CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota Verbonden Partijen IJsselstein 2023

Commissie Bestuur 16 februari 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 20:10 uur Raadsvoorstel Vaststelling Nota verbonden partijen 20237.309 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota verbonden partijen 2023

1

Inhoud Nota verbonden partijen 2023 .......................................................................................................... 1 Inleiding ................................................................................................................................................. 4 1.

Aanleiding voor een nieuwe nota ............................................................................................. 5

2.

Definitie en kaders ....................................................................................................................... 5

2.1

Definitie verbonden partij .................................................................................................. 5

2.2

Kaders .................................................................................................................................... 5

Gemeentewet (Gemw) ......................................................................................................................... 5 Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) ............................................................................... 6 Burgerlijk Wetboek (BW) ................................................................................................................ 6 Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) .............................................................................. 6 Financiële verordening .................................................................................................................... 6 Democratische legitimatie .............................................................................................................. 7 3.

Uitgangspunten en afwegingskader voor samenwerking .................................................... 7

3.1

Oprichtingsfase ..................................................................................................................... 7

Afwegingskader samenwerkingsverbanden ................................................................................ 8 3.2

Uitvoeringsfase ................................................................................................................... 11

Risicoprofiel ..................................................................................................................................... 11 3.3

Evaluatiefase ....................................................................................................................... 11

Factoren heroverweging verbonden partij ................................................................................ 12 Beëindiging deelname aan verbonden partij ............................................................................ 12 Beëindiging deelname aan gemeenschappelijke regeling ..................................................... 12 Beëindiging relatie private verbonden partij ............................................................................ 12 4.

Sturing op verbonden partijen ................................................................................................ 12

4.1

Rolverdeling raad, college en ambtelijke organisatie ................................................ 12

Rol raad ............................................................................................................................................ 13 Rol college ........................................................................................................................................ 13 Rol ambtelijke organisatie ............................................................................................................ 14 Rol als eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer ............................................................... 14 4.2

Sturingsinstrumenten ....................................................................................................... 15

Sturing bij oprichting of toetreding ............................................................................................ 15 Sturing bij benoeming van vertegenwoordigers ..................................................................... 16 Sturing bij reguliere sturingsmomenten (planning en control cyclus) ............................... 16 Sturing op andere besluiten dan ontwerpbegroting ............................................................... 16 Sturing via eigen planning en control cyclus ........................................................................... 17 2

Sturing via de portefeuillehouder overleggen .......................................................................... 17 Overige sturingsinstrumenten ..................................................................................................... 17 4.3

Informatievoorziening en verantwoording ................................................................... 18

Informatie ........................................................................................................................................ 18 Verantwoording .............................................................................................................................. 19 5.

Evaluatie ...................................................................................................................................... 20

Evaluatie Nota verbonden partijen ............................................................................................. 20 Evaluatie van de verbonden partijen ......................................................................................... 20 Bijlagen: ........................................................................................................................................... 21 Bijlage 1 ........................................................................................................................................... 22 Overzicht verbonden partijen. ..................................................................................................... 22 Bijlage 2. .......................................................................................................................................... 23 Belangrijkste wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen ............................. 23

3

Inleiding Door de groei in omvang en complexiteit van taken en vraagstukken waarvoor de gemeente zich gesteld ziet, is ervoor gekozen om een deel van de taken te laten uitvoeren in samenwerking met anderen. Dit kan zijn in de vorm van een georganiseerde samenwerking (gemeenschappelijke regeling of samenwerkingsovereenkomst) , een subsidierelatie, een inkoopcontract, een deelneming aan een private partij dan wel enige andere vorm. Als de samenwerking de vorm heeft van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft, spreken we van ‘verbonden partijen’. In paragraaf 2.1 staat de definitie van verbonden partijen. De gemeente heeft op dit moment 13 verbonden partijen. In bijlage 1. staat een overzicht van die partijen. Deze nota beperkt zich tot de (formele) verbonden partijen. Doel van de samenwerking is om de belangen van IJsselstein beter te behartigen en de gemeentelijke beleidsdoelen te kunnen realiseren. Bij een aantal samenwerkingsverbanden is sprake van een wettelijke verplichting tot samenwerken. Dat betreft de Veiligheidsregio Utrecht, Omgevingsdienst regio Utrecht en de Gemeenschappelijke gezondheidsdienst regio Utrecht. Samenwerking is noodzakelijk, maar is ook een opgave. Steeds vaker moeten nut, kansen en nadelen van samenwerken worden afgewogen.

Ook leidt samenwerking tot fundamentele vragen als: welke organisatie gaat waar over, hoe vindt een zorgvuldige, maatschappelijk verantwoorde uitvoering plaats, wie legt er rekenschap af en aan wie? Dit betreft sturen, beheersen, verantwoorden en toezicht houden bij overheidstaken. Ook speelt hierbij een rol dat, hoewel de werkzaamheden buiten de gemeente zijn belegd, het de verantwoordelijkheid van de gemeente blijft dat de gemeentelijke taken in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving en de gemaakte afspraken worden uitgevoerd. In deze nota wordt beschreven hoe we om willen gaan met de verbonden partijen. De Wet gemeenschappelijke regelingen en de bevindingen van de Rekenkamer IJsselstein die zijn beschreven in het aan de raad aangeboden rapport “Grip op gemeenschappelijke regelingen” van juli 2022 zijn betrokken bij de totstandkoming van deze nota. Deze nota vervangt de Nota verbonden partijen die op 24 september 2015 door de raad is vastgesteld.

4

1. Aanleiding voor een nieuwe nota De volgende zaken geven aanleiding tot en vormen de achtergrond voor het opstellen van een nieuwe nota verbonden partijen: 1. De wenselijk geachte evaluatie en actualisatie van de huidige Nota verbonden partijen van 24 september 2015. 2. Het coalitieakkoord waarin onder meer is bepaald: Bij iedere gemeenschappelijke regeling evalueren we periodiek de toegevoegde waarde, waarbij sturing op de uitvoering van het door de gemeente beoogde beleid centraal staat. 3. De gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen die op 1 juli 2022 in werking is getreden. 4. De bevindingen van de Rekenkamer IJsselstein, beschreven in het rapport “Grip op gemeenschappelijke regelingen” van juli 2022.

