CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota Bodembeheer IJsselstein, mei 2021

Commissie Ruimte 22 juni 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 20:50 uur Raadvoorstel Nota Bodembeheer35.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

45

Bodemkwaliteit in deze zone Tabel 21: Aanduiding heersende bodemkwaliteit in deze zone

Naam

Bodemkwaliteitsklasse bovengrond (0-0,5 m-mv)

Bodemkwaliteitsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

Niet gezoneerd

onbekend

onbekend

De gemiddelde bodemkwaliteit van dit gebied is niet bekend. Dit betekent dat er voorafgaand aan het graven in deze zone altijd een bodemonderzoeken of een partijkeuring nodig is om de kwaliteitsklasse van de vrijkomende grond vast te kunnen stellen om daarmee de toepassingsmogelijkheden te kunnen bepalen.

Kwaliteitseisen voor toe te passen grond in deze zone Grond afkomstig uit het “Bodembeheergebied IJsselstein”: De gemeente IJsselstein kiest ervoor om door het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid voor grond die afkomstig is uit het “Bodembeheergebied IJsselstein”, het toepassen van klasse Wonen-grond, zowel in de boven- als in de ondergrond van deze zone mogelijk te maken door af te zien van de verplichting om de ontvangende bodem te onderzoeken. Zie par. 5.2 voor een overzicht van gemeenten die binnen dit bodembeheergebied vallen. Voorwaarde is dat de toe te passen grond voldoet aan de niet zone-gerelateerde Gebiedsspecifieke eisen die in paragraaf 5.4. beschreven zijn. De Gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn de onderstaande tabel visueel gemaakt. Tabel 22: Gebiedsspecifieke toepassingseisen voor deze zone

Naam

Gebiedsspecifieke toepassingseis bovengrond (0-0,5 m-mv)

Gebiedsspecifieke toepassingseis ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

Niet gezoneerd

Klasse Wonen-grond (LMW) *)

Klasse Wonen-grond (LMW) *)

*)

de toepassingseis is gebaseerd op de bodemfunctieklasse van de zone

Grond afkomstig van buiten het “Bodembeheergebied IJsselstein”: Grond die afkomstig is van buiten het “Bodembeheergebied IJsselstein” moet voldoen aan de toepassingseis uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. De geldende toepassingseis wordt in dit geval bepaald door de uitkomst van de dubbele toets (functie en kwaliteit ontvangende bodem). Voor de functie wordt uitgegaan van Wonen. Het toepassen van klasse L/N-grond is toegestaan zonder dat er een toets uitgevoerd wordt. Tabel 23: Generieke toepassingseisen voor deze zone

Naam

Generieke toepassingseis bovengrond (0-0,5 m-mv)

Generieke toepassingseis ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

Niet gezoneerd

Onbekend *)

Onbekend *)

*)

de toepassingseis moet blijken uit de uitkomst van de dubbele toets

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

46

6.

Handvat grondverzet

6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van de verschillende kaartlagen die voor het reguleren van het grondverzet nodig zijn en op de aspecten die komen kijken bij het ontgraven en hergebruiken/toepassen van grond en bagger. Tevens zijn enkele aandachtspunten benoemd die in de praktijk van het grondverzet van belang zijn. Dit hoofdstuk dient in samenhang gelezen en gebruikt te worden met de hoofdstukken 4 en 5.

6.2

Erkende bewijsmiddelen

Het belangrijkste bewijsmiddel bij grondverzet is de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente. In het rapport “Bodemkwaliteitskaart gemeente IJsselstein”, (Marmos Bodemmanagement, kenmerk P19-12, d.d. 29 januari 2021), is beschreven hoe de bodemkwaliteitskaart tot stand gekomen is. In de praktijk van het grondverzet worden vooral de Ontgravingskaart en de Toepassingskaart gebruikt (zie resp. par. 4.3 en 4.4 voor een beschrijving van deze kaartlagen). De Ontgravingskaarten en de Toepassingskaarten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze Nota. Naast de bodemkwaliteitskaart zijn de volgende bewijsmiddelen in het Besluit bodemkwaliteit aangeduid als milieuhygiënische verklaringen en daarmee een erkend bewijsmiddel voor het toepassen van grond: • Partijkeuring uitgevoerd volgens de geldende regels en richtlijnen • Erkende kwaliteitsverklaring • Fabrikant-eigen-verklaring • Bodemonderzoek dat uitgevoerd is volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 die een monstername-intensiteit heeft die vergelijkbaar is met die van een partijkeuring); • Waterbodemonderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5720; • (Water)bodemkwaliteitskaarten, mits deze aan de eisen uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit voldoen. In paragraaf 6.3 is een Stappenschema voor het grondverzet opgenomen. Het grondverzet start bij het ontgraven van een partij grond.

Voor elke in de gemeente IJsselstein onderscheiden bodemkwaliteitszone (dit zijn er 4 in totaal), is op de Ontgravingskaart de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit weergegeven op relatief onbelaste locaties. Zie voor een nadere toelichting hierop de beschrijving in par. 4.3. Op de Toepassingskaart wordt voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone aangegeven aan welke kwaliteitseis de grond moet voldoen die in de betreffende zone toegepast wordt. Voor een aantal zones/toepassingen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld door de gemeente. In dat geval gelden de Gebiedsspecifieke eisen in plaats van (of zijn aanvullend op) de Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit. Zie voor een nadere toelichting hierop de beschrijving in par. 4.4. In de praktijk van het grondverzet worden eigenlijk alleen de Ontgravingskaart en de Toepassingskaart gebruikt. Zie verder par. 6.3 (Stappenschema grondverzet).

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

47

6.3

Stappenschema grondverzet

In het traject van ontgraven en definitief toepassen van de grond? dienen de nodige stappen doorlopen en vragen beantwoord te worden. De volgende stappen zijn te onderscheiden: Stap 1:

Zijn de ontgravingslocatie en de ontvangende bodem op de toepassingslocatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging?

Stap 2:

Wat is de (verwachte) kwaliteit van de ontgraven grond? Zie par. 5.5.

Stap 3:

Wat is de toepassingseis van de ontvangende bodem op de toepassingslocatie (zie par. 5.5) en zijn er voor de beoogde toepassing Gebiedspecifieke beleidsregels vastgesteld (zie par. 5.4). Dezelfde toepassingseis geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.4.10).

Stap 4:

Is er sprake van bijzondere omstandigheden (zie hoofdstuk 7).

Stap 5:

Geldt er een meldingsplicht voor de voorgenomen ontgraving en/of toepassing. Zie par. 8.2.3.

Hieronder zijn de onderscheiden stappen toegelicht.

Stap 1: Is de ontgravingslocatie onverdacht? Voorafgaand aan een ontgraving dient een (historisch) vooronderzoek uitgevoerd te worden, zodat zo goed mogelijk van te voren ingeschat kan worden wat men kan verwachten qua kwaliteit van de grond, hoeveelheid bodemvreemd materiaal, asbestverdachtheid enz. Voor ontgravingen waarbij de bodemkwaliteitskaart (BKK) als bewijsmiddel wordt gebruikt voor het elders toepassen van de vrijkomende grond in het bodembeheergebied, kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (puntbronnencheck). De resultaten van de puntbronnencheck moeten bij de melding Besluit bodemkwaliteit gevoegd worden (zie stap 5: Melden). Als aangetoond kan worden dat de locatie waar de grond vrijgekomen komt onverdacht is, dan kan de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van de vrijkomende grond gebruikt worden. Als dit niet aangetoond kan worden, zal eerst onderzoek uitgevoerd moeten worden om verontreinigingen die een belemmeringen kunnen vormen voor de beoogde toepassing, uit te kunnen sluiten. Hoe het (historisch) onderzoek eruit moet zien en welke eisen gesteld worden aan het uitvoeren van een bodemonderzoek kun je vinden in par. 8.2.2.

