn met de ambitie in de Ontwerp-RES. De ambitie is haalbaar gebleken in de participatieprocessen die we hebben doorlopen, in het beleid (dat deels in ontwikkeling is) en in de verschillende studies die we hebben laten doen (Energieanalyse U16, Rapport Energielandschappen U16, Kansenkaarten en Globale nettoets Stedin). De onderbouwing van onze ambitie bestaat uit vier bouwblokken: 1. Duurzame elektriciteit die we al hebben opgewekt en projecten in de pijplijn met de status ‘zeker’; 2. De ambitie voor zon op dak; 3. Bijdrage van gemeenten die voortkomen uit de lokale zoekprocessen naar zoekgebieden voor zonne- en windenergie; 4. De permanente samenwerking en zoektocht naar zoekgebieden voor duurzame energie.
3.4 Bouwblok 1: Gerealiseerde duurzame opwek en projecten in de pijplijn met de status ‘zeker’
a. Een verdiepende analyse van de potentie en realisatie van zon op dak in de RES U16; b. Een verdiepende analyse van de aansluitbaarheid van zon op dak op de infrastructuur van Stedin. Potentie en realisatie De RES U16 heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de potentie en realisatie van geschikte daken voor het opwekken van zonne-energie in de regio en zal dit de komende drie jaar jaarlijks laten herhalen. De uitkomsten van het onderzoek vindt u in Bijlage 25. Het gaat om daken waarop installaties voor het opwekken van zonne-energie kunnen worden geplaatst met een vermogen groter dan 15 kWp. De theoretische potentie die uit het onderzoek komt, bedraagt 1,349 TWh. Met theoretisch bedoelen we dat we hierbij geen rekening houden met technische en andere belemmeringen die de realisatie van zon op dak in de weg kunnen staan. Anders dan vaak wordt gedacht (‘Leg gewoon alle daken vol’) is het realiseren van grootschalige dakprojecten geen gemakkelijke opgave.
3 Peildatum maart 2020 4 Werkgroep Zon op daken NPRES, Samen het dak op voor een zonnige toekomst, 29 januari 2021; Greenspread, Benuttingsgraad zon op Utrechtse daken zon-PV in de gemeente Utrecht, 18 februari 2021; CE Delft, Scenario’s zon op grote daken gemeente Utrecht, maart 2021. 5 Enkele gemeenten hebben onderzoek uitgevoerd naar potentie en/of realisatiegraad van zon op dak in hun gemeente. De resultaten van deze onderzoeken kunnen afwijken van de uitkomsten van het onderzoek in het kader van de RES. Dit heeft vooral te maken met de voor de analyse gebruikte informatie, de onderzoeksmethode en/of de peildatum van de analyse.
26
|
|
27
Bij de installatie van zonnepanelen op daken moeten vaak meerdere hindernissen worden genomen, geïllustreerd in onderstaande figuur. De theoretische potentie aan de onderzijde van de piramide wordt dus niet zonder meer ingevuld. De volgende belemmeringen spelen een rol:
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
• Medewerking: de (particuliere) dakeigenaar moet meewerken met de ontwikkeling van zon op dak. • Organisatorische belemmeringen: vaak is de eigenaar van het (bedrijfs)pand niet de gebruiker. • Technische belemmeringen: niet alle daken blijken in de praktijk geschikt. De draagkracht
van de dakconstructie en obstakels op het dak hebben invloed op de mogelijkheden voor zon op dak. • Businesscase: zon op dak wordt pas aantrekkelijk bij een positieve businesscase. Onder andere aanvullende eisen van verzekeraars verslechteren die soms. • Aansluitbaarheid: zon op dak moet binnen een bepaalde straal rond het elektriciteitsnet ontwikkeld worden. Daarnaast moet er netcapaciteit beschikbaar zijn.
Figuur 3.1 Percentage theoretisch geschikt dakoppervlak dat kan worden aangesloten op beschikbare netcapaciteit, Stedin, 2021.
Conclusie: van de theoretische potentie van 1,349 TWh is er in theorie voor circa 33% voldoende netcapaciteit. Dat is 0,58 TWh. Wanneer we overgaan tot concrete projecten moet er rekening worden gehouden met bovengenoemde afhankelijkheden.
28
|
Aansluitbaarheid Stedin heeft voor onze regio de aansluitmogelijkheden voor zon op dak onderzocht. Zon op dak wordt door Stedin aangesloten op de zogenaamde middenspanningsringen (MS-ringen). Op dit moment heeft Stedin 0,58 TWh beschikbaar op het totaal aan MS-ringen in het U16-gebied. Op het spanningsniveau van de MS-ringen bevinden zich aansluitingen geschikt voor 500 tot 5.000 zonnepanelen.
Onderstaande kansenkaarten van Stedin laten zien waar mogelijkheden zijn voor het terugleveren van elektriciteit die is opgewekt met grootschalig zon op dak.
| 29
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
Figuur 3.2 De beschikbare netcapaciteit per MS-ring (totaal 0,58 TWh), Stedin, 2021.
Als we de inzichten uit figuur 1 en figuur 2 combineren, wordt duidelijk welke gebieden het meest geschikt zijn voor het stimuleren van grootschalig zon op dak. Daarnaast weten we in welke gebieden investeringen in het vergroten van de netcapaciteit in MS-ringen het meest renderen in termen van op te wekken vermogen uit zon op dak (zie Bijlage 3).
30
|
Deze inzichten willen we als regio gebruiken om de maximale potentie van zon op dak te benutten. Dit is een belangrijk onderdeel van de thematische agenda (zie bijlage 8). In overleg met Stedin en met regionale afstemming kunnen we kansen verzilveren en toekomstige knelpunten tijdig vaststellen.
|
31
3.6 Bouwblok 3: bijdrage gemeenten die voortkomen uit de lokale zoekprocessen
Het derde bouwblok bestaat uit de bijdrage van gemeenten die zijn voortgekomen uit lokale zoekprocessen. De afgelopen periode hebben op gemeentelijk en subregionaal niveau zoekprocessen plaatsgevonden om te komen tot zoekgebieden voor zonne- en windenergie. Hierin was binnen de regionale kaders ruimte voor lokale fasering en lokaal maatwerk. Hieronder presenteren we de ambities die per gemeente of subregio. Samen leveren die een bijdrage op van 1,164 TWh. Dit staat voor circa 26 turbines en circa 800 hectare zonneveld. Bij de tabel vindt u een leeswijzer waarin we de ambities per gemeente duiden. De bijgevoegde kaart van onze regio geeft weer waar we de zoekgebieden voor zonne- en windenergie voorzien.
Pijplijn zeker (MWh)
Wind
Zon
Totaal
Wind
Zon
Totaal
Wind
Zon
Totaal
MWh
TWh
Turbines
Hectares
Bunnik
0
3.451
3.451
0
0
0
0
50.228
50.228
53.679
0,054
0
53
Houten
11.800
33.041
44.841
67.000
13.983
80.983
0
52.124
52.124
177.948
0,178
0
55
Utrechtse Heuvelrug
0
8.061
8.061
0
0
0
35.000
45.000
80.000
88.061
0,088
2
47,5
Wijk bij Duurstede
0
4.413
4.413
0
0
0
0
56.862
56.862
61.275
0,061
0
60
Montfoort
0
9.723
9.723
0
0
0
12.778
7.027
19.805
0
0
0
Oudewater
0
3.017
3.017
0
0
0
Woerden
0
13.682
13.682
0
0
0
IJsselstein
0
4.045
4.045
0
58
58
De Bilt
0
11.308
11.308
0
0
0
0
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
Gemeente
Lopik
Ambitie (MWh)
Totaal
122.500
87.170
30.895
209.670
260.000
30.895
42.203
0,260
7
0
32,6
6.389
6.284
12.673
0
0
0
pm
pm
pm
12.673
0,013
pm
pm
25.125
41.521
66.646
0
0
0
0
13.268
13.268
79.914
0,080
0
14
Stichtse Vecht
0
7.475
7.475
0
0
0
0
92.525
92.525
100.000
0,100
0
90
Utrecht
0
36.000
36.000
0
65.000
65.000
138.000
284.000
422.000
523.000
0,523
10
282
19.800
18.713
38.513
0
0
0
33.000
0
33.000
71.513
0,072
3
0
0
6.337
6.337
0
2.000
2.000
70.000
53.000
123.000
131.337
0,131
4
39,3
Totaal U16 (MWh)
75.892
214.098
289.990
67.000
81.041
148.041
398.500
765.071
1.163.571 1.601.602
1,602
26
793,4
Totaal U16 (TWh)
0,076
0,214
0,290
0,067
0,081
0,148
0,399
0,765
1,164
Bronnen tabel
Operationeel en Pijplijn zeker: regionale monitor en Analyse zonnepotentie en gerealiseerd, MapGear, april 2021 (zie Bijlage 2). Ambitie: actuele opgaven gemeenten, maart/april 2021.
