QenA IRP
Tekst van het document
Q&A Integraal Ruimtelijk Perspectief Algemeen Wat is de U10? U1o is het samenwerkingsverband van 16 gemeenten in Utrecht. Het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) is een concretisering van de contour Regionaal Economisch Programma (REP), waar de raden in 2020 mee hebben ingestemd. De regio wil zich (door)ontwikkelen tot de ontmoetingsplek van gezond leven in een stedelijke regio voor iedereen. Middels het Integraal Ruimtelijk Perspectief en Programma (REP) wordt daar concreet invulling en uitvoering aan gegeven. De zestien samenwerkende gemeenten brengen de thema’s wonen, werken, mobiliteit, groen, landschap, water en energie samen in een integrale visie het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP). Welke gemeenten zijn onderdeel van de U10? Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist. Waarom is de U10 belangrijk? Elke gemeente heeft haar eigen ambities en opgaven, maar door niet beperkt te worden door gemeentegrenzen kan er door deze samenwerking slimmer worden omgegaan met de beschikbare ruimte en middelen. Hiermee vormen de gemeenten een eenheid als regio, maar altijd met oog voor de identiteit van de verschillende gemeenten om diversiteit te behouden.
De ambities en visie van de gemeenten vormen de basis om als regio één visie te presenteren o.a. richting het Rijk, de Provincie en andere regio’s, om de belangen van de regio goed te kunnen behartigen. Hiermee bundelen en versterken we de kracht van inwoners, bedrijven, medeoverheden en andere partners. We kunnen we de uitvoering in verschillende allianties slagvaardig ter hand nemen en we hebben een basis om elkaar aan te spreken op hoe we de regio samen vormgeven Hoe wordt de gezamenlijke visie bepaald? De regionale visie komt bottom-up tot stand. Gemeenten bespreken hun wensen, behoeftes en opgaven, waarna deze worden afgewogen om tot de beste regionale visie en strategie te komen. Door te staan voor elkaars ambities en opgaven kan er in brede integrale aanpak de juiste balans worden gevonden met de beperkte ruimte die er is. Dit vraagt om goede afspraken en afwegingen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit, groen, landschap, water, energie, en gezondheid. Wat is het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP)? In het IRP geven zestien samenwerkende gemeenten uit de gemeente Utrecht aan wat de thematische en ruimtelijk programmatische opgaven zijn in de regio, welke uitgangspunten we als regio hebben en welke keuzes daarin gemaakt worden. Op deze manier ontstaat er een integrale visie en strategie.
Dit is een opstap naar een uitvoering om zo gezamenlijk de toekomst van de regio vorm te geven.
Welke status heeft het IRP? Het integraal ruimtelijk perspectief heeft op zichzelf geen wettelijke juridische status (zoals een gemeentelijk of een provinciaal omgevingsplan). De planologische verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten in de omgevingsvisies en omgevingsplannen. Het IRP vormt wel de gezamenlijke ontwikkelrichting van de 16 samenwerkende gemeenten, tot stand gekomen op basis van lokaal beleid en ambities en met regionale keuzes en integrale afwegingen. Het IRP is daarmee op haar beurt weer een belangrijke basis voor de gemeentelijke omgevingsvisies. Het IRP is geen vrijblijvende afspraak. Het IRP is een regionale visie dat richting geeft en waarin nog een aantal onzekerheden bij de uitwerking en realisatie. Het IRP moet daarom ook worden gezien als onze gezamenlijke regionale basis voor de samenwerking op inhoud en proces, waarmee we als U16 de regie kunnen houden over de samenwerking met elkaar en met rijk, provincie en andere partners. Welke status heeft het IRP in relatie tot de omgevingsvisie van de gemeente? Gemeenten zijn en blijven zelfstandig verantwoordelijk voor lokale omgevingsvisies en omgevingsplannen, het IRP biedt de context hiervoor. Omgekeerd is het IRP ook de plek waar inzicht is over de samenhang van de verschillende uitwerkingen, waar de optelsom van de afzonderlijke lokale omgevingsvisies samenkomt en waar de afstemming plaats vindt.
