OBP Het Klaphek 5 Toelichting
Tekst van het document
Doelen hierbij zijn: - het gewenste veiligheidsniveau tegen overstroming en wateroverlast is gegarandeerd; - er is sprake van een goede waterkwaliteit; - de ecohydrologische variatie binnen het plangebied is hersteld; - de bodemdaling is verminderd of zo mogelijk stopgezet; - er zijn goede gebruiksmogelijkheden van het plangebied voor verschillende maatschappelijke functies; er is voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar om dit mogelijk te maken; - de landschappelijke betekenis van water is behouden of versterkt. In de structuurvisie zijn gebied specifieke doelstellingen en maatregelen gedefinieerd. Ook staat het streefbeeld voor 2050 beschreven, gebaseerd op de volgende principes: - Vasthouden, bergen, afvoeren; - Voorkomen, scheiden of schoon maken van vuilemissies; - Vergroten zelfvoorzienendheid en duurzame inrichting; - Grondwater als ordenend principe. Het streefbeeld kan niet los worden gezien van het toekomstige grondgebruik binnen het beheer-gebied. Enerzijds vraagt het streefbeeld op een aantal plaatsen om meer ruimte voor water. Anderzijds kan het streefbeeld alleen worden bereikt indien het grondgebruik meer op de waterdoel-stellingen wordt afgestemd. Voor de drie belangrijkste functies −wonen/werken, landbouw en natuur− is daarom in kaart gebracht of en hoe deze functies passen bij een duurzaam waterbeheer.
Dit is in combinatie met het streefbeeld vertaald naar een visie op het toekomstig gewenste grondgebruik in het werkgebied. Ruimtelijke ontwikkelingen Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500m2 in stedelijk gebied en 1000m2 in landelijk gebied is een Watervergunning nodig. Planspecifiek Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is verantwoordelijk voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in het zuidelijke deel van de Provincie Utrecht en een klein deel van de Provincie Zuid-Holland. Onderhavige locatie ligt binnen het beheersgebied van dit waterschap. Het plangebied is in figuur 4.4 omkaderd. Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur.
Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie in geheel niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
29
bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van duurzaam waterbeheer. Het uitgangspunt voor de planontwikkeling is dat het gebied hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel dat de planontwikkeling geen gevolgen heeft voor het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. In onderhavig plan worden voormalig agrarische bedrijfsgebouwen sleufsilo’s en andere verhardingen geamoveerd ten behoeve van de ruimtelijke inpassing. Hierdoor zal de afstroming van het regenwater verbeteren. De Lek is een regionale watergang. De primaire waterkering langs de Lek ter plaatse van de Lage Dijk-Zuid is in de legger van het Hoogheemraadschap als zodanig aangeduid. Tevens is de Kromme IJssel een regionale watergang, waarlangs aan weerszijde een primaire waterkering is opgenomen. In/op deze waterkeringen mag in principe niet worden gebouwd noch mogen hier aanlegwerkzaamheden plaatsvinden. In de legger is verder een beschermingszone aangegeven langs betreffende waterkeringen. In deze zone gelden beperkingen met het oog op het behoud van de (waterkerende functie van de) dijk/kade.
De gehele planlocatie valt buiten genoemde beschermingszones, zie hiervoor figuur 4.5 en 4.6. Als uitvloeisel van onderhavig bestemmingsplan zal sprake zijn van een afname van afwaterend oppervlak. Voorts worden geen watergangen gedempt. Voor wat betreft het aspect waterkwaliteit zullen er uitsluitend niet uitlogende bouwmaterialen worden toegepast welke voldoen aan het Besluit bodemkwaliteit. Op deze wijze wordt diffuse verontreiniging van het oppervlaktewater voorkomen. Geconcludeerd kan worden dat er ten aanzien van het aspect water geen zaken zijn die zich verzetten tegen dit plan.