2. Definitie en kaders

2.1

Definitie verbonden partij

Bij de definiëring van het begrip verbonden partijen wordt aangesloten bij het Besluit Begroting en Verantwoording (verder: BBV). Verbonden partij: Een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft. Onder bestuurlijk belang wordt in dit kader verstaan: de zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur, hetzij uit hoofde van stemrecht. Onder financieel belang wordt verstaan: Een aan de verbonden partij ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is, als de verbonden partij failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt. Er is geen sprake van een verbonden partij als er: • Wel financiële betrokkenheid is, maar geen financieel belang (o.a. subsidieverstrekking); • Uitsluitend een financieel risico is (bijvoorbeeld bij een lening of garantstelling); • Uitsluitend een bestuurlijk belang is (bijvoorbeeld een commissarispositie); • Een financieel belang is en een bestuursfunctie op persoonlijke titel; • Alleen sprake is van een benoemingsrecht of recht van voordracht. 2.2

Kaders

Gemeentewet (Gemw) Vanuit de Gemeentewet geldt de grondregel dat de gemeente de publieke taken zelf uitvoert. Op grond van de Gemeentewet (art. 160) en de Wgr is participatie in een verbonden partij mogelijk ter behartiging van een openbaar belang. De relatie tussen raad en een verbonden partij is dezelfde als die tussen raad en college. Dit betekent dat de raad 5

de kaderstellende en controlerende rol ten opzichte van de verbonden partijen heeft. Het college is verantwoordelijk voor (en door de raad aanspreekbaar op) de uitvoering door de verbonden partijen. Het college voert immers het door de raad vastgestelde beleid uit en bepaalt daarbij hoe de doelen worden gerealiseerd. Het college legt hierover verantwoording af aan de raad. De raad beoordeelt of het college deze rol goed vervult. De raad heeft daarbij ook de mogelijkheid om informatie in te winnen rechtstreeks bij de verbonden partij. Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) De Wgr richt zich op de samenwerking tussen decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen) onderling. Bij gemeenschappelijke regelingen gaat het vaak om primaire gemeentelijke taken met een uitvoerend karakter. De vrijwilligheid van de samenwerking staat daarbij voorop. De Wgr beschrijft in artikel 8 de diverse verschijningsvormen. Dit zijn van zware naar lichte vorm: een openbaar lichaam, een gemeenschappelijk orgaan, een bedrijfsvoeringorganisatie en een centrumgemeente constructie. Ook is het mogelijk om een regeling zonder meer te treffen. Dat is de meest lichte vorm van samenwerking, bijvoorbeeld in de vorm van een convenant, intentieovereenkomst of bestuursafspraken. Op 1 juli 2022 is een wijziging van de Wgr in werking getreden.

Deze wijziging heeft als voornaamste doelstelling de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken. Dit geschiedt via een versterking van de kaderstellende en controlerende rollen van de raad bij de uitvoering van taken in gemeenschappelijke regelingen. De hoofdonderwerpen van de wijzigingen zijn1: 1. Invloed bij de besluitvorming; 2. Controle-instrumenten; 3. Het functioneren van de gemeenschappelijke regeling In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de belangrijkste wijzigingen van de Wgr. Burgerlijk Wetboek (BW) Als de gemeente kiest voor samenwerking in een privaatrechtelijke vorm, zoals in een stichting, coöperatie of vennootschap, is het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) In artikel 9 BBV, lid 2 sub f is opgenomen dat de begroting van de gemeente een afzonderlijke paragraaf verbonden partijen bevat. In artikel 15 BBV is opgenomen wat er in de paragraaf opgenomen dient te zijn, zoals de visie en beleidsvoornemens ten aanzien van verbonden partijen. Financiële verordening In de Financiële verordening staan de uitgangspunten voor het financiële beleid, het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de gemeente aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle voldoet. In de verordening staan ook regels over verbonden partijen.

1 https://vng.nl/sites/default/files/2022-10/VNG-Handreiking-Wijziging-Wgr.pdf

6

Democratische legitimatie Bij het instellen van een verbonden partij is er sprake van verlengd lokaal bestuur. Dat betekent dat het uitgangspunt blijft dat er nauwe banden moeten zijn tussen de verbonden partij én de deelnemers. Het is vervolgens aan de raad en het college om daar op een passende manier invulling aan te geven en daarbij rekening te houden met de weten regelgeving en de praktische afspraken ten aanzien van informatievoorziening en aansturing.

3. Uitgangspunten en afwegingskader voor samenwerking Bij de samenwerking met verbonden partijen, wordt onderscheid gemaakt in 3 fasen: 1 De oprichtingsfase, waarin de gemeente voor de afweging staat om wel of geen verbonden partij op te richten of te gaan deelnemen aan een bestaande verbonden partij, dan wel de uitvoering van de taak aan de markt over te laten. 2 De uitvoerende fase, waarin de gemeente is toegetreden of deelneemt. In deze fase gaat het om het sturen op en het beheersen van de uitvoering van de taak door de verbonden partij. 3 De evaluatiefase van de uitvoering waarbij de samenwerking wordt heroverwogen. Er wordt dan besloten over voortzetting volgens de huidige werkwijze, voorzetting in gewijzigde vorm of het beëindigen van deelname in een verbonden partij. 3.1

Oprichtingsfase

Het aangaan van een samenwerkingsverband is een middel om maatschappelijke effecten en (beleids)doelen zo mogelijk beter te realiseren. Bij de keuze voor samenwerking gaat het om het afwegen van belangen en om een afweging van de voor- en nadelen. Belangrijk daarbij is ook het antwoord op de vraag hoeveel invloed de gemeente (nog) kan en wil uitoefenen. Soms is de keuzevrijheid beperkt, bijvoorbeeld als wordt aangesloten bij bestaande organisaties, als er sprake is van een hogere regeling of door aanwijzing van de rijksoverheid. Bij de voorbereiding van een besluit over oprichting of toetreding zijn de volgende uitgangspunten relevant: • Een publieke taak is een taak die de gemeente uitvoert voor de behartiging van een publiek of algemeen belang. • Als geen sprake is van een publiek belang laat de gemeente de taak over aan een marktpartij of het particulier initiatief. • Het aangaan van een samenwerkingsverband is een middel om maatschappelijke effecten en (beleids)doelen zo mogelijk beter te realiseren. • Een verbonden partij betreft een tijdelijk of langdurig samenwerkingsverband. Een dergelijke samenwerking kan worden aangegaan met andere gemeenten, overheden, non-profitorganisaties of private partijen. De verbonden partij is een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft.

• De beslissing tot het aangaan van een samenwerkingsverband moet passen binnen de gekozen uitgangspunten en moet het resultaat zijn van een goede beleidsmatige en financiële afweging met oog voor varianten en alternatieven. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de financiële gevolgen van uittreding uit het samenwerkingsverband. Daarnaast moeten bij de beslissing de redenen om een verbonden partij aan te gaan vermeld worden en de risico’s afgewogen zijn.