Gelet op het samenhangende karakter van het IRP is het zaak dat gemeenten vanuit het IRP benutten als basis en bouwsteen voor omgevingsvisies. Het IRP is van 16 gemeenten is en het kan flexibel en adaptief ingezet worden om de uitgangspunten van de visie te bewerkstelligen. Wanneer wordt het IRP behandeld in de gemeenteraden? De gemeenteraden wordt in het najaar van 2021 gevraagd om met deze visie in te stemmen. Met deze toestemming ontstaat er lokaal commitment op de integrale regionale opgave. Welke beslissingsbevoegdheid heeft de regio? Zowel de raden als de colleges dragen, gezien het fundamentele karakter van de onderwerpen van de U10-samenwerking, geen van hun bevoegdheden over aan een regionaal gremium zoals de U10. In elke gemeente is het aan het college om te borgen dat de gevraagde besluiten passen binnen de door de raad vastgestelde of opnieuw vast te stellen kaders. Daarover dient in een voorstel duidelijkheid te bestaan. Ook bieden voorstellen inzicht in eventuele spanning tussen lokale en regionale belangen. Dit betekent dus ook dat een regionaal voorstel – volgens de U10 governance - altijd wordt voorzien van een lokale toelichting. College en/of raad wegen deze eventuele belangenverschillen. We hechten aan onze filosofie dat de U10 een netwerk is van colleges met de raden als besluitvormend orgaan.
In die rol krijgen de U10 raden besluiten voorgelegd door hun eigen college. In deze rol worden raden
geïnformeerd door hun eigen college en vindt besluitvorming plaats volgens de eigen procedures. Desgewenst kan een vertegenwoordiging van de U10 worden uitgenodigd ter ondersteuning.
Groen, Landschap en Water Als Groen en landschap randvoorwaardelijk is, waarom is er dan geen investeringsplan opgenomen? In het IRP gaan we agenderend te werk en geven daarnaast een prioritering aan van mogelijke maatregelen en een indicatie van bijbehorende investeringen in groen, landschap. Doel is om goed aan te haken op provinciale programma ‘Groen groeit mee’ en in te zetten op meekoppelkansen met betrekking tot bekostiging en financiering. Er is nog geen financiële informatie t.a.v. groen opgenomen. In de volgende fase (uitvoeringsfase) worden (de principes voor) een ontwikkel- en financieringsstrategie verder uitgewerkt en scherp gemaakt in welke allianties het logisch is om dit op te pakken. Wordt er ook rekening gehouden met de klimaatcrisis en biodiversiteit? Dit is meegenomen in het IRP. Zo is klimaatadaptatie benoemd in perspectief 7: ‘in 2040 leven we in een klimaatadaptieve en waterrobuuste regio’, en komt het onderwerp ook terug in diverse redeneerlijnen (o.a. landschap, vitale kernen, werken). Daarnaast is klimaatadaptatie onderdeel van de verschillende gebiedsopgaven in hoofdstuk 3. Biodiversiteit heeft de aandacht in het IRP en wordt benoemd in opgave 1: ‘landschap, water en groen’ en redeneerlijn 1: ‘de Utrechtse trots als basis’. Natuur-inclusief bouwen beoogt een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.
Op welke manier wordt er rekening gehouden met het behouden en versterken van de agrarische sector? Het belang van de agrarische sector is een aandachtspunt en is onderdeel van de landelijke discussie over de transitie naar circulaire en bio diverse landbouw in evenwicht met het landschap en een eerlijk verdienmodel voor de agrariër. Deze aspecten staan ook beschreven in de pijlerrapporten omtrent landschap. De discussie wordt niet enkel in het IRP opgelost, maar wordt ook op provinciaal niveau gevoerd (o.a. in de gebiedscommissie Utrecht-West). De agrarische sector komt in het IRP aan bod in verschillende omschreven opgaven. Daarnaast is het onderdeel van de thematische verdiepingen voor landschap, water en groen, in de algemene gebiedsopgaven: stimuleren van transitie van reguliere landbouw naar economisch-rendabele kringlooplandbouw en de specifieke gebiedsopgave 7: agrarische groenblauw netwerk.