Zon operationeel
In vrijwel alle gevallen gaat het om zon op dak, m.u.v. de gemeenten Houten, De Bilt en Nieuwegein die al zonnevelden hebben gerealiseerd.
Pijplijn zeker
Projecten in de pijplijn met de status ‘zeker’: Wind: vergunning verleend; Zonnevelden: bouw in voorbereiding. NB: de gemeentelijke opgaven voor de pijplijn in bijlage 1 wijken af van de pijplijn in deze tabel. In de opgaven van de gemeenten zijn ook minder zekere projecten opgenomen, terwijl we in de tabel hierboven alleen projecten hebben opgenomen die zeker doorgaan.
Ambitie zon op dak
Omdat nog niet alle gemeenten hiervoor een specifieke ambitie hebben geformuleerd, is deze kolom exclusief zon op dak. Een aantal gemeenten heeft zon op dak wel meegenomen in hun totale ambitie. Zie hieronder voor een toelichting per gemeente.
Gemeente
Leeswijzer per gemeente
Bunnik
De gemeente heeft twee zonneveldprojecten (van samen 30 hectare) in voorbereiding.
Houten
Voor zonnevelden heeft Houten 100 hectare beleidsruimte. Daarvan is reeds 45 hectare vergund; dat is Operationeel en Pijplijn zeker. Daarmee resteert in Houten 55 hectare beleidsruimte. Daarnaast is er in Houten een bestaand windpark (Houten) en een vergund windpark (Goyerbrug).
Utrechtse Heuvelrug
De ambitie van de gemeente is 0,08 TWh, waarvan 0,02 TWh te realiseren met innovatie. Mocht deze 0,02 TWh niet met innovatie kunnen worden ingevuld, wordt dit aandeel met wind en/of zon gerealiseerd. In de tabel hebben we het aandeel innovatie opgenomen in de ambitie zon.
Wijk bij Duurstede
De 60 hectare zonnevelden zijn reeds vergund.
Montfoort
De Lopikerwaard-gemeenten brengen een gezamenlijk bod in van 0,26 TWh. De verdeling van de ambitie over technieken is flexibel, maar de ambitie zelf staat vast. De ambitie voor 0,05 TWh voor zon op dak is niet in de tabel opgenomen. De ambitie van de Lopikerwaard is inclusief Operationeel en Pijplijn zeker. Als er meer zon op dak mogelijk blijkt, wordt dat aandeel in mindering gebracht op het aandeel zonnevelden en windturbines. Dit laatste is n.a.v. de recente data zon op dak nog niet verwerkt in de tabel.
Lopik
Woerden IJsselstein De Bilt
Bij de ambitie voor zon gaat het om zowel zon op veld als zon op dak.
De Ronde Venen
De gemeente heeft vooralsnog alleen een ambitie voor 2040 vastgesteld. Dan wil de gemeente 0,05 TWh opwekken met zon op grote daken en 0,18 TWh met zonnevelden en/of windmolens. De raad besluit naar verwachting 30 juni over de zoekgebieden hiervoor.
Nieuwegein
De gemeente realiseert deze ambitie vóór 2030. De ambitie voor zonnevelden komt uit de Routekaart Energieneutraal Nieuwgein 2040 (2017) en is dus naar voren gehaald.
Stichtse Vecht
Bij de ambitie voor zon gaat het om zowel zon op veld als grootschalig zon op dak.
Utrecht
Bij deze ambitie gaat het om de beleidsruimte voor Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop: acht windturbines en 230 hectare zonneveld. Er is een initiatiefnemer geselecteerd die start met de planuitwerking voor drie windturbines en 7 hectare zonneveld en 20 hectare zonneveld op de Nedereindse Plas. Daarnaast tellen de in voorbereiding zijnde zonnevelden Meijewetering, Haarrijnseplas en geluidswal A12 mee. Ten opzichte van de ontwerp-RES en concept bod hebben een aantal nieuwe initiatieven zich gemeld voor wind en/of zon in de aangewezen zoekgebieden, waaronder Ockhuizen en USP. Indien grootschalige opwek kan worden ingepast, kunnen deze initiatieven nog voor 2030 worden ontwikkeld.
Vijfheerenlanden
Binnen de gemeente is gekozen voor windenergie en is uitgesproken geen ambitie voor zonnevelden te hebben. Dit staat los van zon op dak.
Zeist
De gemeente doet verder onderzoek naar de theoretische ruimte voor windturbines en zonnevelden in de zoekgebieden. Hieruit moet blijken of en onder welke voorwaarden windturbines en/of zonnevelden mogelijk zijn. De gemeenten ziet mogelijkheden voor nul tot vier windturbines.
1,602
Toelichting bij de gegevens Operationeel: stand van duurzame energieproductie uit wind en zon per maart 2020 (monitor) Pijplijn zeker: wind = vergunning verleend; zon = bouw in voorbereiding Ambitie: conform opgave gemeenten maart 2021, gemeenten gebruiken soms verschillende opbrengst per turbine of ha
|
120
0,042
In bijlage 1 beschrijven we per gemeente de opbrengst van de lokale zoekprocessen binnen de afwegingskaders van het Nationaal Programma RES. Hier vindt u ook een uitvergroting van de zoekgebieden per gemeente.
32
De tabel geeft een momentopname van de stand van zaken voor gerealiseerde projecten, pijplijnprojecten met de status ‘zeker’ en ambities voor duurzame energie in de regio. Voor de hoeveelheid opgewekte energie van windturbines zijn we uitgegaan van een opbrengst van 17.500 MWh per turbine (3.500 vollast-uren) en voor zonnevelden van 947,7 MWh per hectare (950 vollast-uren). Enkele gemeenten wijken af van deze uitgangspunten.
Oudewater
Nieuwegein
Zeist
Algemeen
Ambitie
De Ronde Venen
Vijfheerenlanden
Leeswijzer algemeen
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
Operationeel (MWh)
Onderdeel
|
33
3.7 Bouwblok 4: continue samenwerking en permanente zoektocht naar zoekgebieden voor duurzame energie’
Hierin is het belangrijk om zoveel mogelijke aan te sluiten bij de landschappelijke kwaliteiten van de gebieden, de kansen voor aansluiting op de netinfrastructuur te benutten en de verhouding tussen zonne- en windenergie in balans te houden. Zo worden in De Bilt en Bunnik mogelijkheden voor windenergie verder onderzocht. Aan dit onderzoek is op dit moment nog geen kwantitatieve ambitie te koppelen. De uitkomsten van deze onderzoeken nemen we mee in het vervolg. Uiteraard moeten zulke gebieden lokaal worden getoetst op haalbaarheid (met participatieprocessen en door ze te toetsen aan beleidskaders) en is het uiteindelijk aan de gemeenteraden om er een besluit over te nemen.
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
We werken in ons bod voor sommige bouwblokken met bandbreedtes. We realiseren ons namelijk dat plannen kunnen uitvallen. Nieuwe plannen zijn nodig, in het geval dat huidige plannen niet haalbaar blijken. Het is daarom van belang de realisatie van onze ambitie op vastgestelde ijkmomenten goed te blijven monitoren. Dit doen we om zicht te houden op de realisatie van onze ambitie: voor 2030 1,8 TWh duurzame energie opwekken in onze regio. Ook de opgave die na 2030 op ons wacht, vraagt om deze houding: om permanent door te gaan met het ontwikkelen en zoeken naar ruimte voor duurzaam opgewekte energie. We moeten daarom als samenwerkende overheden dan ook kansrijke gebieden voor duurzame opwek blijven verkennen.