7

•

De gemeente moet soms vanuit wet- en regelgeving deelnemen aan een verbonden partij, zoals bijvoorbeeld de VRU, GGDrU en de ODRU. Daarnaast zijn er over het algemeen zes redenen om vrijwillig een verbonden partij aan te gaan: 1. Efficiencyvoordeel: bijvoorbeeld samen met andere gemeenten de kosten van een gezamenlijk ambtelijk apparaat delen. 2. Kennisvoordeel: de gemeente kan gebruik maken van gespecialiseerde kennis en expertise die ze zelf niet in huis heeft. 3. Katalysatorfunctie: de gemeente brengt samen met anderen activiteiten op gang die zonder de initiërende rol van de gemeente niet of moeilijker van de grond zouden komen. 4. Risicospreiding: het delen van (financiële) risico’s met andere partijen. 5. Continuïteit: door meer schaalgrootte te creëren, is de organisatie niet afhankelijk van de kennis van individuen. 6. Bestuurlijke kracht en effectiviteit: door samenwerking ontstaat een sterkere bestuurlijke kracht en grotere effectiviteit.

De volgende risico’s moeten in de overwegingen worden betrokken: 1. Bestuurlijke risico’s: de gemeente blijft verantwoordelijk voor het realiseren van de doelen, maar heeft minder invloed op de wijze waarop de activiteit wordt uitgevoerd. Door de afstand zijn de beïnvloedingsmogelijkheden minder direct, als in de formele verhouding tussen raad en college. 2. Financiële risico’s: financiële tekorten bij gemeenschappelijke regelingen komen ten laste van de eigenaar en daarmee bij de gemeente. Ook de financiële beheersbaarheid vormt een risico. 3. Professionele risico’s: het voldoende in huis houden van expertise om de gewenste prestatie te formuleren en de geleverde prestatie te kunnen beoordelen. 4. Rolvermengingsrisico: de gemeente als eigenaar/bestuurder heeft soms andere belangen dan de gemeente als opdrachtgever/klant. Deze dubbelrollen kunnen aanleiding geven tot discussie. Belangrijkste nadelen van het aangaan van een samenwerking met een verbonden partij zijn: • Democratische legitimiteit: informatievoorziening en beïnvloedingsmogelijkheden zijn voor het gemeentebestuur minder eenvoudig en vanzelfsprekend dan bij het zelf uitvoeren van de taken. • Governance structuur2: door deelname in een verbonden partij wil de gemeente een publiek belang dienen, maar als bestuurder/eigenaar van deze rechtspersoon moet ze ook rekening houden met de belangen van deze rechtspersoon.

Deze belangen hoeven niet parallel te lopen met de belangen van de gemeente.

Afwegingskader samenwerkingsverbanden Om handvatten te bieden voor een objectieve afweging bij het nemen van een besluit om wel of niet de samenwerking met een verbonden partij aan te gaan wordt het volgende afwegingskader gebruikt. Dit kader kan ook worden gebruikt bij het wijzigen, evalueren of beëindigen van die samenwerking.

2 Onder governance wordt verstaan: goed bestuur, beheer en toezicht van een organisatie, gericht op een efficiënte en effectieve realisatie van de doelstellingen, alsmede het daarover op een open wijze communiceren en verantwoording afleggen ten behoeve van belanghebbenden.

8

SAMENWERKEN?

1. Is sprake van een publiek belang Nee

Uitvoering taak aan de markt overlaten

Nee

Taak ‘uitbesteden’ door bijvoorbeeld subsidie, opdracht aan derden

Ja

Uitvoering taak door de gemeente zelf

Nee

Uitvoering taak door de gemeente zelf

Ja

2. Is volledige gemeentelijke betrokkenheid bij de behartiging van het publieke belang noodzakelijk en efficiënt? Ja

3. Wil en kan de gemeente de taak zelfstanding uitvoeren?

Nee

4. Zijn er voldoende voordelen om een verbonden partij aan te gaan? Ja

5. Afwegen om een samenwerkingsverband aan te gaan en bepalen wat de gewenste vorm is. Afweging op basis van uitvoeringseisen en opdrachtgeverschap. Bijvoorbeeld: wel of niet veel sturing geven en toezicht houden op de uitvoering van de taak.

Vervolgens wordt bepaald hoe en in welke vorm wordt samengewerkt. Het schema op de volgende pagina dient ter ondersteuning daarbij.

9

HOE EN IN WELKE VORM SAMENWERKEN?

1. Is een rechtspersoon wenselijk of noodzakelijk?

Nee

Ja

2. Heeft de privaatrechtelijke rechtsvorm de voorkeur (in tegenstelling tot de voorkeur van de wetgever voor een publiekrechtelijke rechtsvorm, art. 160 Gemeentewet)?

Publiekrechtelijke instrumenten: Rechtsvorm op basis van Wgr zonder rechtspersoon, Stuurgroep, convenant, platform. Privaatrechtelijke instrumenten: Maatschap, VOF, CV, privaatrechtelijk convenant.

Nee

Publiekrechtelijke rechtsvorm op basis van de Wgr met rechtspersoonlijkheid: Openbaar lichaam en bedrijfsvoeringsorganisatie.

Nee

Deelneming in een andere privaatrechtelijke organisatie (coöperatieve vereniging, stichting en vereniging).

Ja

3. Is het voor de mate van zeggenschap noodzakelijk of wenselijk om deel te nemen in het risicodragend vermogen van een privaatrechtelijke organisatie?

Ja Deelneming in een andere privaatrechtelijke kapitaalvennootschap (NV of BV).

10

3.2

Uitvoeringsfase

Het deelnemen aan verbonden partijen brengt financiële en bestuurlijke risico’s met zich mee. Hoewel het college in de meeste gevallen aan zet is bij het aangaan en onderhouden van cont(r)acten van verbonden partijen, blijft de raad altijd eindverantwoordelijk. Risicoprofiel De verbonden partijen verschillen sterk in hun financiële en bestuurlijke belangen en risico's. Daarom toetst het college jaarlijks de verbonden partijen door informatie van en over de verbonden partij te verzamelen en te verwerken. Door middel van een vragenlijst worden de risico’s van taken van verbonden partijen in beeld gebracht en op basis van 7 indicatoren wordt een risicoprofiel opgesteld. Het risicoprofiel wordt weergegeven in een zogenoemde spinnenwebgrafiek aan de hand van 8 parameters: financiën, eigenaarsbelang, governance, sturing op doelen, risicomanagement, bedrijfsvoering, opdrachtgeversbelang en beleids- en verantwoordelijkheidsbelang. Door (twee)jaarlijks het risicoprofiel per verbonden partij in beeld te brengen, wordt ervoor gezorgd dat kansen en bedreigingen bij elk van de verbonden partijen tijdig worden gesignaleerd en dat daarop adequaat wordt gereageerd. Het college stemt de aansturing en informatievoorziening af op het risicoprofiel van de verbonden partij.