Figuur 4.4: Legger oppervlaktewater 2020 (bron HDSR)
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
30
Figuur 4.5: Legger primaire waterkeringen 2020 (bron HDSR)
Figuur 4.6: Legger regionale waterkeringen 2020 (bron HDSR)
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
31
4.3
Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Verkeer De herbestemming van een agrarisch perceel naar een woonperceel heeft geen negatieve gevolgen voor de verkeersgeneratie. Het herbestemde perceel is voorzien van twee eigen, reeds bestaande inritten. Door het wegnemen van de agrarische bestemming vervalt tevens de noodzaak van in- en uitrijdend agrarisch landbouwverkeer, hetgeen een verbetering betekent van de verkeersgeneratie. Parkeren De noodzakelijke parkeervraag kan volledig beantwoord worden op eigen terrein. Planspecifiek Dit aspect vormt derhalve geen belemmering en er is geen nader onderzoek nodig.
4.4
Ecologie Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden Deze wet omvat de onderdelen die eerder in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet waren opgenomen en dient daarbij als kapstok voor de implementatie van Europese wetgeving zoals de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming biedt de grondslag voor de aanwijzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Deze gebieden worden tezamen Natura 2000-gebieden genoemd. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebieden kunnen aantasten. Planspecifiek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Uiterwaarden Lek', bevindt zich op een afstand van circa 4,8 km ten zuidwesten van het plangebied. Overige Natura2000gebieden liggen op meer dan 6 km afstand. Sprake is van een kleinschalige herbestemming van een agrarische bestemming naar een woonbestemming, gepaard gaande met amovering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verhardingen, wat voorziet in een verbetering van landschappelijke kwaliteiten. De planwijziging heeft derhalve geen effect op dit Natura2000-gebied.
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
32
Figuur 4.7: Kaart Natura 2000 gebieden (bron Provincie Utrecht)
De Wet natuurbescherming voorziet tevens in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals een functiewijziging geldt de volgende vrijstellingsregeling: • •
een algemene vrijstelling voor algemene soorten; een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode.
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Planspecifiek Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het plangebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. In verband met het vorenstaande is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Watersnip Advies te Reeuwijk (rapportnummer 18A023, d.d. juni 2020). Hieruit kan worden geconcludeerd dat de geplande werkzaamheden die gepaard gaan met de herbestemming van het perceel, geen verstoring veroorzaken aan beschermde planten- en diersoorten. Wel geldt een algemene zorgplicht, waarbij verstoringen aan flora en fauna zo veel mogelijk dient te worden voorkomen. Er zal tijdens de onderhoudswerken aan de te behouden schuren, als voorgesteld in onderhavig rapport een rustplaats worden gecreëerd voor de Kerkuil.
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
33
4.5
Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet 2016, de opvolger van de Monumentenwet 1988, die per 1 juli 2016 is vervallen. Een deel van de Monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet (certificeringsstelsel en aanwijzing van archeologische Rijksmonumenten). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Op basis van de Erfgoedwet 2016 zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn, zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. De gemeente IJsselstein heeft het gemeentelijk archeologiebeleid opgenomen in de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. In de beleidsnota geeft de gemeente aan hoe zij invulling geeft aan haar rol van bevoegd gezag, de reikwijdte en ambities van het beleid en de uitvoering daarvan. Naast een beleidsnota is een beleidskaart opgesteld. Deze kaart bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, die tezamen de noodzakelijke informatie bevatten over hoe de gemeente bij besluitvorming over gebruik en inrichting van de ruimte omgaat met "bekende en te verwachten archeologische monumenten". Planspecifiek Het plangebied ligt in een uiterwaardengebied van de Lopikerwaard. Op de archeologische verwachtingskaart (figuur 4.8) heeft het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek moet conform gemeentelijke beleid worden uitgevoerd wanneer het plangebied groter is dan 2.500m2 en de verstoring dieper gaat dan 30 cm.
Aangezien in het plangebied geen nieuwbouw plaatsvindt en geen sprake is van hiermee gepaard gaande ontgravingen, kan worden geconcludeerd dat de herbestemming van het perceel geen verstoring veroorzaakt aan de ondergrond en vondsten van archeologische waarde zijn uitgesloten. Verder blijven kelderbakken van te amoveren bebouwingen in situ aanwezig. Funderingsresten van overige te amoveren bebouwingen zijn tot slechts maximaal 50cm diep aanwezig; deze blijven in situ aanwezig. Van aanplant van bomen is slechts beperkt sprake, strekt zich tot beperkte diepte en is slechts zeer lokaal. Verstoringen aan de ondergrond zijn zeer beperkt waardoor de kans op archeologische vondsten vrijwel nihil is.