Figuur 1. Overzichtskaart van zoekgebieden en -zones in de RES U16.
Toelichting bij de kaart Op deze kaart hebben we huidige en vergunde wind- en zonneparken opgenomen. Daarnaast geeft de kaart inzicht in de zoekgebieden voor zonne- en windenergie in de regio, die nu in de gemeentelijke ambities zijn opgenomen. De overzichtskaart is dus een momentopname van de permanente zoektocht naar zoekgebieden. Voor een aantal gemeenten zijn de zoekgebieden opgenomen onder voorbehoud van instemming door de gemeenteraad. Zoekzone zon: De gemeenten Stichtse Vecht, De Bilt, Bunnik, Houten, Wijk bij Duurstede en Utrechtse Heuvelrug werken met zogeheten zonnekaarten. Op deze kaarten is de kansrijkheid of geschiktheid van gebieden voor het ontwikkelen van zonnevelden aangegeven in groen, oranje en rood. Zie Bijlage 1 voor detailkaarten per gemeente. Bovenstaande overzichtskaart toont alleen de kansrijke gebieden (groen). Binnen de zoekgebieden of -zones voor zon wordt de ontwikkeling van zonnevelden mogelijk gemaakt. Dit betekent niet dat het hele gebied hiervoor wordt benut.
34
|
|
35
Systeemefficiëntie
Kwantiteit
TWh (TeraWattuur)
Ruimte
RES
Draagvlak
3.8 Afwegingskaders NP RES
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
3.8.1 Ruimtelijke kwaliteit Het behouden of versterken van ruimtelijke kwaliteit is een van de belangrijkste uitgangspunten voor de RES. Of een gebied veel of weinig kwaliteit heeft, is in hoge mate subjectief. Ruimtelijke kwaliteit wordt meestal beschreven en beoordeeld in termen van openheid en geslotenheid, landschappelijke structuren of de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden. Ons energielandschap verandert voortdurend als gevolg van onze veranderende energiebehoefte: van hout en turf als brandstof en de jaknikkers en gaswinning uit het verleden, naar de windturbines en zonnevelden die nu in het landschap opduiken. De maat en schaal van een windpark manifesteert zich al snel op bovenlokaal niveau, terwijl een zonneveld vooral lokaal impact heeft.
6 7
36
Het opnemen van zoekgebieden in deze RES is een eerste stap op weg naar het aanwijzen van projectlocaties en het ontwikkelen van concrete projecten. Het betekent niet automatisch dat de aangewezen zoekgebieden ook daadwerkelijk worden ingevuld. In vervolgstappen zullen we aspecten als effecten op de omgeving, veiligheid en aansluitbaarheid verder onderzoeken. Ook vindt er nog participatie plaats en wordt het streven naar 50% lokaal eigendom verder ingevuld. In de vergunningprocedures zijn er vervolgens wettelijke mogelijkheden voor inspraak en bezwaar. Realisatie kent daarmee nog de nodige afhankelijkheden.
Per landschapstype wordt beschreven hoe het opwekken van hernieuwbare energie het beste kan worden ingepast om de ruimtelijke kwaliteit te beschermen8: a. Weiden en plassen 1. Windturbines in lijnopstelling langs grootschalige infrastructuur; 2. Windturbines in vlakopstelling als clusters in enkele weidelandschappen; 3. Zonnevelden tussen grootschalige infrastructuur en in overhoeken; 4. Kleinschalige en grootschalige zonnevelden in het weidelandschap. b. Utrechtse Heuvelrug 1. Windturbines in lijnopstelling langs primaire en secundaire wegen in het bos; 2. Windturbines in vlakopstelling geclusterd in het landschap van de stroken; 3. Zonnevelden uit het zicht in de laagten, het mozaïek en onder aan de flanken; 4. Zonnevelden gekoppeld aan industrie en infrastructuur.
Daarnaast onderstrepen we als regio dat de ruimtelijke kenmerken van een gebied de mogelijkheden en knelpunten van nieuwe energievoorzieningen bepalen. Vanuit dit perspectief hebben wij als regio verschillende landschapstypen van de regio U16 gekarakteriseerd. Aan de hand van die karakteristieken kunnen we suggesties doen hoe landschappen kunnen bijdragen aan het opwekken van elektriciteit in de periode tot 2030. In het rapport Energielandschappen RES U16 zijn vijf typen landschappen onderscheiden, gebaseerd op de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen van de provincie Utrecht.
Kamerbrief Beantwoording moties Dik-Faberover een zonneladder als nationaal afwegingskader bij inpassing van zonne-energie. DGKE-WO /19150786. Omgevingsvisie Provincie Utrecht, 10 maart 2021.
|
Figuur 3.4. Landschapstypen in de regio U16, Land-id, 2020.
8
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
Bij het uitwerken van de ambitie van de regio is het essentieel om verschillende belangen tegen elkaar af te wegen. Hieronder beschrijven we hoe wij in onze regio invulling hebben gegeven aan de afwegingskaders van het Nationaal Programma RES. Omdat we het kwantitatieve kader eerder al hebben beschreven, staan we hieronder stil bij de kaders ‘ruimtelijke kwaliteit’, ‘systeemefficiëntie’ en ‘maatschappelijke en bestuurlijke betrokkenheid’. PBL heeft op verzoek van het NP RES ook een analyse gemaakt van de Ontwerp-RES. De adviezen die PBL heeft gegeven op basis van hun analyse en de opvolging die wij daaraan hebben gegeven staan in bijlage 10.
Het opwekken van duurzame energie vereist in omvang en vorm een ander ruimtegebruik dan we gewend zijn. We vinden het als regio heel belangrijk dat keuzes rond duurzame energie bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Daarom hebben we als regio in de Ontwerp-RES denkrichtingen opgesteld die hieraan bijdragen, zoals: • We zetten maximaal in op zon op dak. • De grootste potentie voor windmolens is te vinden: Langs infrastructuur; Bij bedrijventerreinen; In agrarisch gebied. • Voor zonnevelden ligt de focus op meervoudig ruimtegebruik. We nemen de zonneladder6 en de voorkeursvolgorde voor zonne-energie uit de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht mee in onze afwegingen7.
c. Rivierenlandschap 1. Windturbines in lijnopstelling langs grootschalige infrastructuur, zoals het Amsterdam-Rijnkanaal; 2. Windturbines in lijnopstelling langs rechte lijnen in het Kromme Rijnlandschap; 3. Grootschalige zonnevelden in het open weidelandschap; 4. Zonnevelden passend bij de omvang van de landschapstypen van de Kromme Rijn. d. Wallen en weiden 1. Windturbines in lijnopstelling in weteringen in de waarden; 2. Windturbines in lijnopstelling langs de snelweg; 3. Grootschalige zonnevelden in de waarden ver uit het zicht; 4. Kleinschalige zonnevelden op kavels achter de bebouwingslinten. e. Waarden 1. Windturbines in lijnopstelling langs de snelweg; 2. Windturbines in lijnopstelling langs weteringen in het veenweidelandschap met rivierinvloeden; 3. Grootschalige zonnevelden uit het zicht in het veenweidelandschap met rivierinvloeden; 4. Zonnevelden op knooppunten en binnen overhoeken.
Energielandschappen RESU16, ontwerpend onderzoek naar bouwstenen voor energietransitie in het landschap. Land-id, september 2020.
|
37
Daarnaast kennen we als regio nog twee overkoepelende landschappen die dwars door de regio heen lopen:
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
Ook het Groene Hart kan worden beschouwd als een overkoepelend landschap (zie voor meer informatie par. 3.9). Voor alle landschapstypen hebben we ontwerpprincipes ontwikkeld. Die geven houvast bij het zoeken naar zoekgebieden voor het opwekken van zonne- en windenergie. De principes konden door de gemeenten worden gebruikt bij de lokale zoekprocessen. Ruimtelijke afwegingen hebben gemeenten vervolgens op lokaal niveau gemaakt (zie Bijlage 1). Ook effecten op biodiversiteit spelen een rol bij de locatiekeuze. Samen met de expertpool van het Nationaal Programma RES onderzoeken we onder welke voorwaarden zonnevelden een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit en watervraag. De resultaten van dat onderzoek nemen we mee in het vervolg, net als het advies van de onafhankelijke Werkgroep Energie, natuur en landschap, die door het Nationaal Programma RES is ingesteld.