PFAS (verdachtheid) Specifiek voor PFAS verdachte locaties zijn: • Brandweer(oefen)locaties; • Locaties waar grote (chemische) branden hebben plaatsgevonden; • Vliegvelden; • Militaire (oefen)locaties; • Terreinen van BRZO-bedrijven; • Galvanische bedrijven; • Bedrijven die werken met blusschuim; • Terreinen met bekende bodemverontreiniging met PFAS; • (Voormalige) stortplaatsen; • RWZI’s/AWZI’s (slibvelden). Er is helaas (nog) geen kaart beschikbaar waarop alle verdachte locaties zijn aangegeven.

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

48

Stap 2: Wat is de verwachte kwaliteit van de te ontgraven grond? De te verwachten kwaliteit van de te ontgraven grond is aangegeven op de Ontgravingskaarten van de boven- en ondergrond. Voor het opstellen van de Ontgravingskaart zijn alleen bodemgegevens gebruikt van onverdachte locaties. De Ontgravingskaarten geven dan ook een verwachte algemene zone-kwaliteit aan. De bodemkwaliteitskaart kan daarom alleen als bewijsmiddel voor het toepassen van grond gebruikt worden als de grond aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte locatie. In tabel 5 van paragraaf 4.2, is de verwachte grondkwaliteit per zone weergegeven. De Ontgravingskaarten van de boven- en ondergrond zijn resp. opgenomen in bijlage 4B en 4C van deze Nota. PFAS (ontgravingskwaliteit) Voor PFAS dient de Ontgravingskaart PFAS van de provincie Utrecht geraadpleegd te worden (zie bijlage 4). IJsselstein is daarop ingedeeld in: • Zone PFAS B2 (voor de bovengrond 0 – 0,5 m -mv); • Zone PFAS O2 (voor de ondergrond 0,5 – 2 m -mv). De ontgravingskwaliteit voor PFAS in de gemeente IJsselstein, voor resp. de boven- en de ondergrond, is aangegeven in de onderstaande tabellen. Van deze getallen mag men uitgaan bij het graven, als door middel van een (historisch) vooronderzoek uitgesloten is dat de ontgraving plaatsvindt op een PFAS-bronlocatie (zie stap 1).

Tabel 24: Ontgravingskwaliteit PFAS-zones IJsselstein Ontgravingskwaliteit PFAS (in µg/kg)

PFAS-zones

PFOS

PFOA

PFAS overig

2,3

<1,4

< 1,9

< 1,4

Bovengrond (0 – 0,5 m -mv) van zone PFAS B2 gemiddeld gemeten PFAS-gehalten (in µg/kg)

< 1,4

Ondergrond (0,5 – 2 m -mv) van zone PFAS O2 gemiddeld gemeten PFAS-gehalten (in µg/kg)

< 1,4

VERKLARING Voldoet aan landelijke achtergrondwaarde (THK PFAS 2 juli 2020) > landelijke achtergrondwaarde en < toepassingswaarde Wonen/Industrie (THK PFAS 2 juli 2020)

Stap 3: Welke eisen gelden er op de toepassingslocatie? Op de Toepassingskaart wordt per onderscheiden zone/gebied aangegeven welke kwaliteit grond primair mag worden toegepast. De Toepassingskaart is opgenomen in bijlage 4D van deze Nota. Niet alle Gebiedsspecifieke beleidsregels kunnen op de Toepassingskaart worden weergegeven. Daarom zal bij elke toepassing nagegaan moeten worden of de voorgenomen toepassing ook voldoet aan de Gebiedsspecifieke eisen en voorwaarden die beschreven zijn in paragraaf 5.4 en 5.5. In paragraaf 5.4 is aangegeven welke Gebiedsspecifieke beleidsregels er gelden voor enkele niet-zone gerelateerde onderdelen. In paragraaf 5.5 is aangegeven voor welke zones er Gebiedsspecifieke eisen en voorwaarden gelden. Voor de onderstaande onderdelen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld: • Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (par. 5.4.1) • Toepassen van grond op gevoelige functies (par. 5.4.2)

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

49

• • • • • • • •

Toepassen van lood-houdende grond in tuinen (par. 5.4.3). Toepassen van grond op bedrijfs- en industrieterreinen (par. 5.4.4) Uitwisselen van grond tussen bermen van (spoor)wegen (par. 5.4.5) Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen (par. 5.4.6) Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering (par. 5.4.7) Ontgraven van grond dieper dan 2 meter (par. 5.4.8) Verspreiden van bagger op de landbodem (par. 5.4.9) Tijdelijke opslag van grond en bagger (par. 5.4.10)

Er kunnen meerdere Gebiedsspecifieke beleidsregels voor een toepassing of locatie tegelijk gelden. De toepassing is alleen toegestaan als aan alle eisen voldaan wordt. Bij conflicterende regels geldt de strengste eis. Let op: In het Generieke kader is de hoofdregel voor het toepassen van grond in het relatief onbelaste buitengebied, dat er alleen klasse L/N-grond toegepast mag worden (de functie is namelijk leidend voor de toepassingseis). In het buitengebied komen echter ook percelen voor met een andere (minder gevoeligere) bodemfunctie dan landbouw/natuur (bijv. woonpercelen). Die percelen zijn echter, om praktische redenen, niet allemaal afzonderlijk ingetekend op de Bodemfunctieklassenkaart. Op percelen in het buitengebied met een andere functie dan moestuinen/volkstuinen, natuur of landbouw, mag klasse Wonen-grond in de bovengrond- en ondergrond toegepast worden, als in het vigerende bestemmingsplan is aangegeven dat de functie anders is dan moestuin/volkstuin, natuur of agrarische doeleinden. PFAS (Toepassingseisen voor de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur) Hieronder wordt aangegeven welke kwaliteitseisen gelden voor PFAS bij het toepassen van grond in het buitengebied van IJsselstein. Raadpleeg de Bodemfunctieklassenkaart om te zien welke gebieden ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Bovengrond (0 – 0,5 m -mv) Herkomst van de grond

Toepassingseisen PFAS (in µg/kg) PFOS

PFOA

PFAS overig

Afkomstig uit zone PFAS B2 *) en PFAS O2

1,8 (LMW)

5,2 (LMW)

1,4

Afkomstig uit een andere PFAS-zone binnen de provincie Utrecht

1,4

3 (LMW)

1,4

Afkomstig van buiten de provincie Utrecht

1,4

2,3 (LMW)

1,4

*) in zone PFAS B2 zijn gelegen: gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel), Woerden, Utrecht (ten zuiden

van de A12), Oudewater, Montfoort, IJsselstein. Voor de exacte grenzen van zone PFAS B2, wordt verwezen naar kaartbijlage 4F VERKLARING Gelijk aan landelijke achtergrondwaarde (THK PFAS 2 juli 2020) LMW

Lokale Maximale waarde. Het gekozen getal is hoger dan de landelijke achtergrondwaarde en lager dan de geldende toepassingswaarde voor de functies Wonen/Industrie (THK PFAS 2 juli 2020)

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

50

Ondergrond (0,5 – 2 m -mv) Herkomst van de grond

Toepassingseisen PFAS (in µg/kg) PFOS

PFOA

PFAS overig

Afkomstig uit zone PFAS O2 *) en PFAS B2

1,4

2,4 (LMW)

1,4

Afkomstig uit een andere PFAS-zone binnen de provincie Utrecht

1,4

1,9

1,4

Afkomstig van buiten de provincie Utrecht

1,4

1,9

1,4

*) in zone PFAS O2 zijn gelegen:

gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel) en alle overige gemeenten in de provincie Utrecht, m.u.v. de gemeente Lopik. Voor de exacte grenzen van zone PFAS O2, wordt verwezen naar kaartbijlage 4G

VERKLARING Gelijk aan landelijke achtergrondwaarde (THK PFAS 2 juli 2020) LMW

Lokale Maximale waarde. Het gekozen getal is hoger dan de landelijke achtergrondwaarde en lager dan de geldende toepassingswaarde voor de functies Wonen/Industrie (THK PFAS 2 juli 2020)