Hoe groter het bestuurlijk en/of financieel risico, des te intensiever is de sturing op de verbonden partij en de informatievoorziening aan de raad. Daarmee is het profiel is een nuttig hulpmiddel om grip op de verbonden partijen te realiseren. Het risicoprofiel van de verbonden partijen met een gemiddelde of hoge risicoscore wordt in de jaarstukken opgenomen. De winst van het uitvoeren van deze risicoscan zit in het op gang brengen en houden van een samenwerkingsrelatie. Het bevordert het gesprek en de verbinding met alle betrokkenen bij verbonden partijen waaraan de gemeente deelneemt. Het is dus belangrijk om risico’s inzichtelijk en vooral bespreekbaar te maken. Het open zijn over de risico’s helpt in de samenwerkingsrelatie en levert inhoudelijk meerwaarde op. Het is een gezamenlijk beeld van de zaken waarop komende tijd gelet wordt. Het doel is om de (eventuele) risico’s die de gemeente als deelnemer loopt te beheersen door waar nodig en waar het mogelijk is bij te sturen.

3.3

Evaluatiefase

Uitgangspunt is dat een relatie voor onbepaalde tijd met een verbonden partij wordt aangegaan om een bepaald maatschappelijk doel of resultaat te bereiken. Dat betekent echter niet dat deze relatie automatisch stilzwijgend wordt voortgezet. Een relatie in een verbonden partij vergt ook een kritische blik op deze relatie. Door de actualiteit kunnen belangen veranderen, waardoor zij uiteen kunnen gaan lopen. Regelmatige evaluaties geven de raad de gelegenheid om te beoordelen of de verbonden partij nog wel het doel dient waarvoor zij is ingesteld of dat er een aanpassing moet komen. Als uit de in de vorige paragraaf beschreven jaarlijkse risicoscan zou blijken dat deelname aan een verbonden partij opnieuw moet worden overwogen, dan kan de evaluatie gestart worden.

11

Zoals eerder vermeld kan het in paragraaf 3.1 vermelde afwegingskader samenwerkingsverband ook worden gebruikt bij het evalueren van een verbonden partij. Factoren heroverweging verbonden partij Diverse factoren kunnen aanleiding vormen tot een heroverweging van de aangegane relatie met een verbonden partij. Heroverweging vindt in ieder geval plaats bij: • Een wijziging van de doelstellingen van de verbonden partij. • Een wijziging in het voortbestaan als gevolg van een fusie of integratie. • Een wijziging in de verbonden partij als gevolg van een uittreding van één van de deelnemende partijen. • Een wijziging van de doelstellingen van de gemeente, waardoor de verbonden partij niet langer bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen. Beëindiging deelname aan verbonden partij Het beëindigen van deelname aan een verbonden partij verdient een zorgvuldige voorbereiding. De beëindiging kan financiële consequenties hebben. Het college informeert de raad vroegtijdig over het voornemen tot beëindiging en de verwachte gevolgen daarvan. Beëindiging deelname aan gemeenschappelijke regeling In de gemeenschappelijke regeling zijn bepalingen opgenomen over wijziging, opheffing en uittreding. Uittreding kan financiële gevolgen hebben. Het college informeert de raad op welke wijze aan deze bepalingen wordt voldaan. In de meeste gevallen is toestemming van de raad vereist.

Het college legt een conceptvoorstel tot uittreding voor aan de raad met het verzoek tot verlenen van toestemming. De raad neemt in die gevallen een besluit tot het al dan niet verlenen van toestemming. Het college neemt vervolgens het besluit over uittreding, wijziging of opheffing van een GR. Beëindiging relatie private verbonden partij Het college beëindigt de relatie met een private verbonden partij niet eerder dan nadat de raad zijn wensen en bedenkingen kenbaar heeft gemaakt (artikel 169, vierde lid, Gemeentewet). Het college geeft de raad een termijn voor het indienen van wensen en bedenkingen. Na ontvangst van de reactie van de raad, besluit het college over het wel of niet beëindigen van de relatie.

4. Sturing op verbonden partijen

4.1

Rolverdeling raad, college en ambtelijke organisatie

Ongeacht of taken binnen de eigen organisatie of bij verbonden partijen worden belegd, blijft als uitgangspunt gelden dat (beleids)doelstellingen met minimale risico’s zo efficiënt en effectief mogelijk moeten worden gerealiseerd. Met de sturing op verbonden partijen willen we dan ook bereiken dat de verbonden partij de overeengekomen opdracht realiseert binnen de daarover afgesproken beleidsinhoudelijke en financiële kaders. Om dit mogelijk te maken dient de verbonden partij kansen en bedreigingen tijdig te signaleren en hier met behulp van adequaat risicomanagement op te sturen. Daarnaast moet de verbonden partij rechtmatig opereren, adequaat reageren

12

op nieuwe (wettelijke) ontwikkelingen en transparant zijn in de informatievoorziening. Op het moment dat blijkt dat de verbonden partij niet in staat is om het bovenstaande te realiseren, zal bijsturing vanuit de gemeente plaats moeten vinden. Dit laatste zal in overleg met andere deelnemers gebeuren aangezien de gemeente hierin niet bepalend is. De raad, het college en de ambtelijke organisatie hebben allen een eigen rol in relatie tot de verbonden partijen. Deze rollen zijn als volgt: Rol raad De raad vertegenwoordigt, stelt kaders, controleert en besluit. De raad vergaart adequate informatie en raden zoeken elkaar op. De raad investeert in samenwerkingskennis. De griffie ondersteunt de raad daarbij. • • •

•

Vertegenwoordigend: door de belangen van de inwoners, bij het uitvoeren van taken door een samenwerkingsverband, te bewaken. Kaderstellend: door vooraf de doelen van de samenwerking te benoemen, welke maatschappelijke resultaten worden verwacht, wat de kwaliteit van de geleverde diensten en/of producten moet zijn en wat de (maximale) kosten mogen zijn. Controlerend: door, via het college, te beoordelen of de verbonden partij de verbonden partij de vooraf bepaalde gemeentelijke doelen realiseert of de afgesproken taak binnen de gestelde kaders uitvoert, of het ook leidt tot het gewenste effect en of het college dit goed bewaakt en zich inspant om bij te sturen. Indien nodig geeft de raad wensen of opdrachten aan het algemeen bestuurslid mee om te bespreken in het algemeen bestuur (verder: AB). Besluitvormend: door wel of geen toestemming te geven aan een gemeenschappelijke regeling die door het college of de burgemeester wordt aangegaan. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Met de wijziging van de Wgr is een nieuwe bepaling ingevoerd. Op grond van die bepaling moet het college of de burgemeester eerst, dus voordat toestemming van de raad wordt gevraagd, het ontwerp van de regeling aan de raad zenden. De raad kan vervolgens binnen 8 weken zijn zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen.