Mobiliteit Hoe is er rekening gehouden met de bereikbaarheid van kleinere gemeenten? De kleinere gemeenten oftewel in de vitale kernen is er geen grote groeiopgave. Het gaat vooral over het leefbaar houden van de kernen en zal daarom ook geen grote groei van de mobiliteit veroorzaken. Het dient juist om draagvlak te houden voor bijvoorbeeld ov-verbindingen. Het uitgangspunt is dat ontwikkeling niet zou moeten leiden tot een belasting van het bestaande wegennet, waardoor de
doorstroming in de spits extra belemmerd zou worden. We zetten in op goede alternatieven (fiets en OV) voor de auto o.a. door snelle verbindingen met nabij gelegen Regiopoorten. Lokaal zijn mogelijk aanpassingen van de infrastructuur nodig om verstedelijking en mobiliteit beter op elkaar af te stemmen, bijvoorbeeld door wegen om nieuwe woon- of werklocaties te leiden of infrastructuur slimmer te gebruiken. Deze aanpak willen we ook met de provincie per deelgebied verder uitwerken, ter vervanging van de huidige mobiliteitstoets. Het ontwikkelen van goede alternatieven (verbeteren van ov- en fietsverbindingen plus multimodale overstappunten) zetten we daarbij bovenaan de agenda. Om de mobiliteitsdruk te verlichten voor met name de stad Utrecht, worden parkeermaatregelen en beprijzing maatregelen voorgesteld. Deze zullen een effect hebben op gemeenten en wijken rondom de stad Utrecht. Welke invloed kan dit hebben op deze wijken en gemeenten? De schaalsprong OV is essentieel om in het stedelijk gebied en de randen daarvan (bijvoorbeeld Papendorp en de A12 zone) ook een volgende stap in de mobiliteitstransitie te zetten waarbij we autogebruik in de spits voor reizigers met een goed OV- of fietsalternatief gaan ontmoedigen. Op die manier willen we als regio bewerkstelligen dat we de huidige capaciteit van het (hoofd)wegennet ook in de toekomst toereikend is.
Daartoe zullen we niet alleen in de regio het autogebruik aan moeten pakken maar ook de landelijke stromen, voor reizigers met een goed OV- of multimodaal alternatief. Daarom is sterk inzetten op generiek mobiliteitsbeleid inclusief beprijzen en parkeermaatregelen een belangrijke hoeksteen van de beleidslijn voor mobiliteit in het IRP. De vraag over mogelijke effecten maakt onderdeel uit van vervolgonderzoek UNed. Allereerst wordt onderzocht om in het bestaand stedelijk gebied van Utrecht en op de grote werklocaties aan de Ring Utrecht (USP, Papendorp, Leidsche Rijn Centrum, Westraven) parkeren beperken en/of duurder maken; de gemeente Utrecht onderzoekt in het kader van de eigen mobiliteits- en verstedelijkingsstrategie de opties hiervoor. Het is van groot belang om, bijvoorbeeld in de beleidslijnen van U Ned, als regio aan te sluiten bij dit onderzoek omdat beperken van parkeren leidt tot uitwijkgedrag in omliggende wijken en gemeenten. Het is daarom voorstelbaar, dat ook in de omliggende gemeenten een vorm van parkeerregulering komt om parkeren voor forenzen van buiten de regio te kunnen beprijzen. Waarom wordt er aan auto(mobiliteit) weinig aandacht besteed in het IRP? De Ontwikkeling van het Wiel met Spaken biedt enorme kansen om in te zetten op een mobiliteitstransitie voor nieuwe verstedelijkingslocaties én het bestaand stedelijk gebied.
In IRP wordt automobiliteit genoemd, maar we hebben als uitgangspunt dat we de capaciteit van het wegennet niet willen vergroten. Optimalisaties rond nieuwe verstedelijkingslocaties, horen wel tot de mogelijkheden en opties zijn weergegeven in de teksten voor mobiliteit in het ontwerp IRP. Hoe zit dat met dorpen / steden die meer afhankelijk zijn van de auto? Het uitgangspunt blijft evenwel dat in de spits niet of nauwelijks meer auto’s het wegennet op rijden en dat we ook in de vitale kernen volop in zetten op spits mijden en duurzame vormen van mobiliteit, waarbij de fiets volop ruimte krijgt en de verbindingen tussen kernen en Regioknopen met uitstekende
OV-verbindingen wordt verbeterd, zowel met directe en snelle OV-lijnen als door de overstap tussen modaliteiten makkelijker te maken met multimodale hubs.
Economie Er worden regionale bedrijventerreinen genoemd in het IRP, maar er ontbreken nog potentiële locaties hiervoor? In de volgende fase werken we de opgave voor regionale bedrijventerreinen verder uit in combinatie met andere opgaven als verstedelijking, groen en energie; diverse mogelijkheden voor locaties op goed multimodaal bereikbare plekken zijn daarvoor nog in beeld.