De bovengenoemde toepassingseisen voor PFAS zijn gebaseerd op de volgende getallen: • Voor grond afkomstig uit dezelfde PFAS-zone als waarin IJsselstein ligt: o de P95 van de gemeten PFAS-gehalten in de PFAS-zone waarin IJsselstein gelegen is (Zone PFAS B2 voor de bovengrond en Zone PFAS O2 voor de ondergrond); • Voor grond afkomstig uit een andere PFAS-zone in de provincie Utrecht: o de P80 van de gemeten PFAS-gehalten in de PFAS-zone waarin IJsselstein gelegen is); • Voor grond afkomstig van buiten de provincie Utrecht: o de P50 (oftewel het gemiddelde) van de gemeten PFAS-gehalten in de PFASzone waarin IJsselstein gelegen is). Mochten de bovengenoemde percentielwaarden een getal opleveren dat lager is dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS uit het THK PFAS van 2 juli 2020, dan worden de landelijke achtergrondwaarden gebruikt als vervanging van de percentielwaarde. PFAS (Toepassingseisen voor de bodemfunctieklasse Wonen en Industrie) Hieronder wordt aangegeven welke kwaliteitseisen gelden voor PFAS bij het toepassen van grond in het bebouwde gebied van IJsselstein. Raadpleeg de Bodemfunctieklassenkaart om te zien welke gebieden ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen en Industrie. Bovengrond (0 – 0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 – 2 m -mv) Herkomst van de grond Toepassingseisen PFAS (in µg/kg) *)

Geldt voor alle grond *)

PFOS

PFOA

PFAS overig

3

7

3

uitgezonderd: moes- en volkstuinen, drinkwaterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden

VERKLARING = toepassingswaarde Wonen/Industrie (THK PFAS 2 juli 2020)

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

51

PFAS (Toepassingseisen voor gevoelige functies) Voor PFAS worden de volgende functies als gevoelig aangemerkt: • Moes- en volkstuinen; • Drinkwaterwingebieden; • Grondwaterbeschermingsgebieden. Voor de geldende kwaliteitseisen voor het toepassen van grond op moes- en volkstuinen en drinkwaterwingebieden wordt verwezen naar par. 5.4. Voor de kwaliteitseisen die gelden voor het toepassen van grond in grondwaterbeschermingsgebieden wordt verwezen tabel 24 onder Stap 2. De kwaliteitseisen voor het toepassen van grond zijn namelijk ook gebaseerd op de gemiddeld gemeten PFAS-gehalten van de betreffende zone. Deze is gelijk aan de ontgravingskwaliteit van de zone. Tijdelijke opslag van grond en bagger voorafgaande aan de toepassing Dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregel die geldt voor een voorgenomen toepassing, geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.4.10).

Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden? Naast Gebiedsspecifieke eisen kunnen er ook bijzondere omstandigheden zijn die vragen om een andere aanpak of die vanuit een ander (wettelijk) kader beschermt zijn. Na het beoordelen van de toepassingseisen in stap 3, zal daarom door de initiatiefnemer of uitvoerder ook nagegaan moeten worden of er sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals beschreven in hoofdstuk 7 van deze Nota.

Stap 5: Moet er een melding gedaan worden? Melding toepassing en tijdelijke opslag van grond en bagger Melden van de toepassingen en tijdelijke opslagen van grond en bagger is geregeld in het Besluit bodemkwaliteit (art. 42, lid 1). Voorafgaand aan de toepassing is een melding bij het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit) noodzakelijk. Dit moet minimaal 5 werkdagen voordat de daadwerkelijke toepassing plaatsvindt. Het is de bedoeling dat de toepasser eerst zelf nagaat of de beoogde toepassing toegestaan is volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit en bovendien niet in strijd is met de Gebiedsspecifieke beleidsregels uit deze Nota. Wanneer de toepasser tot de conclusie komt dat de toepassing in strijd is met het Besluit of met deze Nota dan mag de grond niet op de voorgenomen wijze toegepast worden. Een melding indienen is dan niet zinvol. De volgende 3 typen meldingen zijn van belang in het kader van het grondverzet: • Werk schone grond • Toepassing partij • Tijdelijke opslag Soms wordt, vaak om begrijpelijke redenen, het verkeerde meldingtype gebruikt of zijn niet alle vereiste documenten bijgevoegd. Om vertraging of het buiten behandeling laten van een melding te voorkomen, is het van belang om een juiste en volledige melding in te dienen. De typen meldingen worden hierna verder toegelicht.

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

52

Melding Werk schone grond: Dit type melding is uitsluitend bedoeld voor het toepassen van klasse L/N-grond. Bij dit type melding zal (ook) een milieuhygiënische verklaring gevoegd moeten worden op basis waarvan de instantie die de meldingen behandeld (ODRU), kan vaststellen of het inderdaad om klasse L/N-grond gaat. Soms zijn meerdere bewijsmiddelen nodig om dit aan te kunnen tonen en is een partijkeuring niet voldoende, omdat hierbij vaak alleen de stoffen uit het standaardpakket grond zijn onderzocht. Meer informatie hierover is te vinden in bijlage 2, onder de definitie van schone grond. Melding Toepassing partij: Dit type melding is bedoeld voor het toepassen van klasse Wonen-grond of klasse Industriegrond. Melding Tijdelijke opslag: Dit type melding dient gebruikt te worden als men grond tijdelijk (maximaal 3 jaar) opslaat, voorafgaande aan een definitieve toepassing. Deze toepassing moet nuttig en functioneel zijn. Om dit voorafgaand aan de tijdelijke opslag te kunnen toetsen, dient bij de melding tevens de eindbestemming te worden aangegeven. In paragraaf 5.4.10 is aangegeven welke vormen van tijdelijke opslag in het Besluit bodemkwaliteit onderscheiden worden en welke eisen hier aan gesteld worden. Voor een tijdelijke opslag gelden dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregels als die eventueel gelden voor een voorgenomen toepassing op de eindbestemming.

Bij een melding van een tijdelijke opslag moet de verwachte duur van de opslag en de eindbestemming worden aangegeven (zie par. 5.4.10). Bij de melding te verstrekken informatie Bij een melding Besluit bodemkwaliteit, dient, ongeacht het type melding, de volgende informatie door de melder verstrekt te worden: • Het resultaat van de uitgevoerde puntbronnencheck (zie stap 1 en par. 8.2.2); • Een erkend bewijsmiddel waaruit de kwaliteit van de grond blijkt. Op basis daarvan kan de ODRU vaststellen of de toepassing of tijdelijke opslag toegestaan is. Bij het gebruik van de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van grond dient bovendien aangegeven te worden: • Welke Ontgravingskaart is gebruikt (onder- of bovengrond); • Uit welke zone de grond vrijgekomen is (zie Bodemzoneringskaart in bijlage 4A en voor PFAS bijlage 4F en 4G van deze Nota); • Aanduiding van de aard van de voorgenomen toepassing: op of in de bodem, laagdikte en diepte. Uitzonderingen op de meldplicht De meldingsplicht uit het Besluit bodemkwaliteit geldt voor alle toepassingen van grond en baggerspecie, met uitzondering van: • Het direct verspreiden van ongerijpte bagger op aangrenzende percelen.

Wel dient voldaan te worden aan de zorgplicht bodem (zie paragraaf 6.4.1) en/of de Gebiedsspecifieke voorwaarden die voor dit onderdeel opgenomen zijn (zie paragraaf 5.4.9); • Toepassing van grond of baggerspecie door particulieren (dit betreft vaak kleine hoeveelheden); • Het toepassen van grond of baggerspecie binnen gronden die horen bij een landbouwbedrijf, als het perceel waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast een

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

53

•

zelfde of vergelijkbare teelt heeft dan het perceel waar de grond of baggerspecie vrijkomt; Het toepassen van klasse L/N-grond in een volume kleiner dan 50 m3. Op verzoek (bijvoorbeeld bij een veldwerkcontrole) moet de toepasser aan kunnen tonen dat de grond inderdaad in de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt.