Raadsrapporteurs Op 22 september 2016 heeft de raad het profiel en de randvoorwaarden voor het raadsrapporteurschap verbonden partijen vastgesteld en raadsrapporteurs benoemd. De raadsrapporteurs volgen namens de raad actief de ontwikkelingen voor de verbonden partijen, informeren de raad en brengen de raad waar nodig in positie. Rol college Het college faciliteert de raad en is verantwoordelijk voor de ambtelijke organisatie, die het college ondersteunt bij de beleidsvoorbereiding en –uitvoering. Het college is verantwoordelijk voor uitvoering van het gemeentelijk beleid binnen de bestuurlijke kaders zoals vastgelegd in de begroting. Indien deze uitvoering in samenwerking met een verbonden partij wordt gerealiseerd, zal het college als opdrachtgever zicht moeten houden op uitvoering, prestaties, gewenst effect, kosten en risico's. Aandachts-

13

punt hierbij is, dat het college meer op afstand staat van de uitvoering. Er is minder directe invloed, waardoor het belang van afstemming met andere deelnemers groter wordt. Het college bewaakt de continuïteit en zal waar nodig bijsturen en informeert en betrekt de raad vroegtijdig bij belangrijke besluiten of ontwikkelingen. Rol ambtelijke organisatie De ambtelijke organisatie stelt het bestuur in staat om optimaal op de verbonden partijen te sturen. Het ondersteunt het bestuur met informatieverstrekking, advisering en het onderhouden van het contact met de verbonden partij. De businesscontrollers in de organisatie dragen samen met de beleidsmedewerkers zorg voor de sturing op de verbonden partijen. De bedrijfsmatige beoordeling geschiedt door de businesscontrollers. Daarnaast ondersteunen de beleidsmedewerker en businesscontroller gezamenlijk het collegelid en de rapporteur uit de raad die verantwoordelijk zijn voor de betreffende verbonden partij. De businesscontroller toetst de bedrijfsmatige elementen (begroting, rekening, tussentijdse rapportages dienstverleningsovereenkomst, accountantsrapporten), zorgt ervoor dat er aansluiting is met de begroting en rekening van de gemeente. In een periodiek schema beoordelen de beleidsmedewerker en businesscontroller - in overleg met de concerncontroller - de kosten en uitvoeringseffectiviteit van de betreffende verbonden partijen.

Naast de bestuurlijke afstemming vindt ambtelijke afstemming met de verbonden partijen plaats over producten en diensten. Waar mogelijk gebeurt dat samen met andere betrokken gemeenten/mede-eigenaren. Daarnaast wordt ambtelijk overleg tussen deelnemende gemeenten separaat van de gemeenschappelijke regeling zelf gestimuleerd. Intern wordt vanuit de inhoud samengewerkt met de medewerkers van andere teams binnen de organisatie. Rol als eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer De bestuurlijke rollen van eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer worden onderscheiden: de rol van eigenaar en van bestuurlijk opdrachtgever berust bij het college; de rol van opdrachtnemer berust bij het bestuur van de verbonden partij. Het college verdeelt intern de rollen (portefeuilles) en stuurt vanuit de rollen. Ondanks de rollenscheiding bestuurt en beslist het college collegiaal. In de eigenaarsrol beslist het college (de raad bij raads- en gemengde gemeenschappelijke regelingen) na toestemming van de raad, over de oprichting, de missie, de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de verbonden partij. De gemeente is (mede) eigenaar van de verbonden partij en draagt bestuurlijke verantwoordelijkheid (collegelid heeft zitting in het bestuur).

De eigenaarsrol richt zich naast het inhoudelijk doel van de verbonden partij vooral op de lange-termijn-visie, continuïteit en levensvatbaarheid van de (samenwerking)organisatie en goed werkgeverschap.

14

In de rol van klant/opdrachtgever neemt de gemeente producten en diensten af van de verbonden partij. In deze rol streeft de gemeente in het algemeen naar een zo goed mogelijk product tegen een zo laag mogelijke prijs (beleidsmatige aansturing). Daarnaast kunnen er andere doelen geformuleerd worden, zoals duurzaamheidsdoelstellingen en maatschappelijke doelen. Tussen de rollen eigenaar- en opdrachtgeverschap en de belangen die daarmee samenhangen kan een spanningsveld ontstaan. Het belang van de opdrachtgever (bijvoorbeeld dienstverlening tegen een zo laag mogelijk tarief) kan bijvoorbeeld botsen met het belang de eigenaar van de organisatie (bijvoorbeeld goed werkgeverschap en continuïteit van de organisatie). In dat geval moet een afweging worden gemaakt welke rol prevaleert boven de andere. Spanning kan ook ontstaan als de klant niet tevreden is over het nakomen van afspraken en/of de kwaliteit van de geleverde producten. Opgemerkt wordt dat artikel 169 van de Gemeentewet bepaalt dat leden van het college tezamen en ieder afzonderlijk aan de raad verantwoording verschuldigd zijn voor het door het college gevoerde bestuur. Hierdoor is elk collegelid formeel aan te merken als opdrachtgever. Er is voor de informatieplicht van het college richting de raad dan ook geen verschil tussen taken die belegd zijn binnen de eigen organisatie of die van een verbonden partij.

4.2

Sturingsinstrumenten

Er zijn verschillende soorten instrumenten voor sturing en controle en verschillende momenten waarop deze (direct of indirect) kunnen of moeten worden ingezet. De keuze (of verplichting) is mede afhankelijk van de rol van het betreffende bestuursorgaan. Sturing bij oprichting of toetreding Het treffen van een nieuwe gemeenschappelijke regeling is bij uitstek het moment waarop de raad zijn opvatting kan geven over de overdracht c.q. uitvoering van gemeentelijke taken aan een bestuur dat op afstand staat van het lokale bestuur. De raad heeft een sturende positie bij het treffen van een regeling door zijn recht een zienswijze naar voren te brengen bij een ontwerpregeling van de burgemeesters of het college. Nadat de raad eventuele zienswijzen heeft ingediend, neemt het college/de burgemeester een voorlopig besluit over de ontwerpregeling, en vraagt vervolgens de toestemming aan de raad voor het aangaan of wijzigen van de regeling. Door de zienswijzemogelijkheid en de vereiste toestemming kan de raad invulling geven aan zijn verantwoordelijkheid.