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
34
Figuur 4.8: Uitsnede Archeologische beleidskaart IJsselstein (bron Geoloket ODRU)
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
35
4.6
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten Kabels en leidingen In de noordwestelijke hoek van het perceel ligt een buisleiding van Defensie Pijpleiding Organisatie, welke door de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ loopt en niet het bouwvlak doorkruist. Hiervoor geldt een Eisvoorzorgsmaatregel; er mogen op en direct rondom de betreffende buisleiding geen machinale grondroeringswerkzaamheden worden verricht zonder een graafmelding te doen. Daar de herbestemming van het perceel zonder grondroeringswerkzaamheden plaats vindt, is een graafmelding niet nodig en zijn beschermende maatregelen hiervoor niet aan de orde. In het plangebied liggen verder geen watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.
Figuur 4.9: Klic-melding.
Spuitzones en gevoelige functies Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
36
vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. In de omgeving van het plangebied liggen geen agrarische percelen waar fruit- en bomenteelt in planologisch opzicht zijn toegestaan. Dit aspect is daarom geen belemmering en er is geen nader onderzoek nodig.
4.7
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is relevant de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade. Planspecifiek Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Kosten gepaard gaande aan de begeleiding van de planologische procedure, kosten met betrekking tot het eventueel aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied en andere mogelijke kosten volgend uit onderhavige ontwikkeling worden verhaald op de initiatiefnemer. Een en ander wordt voorafgaande aan de vaststelling van dit bestemmingsplan middels een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer geregeld.
Middels deze anterieure overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid anderszins verzekerd en behoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden.
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
37
5
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1
Overleg Dit bestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan de overleginstanties. Er zijn vierreacties binnen gekomen van de vooroverleg partners, waarvan 2 reacties hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De reacties in het kader van de inspraak en vooroverleg worden meegenomen in de verdere procedure. De Nota van Inspraak en vooroverleg wordt als bijlage bij de toelichting toegevoegd. Vooruitlopend aan de te volgen bestemmingsplanprocedure zijn zowel direct omwonenden als meer op afstand verblijvende “buurtgenoten” geïnformeerd en gehoord over onderhavige plannen. In principe zijn allen positief over de plannen; geen van hen heeft aangegeven bezwaar hiertegen te hebben. Er kan vooralsnog vanuit worden gegaan dat tegen onderhavige plannen geen zienswijzen of bezwaren worden ingediend.
5.2
Zienswijzen Op de te volgen bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan zal het ontwerpbesluit voor zes weken ter inzage worden gelegd. Een ieder krijgt in deze periode de gelegenheid om zienswijzen in te dienen. In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen beantwoord. Tevens wordt aangegeven of de zienswijze aanleiding is dit bestemmingsplan te wijzigen.
5.3
Conclusie Het plan wordt maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Gesteld kan worden dat het plan ruimtelijk geen aanpassingen verlangt en op de beoordeelde aspecten voldoet aan de beleidsmatige en wettelijke kaders. Het plan is ambtelijk voorbesproken en gemeente heeft een positieve grondhouding tegenover de herbestemming naar een woonperceel. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bouwplan is voldoende aangetoond.
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
38
Bijlage Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Milieutechniek Rouwmaat Groenlo BV Rapportnr. MT-17198, d.d. 16 juni 2017 Bijlage 2: Asbestinventarisatierapport INVAD BV Rapportnr. 2018106, d.d. 14-03-2018 Bijlage 3: Asbestinventarisatierapport Buro Inventas Rapportnr. 20190254.V0, d.d. 03-04-2019 Bijlage 4: Wegverkeerslawaai onderzoek LBP|SIGHT BV Rapportnr. R072343aa.186PJS8.fwi, d.d. 30 mei 2018 Bijlage 5: Ecologisch onderzoek Watersnip Advies Rapportnr. 18A023, d.d. juni 2020 Bijlage 6: Advies terreininrichting ervenconsulent Ruimte voor ruimteregeling, juli 2019 Landschap Erfgoed Utrecht Bijlage 7: Nota van Inspraak, d.d. __ ______ 2021
Herbestemmen perceel Het Klaphek 5 IJsselstein
39