Verantwoordelijkheid bij de toepassing De toepasser blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de toepassing, ook al komt er vanuit het bevoegd gezag geen reactie op een ingediende melding. Bovendien wordt de toepasser verantwoordelijk gehouden voor het indienen van de melding, ook al wordt deze ingediend door een andere partij of rechtsperspersoon. In het Besluit bodemkwaliteit is namelijk niet expliciet aangegeven wie de melding moet verrichten. De opdrachtgever voor de werkzaamheden en de uitvoerder van de werkzaamheden zijn beiden verantwoordelijk voor het doorlopen van de bovengenoemde stappen. De ODRU voert namens de gemeente de taken uit die in het Besluit bodemkwaliteit als bevoegdheid van gemeenten worden aangeduid.

6.4 6.4.1

Aandachtspunten Zorgplicht

Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven, tijdelijk opslaan of toepassen van grond en baggerspecie de wettelijk zorgplicht bodem in acht worden genomen. De zorgplicht bodem houdt het volgende in: een ieder die weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat de voorgenomen handelingen kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de bodemkwaliteit, dient alle maatregelen te nemen om deze nadelige beïnvloeding te voorkomen. Degene die de handelingen uitvoert is hier primair voor verantwoordelijk, maar de opdrachtgever van de werkzaamheden is ook medeverantwoordelijkheid.

6.4.2

Samenvoegen van grond

Het samenvoegen of opbulken van grond tot een volume van meer dan 25 m3 is niet toegestaan zonder erkenning. Het samenvoegen of opbulken van grond tot en met een volume van 25 m3 is alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • De grond is afkomstig van één en dezelfde locatie en is aaneengesloten ontgraven; • De grond is niet sterk verontreinigd; • De grond is niet asbestverdacht; • De grond van de afzonderlijke partijen komt qua samenstelling en (verwachte) kwaliteit overeen.

6.4.3

Overige aandachtspunten

Naast het Besluit bodemkwaliteit kunnen er nog verschillende andere wetten en regelgeving van toepassing zijn op het graven in de bodem en het toepassen van grond of bagger in een bepaald gebied. Hieronder wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van thema’s die eventueel ook aan de orde kunnen zijn. Informatie hierover is te vinden op de website van de provincie Utrecht, de RUD Utrecht, de ODRU (Geoloket) of van de gemeente zelf: • Wet bodembescherming • Archeologie • Niet gesprongen explosieven • Aardkundige Waarden

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

54

• • • • • • •

Flora & Fauna Natuurbeschermingswet Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht Ontheffing stortverbod Bepalingen uit bestemmingsplannen Omgevingswet Regels m.b.t. het toepassen van grond die (zaden van) invasieve exoten bevatten (bijv. van de Japanse Duizendknoop).

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

55

7.

Bijzondere omstandigheden

7.1

Gebieden/situaties die zijn uitgezonderd van de kaart

In een aantal gebieden kan de bodemkwaliteitskaart niet (zonder meer) gebruikt worden als bewijsmiddel bij hergebruik van grond. Het gaat om de volgende gebieden: • Oppervlaktewateren (hieronder worden in deze Nota naast meren en hoofdwatergangen ook verstaan: kleinere sloten, vennen en greppels). Wanneer er bagger op de landbodem toegepast of verspreid wordt, zal er een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd moeten zijn om de kwaliteit van de bagger te kunnen controleren of zal aangetoond moet zijn dat de watergang onverdacht is. Voor het toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater is de gemeente geen bevoegd gezag; • Verdachte bermen van (spoor)wegen. Het opgestelde Gebiedsspecifiek beleid voor het uitwisselen van bermgrond zonder onderzoek, geldt alleen voor onverdachte bermen; • Gesaneerde locaties. Hier geeft de Ontgravingskaart geen representatief beeld van de werkelijke bodemkwaliteit van deze zone; • Locaties waar gereinigde grond is toegepast. Gereinigde grond valt in een speciale categorie en heeft vaak andere eigenschappen (voor wat betreft uitloging van stoffen e.d.) dan normale gebiedseigen grond; • Locaties die op basis van de puntbronnencheck (zie paragraaf 8.2) worden aangemerkt als verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging.

Hier dient eerst aanvullend een bodemonderzoek te worden uitgevoerd op de verdachte stoffen op de verdachte plaatsen en diepten. Voor PFAS-verdachte locaties wordt verwezen naar de opsomming in Stap 1 in het Stappenschema voor het grondverzet (par. 6.3). Uitgezonderde gebieden De volgende gebieden worden op voorhand al als verdacht aangemerkt. Als hier grond ontgraven wordt moet er altijd eerst een onderzoek uitgevoerd worden: • Erven van agrarische bedrijven (de grond bevat vaak meer dan 20% bodemvreemd materiaal) • Tracés van gedempte sloten (zolang aard en herkomst dempingsmateriaal onbekend zijn, worden slootdempingen als bodemverdacht aangemerkt) • Puindammen en puinpaden (vaak asbestverdacht, dat moet eerst uitgesloten kunnen worden) • Stedelijke ophooglagen (zijn vaak matig/sterk verontreinigd met zware metalen, PAK of minerale olie). In IJsselstein komen deze (met name) voor in zone Bebouwing 3/3. • Oude bedrijfs- en industrieterreinen (hier zijn vaak veel puntbronnen aanwezig); • PFAS-verdachte locaties (zie bij Stap 1 in het Stappenschema voor het grondverzet (par. 6.3). Uitgezonderde situaties Voor de volgende situaties is de bodemkwaliteitskaart ook niet zonder meer als bewijsmiddel te gebruiken voor het ontgraven dan wel toepassen van grond/bagger: • Sterk verontreinigde grond. D.w.z.

grond die voor één of meer stoffen gehalten bevat die de interventiewaarde overschrijden • Toepassing van grond in de kern van een grootschalige bodemtoepassing • Direct nat verspreiden van ongerijpte baggerspecie op aangrenzende percelen • Grond met meer dan 20 % aan bijmenging met bodemvreemde materialen • Grond die asbest-verdacht is en grond die meer dan 100 mg/kg asbest bevat.

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

56

Als er een bodemonderzoek of partijkeuring is uitgevoerd waaruit blijkt dat de kwaliteit van de betreffende partij grond afwijkt van de gemiddelde kwaliteit die in deze zone te verwachten is (zie Ontgravingskaarten), maar de gemeten concentraties van de onderzochte stoffen liggen voor alle stoffen onder de P95 van de betreffende zone, kan de BKK alsnog als bewijsmiddel gebruikt worden voor toepassingen in de eigen gemeente. Voor PFAS wordt in dat geval getoetst aan de P95 van de PFAS-zone. Voor de gemeente IJsselstein betekent dit dat wordt getoetst aan de P95 van de betreffende PFAS-zone. Dat is zone PFAS B2 voor toepassing in de bovengrond en zone PFAS O2 voor toepassing in de ondergrond. In de onderstaande tabellen zijn de bijbehorende getallen waaraan getoetst worden weergegeven. Bovengrond (0 – 0,5 m -mv)

Herkomst van de toe te passen grond

Waarde waaraan PFAS-getoetst wordt als geen gebruik wordt gemaakt van de BKK PFAS maar van een ander bewijsmiddel (in µg/kg)

Grond is afkomstig uit zone PFAS B2 of PFAS O2 en wordt toegepast in zone PFAS B2

PFOS

PFOA

PFAS overig

1,8 (LMW)

5,2 (LMW)

1,4

VERKLARING Gelijk aan landelijke achtergrondwaarde (THK PFAS 2 juli 2020) LMW

Lokale Maximale waarde. Het gekozen getal is hoger dan de landelijke achtergrondwaarde en lager dan de geldende toepassingswaarde voor de functies Wonen/Industrie (THK PFAS 2 juli 2020)

Ondergrond (0,5 – 2 m -mv)

Herkomst van de toe te passen grond

Waarde waaraan PFAS-getoetst wordt als geen gebruik wordt gemaakt van de BKK PFAS maar van een ander bewijsmiddel (in µg/kg)