In het kader van die verantwoordelijkheid wordt de raad bij het oprichten van of toetreden tot een verbonden partij informatie verstrekt over de wijze van aansturing van de verbonden partij (invloed, zeggenschap), de bestuurlijke vertegenwoordiging, de (meerjarige) financiële gevolgen van deelname in relatie tot gevraagde prestaties, de evaluatiemomenten, de beëindigingsregeling, de risico’s (en in geval van privaatrechtelijke partij motivering van keuze), de waarborgen van openbaarheid en democratische controle en duidelijke afspraken over inhoud en tijdstip van informatievoorziening.

15

Sturing bij benoeming van vertegenwoordigers Om nieuwe bestuurlijk vertegenwoordigers in de besturen van de verbonden partij snel wegwijs te maken is het van belang na de verkiezingen steeds een overdrachtsdocument op te stellen. In dat document staat informatie over de verbonden partij, de ontwikkelingen en vraagstukken en hoe de vertegenwoordigers hier tot dan toe in optraden.

Sturing bij reguliere sturingsmomenten (planning en control cyclus) Voor de publiekrechtelijke verbonden partijen is in de Wgr vastgelegd dat zij binnen de in de Wgr gestelde termijnen de algemene financiële en beleidsmatige kaders, de voorlopige jaarrekening en de ontwerpbegroting aan de raden van de deelnemende gemeenten moeten zenden. De raad kan bij het dagelijks bestuur (verder: DB) van de verbonden partij zijn zienswijze over de kaders en financiële stukken naar voren brengen. Het DB voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het AB wordt aangeboden. Dit instrument krijgt pas echt kracht wanneer de raad afstemt over de zienswijzen met andere vertegenwoordigende organen die bij de samenwerking zijn betrokken. In geval van privaatrechtelijke samenwerking is sturing mogelijk in speciaal daarvoor belegde vergaderingen. Sturing op andere besluiten dan ontwerpbegroting Met de laatste wijziging van de Wgr is een nieuw instrument ingevoegd in de wet. De wet biedt de raden nu de mogelijkheid zienswijzen in te dienen op andere besluiten dan de ontwerpbegroting. In de gemeenschappelijke regeling moet daarvoor wel worden vastgelegd over welke besluiten van het bestuur van de verbonden partij de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit.

Door het instrument van de zienswijze vroegtijdig in de beleidscyclus in te zetten, worden de raden in staat gesteld om over de voorstellen te beraadslagen en hun inzichten mee te geven voordat er een definitief voorstel komt. Daarmee wordt ook inzichtelijk waar lokale wensen zitten, zodat de uitvoerbaarheid daarvan ook getoetst kan worden door het samenwerkingsverband. De zienswijze speelt vooral bij oordeelsvorming binnen de raad en moet nog niet als besluitvorming van de raad worden gezien. Bij de vergadering waarin over de zienswijzen wordt gesproken, kan ook inspraak worden geregeld. Dit zodat ook burgerparticipatie mogelijk blijft en het democratische gehalte van beleidskeuzes kan worden vergroot. De zienswijzeprocedure is dus het best geschikt ten tijde van de fase van planvorming, nog voordat tot besluitvorming wordt overgegaan. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan sturing op de beleidscyclus in plaats van sturing op de financiële en bedrijfsmatige kant 3.

3

https://vng.nl/sites/default/files/2022-10/VNG-Handreiking-Wijziging-Wgr.pdf

16

Sturing via eigen planning en control cyclus De gemeentelijke begroting bevat de beleidsinhoudelijke ambities en financiële kaders voor de samenwerking met verbonden partijen. De raad kan met zijn budgetrecht besluiten te intensiveren of te extensiveren op de beleidsgebieden waarop de verbonden partijen actief zijn. In de paragraaf Verbonden partijen in de gemeentelijke begroting en jaarstukken wordt hiervoor per verbonden partij onder meer ingegaan op de openbare, bestuurlijke en financiële belangen die worden gediend. Ook wordt daarin aandacht besteed aan ontwikkelingen en risico's. De paragraaf geeft informatie op basis waarvan de raad de AB leden om meer informatie kan vragen of ter verantwoording kan roepen. Sturing via de portefeuillehouder overleggen De besluitvorming in DB en AB van een gemeenschappelijke regeling wordt in de portefeuillehoudersoverleggen voorbereid. Het is de plek voor politiek/bestuurlijke voorbereiding en afstemming. Al bij de start van een onderwerp bepaalt de portefeuillehouder of en op welke momenten college en raad betrokken moeten worden. College en raad geven in een vroeg stadium aan betrokken te willen worden bij majeure onderwerpen. Overige sturingsinstrumenten •

•

•

•

•

•

•

Moties: als de raad niet zelf bevoegd is, kan hij via moties en politieke druk proberen het college gebruik te laten maken van zijn bevoegdheden tot ingrijpen bij het samenwerkingsverband. Verordende bevoegdheid: de raad maakt alle verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht. Hij kan daarbij beleidsmatige en inhoudelijke keuzes vastleggen die bindend zijn voor het college en daarmee ook voor een eventueel samenwerkingsverband (tenzij verordende bevoegdheid is overgedragen). Beleidsregels: de raad kan beleidsregels vaststellen over bevoegdheden die hij aan een samenwerkingsverband heeft overgedragen (gedelegeerd). Dat staat in artikel 10:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook het college kan dat over door hem overgedragen bevoegdheden. Als bevoegdheden niet worden gedelegeerd maar gemandateerd kan de mandaatgever algemene en concrete instructies geven. De beleidsregels zijn bindend voor het samenwerkingsverband. Mocht het college verantwoordelijk zijn, dan kan de raad via moties verzoeken dat het college deze instructies geeft. Ontslagrecht ten aanzien van lid AB: een lid van het AB kan door de raad (bij een raadsregeling of gemengde regeling) of door het college (collegeregeling) ontslagen worden als hij niet langer het vertrouwen bezit van dat orgaan.