38
|
In december 2020 heeft Stedin een globale nettoets uitgevoerd voor zoekgebieden die we op dat moment hadden geïnventariseerd. Met een netimpactanalyse heeft Stedin in april 2021 laten zien wat de gevolgen van de huidige plannen zijn voor de regionale energie-infrastructuur. De netimpactanalyse biedt uitgebreid inzicht in de mogelijkheden om de efficiëntie van het systeem tot 2030 te vergroten. We zullen een groot deel van deze mogelijkheden moeten benutten om de huidige plannen te kunnen aansluiten op de infrastructuur en de infrastructuur tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te gebruiken. De belangrijkste conclusies uit de netimpactanalyse van Stedin zijn: a. Netinvesteringen. De energie-infrastructuur biedt veel kansen voor het grootschalig opwekken van duurzame energie. Voor een deel benutten we deze kansen, waardoor we opgewekte energie direct kunnen aansluiten op de infrastructuur. Er zijn in onze regio ook plannen die nog veel extra investeringen vragen om aansluiting op de infrastructuur mogelijk te maken. b. Knelpunten oplossen. De twee grootste knelpunten zijn de stations Oudenrijn (hoogspanning en tussenspanning) en Breukelen-Kortrijk (hoogspanning). Stedin en de betreffende gemeenten werken nauw samen om deze knelpunten zo snel mogelijk te verhelpen.
c. Zon-windverhouding. De verhouding tussen zonne- en windenergie is in onze regio scheef: 16% van het voorziene opgestelde vermogen (MWp) komt van wind. Door nu vol in te zetten op zon, bereiken we sneller de grenzen van het net en beperken we de mogelijkheden voor onze ambitie richting 2040. d. Aanpak zon op dak. We hebben als regio een forse ambitie voor zon op dak. Om deze ambitie waar te maken, is naast een lokale inspanning een regionale aanpak nodig. Stedin onderstreept dit. We willen serieus werk maken van de conclusies die voortkomen uit de netimpactanalyse. Ze zijn van groot belang voor het slagen van de energietransitie. In onze thematische agenda hebben we hiervoor acties opgenomen. Denk aan de uitwerking van een regionale aanpak voor zon op dak en het vormgeven van een specifieke aanpak voor de deelnetten waar knelpunten zijn gesignaleerd door Stedin en de betreffende gemeenten (zie bijlage 8). Voortdurende afstemming en informatie-uitwisseling tussen de regio, gemeenten en Stedin zijn nodig om de aansluitbaarheid van voorgenomen projecten te bewaken. Daarom passen we geregeld ijkmomenten in met Stedin. Op die momenten monitoren we de voortgang van beleid en projecten en bekijken we de consequenties voor aansluitbaarheid. Waar nodig ondernemen we actie. Stedin hoopt in het laatste kwartaal van 2021 opnieuw een netimpactanalyse uit te voeren.
De impactanalyse is alleen gebaseerd op de opgave van de regio U16 voor 2030. Stedin heeft nog geen rekening gehouden met de impact van de opgave van andere RES-regio’s. (Zie Bijlage 9 voor de analyse, conclusie en aanbevelingen.) 3.8.3 Maatschappelijke en bestuurlijke
betrokkenheid Om een goede RES te ontwikkelen, is maatschappelijke en bestuurlijke betrokkenheid in de regio noodzakelijk. In de RES hebben we onderscheid gemaakt tussen een regionaal en lokaal spoor. Bij het ontwikkelen van de Ontwerp-RES lag de nadruk op het regionale spoor: het gezamenlijk doen van ruimtelijke studies, het gezamenlijk bepalen van een ambitie en het op regionaal niveau betrekken van belanghebbenden. Na de Ontwerp-RES zijn we een fase ingegaan waarin de nadruk ligt op het concreet maken van zoekgebieden voor duurzame energie in de vorm van lokale zoekprocessen (zie Bijlage 1). Het primaat voor de ontwikkeling van zoekgebieden voor het opwekken van duurzame energie ligt in de eerste plaats bij de individuele gemeenten of subregio’s. Dit betekent dat maat-
schappij, bestuur en politiek ook op lokaal niveau betrokken zijn. Gemeenten en subregio’s hebben dit naar eigen inzicht geregeld, passend bij de lokale context, met zijn eigen uitdagingen en kansen. In bijlage 1 beschrijven we hoe de gemeenten in de regio de bestuurlijke en maatschappelijke betrokkenheid hebben ingevuld. Op regionaal niveau hebben we in deze fase wel de voortgang van de afzonderlijke lokale zoekprocessen gemonitord. Vervolgens hebben we maatschappelijke partners, bestuur en politiek ook op regionaal niveau betrokken bij de ontwikkeling van de RES. a. Belanghebbenden 1. Landschapssessies met regionaal georganiseerde belanghebbenden (juni/juli 2020); 2. Elektriciteitsatelier (27 oktober 2020); 3. Tafelgesprekken met regionale belanghebbenden (februari 2021 - heden). b. Volksvertegenwoordigers 1. Informatieavond REP/RES (4 november 2020); 2. Informatieavond REP/RES (17 februari 2021); 3. Informatieavond Provinciale Staten (24 maart 2021). c. Bestuur 1. U16 Klimaatneutrale regio (KNR); 2. Bestuurdersdagen 3. Gespreksronde RES U16 bestuurders over de ambitie; 4. Gespreksronde RES U16 bestuurders over windkansen in de regio.
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
a. Infralandschap Vanwege haar centrale ligging komen in de provincie Utrecht veel snel-, spoor- en waterwegen samen. Deze infrastructurele elementen vormen samen het infralandschap. Dat bestaat eigenlijk uit een netwerk van verbindende lijnen die als ‘laag’ op het onderliggende landschap ligt. De A2, A12, A27 en A28 zijn de belangrijkste snelwegen. Op de kruisingen van deze wegen vinden we drukke verkeersknooppunten. Het spoorwegennetwerk verenigt zich binnen de regio U16 met station Utrecht Centraal als het belangrijkste knooppunt van het Nederlandse spoornet. Tot slot kent onze regio veel verschillende waterwegen, waaronder de Nederrijn, de Lek en het Amsterdam-Rijnkanaal. b. Nieuwe Hollandse Waterlinie De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een verdedigingslinie uit de Nederlandse geschiedenis. De waterlinie ligt als een verscholen laag gecamoufleerd in het omliggende landschap. Met een systeem van sluizen, dijken, kanalen, rivieren en gemalen konden polders bij oorlogsdreiging onder water worden gezet. Op kwetsbare punten in de linie, de accessen, werden forten gebouwd. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is voorgedragen voor de Unesco Werelderfgoedstatus. Deze status biedt een grotere bescherming van het landschap, wat consequenties kan hebben voor nieuwe ontwikkelingen, zoals windturbines en zonnevelden.
3.8.2 Systeemefficiëntie De aanwezigheid van een energie-infrastructuur is een belangrijke voorwaarde voor het behalen van de RES-ambities. Maar aanpassingen aan die infrastructuur vragen kostbare ruimte, tijd en investeringen. Om alle ontwikkelingen als gevolg van de energietransitie mogelijk te maken en betaalbaar te houden, is het noodzakelijk om naar het totale energiesysteem te kijken. Door de efficiëntie van het systeem te verbeteren, kan de gemiddelde benutting van het net en de betaalbaarheid van de energietransitie verbeteren. De huidige netinfrastructuur is een belangrijk aandachtspunt bij het vinden van ruimte voor nieuwe installaties voor het opwekken van duurzame energie. Bij het uitwerken van de RES 1.0 heeft Stedin ons ondersteund met inzichten over de inpasbaarheid van het grootschalig opwekken van duurzame energie. De netbeheerder heeft onder andere kansenkaarten ontwikkeld, adviezen en richtlijnen verstrekt en inzicht gegeven in de technische mogelijkheid om stations uit te breiden in de periode tot 2030. In oktober 2020 heeft Stedin een advies gegeven over de inpasbaarheid van duurzame energie: • Langs de verkeersinfrastructuur; • Per landschapstype (zoals door Land-ID gedefinieerd).