Grond is afkomstig uit zone PFAS O2 of PFAS B2 en wordt toegepast in zone PFAS O2

PFOS

PFOA

PFAS overig

1,4

2,4 (LMW)

1,4

VERKLARING Gelijk aan landelijke achtergrondwaarde (THK PFAS 2 juli 2020) LMW

7.1.1

Lokale Maximale waarde. Het gekozen getal is hoger dan de landelijke achtergrondwaarde en lager dan de geldende toepassingswaarde voor de functies Wonen/Industrie (THK PFAS 2 juli 2020)

Gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging

Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging wanneer het gemeten gehalte van één of meerdere stoffen in de bodemvolume van meer dan 25 m 3 de interventiewaarde overschrijdt. Wanneer er sprake is van een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing op deze locatie/situatie. Er dient dan altijd eerst

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

57

contact op te worden genomen met het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb). Tot 1 januari 2022 is dat de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD), namens de provincie Utrecht. Er is in deze Nota geen kaart opgenomen met locaties waar sprake is van een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging, omdat het gaat om informatie die regelmatig wijzigt. Het is daarom nodig om voorafgaand aan grondverzet en andere activiteiten, altijd de beschikbare bodeminformatiebronnen te raadplegen. Of er op de betreffende locatie sprake is van een reeds bekend geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging kan nagegaan worden via het Landelijk bodemloket (www.bodemloket.nl) en op het Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht (www.odru.nl). Voor het uitvoeren van vooronderzoek om een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreinigingen uit te kunnen sluiten, wordt verwezen naar paragraaf 8.2.2.

7.1.2

Grootschalige bodemtoepassingen

Het in hoofdstuk 5 beschreven Gebiedsspecifieke beleidkader voor het grondverzet geldt niet voor het toepassen van grond in de kern van een Grootschalige bodemtoepassing (GBT). Hiervoor is in het Besluit bodemkwaliteit een apart kader opgenomen. Toch wordt het van belang geacht hier in deze Nota een toelichting op te geven. Een grootschalige bodemtoepassing (GBT) is een toepassing waarin een grote hoeveelheid grond of baggerspecie aaneengesloten wordt toegepast. Een GBT moet (zoals beschreven is in de artikelen 62 t/m 64 van het Besluit bodemkwaliteit) aan een aantal eisen voldoen. Zie bijlage 10 van deze Nota. Leeflaag Een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van grond of baggerspecie van tenminste 0,5 meter. Deze leeflaag moet geschikt zijn voor de gebruiksfunctie en passen bij de daadwerkelijke kwaliteit van de omliggende bodem. In het geval de grootschalige toepassing is gelegen in gebied waarvoor Gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn vastgesteld (LMW), en voor de leeflaag gebiedseigen materiaal gebruikt wordt, dan gelden deze LMW ook als toepassingseis voor de leeflaag van de GBT.

7.1.3

Verspreiden van bagger op aangrenzende percelen

Ook voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen is in het Besluit bodemkwaliteit een separaat kader opgenomen. Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is vastgelegd in artikel 35, lid f van het Besluit bodemkwaliteit: 'verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen”. De gemeente IJsselstein heeft het begrip “aangrenzende percelen” verruimd tot alle percelen die zich bevinden binnen dezelfde zone als waarin (één van) de te baggeren watergang(en) gelegen is. Zie paragraaf 5.4.9). Alleen als het oogmerk is: het verbeteren of herstellen van het perceel, wordt deze activiteit als een nuttige toepassing in de zin van art 35 aangemerkt en valt deze activiteit onder de regels die in deze Nota beschreven zijn. Opgemerkt wordt dat het beschreven toetsingskader niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort) of andere verdachte locaties. Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit en daarom ook buiten de scope van deze Nota.

In bijlage 11 van deze Nota is beschreven hoe bepaald wordt of de bagger milieuhygiënisch verspreidbaar is op aangrenzende percelen (d.m.v. de zogeheten msPAF-methode).

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

58

8. Beleid voor graven en saneren 8.1 Verschil tussen graven en saneren De activiteit graven is niet gericht op het verbeteren van de bodemkwaliteit, maar op het uitvoeren van een bepaald werk. Een bodemsanering (zie paragraaf 8.2.3) is bedoeld om verontreinigingen die een belemmering vormen voor het beoogde bodemgebruik te verwijderen of zodanig maatregelen te nemen dat contact met en/of verspreiding van de verontreiniging tegengegaan wordt. In de Omgevingswet, die binnenkort van kracht wordt, wordt er duidelijk onderscheid gemaakt in de activiteiten graven en saneren. Zie verder hoofdstuk 10, Doorkijk naar de Omgevingswet. In de praktijk is het verschil tussen graven en saneren soms minder duidelijk. Immers niet alle grond die vrijkomt kan altijd zonder meer hergebruikt worden. Soms moet grond worden afgevoerd naar een erkend verwerker, zonder dat er sprake is van een sanering.

8.1.1 Onderzoek naar de kwaliteit van de grond Hieronder worden enkele wettelijke kaders genoemd die met grondverzet en saneringen te maken hebben: • Wet bodembescherming; vaststelling van de ernst van een geval van bodemverontreiniging en van de mate van spoedeisendheid om te saneren • Besluit uniforme saneringen (BUS): vaststelling van de bodemkwaliteit van grond die wordt ontgraven en teruggeplaatst, of (gedeeltelijk) wordt afgevoerd • Besluit bodemkwaliteit: vaststelling van de bodemkwaliteit waarop (of waarin) grond/baggerspecie wordt toegepast en vaststelling van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond/bagger die wordt toegepast (zie voorgaande hoofdstukken). Voor de meeste activiteiten of handeling in of op de bodem is vooraf inzicht in (de te verwachten) bodemkwaliteit nodig. Bij activiteiten zonder grondverzet (bijv. funderingsherstel), kan de gemeente ontheffing verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: • Er wordt “geen grondverzet” verricht: er wordt geen grond verplaatst, behalve door het eventueel in de grond dringen van funderingspalen, én • De bestaande vloer blijft (grotendeels) intact: de vloer wordt alleen verwijderd op plaatsen waar eventueel funderingspalen worden aangebracht.

De ontheffing wordt alleen verleend als de aanvrager van de ontheffing verklaart niet bekend te zijn met de aanwezigheid van ondergrondse tanks of bodemverontreiniging (anders dan de reeds bekende diffuse verontreinigingen die blijken uit de Ontgravingskaarten).

8.2

Graven in de bodem

8.2.1 Projectmatige ontgravingen (zonder saneringsdoel) Wanneer in de bodem wordt gegraven, is dit meestal noodzakelijk voor een bepaald project. Dit noemen we in deze Nota een “projectmatige ontgraving”. Bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, het aanleggen van een kelder of parkeergarage, een tunnel, herinrichting van een terrein/gebied, aanleg of onderhoud van kabels, leidingen en rioleringswerkzaamheden. Er

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

59

wordt bij projectmatige ontgravingen geen saneringsdoel nagestreefd. Met andere woorden, het doel is het verplaatsen van grond en niet het verbeteren van de bodemkwaliteit. Zolang er niet in sterk verontreinigde grond gegraven wordt is het uitgangspunt bij projectmatige ontgravingen daarom: het zoveel mogelijk herbenutten van de vrijkomende grond, liefst binnen hetzelfde werk. Dat wordt ook wel “werk met werk maken” genoemd. Soms is een uitgebreid verkennend bodemonderzoek nodig, waarbij boven-, ondergrond en grondwater onderzocht worden en soms kan volstaan worden met een beperkter onderzoek en ligt een maatwerk-onderzoek meer voor de hand. Voorafgaand aan werkzaamheden in of op de bodem is inzicht in de (te verwachten) bodemkwaliteit nodig. Dit kan op verschillende manieren verkregen worden. Welke inspanningsverplichting hiervoor nodig is, hangt af van verschillende factoren, onder andere het doel van de ontgraving, het gebied waar gegraven wordt en de bodeminformatie die eventueel al van dat gebied bekend is. Dit wordt verder toegelicht in par. 8.2.2.