Dan kan hij niet meer de gemeente in het samenwerkingsverband vertegenwoordigen, maar wel in zijn huidige functie (bijvoorbeeld wethouder of raadslid) blijven; Ontslagrecht ten aanzien van de wethouder: een wethouder kan worden ontslagen als hij niet langer het vertrouwen geniet in het functioneren als wethouder. Dan kan hij ook niet meer de gemeente in een samenwerkingsverband vertegenwoordigen. Voor de burgemeester geldt dit niet; Afstemming tussen raden onderling: Afstemming tussen fracties, afstemming tussen partijgenoten vanuit deelnemende gemeenten. Bijvoorbeeld tijdens regionale informatieavonden. Wijziging van de gemeenschappelijke regeling: als blijkt dat de kaders in de GR zelf niet toereikend zijn, kan de GR gewijzigd worden. Hiervoor is echter, net als bij het treffen van de GR, wel besluitvorming van een meerderheid van de deelnemers inclusief eventuele toestemming door vertegenwoordigende organen nodig; 17

•

4.3

Uittreden uit gemeenschappelijke regeling (of evt. opheffing): de ultieme consequentie van democratische legitimiteit, het gemeentebestuur treedt uit het samenwerkingsverband. Informatievoorziening en verantwoording

Voldoende inzicht in de verbonden partijen, door beleidsmatige, inhoudelijke en financieel adequate informatie, is een essentiële voorwaarde om te kunnen sturen. Informatie Voor publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden geldt op grond van de Wgr een actieve en een passieve informatie- en verantwoordingsplicht tegenover het college en de raad. Gemeenten mogen verwachten dat zij door een samenwerkingsverband actief worden geïnformeerd over belangrijke ontwikkelingen die van invloed zijn op het beleid en/of de financiële positie. Zowel het AB als het DB heeft een informatieplicht aan alle colleges en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten. De bestuurlijk vertegenwoordigers van de gemeente dringen er binnen het bestuur van de gemeenschappelijke regeling op aan, dat in de informatie aan de raad maatschappelijke prestaties, kwaliteit van dienstverlening en politieke keuzes centraal komen te staan. Bij privaatrechtelijke samenwerking is de informatie- en verantwoordingsplicht afhankelijk van het soort samenwerkingsverband. Bij vennootschappen, stichtingen en verenigingen is het bestuur neergelegd bij één of meer statutaire bestuurders. Bevoegdheden zijn vastgelegd in statuten of in de oprichtingsakte. Het toezicht is ondergebracht bij een Raad van Commissarissen, een Raad van Toezicht of een Vergadering van Aandeelhouders.

De gemeentelijke vertegenwoordiger moet verantwoording afleggen, zowel aan de eigen bestuursorganen (college, raad) als aan de toezichthouder van de betreffende private rechtspersoon. Het college informeert de raad actief over de verbonden partij. Dit betreft informatievoorziening in de breedste zin van het woord. In overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer zal het college de raad nadrukkelijk informeren over: • De maatschappelijke prestaties. • De kwaliteit van dienstverlening. • De politieke-bestuurlijke keuzes. Het college kan de informatie door middel van een raadsinformatiebrief met de raad delen of tijdens een raadscommissie- of raadsvergadering. Zo is de terugkoppeling verbonden partijen een vast punt op de agenda van de raadscommissies. Dat biedt commissieleden de mogelijkheid om informatie over de verbonden partijen uit te wisselen met de verantwoordelijke portefeuillehouders en / of de betrokken raadsrapporteurs. Daarmee blijft dat onderwerp onder de aandacht. De raad heeft een aantal andere instrumenten om te zorgen voor een adequate informatievoorziening door en over de publiekrechtelijke verbonden partijen: • Kadernota verbonden partij: Het DB van een gemeenschappelijke regeling moet jaarlijks een kadernota aan de raad sturen, waarin de beleidsmatige en financiële kaders voor het jaar erna worden geschetst. 18

•

•

•

Voorlopig jaarverslag verbonden partij: de jaarrekening van een verbonden partij maakt inzichtelijk wat er het afgelopen jaar is gebeurd bij het samenwerkingsverband. Voor 30 april moet een voorlopige jaarrekening worden toegestuurd naar de raden. Ontwerpbegroting verbonden partij: Het DB van een verbonden partij moet de ontwerpbegroting aan de raden sturen, en de raden de gelegenheid bieden hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. alvorens deze wordt vastgesteld. Dat geldt ook voor wijzigingen van de begroting. Jaarverslag en begroting gemeente: Zoals vermeld kent de begroting en het jaarverslag van de gemeente een paragraaf verbonden partijen. Daarin legt het college verantwoording af over het reilen en zeilen van de verbonden partijen en in hoeverre de door de raad in de begroting meegegeven kaders zijn uitgevoerd.

Naast deze structurele informatievoorziening, kan de raad behoefte hebben aan incidentele of tussentijdse informatie. De raad heeft daarvoor de volgende instrumenten: • Informatierecht ten aanzien van het college: de raad kan het college alle gewenste informatie vragen over door het college gevoerd bestuur. Dit geldt ook voor wat door of namens het college wordt besloten. Op stukken die door het college aan de raad worden voorgelegd over het samenwerkingsverband kan geheimhouding worden gelegd door het college. • Informatierecht ten aanzien van eigen lid: een lid van het AB moet de raad alle inlichtingen geven die door een of meer leden van de raad gevraagd worden. • Informatierecht ten aanzien van het bestuur verbonden partij: het bestuur van een publiekrechtelijke verbonden partij (zowel het AB, DB als de voorzitter) moet de raad alle door een of meer raadsleden gevraagde inlichtingen verschaffen. Het AB kan ook besloten vergaderen en over die stukken geheimhouding opleggen. Als het AB door de raad overgedragen bevoegdheden uitoefent, kan de raad daarover inlichtingen vragen (art. 10:16, tweede lid, Awb); • Rekenkamer: de raad kan de Rekenkamer verzoeken onderzoek te doen naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van een verbonden partij.

• Onderzoekscommissie: de raad kan een onderzoekscommissie instellen die onderzoek doet naar het handelen van het college of een van zijn leden binnen een samenwerkingsverband. De onderzoekscommissie mag geen onderzoek mag doen naar verbonden partij als zodanig. • Gemeenschappelijke onderzoekscommissie4: De raad kan tezamen met de raden van de andere deelnemende gemeenten aan een gemeenschappelijke regeling besluiten tot het instellen van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie. Die commissie kan een onderzoek instellen naar het door de verbonden partij gevoerde bestuur. Verantwoording Bij raads- en gemengde regelingen 5 waaraan raden deelnemen heeft de raad twee mogelijkheden om personen of organen ter verantwoording te roepen: • Verantwoording vragen aan lid AB: de raad kan dit lid ter verantwoording roepen over datgeen dit lid zelf heeft gedaan in het betreffende orgaan. • Verantwoording vragen aan college(leden): de raad kan ook het college ter verantwoording roepen over de wijze waarop gedelegeerde of gemandateerde collegebevoegdheden zijn uitgeoefend en de wijze waarop het college hierop toezicht heeft gehouden.