De RES vraagt om gedragen regionale keuzes. De uiteindelijke besluitvorming vindt plaats door de leden van de gemeenteraden, Provinciale Staten en de Algemeen Besturen van de waterschappen. Datzelfde geldt voor de daadwerkelijke besluitvorming over projecten. Die moet nog plaatsvinden en is dus geen onderdeel van de RES 1.0. Dit betekent ook dat er lokaal nog meer participatieprocessen zullen plaatsvinden over lokale projecten.
3.9 Bovenregionale afstemming over gebieden
Onze regio kent bijzondere landschappen. Veel van deze landschappen beslaan het grondgebied van meerdere gemeenten of zelfs meerdere RES-regio’s. Het ontwikkelen van duurzame energie in of bij deze gebieden vraagt om een integrale benadering en om een passende weging van belangen. Zonder die afstemming kunnen gelijktijdige ontwikkelingen leiden tot onsamenhangende keuzes en de achteruitgang van de unieke ruimtelijke kwaliteit. Zoals hierboven vermeld, kennen we in onze regio naast het landschap van de Nieuwe Hollandse
| 39
Waterlinie ook andere gebieden die dit betreft. We denken hierbij onder andere aan het Groene Hart, het Gein-gebied en Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. Over de eerste twee gebieden heeft de afgelopen periode diverse malen afstemming plaatsgevonden; kort weergegeven in onderstaande paragrafen.
Het Groene Hart
Het Bestuurlijk Platform Groene Hart heeft de drie PARK’s9 gevraagd om op basis van de conceptRES’en van de zeven Groene Hart-regio’s aan te geven hoe de zoekgebieden zich verhouden tot de kwaliteiten van het gebied en waar kansen liggen om de verschillende RES-plannen op elkaar af te stemmen, zodat deze elkaar versterken. Het advies bevat vijf hoofdpunten, die kunnen worden gebruikt bij het concretiseren van de zoekgebieden: a. Kijk over grenzen heen en zie het Groene Hart als geheel; b. Respecteer de verscheidenheid en investeer in ruimtelijke kwaliteit; c. Verbind de energie-opgave aan andere grote opgaven en kom zo tot integrale gebiedsperspectieven; d. Een goed georganiseerd energienetwerk helpt heldere ruimtelijke ontwikkeling – en omgekeerd; e. Op naar het vervolg: gebruik de keuzeruimte in zoekgebieden.
9
40
Het advies geeft aanleiding om bij het concretiseren en uitwerken van de zoekgebieden samen te werken met de omliggende energieregio’s en het Groene Hart, onder leiding van de drie betrokken provincies. Door clustering van zonne- en windparken langs landschappelijke structuren waarin zij goed kunnen worden ingepast (vooral rijkswegen) en door waardevolle, kwetsbare gebieden te ontzien, kunnen we een diffuse spreiding en aantasting van het landschap voorkomen. Dit vraagt om een verdeling van zonne- en windparken die uitgaat van landschappelijk draagvermogen van verschillende soorten gebieden in plaats van het per gemeente strikt binnen eigen grenzen oplossen van de opgave. Ook moeten we kijken hoe we met aanpassingen en innovaties oplossingen kunnen ontwikkelen die beter aansluiten bij de bijzondere kwaliteiten van het Groene Hart.
Het Gein-gebied
Het Gein-gebied ligt in het noordoosten van gemeente De Ronde Venen, ingeklemd tussen Amsterdam en Stichtse Vecht. Het gebied, dat deel uitmaakt van het Groene Hart, wordt gekenmerkt door zijn openheid, de rivier Gein en de Stelling van Amsterdam met haar forten. Zowel de gemeenteraden van De Ronde Venen en Stichtse Vecht als de Provinciale Staten van Noord-Holland hebben moties aangenomen over dit gebied. In verband daarmee is er in de periode tussen de Ontwerp-RES en de RES 1.0 een aantal afstemmomenten geweest over zoekgebieden in en bij het Gein-gebied. Hierbij waren de gedeputeerden van de provincies Utrecht en Noord-Holland, de wethouders van de gemeenten Stichtse Vecht, De Ronde Venen en Amsterdam, de procesmanagers van de RES-regio’s en ambtenaren aanwezig. Deze afstemming zal na de RES 1.0 doorgaan om ervoor te zorgen dat het concretiseren van zoekgebieden zorgvuldig gebeurt. Op het moment van schrijven van dit document werd bekend dat de gemeente Amsterdam aan de rand van het Gein-gebied één zoekgebied heeft laten vervallen en één zoekgebied kleiner heeft gemaakt.
3.10 Voorwaarden voor succes bij ambitie RES U16 Elektriciteit
Om de ambities uit deze RES te realiseren, is ondersteuning van meerdere overheden noodzakelijk. In de Ontwerp-RES van juli 2020 hebben we hiervoor een aantal randvoorwaarden opgenomen, bijvoorbeeld voor financiering van zon op dak of het ontwikkelen van duurzame energie langs infrastructuur. Deze randvoorwaarden blijven onverminderd gelden. Algemeen De regionale energietransitie is een enorme opgave die een groot beslag legt op gemeentelijke capaciteit en financiële middelen. Vooral voor de kleinere gemeenten in onze regio is dit een uitdaging. Structurele financiering vanuit het Rijk blijft een belangrijk voorwaarde om van de RES een succes te maken. Daarnaast zien we dat de energietransitie steeds meer belangstelling krijgt. Lokaal zorgt de mogelijke komst van windturbines voor zorgen onder inwoners. Enerzijds kunnen deze zorgen terecht zijn en zullen ze zorgvuldig moeten worden behandeld in bijvoorbeeld de ruimtelijke procedures bij concrete projecten. Anderzijds wordt er in het publieke debat veel (des)informatie verspreid over de ontwikkeling van duurzame energie en specifiek over windturbines. We roepen de Rijksoverheid op om met een krachtige boodschap de urgentie, het nut en de noodzaak van de energietransitie te onderstrepen en om lokale overheden te ondersteunen bij het verstrekken van feitelijke informatie over de transitie en de duurzame bronnen die
daarbij horen. We kijken met veel belangstelling naar de publiekscampagne die het ministerie van EZK is gestart. Zon op dak Vooral voor zon op dak is of wordt een aantal voorwaarden uit de ontwerp-RES nu ingevuld. Dat is een positieve ontwikkeling. De verbeterde SDE++-regeling voor zon op dak helpt ons om het benutten van daken verder te stimuleren. Hetzelfde verwachten we van het uitbreiden van gemeentelijke bevoegdheden om het aanleggen van zon-daken te verplichten, via de aanstaande wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Zon op dak kan bijdragen aan het vergroten van het draagvlak voor minder aantrekkelijke opties in de energietransitie. Vanuit dat oogpunt verwachten we dat de Rijksoverheid ook na 2025 mogelijkheden biedt om kansrijke grootschalige zonnedaken te financieren. Zon en wind langs infrastructuur Een actieve rol van de Rijksoverheid, maar ook van ProRail en NS, blijft nodig om het ontwikkelen van duurzame energie langs Rijks- en spoorwegen te bevorderen. Verschillende gemeenten uit de regio langs rijksinfrastructuur bereiden een verzoek aan Rijkswaterstaat voor om deel uit te maken van het Programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER).
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
Het Groene Hart is een internationaal uniek gebied dat bestaat uit verschillende landschappen met bijzondere kwaliteiten. Het Groene Hart strekt zich uit over twee landsdelen, drie provincies en zeven RES-regio’s. Het oostelijk deel van het Groene Hart maakt deel uit van RES-regio U16. De aanwezigheid van deze groene ruimte is belangrijk voor de leefbaarheid en het vestigingsklimaat van de gehele Randstad. Zowel in het provinciale beleid als in het Rijksbeleid – het Groene Hart is in de Nationale Omgevingsvisie aangewezen als aandachtsgebied – wordt het belang van dit gebied benadrukt. De energietransitie in het Groene Hart vraagt dan ook om een zorgvuldige afweging en afstemming tussen betrokken gemeenten en provincies.