8.2.2 Historisch vooronderzoek Elk bodemonderzoek en elke partijkeuring begint met een (historisch) vooronderzoek. Dit moet doorgaans zijn gebaseerd op de NEN 5725 “Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek”. Dat is bijvoorbeeld voorgeschreven bij bouwactiviteiten. Voor het verrichten van projectmatige ontgravingen, wordt het echter niet in alle gevallen nodig gevonden om een vooronderzoek uit te voeren dat helemaal conform de NEN 5725 is uitgevoerd en kan in sommige gevallen volstaan worden met een beperkt vooronderzoek. De globale bodemkwaliteit van de locatie waar gegraven wordt is immers al bekend en aangeduid op de Ontgravingskaart. Het gaat er daarom alleen om dat bijzondere omstandigheden uitgesloten kunnen worden. Puntbronnencheck Bij kleinschalige projectmatige ontgravingen kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (de zogeheten puntbronnencheck). Een puntbronnencheck, in plaats van een vooronderzoek conform de NEN 5725, volstaat voor kleinschalige projectmatige ontgravingen die uitgevoerd worden binnen een bodemvolume dat kleiner is dan 25 m 3. De meeste graafwerkzaamheden in de grond voldoen aan dit criterium.

Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgesomd van graafwerkzaamheden die doorgaans een beperkte omvang hebben: • Het graven van een inspectieput voor funderingsonderzoek • De aanleg van of het verrichten van herstelwerkzaamheden aan kabels, leidingen en rioleringen • Het plaatsen van een lichtmast, oplaadpaal, gaskast, enz. • Het graven van een boomplantgat. Bij de puntbronnencheck worden in ieder geval de volgende informatiebronnen geraadpleegd: • Landelijk bodemloket (www.bodemloket.nl). Hierop vindt men informatie over geregistreerde gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging (status, uitgevoerde onderzoeken, beschikkingen en gewenste vervolgacties) • Geoloket van de ODRU (www.odru.nl). Hierop vindt men o.a. informatie van uitgevoerde bodemonderzoeken, ondergrondse tanks, gedempte sloten en (voormalige) boomgaardpercelen, kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart (o.a. de Ontgravingskaarten boven- en ondergrond) en de Loodverwachtingenkaart.

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

60

Blijkt de locatie niet verdacht, dan mag met de Ontgravingskaart een inschatting worden gemaakt van de lokale bodemkwaliteit. Blijkt de locatie wel verdacht, dan is de kans aanwezig dat er verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn die een belemmering opleveren bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden en zal er eerst een onderzoek naar de kwaliteit van de grond en/of het grondwater moeten worden uitgevoerd, volgens de geldende normen.

8.2.3 Meldplicht bij graven Voor het graven geldt nu nog geen landelijke meldplicht, met uitzondering van het graven in een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging. Daarvoor moet vooraf goedkeuring zijn gegeven door het bevoegd gezag. Dat is totdat de Omgevingswet in werking is getreden, de regionale Uitvoeringsdienst Utrecht RUD, namens de provincie Utrecht. Omgevingswet Onder de Omgevingswet worden er regels gesteld voor het graven in een bodemvolume groter dan 25 m3, zowel voor sterk als voor niet-sterk verontreinigde grond. Deze regels worden opgenomen in het Besluit Activiteit Leefomgeving (BAL). Zie verder hoofdstuk 10, voor een doorkijk naar deze regels voor het graven in de bodem. Voor het graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3 worden onder de Omgevingswet geen regels en voorwaarden gesteld. Dus ook niet voor sterk verontreinigde grond. Voor het ontgraven van sterk verontreinigde grond (gehalten boven de interventiewaarde) worden regels in de Bruidsschat opgenomen. Daarmee komen ze in het Tijdelijk deel van het Omgevingsplan terecht en heeft de gemeente tot 1-1-2030 de tijd om ze uit te werken in het definitieve Omgevingsplan. Meldplicht voor graven in zone Bebouwing 3/3 De gemeente IJsselstein acht het noodzakelijk voor projectmatige ontgravingen, waarbij sterk verontreinigde grond verwacht kan worden, wel te reguleren. Een formele melding (art.

28 Wbb) of een BUS-melding wordt voor deze veel voorkomende graafwerkzaamheden een onnodig zwaar middel gevonden, dat niet in verhouding staat tot de aard van deze werkzaamheden. Daarom heeft de gemeente ervoor gekozen voor ontgravingen van sterk verontreinigde grond met een beperkte omvang (< 25 m3) een meldingsplicht in te stellen. Vooralsnog geldt deze meldplicht alleen voor ontgravingen die plaatsvinden in zone Bebouwing 3/3. Toelichting: Zone Bebouwing 3/3 is de zone met de hoogste concentraties aan verontreinigingen in IJsselstein. Zowel de boven- als de ondergrond van deze zone wordt, op basis van de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit, ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Ontgravingen die plaatsvinden in deze zone dienen tenminste 5 werkdagen voordat de ontgraving plaatsheeft gemeld te worden bij de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). 13 Op dit moment (totdat de Omgevingswet in werking is getreden) zal in de meeste gevallen voor het graven in zone Bebouwing 3/3 een melding BUS-TUP (bij projectmatige ontgravingen) of een BUS-immobiel/mobiel (als er milieuhygiënische saneringsdoelstelling is) afdoende zijn. Voor een nadere toelichting over BUS-meldingen wordt verwezen naar paragraaf 8.3.1.

13

Hiervoor dient het formulier gebruikt te worden dat in bijlage 12 van deze Nota opgenomen is. Dit formulier kan gedownload worden op de website van de ODRU (www.odru.nl).

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

61

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zal het Besluit uniforme saneringen (BUS) en de Regeling Uniforme Saneringen (RUS) komen te vervallen en zal de hierboven beschreven meldplicht voor het graven in zone Bebouwing 3/3 ingaan. De meldplicht en de wijze waarop De melding wordt ingediend en beoordeeld, zal uitgewerkt worden in het gemeentelijk Omgevingsplan.

8.2.4 BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van grond Zowel de herkomstlocatie van de grond als de toepassingslocatie, moet op eventuele brongerelateerde verontreinigingen worden onderzocht. De puntbronnencheck is een verplicht onderdeel van de melding als men grond wil toepassen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (zie verder paragraaf 6.3, stap 5). Onverdacht Is de herkomstlocatie ‘niet verdacht’ dan mag worden aangenomen dat de bewuste partij grond inderdaad overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven op de Ontgravingskaart. De bodemkwaliteitskaart kan dan als bewijsmiddel worden gebruikt en er hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het resultaat van de check kan in een briefrapport worden verantwoord. Voor PFAS kan worden uitgegaan van de ontgravingskwaliteit van zone PFAS B2 (bovengrond 0 – 0,5 m -mv) en zone PFAS O2 (ondergrond 0,5 – 2 m -mv). Zie voor de bijbehorende getallen Stap 2 in het Stappenschema grondverzet van par. 6.3. Verdacht Leidt de puntbronnencheck wel tot een verdenking, dan moet eerst een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) en/of een asbestonderzoek (conform de NEN 5707) worden uitgevoerd voor het ontgraven/toepassen van de grond. Dat onderzoek moet gericht zijn op: • De parameters waarop de grond verdacht is; • De plaats en het bodemtraject waar de verontreiniging verwacht wordt.

8.2.5 Graven zonder bodemonderzoek of partijkeuring Als er geen bodemonderzoek uitgevoerd is, moet men tijdens graafwerkzaamheden extra alert zijn op bodemvreemd materiaal of onverwachte verontreinigingen. Mocht men daarop stuiten, dan moet dit worden gemeld bij de ODRU. De ontgraving wordt dan onmiddellijk gestaakt en de verontreinigde laag wordt onderzocht op de te verwachten stoffen. De werkzaamheden mogen in dat geval niet worden voortgezet voordat het onderzoeksresultaat door de ODRU is beoordeeld en gebleken is dat er geen aanvullende bodemmaatregelen getroffen hoeven te worden. Daarnaast moet, indien noodzakelijk, de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) zo snel mogelijk door de initiatiefnemer op de hoogte worden gesteld en wordt, afhankelijk van de ernst van de situatie, het veiligheidsregime van de werkzaamheden aangepast.