Wonen Waarom moeten we zoveel bouwen en verstedelijken? We kiezen er als regio voor om te voorzien in de behoefte aan woningen. Alleen zo kunnen we een inclusieve regio blijven. Onze regio is zeer geliefd om te wonen en dat heeft effecten op de woningmarkt. Het tekort aan woningen is zeer groot en de betaalbaarheid staat erg onder druk. Niet bouwen voor de behoefte zou ertoe leiden dat onze regio alleen toegankelijk is voor wie dat kan betalen en dat mensen in vitale beroepen hier niet meer terecht kunnen. Het IRP stelt voor vooral te bouwen op plekken waar al veel woningen, banen, voorzieningen en ov-verbindingen in de nabijheid zijn omdat daarmee ook de hoeveelheid extra mobiliteit wordt beperkt en het landschap en bijbehorende kwaliteiten worden behouden. Worden door het IRP geen beperkingen opgelegd aan de gemeenten in het kader van woningbouw wat nodig is voor behoudt van vitale kernen? Voor gemeenten waar deze opgave speelt worden afspraken gemaakt over het bijbouwen van woningen voor de eigen vitaliteit en marktdynamiek. Het versterken van de vitale kernen zorgt ervoor dat toegang tot werk, voorzieningen en landschap overal in de regio goed georganiseerd is. Bouwen voor de eigen woningbehoefte en vitaliteit is voor iedere gemeente mogelijk.
Energie Hoe verhoudt het RES zich tot het IRP? Parallel aan de ontwikkeling van het IRP ontwikkelt de U16 samen met de provincie en de waterschappen de Regionale Energiestrategie U16. De RES is ook een pijler van het REP. Ook al is de
besluitvorming over de RES 1.0 nog niet afgerond, toch heeft ze al wel als bouwsteen gediend voor het thema Energie. Het Energiedeel van dit IRP is daarom opgesteld onder voorbehoud van besluitvorming over de RES 1.0 door de gemeenteraden. Lokale besluitvorming in aanvulling op, of afwijking van de RES verwerken we getrapt via de RES in het IRP.
Participatie Hoe zijn inwoners, bedrijven en belangenorganisaties betrokken geweest bij de totstandkoming van het Integraal Ruimtelijk Perspectief? Op regionaal niveau zijn er diverse belangenorganisaties uitgenodigd om inzichten te leveren op het IRP, dit zijn o.a. organisaties die thematisch de belangen van inwoners vertegenwoordigen. Op lokaal niveau hebben de gemeenten inwoners betrokken op thema’s die invloed hebben op de gemeente (meestal in combinatie met de participatie rondom de omgevingsvisie of ander lokaal participatietraject). Het IRP een belangrijke schakel richting de uitvoering. Hoe we verder invulling en uitwerking aan het IRP willen geven is voor de volgende fase. Ook hierbij worden inwoners, ondernemers en belangenorganisaties betrokken om samen te ambities verder te concretiseren en realiseren.
Vervolgfase Wat zijn de vervolgstappen wanneer de gemeenteraden hebben ingestemd met het IRP? De gemeenteraden worden in het najaar van 2021 gevraagd met het IRP in te stemmen. Wanneer de raden met het IRP instemmen ontstaat er lokaal commitment op de integrale regionale ruimtelijk opgave. We spreken met elkaar af dat de gemeentelijke omgevingsvisies en beleid en programma’s zullen passen binnen dit integrale perspectief voor de regio en andersom. En dat de gemeenten de ambities en doelen van het IRP helpen realiseren en elkaar daarop aanspreken. Als regio lopen we vooruit op veel andere regio’s door het hebben van een gezamenlijke integrale regionale visie. Door de samenhang met thema’s die steeds urgenter zijn op de landelijke politieke agenda is dit erg belangrijk. Investeringen van het Rijk steeds vaker in samenhang gebracht met andere opgaven, waar we in het IRP al een heldere richting aan geven. In de vervolgfase wordt het Integraal Ruimtelijk Perspectief gebruikt als context in de uitvoering en het opstellen van een integrale regionale programmering. Er moet onderzocht welke manieren van samenwerkingen (overheid, belangenorganisaties, marktpartijen en inwoners) en financiering tot stand moeten komen om de lijnen die uitgezet zijn in het IRP tot uitvoering te brengen.