Op basis van de RES-documenten hebben de PARK’s een poging gedaan om zoekgebieden te vinden in de vorm van een serie zogeheten testbeelden en afwegingsprincipes. De testbeelden zijn bedoeld om grip te krijgen op de opgave op de bovenregionale schaal en om te laten zien dat het mogelijk is om een samenhangend beeld te ontwikkelen en dat er dus iets te kiezen valt.
Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit
|
|
41
4 Warmte 4.1 Inleiding
Het warmtehoofdstuk binnen de RES noemen we de Regionale Structuur Warmte 1.0 (RSW 1.0). Wij geven hierin inzicht in de manier waarop we vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om afspraken te maken over het ontwikkelen en gebruiken van potentiële bovengemeentelijke warmtebronnen. Daarnaast geven we inzicht in de manier waarop we elkaar versterken via kennisuitwisseling en samenwerking rond belangrijke thema’s, zoals het verlagen van de warmtevraag. De basis van de RSW 1.0 wordt gevormd door de gespreksleidraad die we hebben opgesteld en een thematische agenda met actiepunten.
RES 1.0 | Regio U16 | Elektriciteit
Na het vaststellen van de TVW stellen gemeenten (wijk)uitvoeringsplannen (WUP’s) op. In de uitvoeringsplannen beschrijven gemeenten, samen met bewoners en andere belanghebbenden die een rol spelen in de warmteketen, per wijk hoe zij de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving willen aanpakken. Via het Programma Aardgasvrije
De RSW gaat specifiek over warmtebronnen die de potentie hebben om in meerdere gemeenten warmte te leveren, zogenaamde bovengemeentelijke warmtebronnen. In het vervolg proces wordt de RSW gevoed met informatie uit de TVW’s. Daaruit blijkt of meerdere gemeenten naar eenzelfde bron kijken of welke gemeenten misschien een tekort hebben aan duurzame warmte, waardoor naar oplossingen buiten die gemeenten gekeken moet worden. De RSW maakt daarmee inzichtelijk of bronnen dubbel worden ‘geclaimd’ en of er potentiële bronnen over het hoofd worden gezien. Op die manier levert de RSW ook informatie voor het opstellen van TVW’s en het maken van keuzes in de uitvoeringsplannen. De RSW, TVW en WUP’s hebben zo effect op elkaar. Onderstaande figuur laat de schematische samenhang en interactie tussen de lokale en regionale schaalniveaus zien. De TVW’s worden tenminste eens in de vijf jaar herijkt, de RES en dus ook de RSW, wordt elke twee jaar herijkt. In 2023 wordt de RES 2.0 vastgesteld. Daarin nemen we nadere afspraken op over de mogelijke verdeling van bovengemeentelijke warmtebronnen. In figuur 4.2 staan de hoofdlijnen van de warmtetransitie op lokaal en regionaal niveau schematisch weergegeven.
Figuur 4.1. De samenhang van RSW, TVW en WUP.
42
|
| 43
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
De RSW 1.0 bevat een eerste inventarisatie van de warmtebronnen in de regio en de bovengemeentelijke afstemming van die inventarisatie. Daarnaast verkennen we de kansen om op regionaal niveau samen te werken bij het maken van de overstap naar duurzame warmte. Hoe gemeenten regie gaan voeren op de warmtetransitie staat in de transitievisies warmte (TVW’s) die alle gemeenten uiterlijk eind 2021 vaststellen. Ook het onderzoek naar de lokale inzet van warmtebronnen vindt plaats in de gemeentelijke TVW’s, evenals welk tempo gemeenten hanteren bij de overstap naar aardgasvrij en welke warmteoplossingen per wijk, buurt of gebied het meest voor de hand liggen.
Wijken biedt het Rijk ondersteuning aan gemeenten die werken aan een proefproject aardgasvrij. Gemeenten krijgen daarvoor financiële ondersteuning en kunnen deelnemen aan leerkringen om kennis uit te wisselen. In de regio U16 krijgt gemeente Utrecht ondersteuning bij het opstellen van een wijkuitvoeringsplan Overvecht Noord.
Figuur 4.2. Tijdslijn met de hoofdlijnen van de warmtetransitie van RSW 1.0 naar RSW 2.0.
4.2 Situatieschets RES U16
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
In aanloop naar de RES 1.0 heeft Greenvis in opdracht van de deelnemende overheden onderzoek uitgevoerd naar warmtevraag, warmtebronnen en koppelkansen10.
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
In deze paragraaf schetsen we op hoofdlijnen de situatie op het gebied van warmte in onze regio. We gaan in op drie onderwerpen: • Paragraaf 4.2.1: De warmtebronnen in de regio U16 en de potentie voor bovengemeentelijke inzet • Paragraaf 4.2.2: De warmtevraag vanuit de gebouwde omgeving • Paragraaf 4.2.3: Regionale koppelkansen en infrastructuur
Figuur 4.3. Potentie van de verschillende warmtebronnen in de regio U16. Bron: Greenvis (2020).
4.2.1 Warmtebronnen in de regio U16 en de
potentie voor bovengemeentelijke inzet Om de warmtevraag in onze regio te verduurzamen, zijn verschillende warmtebronnen beschikbaar. Het warmteonderzoek dat Greenvis in opdracht van de regio heeft uitgevoerd, biedt veel informatie over de potentiële warmtebronnen. We beschrijven hierna op hoofdlijnen per warmtebron wat de potentie is voor onze regio. Meer detailinformatie vindt u in bijlage 4. De verwachte potentie van de warmtebronnen in de regio geven we weer in figuur 4.3. In deze RSW 1.0 maken we een onderscheid tussen warmtebronnen die beter lokaal ingezet kunnen worden en warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie. Voor de laatste categorie is mogelijk regionale afstemming nodig.
10
44
|
Warmteonderzoek RES U16, Greenvis, GV20010-U16-R01-Warmteonderzoek RES U16, 4 augustus 2020, https://www.energieregioutrecht.nl/publicaties/default.aspx.
Om bovengemeentelijke warmte in de regio zo goed mogelijk in te kunnen zetten, hebben de deelnemende overheden en de betrokken belanghebbenden (zie paragraaf 2.3) een (niet-limitatieve) set
gespreksonderwerpen uitgewerkt. Deze onderwerpen, die aan bod komen in paragraaf 4.4. en bijlage 7, kunnen worden gebruikt als leidraad bij het verdelen van (toekomstige) bovengemeentelijke warmtebronnen. Verschillende typen kernen en woningbouw vragen om verschillende soorten warmtebronnen. Zo zijn grootschalige warmtebronnen geschikt om aan te sluiten op bijvoorbeeld het bestaande warmtenet van Utrecht-Nieuwegein of in kernen die in de toekomst een warmtenet voorzien. In kleinere gemeenten, buitengebieden en overige locaties in stedelijk gebied kan de warmtevraag verder worden verduurzaamd met elektrisch verwarmen (all-electric), door het vervangen van aardgas door duurzaam gas of door lokale warmtebronnen te koppelen aan kleinschalige warmtenetten. Grofweg onderscheiden we zes categorieën warmtebronnen. (Zie figuur 4.4)
| 45
Figuur 4.4. Categorieën warmtebronnen RES U16.