8.2.6 Veiligheid en gezondheid Werkzaamheden waarbij in de grond wordt gegraven moeten veilig worden uitgevoerd. Wanneer gegraven wordt in verontreinigde grond is dat met passende veiligheidsmaatregelen. Soms is een onderzoek wenselijk om eventuele Arbo-risico’s te bepalen. Voor het bepalen van bodemgerelateerde Arbo-risico’s moet vanaf 2019 gebruik worden gemaakt van de CROW-400 Werken in en met verontreinigde bodem, die verontreinigingen toetst aan de zogeheten SRCArbo (Serious Risk Concentration). Daarbij accepteert CROW 400 ook publiekrechtelijke bodemkwaliteitskaarten om de noodzaak van veiligheidsmaatregelen te bepalen. Daarbij wordt

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

62

gebruik gemaakt van de statistische P80-waarde van bodemkwaliteitskaartzones. De percentielwaarden (o.a. P80, P90 en P95), van de bodemkwaliteitszones die op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente IJsselstein onderscheiden worden zijn opgenomen in de tabellen van bijlage 3.

8.3 Saneren Wanneer er in de grond of in het grondwater verontreinigingen aanwezig zijn, kan een terrein of gebied ongeschikt zijn voor een beoogd bodemgebruik. Dat is bijvoorbeeld het geval als er gebouwd wordt op een woningbouwlocatie, waarvan de bodem zodanig verontreinigd is dat er sprake is van humane risico’s. Dan moet de bodem voor het bodemgebruik Wonen geschikt gemaakt worden. Dat wordt “saneren” genoemd. Het doel is dan: het verbeteren van de kwaliteit. Wanneer sprake is van een ernstig verontreinigde bodem dient de saneerder van te voren een saneringsplan of een BUS-melding in te dienen, die door het bevoegd gezag beoordeeld wordt. Op dit moment is de provincie Utrecht nog steeds het bevoegd gezag voor het behandelen van saneringsplannen en BUS-meldingen. Deze taak wordt namens de provincie uitgevoerd door de RUD Utrecht. Bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet zullen deze taken overgaan naar de gemeenten/ODRU.

8.3.1 BUS-melding Het Besluit uniforme saneringen (BUS) is een landelijke uniforme regeling voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd kunnen worden afgerond. Voor eenvoudige werkzaamheden/saneringshandelingen in verontreinigde bodem kan worden volstaan met een melding op grond van deze regeling. Bijvoorbeeld voor het ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg van een kelder. Dan zijn de algemene regels van het BUS van toepassing. Na afloop van de bodemsanering moet een evaluatieverslag worden ingediend. Voor de melding en het evaluatieverslag wordt een landelijk formulier gebruikt. Bij een bodemsanering wordt eerst een risicobeoordeling en een bepaling van ernst en spoedeisendheid gedaan. Bij een bodemsanering die uitgevoerd gaat worden onder de BUS-regeling is die bepaling niet nodig. Er worden in het BUS een aantal categorieën onderscheiden, waaronder BUS Tijdelijk uitplaatsen, BUS-mobiel en BUS immobiel. De eerst genoemde categorie hoort eigenlijk niet onder het kopje “saneren” thuis, omdat deze graafwerkzaamheden niet tot doel hebben om de kwaliteit van de grond te verbeteren maar om het werk te kunnen uitvoeren. De uitvoeringsregels van het BUS zijn beschreven in de Regeling Uniforme Saneringen (RUS).

BUS-melding tijdelijk uitplaatsen (BUS-TUP) De meest voorkomende werkzaamheden in de bodem zijn het graven van sleuven en gaten ten behoeve van het aanleggen van kelders, werkzaamheden aan kabels, leidingen en rioleringen. Bij deze werkzaamheden wordt geen saneringsdoel nagestreefd, maar moet grond, vaak tijdelijk, worden verwijderd om het werk uit te kunnen voeren. Als deze werkzaamheden worden uitgevoerd in ernstig verontreinigde grond, zal een BUS-TUP moeten worden ingediend bij de RUD Utrecht. Uitgangspunt bij de categorie BUS-TUP is dat de grond zoveel mogelijk wordt teruggebracht, maar afvoer is onder deze categorie óók mogelijk (bijv. als tijdens het graven blijkt dat de grond civieltechnisch ongeschikt is voor hergebruik op locatie). De proceduretijd van een BUS-TUP loopt uiteen van 5 weken (regulier) tot 5 werkdagen voor zeer eenvoudige saneringen. Voorwaarden om voor die verkorte procedure in aanmerking te komen zijn o.a:

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

63

• • • •

Alle grond wordt na afloop weer teruggebracht in het profiel van de ontgraving (bouwput, sleuf, kuil enz.) De grond is tot de ontgravingsdiepte in gelijke mate verontreinigd De grond die teruggebracht wordt mag tussentijds geen bewerking ondergaan hebben Er wordt niet gegraven op een locatie waar al sprake is van een isolatielaag (leeflaag, duurzame afdeklaag).

De RUS bevat voor de categorie tijdelijk uitplaatsen geen eisen voor de kwaliteit van de aanvulgrond. In art. 3.3.4 van de RUS staat echter dat de kwaliteit van terug te plaatsen grond niet mag verschillen met die van de aansluitende bodem. Bij de categorieën BUS-mobiel en BUS-immobiel is wel een apart artikel in de RUS opgenomen voor de kwaliteit van de aanvulgrond. Daarin staat dat de kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond moet voldoen aan de eisen van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. BUS-melding immobiel Voor immobiele verontreinigingen is een functiegerichte aanpak veelal voldoende om een locatie te saneren. Het uitvoeren van een uniforme sanering volgens de categorie BUSimmobiel is hiervoor een prima keuze. Na een melding in deze categorie behelst de saneringsaanpak normaliter het volledig verwijderen van de verontreiniging, of het aanleggen van een isolatielaag. Bij werkzaamheden die worden uitgevoerd volgens de categorie BUSimmobiel of BUS-mobiel wordt primair een milieuhygiënisch saneringsdoel gesteld, in tegenstelling tot de projectmatige aanpak van een uniforme sanering volgens de categorie BUS-TUP. BUS-melding mobiel Een BUS-melding volgens de categorie “mobiel” is vooral bedoeld voor een standaardaanpak van het klassieke bodemverontreinigingsgeval “ondergrondse tank met olieverontreiniging”.

Is de omvang van zo’n mobiele verontreiniging (minerale olie en vluchtige aromaten) beperkt, dan is het uitvoeren van een uniforme sanering mobiel veelal afdoende. Daarbij gelden o.a. de volgende voorwaarden: • Alle verontreinigde grond van de mobiele spot wordt door ontgraving verwijderd; • Het oppervlak waarbinnen de mobiele verontreiniging zich bevindt, bedraagt maximaal 1.000 m2; • Tijdelijk uitplaatsen van mobiele verontreiniging tijdens de uitvoering is niet toegestaan; Alle verontreinigde grond moet direct worden afgevoerd naar een erkend verwerker.

8.4 Gemeentelijke visie op aanpak van verontreinigingen In deze paragraaf wordt de gemeentelijke visie beschreven op de aanpak van een bodemverontreiniging in verschillende situaties.

8.4.1 Aanpak immobiele verontreinigingen Een locatie is na uitvoering van een uniforme sanering volgens de categorie BUS-immobiel ’blijvend geschikt’ voor het gewenste bodemgebruik. De bodemkwaliteit voldoet dan aan de normen die horen bij die nieuwe bodemfunctie. Een woonlocatie (en bij lood gaat het met name om de tuin) is bijvoorbeeld “blijvend geschikt” als de bodem ter plaatse van de tuin (al of niet met aangebrachte leeflaag) tot een diepte van tenminste 0,5 meter maximaal 100 mg/kg aan lood bevat. De bodem voldoet dan aan de lokale normen. Dit onderdeel zal verder uitgewerkt worden in het Omgevingsplan.