Artikel 155g Gemeentewet IJsselstein kent geen raadsregelingen (door de raad aangegaan) en 2 gemengde regelingen (door raad en college aangegaan) te weten: GR Recreatieschap Stichtse Groenlanden en GR Werk en Inkomen Lekstroom. De overige regelingen zijn collegeregelingen (door college aangegaan). 4 5

19

Ten aanzien van collegeregelingen heeft de raad eveneens twee opties: • Verantwoording vragen aan college(leden): het college is volledig verantwoordelijk voor de participatie in de GR. Het college is aanspreekbaar op de wijze waarop het stuurt op de GR en voor de wijze waarop het lid van het AB, van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of van het gemeenschappelijk orgaan heeft gehandeld. Het college is niet verantwoordelijk voor hetgeen het AB, DB en de voorzitter van de verbonden partij hebben gedaan. • Verantwoording vragen lid AB: de raad kan dit lid ter verantwoording roepen over datgeen dit lid zelf heeft gedaan in het desbetreffende orgaan. Dit doorkruist wel de collegiale verantwoordelijkheid van het college, als het college niet eerst zelf een standpunt heeft kunnen bepalen.

5. Evaluatie

Evaluatie Nota verbonden partijen De vorige nota verbonden partijen is in 2015 vastgesteld. Sindsdien zijn er veel (externe) ontwikkelingen geweest die maken dat die nota moest worden herzien. Ontwikkelingen zullen zich ook blijven voordoen in het landschap van de samenwerking met andere partijen. Daarom is het van belang deze nota bij aanvang van elke nieuwe raadsperiode (kort) te evalueren en zo nodig bij te stellen. Evaluatie van de verbonden partijen Zoals in paragraaf 3.3. vermeld, zijn er diverse factoren die aanleiding kunnen geven de samenwerking in een verbonden partij te heroverwegen. Om die reden worden de verbonden partijen ten minste één keer per raadsperiode geëvalueerd. Daarbij wordt zoveel als mogelijk afgestemd met de betrokken verbonden partij en de overige deelnemers

20

Bijlagen: 1. Overzicht verbonden partijen 2. Belangrijkste wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen

21

Bijlage 1

Overzicht verbonden partijen. Gemeenschappelijke regelingen • • • • • • • • •

Afvalverwijdering Utrecht Belastingsamenwerking Rivierenlanden GGD regio Utrecht Omgevingsdienst regio Utrecht Recreatieschap Stichtse Rijnlanden Regionaal Historisch Centrum Rijnstreek en Lopikerwaard Reinigingsbedrijf Midden Nederland Veiligheidsregio Utrecht Werk en Inkomen Lekstroom

Coöperaties en vennootschappen • •

Bank Nederlandse Gemeenten Vitens NV

Stichtingen en verenigingen • • •

Stichting Inkoopbureau Midden Nederland Stichting Robijn Stichting WerkwIJSS

22

Bijlage 2. Belangrijkste wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen6 Wijzigingen in de wet Sommige wijzigingen zijn vanaf 1 juli 2022 van kracht. Voor andere wijzigingen geldt een overgangstermijn van 2 jaar, dus tot 1 juli 2024. Op die datum moeten alle gemeenschappelijke regelingen aan de wet zijn aangepast. De wijzigingen gaan over drie hoofdonderwerpen: 1. Invloed bij de besluitvorming 2. Controle-instrumenten 3. Het functioneren van de gemeenschappelijke regeling 1.

Invloed bij de besluitvorming

Op dit moment heeft de raad al de volgende wettelijke instrumenten om invloed uit te oefenen bij de besluitvorming: • Het al dan niet verlenen van toestemming voor het aangaan van, wijzigen van of uittreden uit een regeling. Die toestemming kan alleen worden onthouden bij strijd met de wet of het algemeen belang (artikel 1, tweede en derde lid, Wgr). • Het indienen van zienswijzen op financiële stukken (artikelen 34 tot en met 35 Wgr). • Het geven van instructies aan en vragen om verantwoording aan de gemeentelijke vertegenwoordigers in het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling (op basis van de Gemeentewet). Per 1 juli 2022 komt daar bij: • De mogelijkheid van indienen van zienswijzen op een ontwerpregeling. Uiterlijk 1 juli 2024 komt daar bij de mogelijkheid voor: • Het indienen van zienswijzen op bepaalde, niet-financiële, stukken van de gemeenschappelijke regeling. Dit moet dan een plek krijgen in de gemeenschappelijke regeling. De bestuurlijke keuze kan ook zijn om die mogelijkheid niet te benutten. • Het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie voor het algemeen bestuur, bestaande uit raadsleden van de deelnemers. Dit is vergelijkbaar met een raadscommissie. Of die mogelijkheid wordt benut, is een bestuurlijke keuze. • Het opnemen van regels voor burgerparticipatie voor besluiten van de gemeenschappelijke regeling.

Ook hier is er weer een bestuurlijke keuze om dat wel/niet te doen. • Het vormgeven van regels voor het invullen van de actieve informatieplicht door het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. De inhoud van de regels is een keuze, niet de regel zelf.

6

Zie ook de raadsinformatiebrief van 27 juni 2022

23

2.

Controle-instrumenten

Per 1 juli 2022: • De gezamenlijke gemeenteraden krijgen de mogelijkheid om een gezamenlijke onderzoekscommissie in te stellen die onderzoek doet naar het gevoerde bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Die mogelijkheid geldt niet voor regelingen waar de raad zelf deelnemer van is. • Verduidelijking dat de gemeentelijke rekenkamers ook bevoegd zijn om onderzoek te doen naar het gevoerde bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 3.

Het functioneren van de gemeenschappelijke regeling

Per 1 juli 2022: • De termijnen voor indiening van de kadernota, de ontwerpbegroting en de begroting worden aangepast, zodat ze beter aansluiten bij de begrotingscyclus van de gemeente. De deadline voor indienen van de begroting door de gemeenschappelijke regeling verschuift van 1 augustus naar 15 september. Van de kaders en de jaarrekening van 15 april naar 30 april en van de ontwerpbegroting van 8 weken naar 12 weken voordat die aan het bestuur wordt aangeboden/vastgesteld. De raden krijgen zo ook meer tijd voor het indienen van zienswijzen op de financiële stukken. Uiterlijk 1 juli 2024: • Afspraken over een mogelijke evaluatie van de gemeenschappelijke regeling. Of en hoe is een bestuurlijke keuze. • Er moeten in de regeling afspraken worden gemaakt over de gevolgen van uittreding. Dat mag niet meer aan het algemeen bestuur worden overgelaten, zoals nu vaak het geval is.

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12446395/2