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
en opgeslagen in bijvoorbeeld een warmtebuffer. Via de productie van waterstof kan met overschotten van duurzame elektriciteit ook op een later moment warmte worden geproduceerd, maar hierbij treedt veel energieverlies op 4.2.2 De warmtevraag vanuit de gebouwde
omgeving De totale vraag naar warmte van de gebouwde omgeving in onze regio wordt geschat in 2020 op 29 PJ. Dit sluit aan op de analyse van Generation Energy en Quintel uit 201811. De komende periode worden er gebouwen gesloopt, maar vindt ook nieuwbouw plaats. Netto neemt daardoor het aantal gebouwen toe. De warmtevraag daalt naar verwachting tot 27 PJ in 2030 en 23 PJ in 205012. Die daling wordt veroorzaakt door de relatief lage warmtevraag van nieuwbouw ten opzichte van bestaande bouw, de verwachte energiebesparing en de verminderde warmtevraag door klimaatverandering. Ongeveer de helft van de warmtevraag in onze regio kan – na isolatie van gebouwen – worden verwarmd met middentemperatuurwarmte (50 tot 70 °C). Zo’n 25% kan worden verwarmd met lagetemperatuurwarmte (minder dan 50 °C) en de laatste 25% heeft in 2050 nog steeds behoefte aan hogetemperatuurwarmte (meer dan 70 °C). De verdeling hangt sterk af van de mate waarin isolatie wordt gestimuleerd. Het is dus van groot belang om in te zetten op energiebesparing door het toepassen van isolerende maatregelen bij bestaande bebouwing13. Voor het bepalen van de inzet van warmtebronnen is concentratie van de vraag naar warmte relevant. In vergelijking met elektriciteit en gas heeft warmte als voordeel dat lokale bronnen
11 Energietransitie regio U16, Een verkenning van energieverbruik en potenties, Generation Energy en Quintel, 21 december 2018, https://www.energieregioutrecht.nl/publicaties/default.aspx. 12 Warmteonderzoek RES U16, Greenvis, GV20010-U16-R01-Warmteonderzoek RES U16, 4 augustus 2020, pag. 24, https://www.energieregioutrecht.nl/publicaties/default.aspx. 13 Warmteonderzoek RES U16, Greenvis, GV20010-U16-R01-Warmteonderzoek RES U16, 4 augustus 2020, pag. 24, https://www.energieregioutrecht.nl/publicaties/default.aspx.
46
|
Figuur 4.5. Een overzicht van warmtevraagclusters met bovengemeentelijke potentie en warmtevraagclusters met lokale warmtebronnen. Bron: Over Morgen (2020).
efficiënt kunnen worden benut. Ook zijn er weinig systeemafhankelijkheden en zijn er veel verschillende bronnen mogelijk. Nadelen zijn het locatie-gebonden karakter van warmte, de kostbare infrastructuur en de slechte transporteerbaarheid vanwege warmteverlies. Met het oog op die nadelen zijn een hoge dichtheid van de gebouwde omgeving en afname op grote schaal heel belangrijk. In de praktijk is collectieve warmtelevering vaak alleen interessant in stedelijk gebied, of voor zeer lokale, kleinschalige oplossingen. De deelnemende overheden en hun partners werken nog volop aan de TVW’s. Daarom hebben we regionaal nog niet volledig in beeld voor welke gebieden er naar collectieve warmteopties wordt gekeken en waar de inzet van een bovengemeentelijke warmtebron wordt overwogen. Om in deze fase van de RSW toch iets te zeggen over de haalbaarheid van regionaal warmtetransport, hebben we op basis van woningconcentratie warmtevraagclusters samengesteld. Voor regionaal transport kijken we alleen naar warmtevraagclusters die groot genoeg zijn om de investering in een regionale warmtetransportinfrastructuur te rechtvaardigen. Deze grote warmtevraagclusters zijn nog niet gebaseerd op de TVW’s, maar worden op basis van de huidige informatie het meest kansrijk geacht om mogelijk in aanmerking te komen voor regionaal warmtetransport.
Kansen voor andere lokale warmteclusters sluiten we hiermee niet uit.
Bij het identificeren van grote gebieden die mogelijk geschikt zijn voor collectieve warmteoplossingen met bovengemeentelijke bronnen, hebben we de volgende uitgangspunten gehanteerd:
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
• De meeste warmtebronnen in de regio U16 kennen een lokale toepassing die hoort bij een lokale warmtevraag. Er zijn maar enkele warmtebronnen die mogelijk door meerdere gemeenten kunnen worden benut en dus een regionale rol kunnen spelen. De warmtebron met de grootste potentie om bovengemeentelijk te worden getransporteerd is geothermie, ook wel aardwarmte genoemd • Warmte uit biogas of groen gas en uit bio-grondstoffen kan vanuit een centrale locatie ook in meerdere gemeenten worden benut, maar bio-warmte beschouwen we binnen de regio als de minst favoriete duurzame bron. De deelnemende overheden zien geen mogelijkheden voor een nieuwe, grote centrale die meerdere gemeenten kan voorzien van bio-warmte uit vaste bio-grondstoffen • Ook aquathermie heeft een grote potentie in de regio. Aquathermie is het onttrekken van thermische energie uit water. Deze bron wordt niet als bovengemeentelijke bron gezien, omdat de lagetemperatuurwarmte van aquathermie lokaal wordt ingezet. Het uitwisselen van kennis over aquathermie verdient wel regionale aandacht • In de regio U16 is weinig grootschalige restwarmte beschikbaar. De locaties waar wel restwarmte beschikbaar is liggen niet in de buurt van bestaande warmtevraag of hebben een onzekere potentie (met uitzondering van de elektriciteitscentrale op Lage Weide) • Thermische warmte uit zonne-energie is nog relatief duur.
Daarnaast heeft zonthermie een grote ruimtelijke impact en moet voor langere tijd worden opgeslagen • Ook power-to-heat heeft veel warmteopslag nodig. Bij deze bron worden overschotten van duurzame elektriciteit ingezet voor de productie van warmte
a. Niet alle woningen in een gebied zullen overstappen naar een collectieve oplossing. We nemen aan dat minimaal 40% van de warmtevraag in een cluster op een warmtenet wordt aangesloten. (De overige 60% krijgt andere warmteopties, zoals all electric of hernieuwbaar gas) b. We nemen aan dat in die 40% minstens 10.000 woningequivalenten aanwezig zijn als potentieel afzetgebied c. We nemen aan dat het warmtevraagcluster een gemiddelde dichtheid heeft van minimaal 30 woningequivalenten per hectare Als we deze uitgangspunten toepassen, zien we in onze regio zeven warmtevraagclusters die in aanmerking kunnen komen voor een regionale warmtetransportinfrastructuur (figuur 4.5). Veel van deze clusters zijn al ontsloten door het regionale warmtenet van Utrecht-Nieuwegein. Dat is een kans voor het koppelen van (extra) regionale warmtebronnen in de regio. De overige clusters liggen op enige afstand van Utrecht-Nieuwegein en komen mogelijk in aanmerking voor lokale warmtenetten, zoals bijvoorbeeld in Houten. In figuur 4.5 geven we het onderscheid aan tussen warmteclusters met een bovengemeentelijke potentie en warmteclusters die worden gevoed door lokale warmtebronnen.
|
47
4.2.3 Regionale koppelkansen en infrastructuur Regionale koppeling warmtebronnen en warmtevraag Met het inzicht uit de voorgaande paragrafen kunnen we de regionale warmtevraag en de regionale warmtebronnen aan elkaar koppelen. Aan de bronkant is duidelijk dat er in onze regio weinig bronnen zijn met de potentie voor regionaal transport. Alleen geothermie en nieuwe bio-warmtebronnen komen hiervoor mogelijk in aanmerking. Uit onderzoek van EBN blijkt dat de hoogste potentie voor geothermie rond Nieuwegein en Houten ligt. Als dit inderdaad de meest geschikte locaties voor de ontwikkeling van geothermie blijken, dan kan die geothermie worden gekoppeld aan het regionale warmtenet van Utrecht-Nieuwegein. Daardoor worden drie grote warmtevraagclusters ontsloten. Een andere kans voor het uitbreiden van de regionale warmte-infrastructuur is koppeling van het lokale warmtenet van Houten aan het regionale warmtenet van Utrecht en Nieuwegein. Deze optie
Betekenis voor de infrastructuur Keuzes in de warmtetransitie zijn van invloed op de energietransitie als geheel. Net als in alle sectoren, gaat elektriciteit ook bij het verwarmen van de gebouwde omgeving een grotere rol spelen. Zowel aan de kant van de warmtebron als bij de verwarming van de gebouwde omgeving is daarbij extra behoefte aan elektriciteit (zie ook tabel 4.1):
kan worden verkend als de potentie van geothermie in of bij Houten groter is dan de lokale vraag. Overigens is er nog veel onzeker over de potentie van geothermie op deze locatie, de mogelijkheid om in Houten warmtenetten te ontwikkelen en de businesscase van een eventuele transportleiding tussen Houten en Utrecht-Nieuwegein. Het project GOUD onderzoekt de potentie van geothermie voor het lokale warmtenet in Utrecht Science Park en een mogelijke koppeling met het regionale net14.