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

64

Functiewijziging naar gevoeliger bodemgebruik Als een perceel van bestemming of functie wijzigt, bijvoorbeeld bij het beëindigen van een bedrijf, dan kan het zijn dat de grond niet meer voldoet aan de kwaliteit die bij dat nieuwe bodemgebruik hoort (bijv. wonen). De functiewijziging zal dan in de meeste situaties het natuurlijk moment van saneren zijn. Wanneer sprake is van een tuin moet deze geschikt worden gemaakt voor de nieuwe en gevoeligere bodemfunctie. Bijvoorbeeld door het uitvoeren van een leeflaagsanering (of het in stand houden van een bestaande verharding). Als er geen sprake is van een gevoelig bodemgebruik (tuin, moestuin of kinderspeelplaats) hoeft er meestal geen sanering te worden uitgevoerd bij een functiewijziging. Sanering loodverontreiniging op gevoelige functies Wordt op een locatie een verontreiniging met lood geconstateerd met onaanvaardbare risico’s voor de mens, dan moet deze locatie worden gesaneerd. Is dat niet meteen mogelijk dan worden er tijdelijke veiligheidsmaatregelen getroffen. Dat kan inhouden dat een bepaald bodemgebruik tijdelijk verboden wordt of dat de grond tijdelijk afgedekt wordt om blootstellingsrisico’s te voorkomen.

In gevallen waar een loodverontreiniging aangetroffen wordt waar niet direct gesaneerd hoeft te worden, maar waar wel sprake is van lood boven de door IJsselstein vastgestelde maximaal gewenste loodconcentratie in (moes)tuinen van 100 mg/kg, dan gelden er gebruiksadviezen om grondingestie bij jonge kinderen te voorkomen (zie bijlage 13).

8.4.2 Aanpak mobiele verontreinigingen Voor alle mobiele verontreinigingen die niet met een BUS-melding BUS-mobiel kunnen worden gesaneerd moet een regulier saneringsplan worden ingediend. Mobiele verontreinigingen zijn vaak perceelgrensoverschrijdend. In dat geval moet door de saneerder de hele mobiele verontreiniging in kaart worden gebracht. Dus ook het deel dat zich op een buurperceel bevindt. Als de eigenaar van het buurperceel medewerking aan het onderzoek weigert, dan hoeft de saneerder alleen het bronperceel te onderzoeken en te saneren. De restverontreiniging zal zo goed mogelijk door de saneerder moeten worden uitgekarteerd. De restverontreiniging zal zowel op het bron- als op het buurperceel worden geregistreerd. Als op het buurperceel nog geen stedelijke ontwikkeling plaatsvindt, hoeft de omvang van de verontreiniging op het buurperceel nog niet te worden bepaald (tenzij sprake is potentiële humane risico’s). Weten dat er een restverontreiniging of pluim zit, is in dat geval voldoende. Volledige uitkartering is pas relevant als daar (stedelijke) ontwikkeling plaatsvindt. Projectmatige ontgravingen in mobiele spots Bij projectmatige ontgravingen voor ondergrondse infrastructuur is het niet toegestaan vrijkomende grond, die sterk verontreinigd is met mobiele verontreinigingen (boven de interventiewaarde), zonder meer terug te plaatsen.

De vrijkomende grond wordt in zo’n situatie als een afvalstof beschouwd die niet opnieuw gebruikt kan worden. Terugplaatsen zou in strijd zijn met artikel 38, lid 1b van de Wbb, waarin gesteld wordt dat het risico van verspreiding door de saneerder zoveel mogelijk moet worden beperkt. Die beperking moet voorkomen dat nalevering van mobiele stoffen plaatsvindt naar het grondwater. Door het plaatsen van een isolerende voorziening (bijvoorbeeld een scheidingsdoek) tussen de verontreinigde grond en de aanvulgrond wordt zoveel mogelijk voorkomen dat in de toekomst herverontreiniging van de gesaneerde bodem plaatsvindt. Tijdelijke beveiligingsmaatregelen Tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij mobiele verontreinigingen kunnen noodzakelijk zijn bij als er gevreesd wordt voor stankoverlast, uitdamping van schadelijke stoffen (bijv.

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

65

chloorverbindingen) of als direct contact met de verontreiniging mogelijk is. Afhankelijk van de situatie moeten dan (tijdelijke) maatregelen worden getroffen, zoals het aanbrengen van een laag grond, het afdekken met folie of het plaatsen van hekwerk, totdat de mobiele spot wordt aangepakt. Ook moeten bewoners en eventueel omwonenden op de hoogte worden gebracht. Brandstofverontreinigingen (vóór 1 januari 1987) Mobiele verontreinigingen uit oude brandstoftanks (zoals huisbrandolie, benzine) moeten worden opgeruimd, als dat niet reeds is gebeurd. Dat geldt in principe zowel voor de tanks zelf als voor de verontreinigde bodem, maar soms gelden uitzonderingen. Bijvoorbeeld als een tank in het verleden is gevuld met zand, maar een keuringsbewijs (Kiwa-certificaat) ontbreekt, of als een tank is gevuld met zand, maar niet eerst inwendig is gereinigd. Daarnaast komt het voor dat een tank op een moeilijk bereikbare plaats (onder een gebouw of direct naast een muur) ligt en verwijdering tot onevenredig hoge kosten zou leiden. In deze gevallen kan het bevoegd gezag (de gemeente) toestaan dat de tank niet wordt verwijderd, maar onklaar gemaakt wordt conform het Activiteitenbesluit. Dit onderdeel zal verder uitgewerkt worden in het Omgevingsplan.

Nota bodembeheer

gemeente IJsselstein

66

9. Doorkijk naar de Omgevingswet 9.1 Activiteiten graven en saneren Onder de Omgevingswet (OW) wordt er straks duidelijk onderscheid gemaakt in de activiteiten graven en saneren. De activiteit graven is niet gericht op het verbeteren van de bodemkwaliteit, maar op het uitvoeren van een bepaald werk. Een sanering is bedoeld om verontreinigingen die een belemmering vormen voor het beoogde bodemgebruik te verwijderen of zodanig maatregelen te nemen dat contact met en/of verspreiding van de verontreiniging tegengegaan wordt. Er zijn verschillende saneringsmethoden, deze vallen buiten de scope van deze nota.

9.1.1 Landelijke meldingsplicht ontgravingen > 25 m 3 Bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet geldt er in sommige gevallen een meldingsplicht voor het graven. De regels hiervoor worden opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). Dat is het Uitvoeringsbesluit van de Omgevingswet. Dit Besluit stelt regels aan het verrichten van zogeheten milieubelastende activiteiten. Onder de Omgevingswet wordt alleen het graven in de bodem als milieubelastende activiteit aangemerkt als het bodemvolume waarin gegraven wordt meer is dan 25 m 3.

9.1.2 Graafwerkzaamheden beperkte omvang (< 25 m 3 ) Het graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3 wordt niet aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Dat betekent dat aan deze categorie graafwerkzaamheden geen regels en voorwaarden verbonden worden in het BAL, ongeacht de chemische kwaliteit van deze bodem. Voor het ontgraven van sterk verontreinigde grond (gehalten boven de interventiewaarde) worden in de bruidsschat regels opgenomen. Bruidsschatregels zijn regels die van rechtswege worden ingevoegd in de decentrale regelgeving. Deze regels zorgen ervoor dat er geen juridisch gat ontstaat voor onderwerpen of specifieke regels die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk geregeld werden, maar na inwerkingtreding gedecentraliseerd zijn. Decentrale overheden kunnen de regels die met de bruidsschat in hun omgevingsplan zijn ingevoegd op ieder gewenst moment vanaf inwerkingtreding aanpassen (rekening houdend met de instructieregels van het Rijk en de provincie).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10209335/1