Fossiele en duurzame bronnen kennen verschillende energiedragers en momenten van aanbod. Daardoor zullen opslag, netbalancering en omzetting een belangrijk deel van de puzzel uitmaken. Om de warmtetransitie in onze regio vorm te geven zal ingezet worden op verschillende aardgasvrije warmteopties. Het is van belang om een goede balans te zoeken tussen de verschillende opties, die elk een verschillende impact hebben op de elektriciteitsvraag van de regio. Dit biedt regionaal inzicht in het aandeel duurzame elektriciteit dat nodig is voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving in de U16 regio en hoe inpasbaar dit is op de elektriciteitsinfrastructuur.
• Voor het centraal opwaarderen van lagetemperatuurbronnen (zoals aquathermie) • Voor de aansluiting van warmtebroninstallaties (zoals bij geothermie) • Voor het elektrificeren van centrale warmtecentrales (van aardgas naar e-boilers) • Voor het elektrificeren van verwarming op huis niveau (van cv-ketel naar warmtepomp) • Decentraal toevoegen van warmtepompen aan het warmtenet om piekvraag in wintermaanden op te vangen
Voor de andere warmteclusters in de regio die in aanmerking komen voor collectieve warmtevoorziening geldt dat de collectieve warmtevraag waarschijnlijk vooral lokaal zal worden ingevuld. Daarvoor worden dan lokale warmtebronnen gebruikt, zoals aquathermie, zonthermie, geothermie en wellicht bio-warmte als transitiebron.
Scenario
Benodigde elektri-
Extra t.o.v. bod ont-
citeit (TWh)
werp-RES
Hogetemperatuurwarmtebronnen
0,058
3%
4
Lagetemperatuurwarmtebronnen
0,77
43%
50
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
Figuur 4.6. Potentiële warmtevraagclusters die in aanmerking kunnen komen voor regionaal warmtetransport.
Vertaling naar windmolens15
Tabel 4.1. De impact van bron- en conceptkeuze op de (extra) elektriciteitsbehoefte. Voor deze rekenoefening zijn we ervan uitgegaan dat een derde van de regio wordt verwarmd met deze bron/dit concept en dat daarmee een bepaald totaal systeemrendement (COP) kan worden gehaald (inclusief warmteverliezen bij productie van warmte). (Deze tabel is gebaseerd op het warmteonderzoek van Greenvis, pagina 14.)
14
48
|
Warmtebron Utrecht - Onderzoek GOUD.
15
Uitgaande van windmolens van 5.6 MW met een jaarproductie van 15.6 GWh per windmolen.
| 49
4.3 Resultaten RSW
4.3.2 Resultaat 2: Monitoren en afstemmen
In deze paragraaf bespreken we de voornaamste resultaten van de RSW 1.0: • Resultaat 1: Gespreksleidraad bij bovengemeentelijke warmtebronnen (paragraaf 4.3.1) • Resultaat 2: Monitoren en afstemmen regionale bronnen (paragraaf 4.3.2) • Resultaat 3: Samenwerking en kennisuitwisseling op warmtethema’s (paragraaf 4.3.3)
4.3.1 Resultaat 1: Gespreksleidraad bij bovenge-
meentelijke warmtebronnen In paragraaf 4.2.1 maakten we onderscheid in warmtebronnen die beter lokaal kunnen worden ingezet en warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie. Voor de laatste categorie is (mogelijk) afstemming nodig als meerdere gemeenten de inzet van dezelfde bron overwegen. Ook kan het logischer zijn om warmte in de ene gemeente op te wekken en in een andere gemeente af te nemen. Ook in dat geval moeten de betrokken gemeenten afspreken hoe zij hiermee willen omgaan.
die op basis hiervan is opgesteld, biedt vijf gespreksonderwerpen met daarbinnen aspecten die van belang zijn bij de vraag hoe bovengemeentelijke warmtebronnen kunnen worden ingezet. Door deze aspecten vooraf vroegtijdig gezamenlijk in kaart te brengen ontstaat duidelijkheid en rust. De gespreksonderwerpen geven richting aan het gesprek dat overheden bijtijds met elkaar en met betrokken belanghebbenden moeten voeren als er een nieuwe warmtebron wordt ontwikkeld die meerdere gemeenten willen gebruiken. Ook al er naar de vorming van warmtekavels wordt gekeken. De gespreksleidraad kan helpen bij de keuze voor het inzetten van lokale warmtebronnen. De vijf gespreksonderwerpen en de onderliggende criteria zijn opgenomen in onderstaande tabel 4.2. De gespreksleidraad kan worden aangepast of herzien als blijkt dat ook andere gespreksonderwerpen belangrijk zijn of als deze niet of minder belangrijk zijn.
RES 1.0 | Regio U16 | Warmte
1. Samenwerking
2. Betaalbaarheid
3. Duurzaamheid
4. Beschikbaarheid
5. Uitvoerbaarheid
• • • •
• Laagste maatschappelijke kosten • Laagste kosten voor de eindgebruiker • Businesscase • Lokaal eigendom en zeggenschap
• CO 2-reductie en milieueffecten • Minimum isolatiegraad • Match tussen temperatuur • bron en afnemer
• Schaarste van alternatieven • Volume en schaalgrootte • Leveringszekerheid en flexibiliteit
• Afstand bron • Netimpact • Aanwezigheid warmtenetwerk • Draagvlak • Governance • Tempo
Transparantie Verdeling in overleg Begrip voor elkaars (on)mogelijkheden • Samenwerking tussen partijen met direct betrokkenen
50
|
De gespreksonderwerpen en de onderliggende criteria zijn nader uitgewerkt in de notitie ‘Gespreksleidraad bij de verdeling van bovengemeentelijke warmtebronnen’ in bijlage 7.
Regionale afstemming helpt bij het verkrijgen van inzicht in de beschikbaarheid van bovengemeentelijke warmtebronnen en de mogelijkheden voor de inzet van deze bronnen. De regionale samenwerking kan helpen om overheden en belanghebbenden bij elkaar te brengen voor gesprekken over de inzet van een bovengemeentelijke warmtebron. In de komende periode worden steeds meer TVW’s vastgesteld. Daarmee wordt duidelijk welke duurzame warmteopties gemeenten het meest kansrijk achten, hoe warmtekavels17 er kunnen uitzien en of koude al onderdeel uitmaakt van de TVW’s. Door ontwikkelingen zo vroeg mogelijk en regelmatig op lokaal niveau met elkaar te delen (onder andere vanuit de TVW’s), ontstaat een steeds nauwkeuriger inzicht in de warmtetransitie in onze regio. Niet in alle gemeenten of wijken komt een warmtenet dat toegang geeft tot (bovengemeentelijke) warmtebronnen. Daarom is het belangrijk om op regionaal niveau ook afspraken te maken over hernieuwbaar gas en duurzame elektriciteit als alternatieven voor aardgas in de gebouwde omgeving in de regio U16. Met de uitvoering van een thematische agenda richting de RES 2.0 wordt hier aandacht aan besteed.
Vanwege het lokale karakter van warmte zullen vooral gemeenten de regie voeren over de toekomstige warmtevoorziening. Die regierol zal aan bod komen in de lokale TVW’s. In de regio U16 willen we de lokale warmtetransitie versnellen door elkaar te versterken en van elkaar te leren. Deelnemende overheden binnen de regio zien meerwaarde in het versterken van de samenwerking en het uitwisselen van kennis en informatie rond drie thema’s: afnemer, warmtebronnen en netwerk. In de onderstaande paragrafen gaan we kort op deze thema’s in en beschrijven we wat gemeenten, waterschappen en provincie in de periode tot de RES 2.018 willen oppakken en concretiseren om een thematische agenda te vormen.